• IOP-Milieutechnologie, deelprogramma Milieubiotechnologie; Meerjarenprogramma 1990-1993

      Brinkman J; Raijmakers WMF (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Iron deficiency and overload in relation to nutrition

      Spanjersberg MQI; Jansen EHJM; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-02)
      Nutritional iron intake in the Netherlands has been reviewed with respect to both iron deficiency and iron overload. In general, iron intake and iron status in the Netherlands are adequate and therefore no change in nutrition policy is required. The following aspects and developments, however, need to be emphasised. Iron is an essential element of nutrition required for oxygen transport, cognitive development in children and several other processes and enzyme activities in the body. The prevalence of iron deficiency is probably much lower than currently assumed. The general overestimation of iron deficiency is caused both by the incorrect comparison of the recommended daily intake with iron intake data and by the use of insufficiently specific diagnostic tests to determine real iron deficiency. Iron overload is, on the contrary, more common than generally thought. About 10% of the general population is heterozygote for the C282Y mutation, which can result in hemochromatosis, a hereditary iron overload disease. Iron overload is an established risk factor for cardiovascular disease. Recently, C282Y-heterozygotes have been suggested to be at higher risk, especially heterozygous men (> 20 years) and women (> 50 years). In addition, unabsorbed intestinal iron has been suggested to increase the risk of colon cancer. Iron supplementation or fortification in functional foods should be avoided and discouraged until the risks of iron overload have been more clearly determined, since in the general population iron overload is associated with increased risk of several chronic diseases as well.
    • Iron deficiency and overload in relation to nutrition

      Spanjersberg MQI; Jansen EHJM; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-02)
      De ijzer inneming via de voeding in Nederland is geevalueerd waarbij zowel ijzertekort als ijzerstapeling in de beschouwing zijn betrokken. De gemiddelde dagelijkse ijzerinname en de ijzerstatus in Nederland lijken voldoende, zodat geen reden bestaat het voedingsbeleid t.a.v. ijzer te veranderen. De volgende aspecten en ontwikkelingen verdienen echter de aandacht. IJzer - een essentieel spoorelement - is nodig voor zuurstoftransport, cognitieve ontwikkeling van kinderen en verschillende enzymatische processen. De prevalentie van ijzerdeficientie is waarschijnlijk veel lager dan momenteel wordt aangenomen. De oorzaak van de algemene overschatting van ijzerdeficientie is enerzijds de incorrecte vergelijking van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden met de gemiddelde dagelijkse inname en anderzijds het gebruik van minder geschikte laboratoriumtests voor het vaststellen van echte ijzerdeficientie. De prevalentie van ijzerstapeling is groter dan momenteel wordt aangenomen. Ongeveer 10% van de bevolking is heterozygoot voor de C282Y mutatie die kan leiden tot hemochromatose, een erfelijke ijzerstapelingsziekte. IJzerstapeling is een bewezen risicofactor voor hart- en vaatziekten. Recent is aangetoond dat met name C282Y heterozygote mannen (vanaf 20 jaar) en vrouwen (vanaf 50 jaar) een sterk verhoogd risico hebben. Een hoge concentratie niet-geabsorbeerd ijzer in de darm geeft mogelijk een verhoogde kans op darmkanker. IJzersupplementatie aan voedingsmiddelen is hierdoor niet aan te raden totdat de risico's van ijzerstapeling zijn vastgesteld, aangezien ijzerstapeling ook in de algemene bevolking geassocieerd is met een verhoogd risico op verschillende chronische ziekten.<br>
    • Iron foundries

      Eijssen PHM; Duesmann HB; Albers RAW (1993-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Is protein citrullination by nanomaterials a risk factor for inducing autoimmune reactions?

