• Een ionchromatografische methode voor de bepaling van chroom(III) en chroom(IV) in drink-, grond-, regen-, en oppervlaktewater in het lage picomolbereik

      Neele J; Cleven RFMJ; LAC (1999-10-30)
      De prestaties en de uitvoering van de valentie specifieke analyse van chroom in watermonsters wordt in dit rapport beschreven. Een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de gelijktijdige bepaling van lage gehalten chroom(III) en chroom(IV) in diverse typen water is ontwikkeld en geoptimaliseerd. De scheiding werd verricht met een gemengde anion- en kationwisselaarskolom van Dionex, type CS5A. Hoge gevoeligheid werd bereikt met een voorconcentrering van 6 ml monster via twee CG5A guardkolommen en met een na-kolom reactie, gebaseerd op de katalystische oxidatie van luminol, met chemilumenescentie als detectie. De aantoonbaarheidsgrenzen voor chroom(VI) in Milli-Q water werd vastgesteld en bedraagt 20 ng/l. Voor chroom(III) is dit 90 ng/l. De resolutie tussen chroom(III) en chroom(VI) is uitstekend en bedraagt 10. De methode is getest voor de toepassing van drink-, regen-, grond- en oppervlakte water. De totale duur van de analyse van de beide componenten bedraagt minder dan 30 minuten. De operationele parameters van de methode zijn in een direct bruikbaar formaat in dit rapport opgenomen.
    • Een ionchromatografische methode voor de bepaling van fluoride in water

      Beld WA van den; Cleven RFMJ; Neele J; LAC (1998-08-31)
      Dit rapport bevat resultaten van het onderzoek naar het ontwikkelen van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepaling van fluoride, acetaat en formiaat in diverse waterige milieu's. Het onderzoek heeft geresulteerd in een betrouwbare, selectieve en gevoelige methode voor de bepaling van fluoride in water. De interferenties of meerdere nivo's van een aantal zouten, zuren en basen op de ontwikkelde ionchromatografische en een ionselective methode zijn onderzocht. Voor de ionchromatografische isocratische methode zijn prestatiekenmerken getest en vastgesteld. De aantoonbaarheidsgrens van fluoride bedraagt 0,1 mumol/l en de precisie voor deze component bedraagt 0,5 %.
    • Een ionchromatografische methode voor de simultane bepaling van nitriet, bromide en sulfiet in water

      Beld WA van den; Cleven RFMJ; LAC (1996-12-31)
      Betreft resultaten van een onderzoek naar het ontwikkelen van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepaling van nitriet, bromide en sulfiet. Het onderzoek heeft geresulteerd in een betrouwbare, selectieve en gevoelige methode voor de simultane bepaling van nitriet, bromide en sulfiet in water. Met deze ionchromatografische isocratische methode zijn bepalingskarakteristieken getest en vastgesteld. De aantoonbaarheidsgrenzen van nitriet, bromide en sulfiet bedragen resp. 0,2mumol/l, 0,3mumol/l en 2mumol/l. De precisie voor deze componenten bedraagt resp 1,4%, 0,6% en 2,0%.
    • Ionisatoren en gezondheid

      de Meer G; Duijm F; Hall EF; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-06-08)
      Niet beschikbaar
    • Ionising radiation exposure in the Netherlands