      Vandebriel RJ; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-08)
      Sinds 2012 is bekend dat eiwitten in cellen of proefdieren op een bepaalde manier veranderen als zij aan nanodeeltjes worden blootgesteld. Dit proces heet citrullinering. Onder bepaalde omstandigheden ontstaan antilichamen die gericht zijn tegen deze veranderde eiwitten. Omdat deze antilichamen zijn aangetroffen bij reumapatiënten wordt aangenomen dat er een verband bestaat tussen citrullinering van eiwitten, de ontstane antistoffen en processen die leiden tot auto-immuunziekten zoals reuma. Vanuit die veronderstelling wordt gespeculeerd dat blootstelling aan nanomaterialen een risicofactor kan zijn voor het ontstaan van auto-immuunziekten zoals reuma. In een literatuuronderzoek door het RIVM is dit verband echter niet gevonden. Er is namelijk nog nooit via metingen aangetoond dat antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten ontstaan na blootstelling aan nanomaterialen. Verder is alléén de aanwezigheid van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten onvoldoende om artritis in proefdieren op te wekken. Dit literatuuronderzoek levert dus geen direct causaal verband tussen blootstelling aan nanomaterialen en reuma. Om meer inzicht in deze complexe processen te krijgen worden enkele vervolgonderzoeken aanbevolen. Ten eerste gaat het daarbij om het meten van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten in proefdieren die aan nanomaterialen zijn blootgesteld. Ten tweede is het van belang te onderzoeken welk effect nanomaterialen in een proefdiermodel voor reuma hebben op de ontwikkeling van gewrichtsontsteking. Wordt de artritis dan erger, treedt het eerder op of zijn er meer dieren die het krijgen?
    • Is sperm quality actually declining? A literature survey

      Mees MM; Cuypers CEJ; Piersma AH; LEO; CCM; (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-11-30)
      The possible decline in human semen quality has become a recent major issue of concern. An article on a meta-analysis published by Carlsen and co-workers in 1992 claims to have shown a 50% reduction in semen quality over the last 50 years. This caused quite a stir in the media. However, the supposed decline in human sperm quality was far from unambiguous, considering the amount of criticism this article received and the contradictory results shown in other publications at the time. In a study designed to assess the likelihood of a true decline by critically analysing the Carlsen and co-workers study and the epidemiologically oriented articles describing trend in sperm parameters, the design and performance of each of the separate studies was evaluated for possible bias and confounders, and for validity of measuring methods and statistics. The evidence obtained was not convincing enough to support quantative or qualitative sperm decline over the last few decades.
    • Is sperm quality actually declining? A literature survey

      Mees MM; Cuypers CEJ; Piersma AH; LEO; CCM; (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-11-30)
      De kwaliteit van menselijk zaad is recent ter discussie gekomen naar aanleiding van publicaties die wezen op een teruggang in sperma-aantallen in de tijd. In 1992 verscheen een meta-analyse van epidemiologische studies, waarin Carlsen en collega's een 50% reductie in sperma-aantallen over de laatste 50 jaar beschreven. Deze studie resulteerde in uitgebreide berichtgeving in de media. De gesuggereerde reductie werd in de wetenschappelijk literatuur sterk bekritiseerd, bovendien vertoonden andere studies op dit gebied tegenstrijdige resultaten. Dit onderzoek werd uitgevoerd om de waarschijnlijkheid van een reductie in spermakwaliteit vast te stellen, door een kritische analyse van de studie door Carlsen en andere studies op dit gebied. De opzet en uitvoering van elk van de studies werd geevalueerd met het oog op bronnen van bias en confounders, methoden van sperma-analyse en statistiek, teneinde de validiteit van de resultaten te beoordelen. De kwalitatieve analyses van zowel de meta-analyse van Carlsen als de primaire epidemiologische studies gaven aan dat de onderbouwing van de conclusie dat de kwaliteit en/of kwantiteit van het menselijk sperma de laatste decennia is afgenomen niet overtuigend is.<br>
    • Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects?

      Beelen P van; Wouterse M; Bogte JJ; Zwart D de; Dijk B van; Groot AC de; Maas JL; Espeldoorn A; Rijksinsituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-12)
      In the summer of 2002, Dutch regional surface waters were sampled for analysis of 53 different pesticides and for toxicity measurements. The hydrophobic chemicals, including many pesticides, were concentrated by sorption to synthetic resins before the toxicity measurements. The concentrates were tested with the PAM test using the green algae Selenastrum capricornutum, the Microtox test using the bacterium Vibrio fisheri, the IQ test using the water flea Daphnia magna, a crustacean test using Thamnocephalus platyurus and a rotifer test using Brachionus calyciflorus. In order to obtain 50% inhibition, the samples had to be concentrated over 100 times for the rotifer test and over 10 times for the other tests. In 44 out of 45 samples the observed toxicity was too high to be explained by the low concentrations of the measured pesticides. This implies that the contribution of these pesticides to the total toxicity is probably very low in most samples, except for one sample that contained 3.1 ug/liter of parathion. This is close to the parathion concentration that, according to the scientific literature, can reduce the mobility of Daphnia magna for 50%. In our toxicity tests however, this sample had to be concentrated 20 times in order to inhibit 50% of the Daphnia magna. At the moment, we do not have a good explanation for this discrepancy. The standard Daphnia magna test might differ from the rapid Daphnia IQ test performed here. Further research is needed to determine whether pesticides can really pose an acute threat for aquatic ecosystems in Dutch regional surface waters.
    • Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects?

      van Beelen P; Wouterse M; Bogte JJ; de Zwart D; van Dijk B; de Groot AC; Maas JL; Espeldoorn A; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijksinsituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA, 2004-07-12)
      In de zomer van 2002 werden Nederlandse regionale oppervlaktewateren bemonsterd voor de analyse van 53 bestrijdingsmiddelen en voor toxiciteitsexperimenten. De hydrofobe chemicalien (inclusief de meeste bestrijdingsmiddelen) werden geconcentreerd door sorptie aan kunsthars voorafgaand aan de toxiciteitsexperimenten. De concentraten werden getest met behulp van de PAM test met de groenalg Selenastrum capricornutum, de MicroTox test met de bacterie Vibrio fisheri, the IQ test met de watervlo Daphnia magna, een test met de kreeftachtige Thamnocephalus platyurus en een test met de rotifeer Brachionus calyciflorus. Om 50% inhibitie te veroorzaken moesten de monsters meer dan 100 keer geconcentreerd worden voor de rotifeer test en meer dan 10 keer voor de andere testen. In 44 van de 45 monsters was de concentratie van de gemeten bestrijdingsmiddelen te laag om de toxiciteit te verklaren. Dit impliceert dat de bijdrage van deze bestrijdingsmiddelen aan de totale toxiciteit vermoedelijk erg laag is in de meeste monsters, met uitzondering van een monster dat 3,1 4g parathion /liter bevatte. Dit is dichtbij de parathion concentratie die, volgens de wetenschappelijke literatuur, de mobiliteit van Daphnia magna met 50% verminderd. In onze toxiciteitsexperimenten moest het monster wel 20 keer geconcentreerd worden om 50% van Daphnia magna te remmen. Op dit moment hebben we nog geen goede verklaring voor deze discrepantie. De standaard Daphnia magna test zou kunnen verschillen van de hier gebruikte Daphnia IQ test. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of bestrijdingsmiddelen werkelijk een acuut risico vormen voor aquatische ecosystemen in Nederlandse regionale oppervlaktewateren.
    • Is there evidence for a link between Crohn's disease and exposure to Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis? A review of current literature

      Herrewegh A; Roholl P; Overduin P; van der Giessen J; van Soolingen D; LIS; TOX; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMBioMedics Scientific Consultancy, 2005-05-02)
      Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt door veel onderzoekers beschouwd als mogelijke verwekker van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC) bij de mens. Dit is vooral gebaseerd op klinische en pathologische overeenkomsten tussen MC en de ziekte Paratuberculose bij runderen (herkauwers), die zonder twijfel veroorzaakt wordt door Map, en de aangetoonde aanwezigheid van Map bij een deel van de patienten met MC. Echter, evenzoveel onderzoekers zijn van mening dat Map niet de verwekker is van MC omdat Paratuberculose en MC ook verschillen in een aantal kenmerken. Map kan bijvoorbeeld niet worden aangetoond bij alle MC patienten. Verder kan Map vaak wel worden aangetoond bij een aanzienlijk deel van de onderzochte gezonde personen. Omdat Map niettemin een ziekteverwekker is die via melk, vlees, water en andere levensmiddelen de consument kan bereiken, bestaat er ernstige bezorgdheid over het mogelijke risico van dit Map-besmet voedsel voor het ontstaan van MC bij de consument. In dit rapport wordt een antwoord gegeven op de vraag 'is het verband tussen de verwekker van Paratuberculose, Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis, en de ziekte van Crohn overtuigend bewezen?' De huidige wetenschappelijke kennis over MC wordt beschreven, waarbij het accent wordt gelegd op de informatie die direct of indirect betrekking heeft op, of een indicatie kan zijn voor een mogelijke relatie tussen MC en Map.
    • Isolatie en kwantificatie van glycosaminoglycanen uit arterieel weefsel van rat, aap en rund