      Eleveld H; LSO (2003-07-11)
      De Nederlandse bevolking wordt blootgesteld aan ioniserende straling door verschillende natuurlijke en antropogene bronnen. Hier wordt een overzicht gegeven van de stralingsdoses voor leden van de bevolking door alle bronnen voor het jaar 2000. De gemiddelde jaarlijkse effectieve dosis per hoofd van de bevolking wordt geschat op 2,5 mSv, hetgeen bijna dezelfde waarde is als geschat voor 1988. In de review voor 1988 is de dosis gepresenteerd als een effectief dosisequivalent, waarbij gebruik is gemaakt van de toenmalige dosisconversiefactoren. Om een goede vergelijking te maken met de gegevens uit 1988 zijn ze opnieuw geanalyseerd, gebruikmakende van een betere kennis van de toenmalige situatie en de huidige dosiscoefficienten. Deze herberekening gaf dezelfde waarde voor de totale gemiddelde jaarlijkse blootstelling: 2,4 mSv. Echter, de onderliggende geanalyseerde blootstelling ten gevolge van de specifieke bronnen vertoont behoorlijke verschillen. De grootste verschillen tussen de gemiddelde jaarlijkse blootstelling aan straling tussen het huidige overzicht en dat van de herberekening voor 1988 betreffen de toegenomen medische diagnostische blootstelling (+0,12 mSv) en de toegenomen blootstelling aan radon (+0,05 mSv). De blootstelling aan straling ten gevolge van de andere bronnen bleef of gelijk of vertoont een kleine afname (<0,03 mSv per bron).Tegenwoordig wordt 75% van de totale blootstelling aan straling toegeschreven aan natuurlijke bronnen, waarbij bouwmaterialen in deze categorie meegenomen worden. Bouwmaterialen en blootstelling aan radon dragen voor 47% bij aan de totale gemiddelde stralingsdosis. Andere natuurlijke bronnen zijn kosmische straling, inclusief de extra blootstelling aan kosmische straling in vliegtuigen (11%), interne bestraling door consumptie van radioactiviteit in voedsel (15%) en externe straling vanuit de bodem (2%). Medisch diagnostisch gebruik van straling draagt voor 24% bij aan het totaal en levert veruit de grootste bijdrage aan de stralingsbelasting door de antropogene bronnen. Ongeveer 1% wordt toegeschreven aan andere antropogene bronnen als fall-out door nucleaire wapenproeven in de beginjaren '60 van de vorige eeuw, het Tjernobyl-ongeval van 1986 en radioactieve uitstoot door industriele activiteiten.In vergelijking met de ons omringende landen is de stralingsdosis voor leden van de bevolking in ons land het laagst. Dit komt voornamelijk door de relatieve lage radonconcentratie in woningen en de relatief lage gemiddelde stralingsbelasting door medisch diagnostisch onderzoek.
    • Ionising radiation exposure in the Netherlands

      Eleveld H; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-11)
      The Dutch population is exposed to ionising radiation from various sources, both natural and man-made. This is a review of the radiation exposure for members of the public from all sources for the year 2000. The average annual effective dose per capita is estimated at 2.5 mSv, which is almost the same value as in the previous review for 1988. In the previous review the radiation dose was presented in effective dose equivalent using the accompanying dose conversion coefficients. For a good comparison the 1988 data were reanalysed using the improved knowledge for the situation at that time and the current dose conversion coefficients. This reanalysis revealed the same value, 2.4 mSv, for the total average radiation exposure in 1988. Nevertheless, the underlying analysed exposure due to specific sources showed quite a few differences. The main differences between the average annual radiation exposure in the current review and the reanalysed review for 1988 are ascribed to the increased medical diagnostic exposure (+0.12 mSv) and increased radon exposure (+0.05 mSv). The radiation exposure from other sources remained the same or showed a minor decrease (<0.03 mSv per source).At present, 75% of the total exposure is ascribed to natural sources, although it should be noted here that building materials are included in this category. Building materials and radon exposure attribute 47% to the total average radiation dose. Other natural sources are cosmic radiation, including exposure during aircraft flights (11%), internal radiation from consumption of radioactivity in foodstuffs (15%) and external radiation from the soil (2%). Medical (diagnostic) uses of radiation account for 24% of the total exposure and is by far the most important component of the man-made sources. About 1% is ascribed to other man-made sources like fallout from nuclear weapon tests in the early 1960s, the Chernobyl accident (1986) and emissions of radionuclides from industries.Comparing the radiation dose of the population in the Netherlands to that in surrounding countries, the total radiation dose in the Netherlands appears to be the lowest, due to the relatively low radon concentration indoors and the relatively low average exposure from medical diagnostic procedures.
    • IOP-Milieutechnologie, deelprogramma Milieubiotechnologie; Meerjarenprogramma 1990-1993

      Brinkman J; Raijmakers WMF (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Iron deficiency and overload in relation to nutrition

      Spanjersberg MQI; Jansen EHJM; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-02)
      Nutritional iron intake in the Netherlands has been reviewed with respect to both iron deficiency and iron overload. In general, iron intake and iron status in the Netherlands are adequate and therefore no change in nutrition policy is required. The following aspects and developments, however, need to be emphasised. Iron is an essential element of nutrition required for oxygen transport, cognitive development in children and several other processes and enzyme activities in the body. The prevalence of iron deficiency is probably much lower than currently assumed. The general overestimation of iron deficiency is caused both by the incorrect comparison of the recommended daily intake with iron intake data and by the use of insufficiently specific diagnostic tests to determine real iron deficiency. Iron overload is, on the contrary, more common than generally thought. About 10% of the general population is heterozygote for the C282Y mutation, which can result in hemochromatosis, a hereditary iron overload disease. Iron overload is an established risk factor for cardiovascular disease. Recently, C282Y-heterozygotes have been suggested to be at higher risk, especially heterozygous men (> 20 years) and women (> 50 years). In addition, unabsorbed intestinal iron has been suggested to increase the risk of colon cancer. Iron supplementation or fortification in functional foods should be avoided and discouraged until the risks of iron overload have been more clearly determined, since in the general population iron overload is associated with increased risk of several chronic diseases as well.
    • Iron deficiency and overload in relation to nutrition

      Spanjersberg MQI; Jansen EHJM; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-02)
      De ijzer inneming via de voeding in Nederland is geevalueerd waarbij zowel ijzertekort als ijzerstapeling in de beschouwing zijn betrokken. De gemiddelde dagelijkse ijzerinname en de ijzerstatus in Nederland lijken voldoende, zodat geen reden bestaat het voedingsbeleid t.a.v. ijzer te veranderen. De volgende aspecten en ontwikkelingen verdienen echter de aandacht. IJzer - een essentieel spoorelement - is nodig voor zuurstoftransport, cognitieve ontwikkeling van kinderen en verschillende enzymatische processen. De prevalentie van ijzerdeficientie is waarschijnlijk veel lager dan momenteel wordt aangenomen. De oorzaak van de algemene overschatting van ijzerdeficientie is enerzijds de incorrecte vergelijking van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden met de gemiddelde dagelijkse inname en anderzijds het gebruik van minder geschikte laboratoriumtests voor het vaststellen van echte ijzerdeficientie. De prevalentie van ijzerstapeling is groter dan momenteel wordt aangenomen. Ongeveer 10% van de bevolking is heterozygoot voor de C282Y mutatie die kan leiden tot hemochromatose, een erfelijke ijzerstapelingsziekte. IJzerstapeling is een bewezen risicofactor voor hart- en vaatziekten. Recent is aangetoond dat met name C282Y heterozygote mannen (vanaf 20 jaar) en vrouwen (vanaf 50 jaar) een sterk verhoogd risico hebben. Een hoge concentratie niet-geabsorbeerd ijzer in de darm geeft mogelijk een verhoogde kans op darmkanker. IJzersupplementatie aan voedingsmiddelen is hierdoor niet aan te raden totdat de risico's van ijzerstapeling zijn vastgesteld, aangezien ijzerstapeling ook in de algemene bevolking geassocieerd is met een verhoogd risico op verschillende chronische ziekten.<br>
    • Iron foundries

      Eijssen PHM; Duesmann HB; Albers RAW (1993-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Is protein citrullination by nanomaterials a risk factor for inducing autoimmune reactions?