      Janssen GB; Speijers GJA (1989-08-31)
      Dit rapport beschrijft de toepassing van een geoptimaliseerde methode voor de isolatie en kwantificering van glycosaminoglycanen (GAG's) op arterieel weefsel van de Wistar rat, de Macaca fascicularis aap en het rund. De glycosaminoglycanen werden volgens een enigszins gemodificeerde methode van Wagner (12) geisoleerd. De totale hoeveelheid uronzuur werd bepaald volgens de methode van Blumenkrantz en hieruit werd de totale hoeveelheid GAG berekend. De concentraties aan glucosamine en galactosamine werden bepaald m.b.v. een gemodificeerde methode van Blumenkrantz (12) en Wagner (13). De percentages van de individuele GAG's werden bepaald na scheiding en kleuring van de GAG's m.b.v. cellulose-acetaat elektroforese i.c.m. selectieve vertering. M.b.v. de totale hoeveelheid GAG werden de absolute hoeveelheden van de individuele glycosaminoglycanen berekend. De hoeveelheid GAG bij rat, aap en rund bedroegen respectievelijk 2,56 ; 6,31 en 5,95 mug per mg droog ontvet arterieel weefsel. De percentages van de individuele glycosaminoglycanen in de aorta van de rat bedroegen: HA 20,9% ; HS 22,7% ; DS 10,6% en CS 45,8% die in de aorta van de aap bedreogen: HA 5,8% ; HS 22,2% ; DS 15,6% en CS 56,4% en die in de aorta van het rund bedroegen: HA 11,5% ; HS 14,6% ; DS 17,1% en CS 56,8%. Voor de rat en de aap komen de gevonden waarden voor de totale hoeveelheid GAG en de percentages van de individuele GAG's goed overeen met de in de literatuur vermelde waarden, van het rund zijn geen literatuur waarden bekend.
    • Isolatie van levermicrosomen door middel van gelfiltratie

      van Nimwegen JM; Doorn L; van Loenen HA; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-01-31)
      Onderzoek is verricht naar de bruikbaarheid van rattelevermicrosomen welke d.m.v. filtratie over een Sepharose CL-2B gel geisoleerd zijn. In deze microsomen zijn de activiteiten van de enzymen AH, APDM en EROD en het gehalte aan cytochroom P-450 en eiwit gemeten. Ter vergelijking zijn dezelfde bepalingen eveneens uitgevoerd in microsomen welke m.b.v. ultracentrifugatie verkregen zijn. De gelfiltratiemethode blijkt een snelle en eenvoudige methode te zijn voor het isoleren van microsomen. De kwaliteit van de microsomen is beter dan van degene welke via ultracentrifugatie verkregen worden. Het kwaliteitsverschil blijkt afhankelijk te zijn van de bron waar de microsomen vandaan komen (controle of geinduceerde lever) en van de bepalingsmethode waarin de microsomen gebruikt worden. Het gebruik van gelgefiltreerde microsomen verdient de voorkeur bij de EROD en cytochroom P-450 bepaling. Voor gebruik in de AH en APDM bepaling dienen de methoden aan de betere zuiverheid van de microsomen aangepast te worden.<br>
    • Isolatiematerialen en gezondheid : Een verkenning

      Hagens W; Bogers R; Putman E; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-16)
      Het RIVM heeft verkennend onderzocht welke informatie in openbare literatuur beschikbaar is over de samenstelling van isolatiematerialen en welke stoffen eruit kunnen vrijkomen. Over de precieze samenstelling blijkt weinig te vinden in de openbare literatuur. Het is daarom met de gevonden gegevens niet mogelijk te bepalen aan welke stoffen en in welke mate mensen die met isolatiematerialen werken blootgesteld worden, en dus of er sprake is van een risico voor hun gezondheid. Hetzelfde geldt voor bewoners van gebouwen waarin het wordt gebruikt. Uit voorzorg is het dan ook vooral belangrijk om bij het plaatsen van het isolatiemateriaal de veiligheidsvoorschriften van het product te volgen en de juiste beschermende maatregelen te nemen. Daarnaast is het van belang om geïsoleerde woningen goed te ventileren. Door een woning te isoleren verandert namelijk de luchtcirculatie en de ventilatiecapaciteit, wat het binnenmilieu negatief kan beïnvloeden. Voor een gezond binnenmilieu kan het daarom nodig zijn bestaande ventilatievoorzieningen na isolatie aan te passen. De uitkomsten van dit literatuuronderzoek zijn tijdens een workshop in december 2015 besproken met belanghebbenden (de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), brancheorganisaties van producenten van isolatiematerialen, professionals uit de gezondheidszorg, de onafhankelijke voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal, TNO en een organisatie van consumenten die gezondheidsklachten kregen nadat isolatiemateriaal in hun woning is aangebracht). De standpunten van deze partijen zijn overgenomen in dit rapport.
    • Isolating organic micropollutants from water samples by means of XAD resins and supercritical fluid extraction