      Vandebriel RJ; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-08)
      Sinds 2012 is bekend dat eiwitten in cellen of proefdieren op een bepaalde manier veranderen als zij aan nanodeeltjes worden blootgesteld. Dit proces heet citrullinering. Onder bepaalde omstandigheden ontstaan antilichamen die gericht zijn tegen deze veranderde eiwitten. Omdat deze antilichamen zijn aangetroffen bij reumapatiënten wordt aangenomen dat er een verband bestaat tussen citrullinering van eiwitten, de ontstane antistoffen en processen die leiden tot auto-immuunziekten zoals reuma. Vanuit die veronderstelling wordt gespeculeerd dat blootstelling aan nanomaterialen een risicofactor kan zijn voor het ontstaan van auto-immuunziekten zoals reuma. In een literatuuronderzoek door het RIVM is dit verband echter niet gevonden. Er is namelijk nog nooit via metingen aangetoond dat antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten ontstaan na blootstelling aan nanomaterialen. Verder is alléén de aanwezigheid van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten onvoldoende om artritis in proefdieren op te wekken. Dit literatuuronderzoek levert dus geen direct causaal verband tussen blootstelling aan nanomaterialen en reuma. Om meer inzicht in deze complexe processen te krijgen worden enkele vervolgonderzoeken aanbevolen. Ten eerste gaat het daarbij om het meten van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten in proefdieren die aan nanomaterialen zijn blootgesteld. Ten tweede is het van belang te onderzoeken welk effect nanomaterialen in een proefdiermodel voor reuma hebben op de ontwikkeling van gewrichtsontsteking. Wordt de artritis dan erger, treedt het eerder op of zijn er meer dieren die het krijgen?
    • Is sperm quality actually declining? A literature survey

      Mees MM; Cuypers CEJ; Piersma AH; LEO; CCM; (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-11-30)
      The possible decline in human semen quality has become a recent major issue of concern. An article on a meta-analysis published by Carlsen and co-workers in 1992 claims to have shown a 50% reduction in semen quality over the last 50 years. This caused quite a stir in the media. However, the supposed decline in human sperm quality was far from unambiguous, considering the amount of criticism this article received and the contradictory results shown in other publications at the time. In a study designed to assess the likelihood of a true decline by critically analysing the Carlsen and co-workers study and the epidemiologically oriented articles describing trend in sperm parameters, the design and performance of each of the separate studies was evaluated for possible bias and confounders, and for validity of measuring methods and statistics. The evidence obtained was not convincing enough to support quantative or qualitative sperm decline over the last few decades.
    • Is sperm quality actually declining? A literature survey

      Mees MM; Cuypers CEJ; Piersma AH; LEO; CCM; (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-11-30)
      De kwaliteit van menselijk zaad is recent ter discussie gekomen naar aanleiding van publicaties die wezen op een teruggang in sperma-aantallen in de tijd. In 1992 verscheen een meta-analyse van epidemiologische studies, waarin Carlsen en collega's een 50% reductie in sperma-aantallen over de laatste 50 jaar beschreven. Deze studie resulteerde in uitgebreide berichtgeving in de media. De gesuggereerde reductie werd in de wetenschappelijk literatuur sterk bekritiseerd, bovendien vertoonden andere studies op dit gebied tegenstrijdige resultaten. Dit onderzoek werd uitgevoerd om de waarschijnlijkheid van een reductie in spermakwaliteit vast te stellen, door een kritische analyse van de studie door Carlsen en andere studies op dit gebied. De opzet en uitvoering van elk van de studies werd geevalueerd met het oog op bronnen van bias en confounders, methoden van sperma-analyse en statistiek, teneinde de validiteit van de resultaten te beoordelen. De kwalitatieve analyses van zowel de meta-analyse van Carlsen als de primaire epidemiologische studies gaven aan dat de onderbouwing van de conclusie dat de kwaliteit en/of kwantiteit van het menselijk sperma de laatste decennia is afgenomen niet overtuigend is.<br>
    • Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects?