      Struijs J; Kamp R van de; Hogendoorn EA; ECO (1998-05-31)
      Om de oorzaak van aantasting van ecosystemen te kunnen begrijpen kan het nodig zijn over de mogelijkheid te beschikken om stress, doorgaans veroorzaakt door een gecompliceerd mengsel van toxische stoffen, te scheiden van andere stress-factoren. Dit rapport beschrijft een experimentele benadering die toegepast kan worden op aquatische ecosystemen. Een procedure werd getoetst voor het verkrijgen van een waterig concentraat van organische micro-verontreinigingen, aanwezig in een monster van oppervlaktewater. De methode is gebaseerd op toepassing van macro-reticulaire harsen, meestal aangeduid met XAD, voor het extraheren en isoleren van organische micro-verontreinigingen uit water, gevolgd door elueren m.b.v. super-kritische kooldioxide (SFE) om de toxicanten van het XAD te desorberen en ze naar een klein volume water over te brengen, zonder gebruik te hoeven maken van organische oplosmiddelen. Surrogaat watermonsters, bestaande uit testmengsels van chemische verbindingen die sterk varieren in fysisch-chemische eigenschappen, werden aan de procedure onderworpen. De XAD/SFE combinatie levert een extract dat direct geschikt is voor bio-essays. Dit biedt grote voordelen vergeleken met de meer conventionele benadering gebaseerd op het gebruik van een organisch oplosmiddel dat in voldoende mate verwijderd dient te worden om een watermonster te verkrijgen dat geschikt is voor bio-essays. Het verlies aan (semi-)vluchtige stoffen is aanzienlijk wanneer het organische oplosmiddel van het extract gescheiden wordt. Voor deze stoffen is de XAD/SFE procedure efficienter dan een eerder ontwikkelde methode die gebaseerd is op gebruik van aceton als elutiesolvent. Voor meer polaire stoffen voldoet deze laatste aanpak echter aanzienlijk beter. Aanbevelingen worden gedaan om een twee-stappen super-kritische fase extractie uit te voeren: een uitsluitend met super-kritische CO2 om de apolaire stoffen te verzamelen, gevolgd door een tweede waarbij een zgn. modifier wordt toegevoegd voor het desorberen van de meer polaire chemicalien.
    • Isolation of Listeria monocytogenes from reference materials, BCR-FOOD Trial 3

      Veld PH in &apos;t; Hoekstra JA; Strijp-Lockefeer NGWM; Notermans SHW (1991-03-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Iteratief Proportioneel Fitten, Methodiek en toepassing voor de woonruimteverdeling in Geografische Informatiesystemen voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening

      Bakkenes M; Goetgeluk R; LBG (2000-06-19)
      Iteratief proportioneel fitten (IPF), ook wel rassen of ritsen genoemd, is een schattingsmethodiek om in een matrix (kruistabel) de onbekende celfrequenties te schatten op basis van enerzijds bekende randtotalen van de matrix (rijtotaal en kolomtotaal) op basis van een databron A en anderzijds een schatting van de kans op een celfrequentie op basis van databron B onder de voorwaarde dat de rij- en kolomtotalen worden gereproduceerd. De IPF is een veelgebruikte calibratietechniek in statistische modellen, zoals loglineaire modellen van kruistabellen en simulatiemodellen die op basis van deelkennis over relaties tussen minimaal twee variabelen complexere samenhangen schatten zonder dat geweld wordt gedaan aan deze deelkennis. Indien de samenhang tussen de variabelenparen A * B, zoals woningtype en leeftijdsgroepen en B * C, zoals leeftijdsgroepen en inkomens, bekend zijn, dan kan IPF zorgdragen voor A * B * C. De methodiek is toegepast in het kader van de ondersteuning voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. De verwachte ruimtelijke spreiding van de uitbreidingsvraag van woningen is op een lager ruimtelijk schaalniveau gealloceerd met behulp van de Ruimtescanner. Het resultaat is een landsdekkende kaart met gridcellen van 500 bij 500 meter waarin per gridcel de uitbreidingsvraag is neergelegd. Aan deze kaarten wordt vervolgens de verwachte bevolkingsontwikkeling naar leeftijds- en huishoudensgroepen gekoppeld. Deze gegevens zijn ook beschikbaar voor alle COROP-gebieden. Echter, het ontbreekt op beide ruimtelijke schaalniveaus aan directe informatie over de samenhang tussen de woningen en de bevolking ofwel de woonruimteverdeling. Deze is evenwel nodig omdat de ruimtelijke spreiding van de bevolkingsgegevens nodig is ten behoeve van berekeningen voor arbeidsmarkt, verkeer- en recreatiemodellen. Dit rapport gaat in op een methodiek Iteratief Proportioneel Fitten, die leidt tot een woonruimteverdeling op beide schaalniveaus.
    • Iteratief Proportioneel Fitten, Methodiek en toepassing voor de woonruimteverdeling in Geografische Informatiesystemen voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening

      Bakkenes M; Goetgeluk R; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-19)
      Iterative proportional fitting (IPF) is a calibration technique for estimating cell frequencies of a matrix (contingency table) using known marginals (row and column totals of the matrix) based on data source A, and an initial estimation of the cell frequencies based on data source B under the condition that known marginals are reproduced. IPF is a commonly used procedure in statistical modelling, such as loglinear models of contingency tables. It is also used in simulation models to match different known partial interactions between variables (and therefore its marginals) of contingency tables. If, for instance, the relationship between the variables A * B (houses and households) and B * C (households and incomes) are known, a new contingency three-dimensional table A * B * C can be estimated given the condition that A * B and B * C are reproduced.
    • Jaarlijkse reunie loopt uit op een gastro-enteritis explosie

      Carsauw HHC; Bosman A; Reintjes R; de Wit MAS; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE; GGD Rotterdam e.o. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Een explosie van acute gastro-enteritis deed zich voor onder 200 deelnemers aan een reunie van oud-personeelsleden. De reunie vond plaats in een restaurant. Om de oorzaak van de explosie en de mogelijke rol van voedsel hierbij te achterhalen werd een retrospectieve cohort studie opgezet. Deelnemers en restaurant-personeel ontvingen een vragenlijst met betrekking tot acute gastro-intestinale klachten en genuttigde voedingswaren tijdens de reunie. De casus-definitie was gebaseerd op klinische symptomen, ontstaan binnen vier dagen na de reunie. Voor beide maaltijden en voor elk voedsel-item werden attack-rates bepaald. Voedselresten werden bij inspectie van het restaurant verzameld. Aan deelnemers en personeel met klachten werd gevraagd een fecesmonster in te leveren. Klinische en epidemiologische kenmerken van deze explosie wijzen op een virale gastro-enteritis, mogelijk een small round structured virus (SRSV)-infectie. Een duidelijk verband met het eten van specifieke voedingsmiddelen kon niet aangetoond worden. Waarschijnlijk waren verschillende voedingsmiddelen besmet. Transmissie van virus via de handen van de post-symptomatische chef-kok vormt een mogelijke verklaring voor de contaminatie van het voedsel. Aanbevolen werd om keukenpersoneel met gastro-enteritisverschijnselen tot 48 uur na de eerste normale ontlasting werkverbod of taakaanpassing te geven om het risico op transmissie van infectie tot een minimum te beperken. Het belang van een strikte naleving van de richtlijnen voor handenhygiene moet blijvend benadrukt worden.<br>
    • Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 1998 en 1999

      Breugel P van; Buijsman E; Diederen H; Hammingh P; Kamst A; Noordijk H; Rentink L; Swaan P; Velders G; Velze K van; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-27)
      This annual survey presents a view based on measurements and model calculations of air quality and the burden on soils and surface water, caused by atmospheric depostition, in the Netherlands in 1998 and 1999. The report consists of one special topic, 'Background to air-quality monitoring', and the folowing chapters on global, photochemical, acidifying, particulate and local air pollution. New standards issueing from the European directives are als introduced here.
    • Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2000

      Breugel P van; Diederen H; Hammingh P; Jimmink B; Kamst A; Noordijk H; Swaan P; Velders G; Velze K van; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-04)
      This annual report comprises an overview of the air quality and the load placed on soils and surface water by atmospheric deposition in the Netherlands on the basis of measurements and model calculations. Special attention has been paid to the smog regulation of 2001, with chapters on global, photochemical, acidifying, particulate and local air pollution. New standards issuing from Dutch and European (EU) directives are also introduced here.