      Beelen P van; Wouterse M; Bogte JJ; Zwart D de; Dijk B van; Groot AC de; Maas JL; Espeldoorn A; Rijksinsituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-12)
      In the summer of 2002, Dutch regional surface waters were sampled for analysis of 53 different pesticides and for toxicity measurements. The hydrophobic chemicals, including many pesticides, were concentrated by sorption to synthetic resins before the toxicity measurements. The concentrates were tested with the PAM test using the green algae Selenastrum capricornutum, the Microtox test using the bacterium Vibrio fisheri, the IQ test using the water flea Daphnia magna, a crustacean test using Thamnocephalus platyurus and a rotifer test using Brachionus calyciflorus. In order to obtain 50% inhibition, the samples had to be concentrated over 100 times for the rotifer test and over 10 times for the other tests. In 44 out of 45 samples the observed toxicity was too high to be explained by the low concentrations of the measured pesticides. This implies that the contribution of these pesticides to the total toxicity is probably very low in most samples, except for one sample that contained 3.1 ug/liter of parathion. This is close to the parathion concentration that, according to the scientific literature, can reduce the mobility of Daphnia magna for 50%. In our toxicity tests however, this sample had to be concentrated 20 times in order to inhibit 50% of the Daphnia magna. At the moment, we do not have a good explanation for this discrepancy. The standard Daphnia magna test might differ from the rapid Daphnia IQ test performed here. Further research is needed to determine whether pesticides can really pose an acute threat for aquatic ecosystems in Dutch regional surface waters.
    • Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects?

      van Beelen P; Wouterse M; Bogte JJ; de Zwart D; van Dijk B; de Groot AC; Maas JL; Espeldoorn A; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijksinsituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA, 2004-07-12)
      In de zomer van 2002 werden Nederlandse regionale oppervlaktewateren bemonsterd voor de analyse van 53 bestrijdingsmiddelen en voor toxiciteitsexperimenten. De hydrofobe chemicalien (inclusief de meeste bestrijdingsmiddelen) werden geconcentreerd door sorptie aan kunsthars voorafgaand aan de toxiciteitsexperimenten. De concentraten werden getest met behulp van de PAM test met de groenalg Selenastrum capricornutum, de MicroTox test met de bacterie Vibrio fisheri, the IQ test met de watervlo Daphnia magna, een test met de kreeftachtige Thamnocephalus platyurus en een test met de rotifeer Brachionus calyciflorus. Om 50% inhibitie te veroorzaken moesten de monsters meer dan 100 keer geconcentreerd worden voor de rotifeer test en meer dan 10 keer voor de andere testen. In 44 van de 45 monsters was de concentratie van de gemeten bestrijdingsmiddelen te laag om de toxiciteit te verklaren. Dit impliceert dat de bijdrage van deze bestrijdingsmiddelen aan de totale toxiciteit vermoedelijk erg laag is in de meeste monsters, met uitzondering van een monster dat 3,1 4g parathion /liter bevatte. Dit is dichtbij de parathion concentratie die, volgens de wetenschappelijke literatuur, de mobiliteit van Daphnia magna met 50% verminderd. In onze toxiciteitsexperimenten moest het monster wel 20 keer geconcentreerd worden om 50% van Daphnia magna te remmen. Op dit moment hebben we nog geen goede verklaring voor deze discrepantie. De standaard Daphnia magna test zou kunnen verschillen van de hier gebruikte Daphnia IQ test. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of bestrijdingsmiddelen werkelijk een acuut risico vormen voor aquatische ecosystemen in Nederlandse regionale oppervlaktewateren.
    • Is there evidence for a link between Crohn's disease and exposure to Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis? A review of current literature

      Herrewegh A; Roholl P; Overduin P; van der Giessen J; van Soolingen D; LIS; TOX; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMBioMedics Scientific Consultancy, 2005-05-02)
      Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt door veel onderzoekers beschouwd als mogelijke verwekker van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC) bij de mens. Dit is vooral gebaseerd op klinische en pathologische overeenkomsten tussen MC en de ziekte Paratuberculose bij runderen (herkauwers), die zonder twijfel veroorzaakt wordt door Map, en de aangetoonde aanwezigheid van Map bij een deel van de patienten met MC. Echter, evenzoveel onderzoekers zijn van mening dat Map niet de verwekker is van MC omdat Paratuberculose en MC ook verschillen in een aantal kenmerken. Map kan bijvoorbeeld niet worden aangetoond bij alle MC patienten. Verder kan Map vaak wel worden aangetoond bij een aanzienlijk deel van de onderzochte gezonde personen. Omdat Map niettemin een ziekteverwekker is die via melk, vlees, water en andere levensmiddelen de consument kan bereiken, bestaat er ernstige bezorgdheid over het mogelijke risico van dit Map-besmet voedsel voor het ontstaan van MC bij de consument. In dit rapport wordt een antwoord gegeven op de vraag 'is het verband tussen de verwekker van Paratuberculose, Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis, en de ziekte van Crohn overtuigend bewezen?' De huidige wetenschappelijke kennis over MC wordt beschreven, waarbij het accent wordt gelegd op de informatie die direct of indirect betrekking heeft op, of een indicatie kan zijn voor een mogelijke relatie tussen MC en Map.
    • Isolatie en kwantificatie van glycosaminoglycanen uit arterieel weefsel van rat, aap en rund

      Janssen GB; Speijers GJA (1989-08-31)
      Dit rapport beschrijft de toepassing van een geoptimaliseerde methode voor de isolatie en kwantificering van glycosaminoglycanen (GAG's) op arterieel weefsel van de Wistar rat, de Macaca fascicularis aap en het rund. De glycosaminoglycanen werden volgens een enigszins gemodificeerde methode van Wagner (12) geisoleerd. De totale hoeveelheid uronzuur werd bepaald volgens de methode van Blumenkrantz en hieruit werd de totale hoeveelheid GAG berekend. De concentraties aan glucosamine en galactosamine werden bepaald m.b.v. een gemodificeerde methode van Blumenkrantz (12) en Wagner (13). De percentages van de individuele GAG's werden bepaald na scheiding en kleuring van de GAG's m.b.v. cellulose-acetaat elektroforese i.c.m. selectieve vertering. M.b.v. de totale hoeveelheid GAG werden de absolute hoeveelheden van de individuele glycosaminoglycanen berekend. De hoeveelheid GAG bij rat, aap en rund bedroegen respectievelijk 2,56 ; 6,31 en 5,95 mug per mg droog ontvet arterieel weefsel. De percentages van de individuele glycosaminoglycanen in de aorta van de rat bedroegen: HA 20,9% ; HS 22,7% ; DS 10,6% en CS 45,8% die in de aorta van de aap bedreogen: HA 5,8% ; HS 22,2% ; DS 15,6% en CS 56,4% en die in de aorta van het rund bedroegen: HA 11,5% ; HS 14,6% ; DS 17,1% en CS 56,8%. Voor de rat en de aap komen de gevonden waarden voor de totale hoeveelheid GAG en de percentages van de individuele GAG's goed overeen met de in de literatuur vermelde waarden, van het rund zijn geen literatuur waarden bekend.
    • Isolatie van levermicrosomen door middel van gelfiltratie

      van Nimwegen JM; Doorn L; van Loenen HA; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-01-31)
      Onderzoek is verricht naar de bruikbaarheid van rattelevermicrosomen welke d.m.v. filtratie over een Sepharose CL-2B gel geisoleerd zijn. In deze microsomen zijn de activiteiten van de enzymen AH, APDM en EROD en het gehalte aan cytochroom P-450 en eiwit gemeten. Ter vergelijking zijn dezelfde bepalingen eveneens uitgevoerd in microsomen welke m.b.v. ultracentrifugatie verkregen zijn. De gelfiltratiemethode blijkt een snelle en eenvoudige methode te zijn voor het isoleren van microsomen. De kwaliteit van de microsomen is beter dan van degene welke via ultracentrifugatie verkregen worden. Het kwaliteitsverschil blijkt afhankelijk te zijn van de bron waar de microsomen vandaan komen (controle of geinduceerde lever) en van de bepalingsmethode waarin de microsomen gebruikt worden. Het gebruik van gelgefiltreerde microsomen verdient de voorkeur bij de EROD en cytochroom P-450 bepaling. Voor gebruik in de AH en APDM bepaling dienen de methoden aan de betere zuiverheid van de microsomen aangepast te worden.<br>
    • Isolatiematerialen en gezondheid : Een verkenning

      Hagens W; Bogers R; Putman E; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-16)
      Het RIVM heeft verkennend onderzocht welke informatie in openbare literatuur beschikbaar is over de samenstelling van isolatiematerialen en welke stoffen eruit kunnen vrijkomen. Over de precieze samenstelling blijkt weinig te vinden in de openbare literatuur. Het is daarom met de gevonden gegevens niet mogelijk te bepalen aan welke stoffen en in welke mate mensen die met isolatiematerialen werken blootgesteld worden, en dus of er sprake is van een risico voor hun gezondheid. Hetzelfde geldt voor bewoners van gebouwen waarin het wordt gebruikt. Uit voorzorg is het dan ook vooral belangrijk om bij het plaatsen van het isolatiemateriaal de veiligheidsvoorschriften van het product te volgen en de juiste beschermende maatregelen te nemen. Daarnaast is het van belang om geïsoleerde woningen goed te ventileren. Door een woning te isoleren verandert namelijk de luchtcirculatie en de ventilatiecapaciteit, wat het binnenmilieu negatief kan beïnvloeden. Voor een gezond binnenmilieu kan het daarom nodig zijn bestaande ventilatievoorzieningen na isolatie aan te passen. De uitkomsten van dit literatuuronderzoek zijn tijdens een workshop in december 2015 besproken met belanghebbenden (de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), brancheorganisaties van producenten van isolatiematerialen, professionals uit de gezondheidszorg, de onafhankelijke voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal, TNO en een organisatie van consumenten die gezondheidsklachten kregen nadat isolatiemateriaal in hun woning is aangebracht). De standpunten van deze partijen zijn overgenomen in dit rapport.
    • Isolating organic micropollutants from water samples by means of XAD resins and supercritical fluid extraction

      Struijs J; Kamp R van de; Hogendoorn EA; ECO (1998-05-31)
      Om de oorzaak van aantasting van ecosystemen te kunnen begrijpen kan het nodig zijn over de mogelijkheid te beschikken om stress, doorgaans veroorzaakt door een gecompliceerd mengsel van toxische stoffen, te scheiden van andere stress-factoren. Dit rapport beschrijft een experimentele benadering die toegepast kan worden op aquatische ecosystemen. Een procedure werd getoetst voor het verkrijgen van een waterig concentraat van organische micro-verontreinigingen, aanwezig in een monster van oppervlaktewater. De methode is gebaseerd op toepassing van macro-reticulaire harsen, meestal aangeduid met XAD, voor het extraheren en isoleren van organische micro-verontreinigingen uit water, gevolgd door elueren m.b.v. super-kritische kooldioxide (SFE) om de toxicanten van het XAD te desorberen en ze naar een klein volume water over te brengen, zonder gebruik te hoeven maken van organische oplosmiddelen. Surrogaat watermonsters, bestaande uit testmengsels van chemische verbindingen die sterk varieren in fysisch-chemische eigenschappen, werden aan de procedure onderworpen. De XAD/SFE combinatie levert een extract dat direct geschikt is voor bio-essays. Dit biedt grote voordelen vergeleken met de meer conventionele benadering gebaseerd op het gebruik van een organisch oplosmiddel dat in voldoende mate verwijderd dient te worden om een watermonster te verkrijgen dat geschikt is voor bio-essays. Het verlies aan (semi-)vluchtige stoffen is aanzienlijk wanneer het organische oplosmiddel van het extract gescheiden wordt. Voor deze stoffen is de XAD/SFE procedure efficienter dan een eerder ontwikkelde methode die gebaseerd is op gebruik van aceton als elutiesolvent. Voor meer polaire stoffen voldoet deze laatste aanpak echter aanzienlijk beter. Aanbevelingen worden gedaan om een twee-stappen super-kritische fase extractie uit te voeren: een uitsluitend met super-kritische CO2 om de apolaire stoffen te verzamelen, gevolgd door een tweede waarbij een zgn. modifier wordt toegevoegd voor het desorberen van de meer polaire chemicalien.