• Jaarrapportage 2012 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Stefess GC; MLG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-16)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op drie permanente meetlocaties in de omgeving van Hilversum voldoen in 2012 aan de normen; deze meetpunten liggen in Hilversum, Bussum en Laren en zijn representatief voor de omgeving van Hilversum. De resultaten van 2012 komen overeen met die van 2009 tot en met 2011. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren. In 2008 werd gestart met metingen van fijnstof. Vanaf voorjaar/zomer 2009 zijn daar metingen van stikstofoxiden aan toegevoegd. De concentraties op drukke wegen in Hilversum en Bussum worden vergeleken met die van een locatie in Laren met weinig verkeer. Op deze manier wordt een indruk verkregen van de mate waarin verkeer bijdraagt aan luchtverontreiniging in de periode waarin maatregelen voor het IBP Hilversum worden uitgevoerd. In 2012 verschilden de daggemiddelde fijnstofconcentraties op de drie stations onderling niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn vergelijkbaar met die van andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentratie van stikstofoxiden varieerde over de dag; de hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten, en dan vooral op stations met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het IBP Meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Aangezien de resultaten sterk overeenkomen met voorgaande jaren wordt het meetnet vanaf 2013 beperkt tot twee meetlocaties, in Hilversum en Laren. Gedurende vijf jaar worden hier nog metingen verricht om ontwikkelingen in de luchtkwaliteit te kunnen volgen.
    • Jaarrapportage 2013 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Stefess GC; MLG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-10-10)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2013 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor respectievelijk een verkeersbelaste en een stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. In 2013 verschillen de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk over de dag. De hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Over de jaren 2009-2013 wordt op de stations een licht dalende trend waargenomen in concentraties van PM10 en NO2. Deze trend volgt de landelijke trend in het LML, alleen zijn de jaargemiddelde concentraties in het Hilversumse meetnet lager dan het landelijk jaargemiddelde van de gelijksoortige type stations in het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
    • Jaarrapportage 2014 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Stefess GC; MLG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-04)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2014 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor respectievelijk een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Van 2009 tot en met 2014 wordt op de stations een licht dalende trend waargenomen in concentraties van fijnstof en stikstofdioxide. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2014 verschillen de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden zijn tijdens de ochtendspits gemeten op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
    • Jaarrapportage 2015 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Stefess GC; MMK; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-09)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2015 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Sinds de aanvang van de metingen in 2009 dalen de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide in lichte mate op de stations. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2015 zijn de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations vrijwel gelijk. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden ontstaan tijdens de ochtendspits op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
    • Jaarrapportage 2016 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Dam-Deisz WDC; MMK; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-30)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren, en de concentratie PM2,5 gemeten op meetlocatie Hilversum voldoen in 2016 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Sinds de aanvang van de metingen in 2009 dalen de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide in lichte mate op de stations. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2016 zijn de daggemiddelde concentraties van PM10 op de twee stations onderling vrijwel gelijk. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden ontstaan tijdens de ochtendspits op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2005/2006

      Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Brandsema P; Du Ry van Beest Holle M; Meijer A; van der Lubben IM; Wilbrink B; van der Sande MAB; EPI; LIS; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-02-19)
      Respiratoire infectieziekten uiten zich vooral door een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ) en pneumonie. Om de bestrijding van deze ziektelast meer te kunnen ondersteunen en voorbereid te zijn op nieuwe uitbraken, moet de surveillance van IAZ worden geintensiveerd en van pneumonie worden uitgebreid. Verder neemt het aantal meldingen van legionellose en psittacose toe. Dat vraagt om hernieuwde aandacht voor surveillance van besmettingsbronnen en identificatie van risicofactoren. Dat staat te lezen in de jaarlijkse rapportage van de projectgroep Respiratoire Infecties van het CIb, die de algemene surveillance van respiratoire infectieziekten in Nederland coordineert.
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2006/2007

      EPI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMProjectgroep respiratoire infectieziektenCentrum voor Infectieziektenbestrijding, 2008-02-19)
      Respiratoire aandoeningen hebben het afgelopen respiratoire jaar (mei 2006 tot en met april 2007) tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als in eerdere jaren was ongeveer 10% van alle sterfte gerelateerd aan een pneumonie, duidend op een onveranderd grote ziektelast. Ook legionellose werd het afgelopen jaar veel vaker gediagnosticeerd. Naast een uitbraak gerelateerd aan een besmette koeltoren, kwamen er over het hele land verspreid meer patienten voor zonder duidelijke aanwijzing voor een gemeenschappelijke bron. Mogelijk spelen klimatologische factoren hierbij een rol. In 2006/2007 kwam het influenza seizoen laat, duurde kort, en leidde tot een relatief geringe ziektelast.
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2007/2008

      Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Brandsema P; Friesema IHM; Robert-Du Ry van Beest Holle M; van der Lubben IM; Wilbrink B; Meijer A; van der Hoek W; van der Sande MAB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-11-06)
      Luchtweginfecties hebben in de periode mei 2007 tot en met april 2008 opnieuw tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als voorgaande jaren werd longontsteking bij circa 10% van alle sterfte als doodsoorzaak geregistreerd. Dit wijst wederom op een groot effect van luchtweginfecties op de volksgezondheid. Het meest opvallende in 2007 was de uitbraak van Q koorts, een ziekte die door dieren (met name geiten en schapen) wordt overgebracht. Ook in 2008 heeft Q-koorts tot een groot aantal ziektegevallen geleid. Een eenduidige bron is nog niet aangetoond. Een andere opvallende ontwikkeling was een grote uitbraak van papegaaienziekte gerelateerd aan een vogelshow in Weurt (nabij Nijmegen). Daarnaast was opmerkelijk dat in 2007/2008 bij ruim een kwart van de griepvirussen van het subtype A(H1N1) resistentie tegen het antivirale middel oseltamivir werd gevonden. Het aantal meldingen van legionella was in 2007/2008 in lijn met de licht stijgende trend sinds 2003. Het aantal tuberculose-patiknten daalde in 2007 naar 960, het laagste aantal dat ooit in Nederland werd geregistreerd. De rol die specifieke virussen en bacterien bij luchtweginfecties spelen is slechts voor een deel bekend. Ook is nog weinig bekend over de andere factoren die mogelijk een rol spelen bij het ontstaan van luchtweginfecties. Daarom blijft het noodzakelijk verder onderzoek te doen naar oorzaken van ziekte en sterfte door luchtweginfecties en naar preventiemaatregelen en behandelingen.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2008

      Dijkstra F; Brandsema P; van Gageldonk-Lafeber AB; van der Hoek W; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-28)
      Deze rapportage beschrijft ontwikkelingen op het gebied van respiratoire infectieziekten in 2008 op basis van surveillance data. Opvallend waren vooral de ongekend grote Q-koorts uitbraak en het spontane ontstaan van influenzavirussen die resistent zijn tegen oseltamivir en die zich makkelijk verspreiden.Samen met de ontwikkelingen die zich inmiddels in 2009 hebben voorgedaan met een aanhoudend Q-koorts probleem en een influenza pandemie toont dit het belang aan van een goede surveillance van respiratoire infecties
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2009

      Dijkstra F; van 't Klooster TM; Brandsema P; van Gageldonk-Lafeber AB; Meijer A; van der Hoek W; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-03)
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2010 : Projectgroep respiratoire infecties

      Brandsema PS; Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Snijders BEP; Meijer A; van der Hoek W; EPI ; EMI ; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVELBronopsporings eenheid Legionella pneunomie (CIb/BEL)Streeklaboratorium HaarlemErasmus MCafdeling virologieRotterdamKNCV TuberculosefondsDen Haag, 2011-10-18)
      Luchtweginfecties zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijke ziektelast onder de algemene bevolking en thuis opgelopen longontsteking is een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. Dit surveillancerapport beschrijft de ontwikkelingen in luchtweginfecties in 2010 en het influenzaseizoen van 2010/2011. Het jaar 2010 verliep voor wat betreft luchtweginfecties een stuk rustiger dan het jaar 2009, toen de influenza pandemie ('Mexicaanse griep') en de piek van de uitzonderlijk grote Q-koorts epidemie samenvielen. De pandemie is officieel voorbij en het eerste griepseizoen (2010/2011) na de pandemie verliep mild. Q-koorts lijkt ook op zijn retour met een veel lager aantal meldingen van acute Q-koorts in 2010 dan in 2009. Wel wordt de komende jaren een toename verwacht van chronische Q-koorts, een relatief zeldzaam maar ernstig ziektebeeld. In 2010 was er een aanzienlijke toename in het aantal meldingen van legionellose in vergelijking met 2009 en 2008. De oorzaken van deze toename zijn nog niet bekend en worden door het CIb nader onderzocht. De stijging van het aantal nieuwe tuberculose patiënten in 2009 was een trendbreuk met de jaren ervoor, toen het aantal nieuwe patiënten juist steeds verder afnam. Echter, de stijging heeft zich in 2010 niet voortgezet.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2011 : projectgroep respiratoire infecties

      Brandsema PS; Dijkstra F; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; de Lange MMA; Meijer A; Slump E; Snijders BEP; van der Hoek W; EPI; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMStreeklaboratorium HaarlemKNCV Tuberculosefonds, 2012-10-19)
      Na de grieppandemie ('Mexicaanse griep') in 2009 en de omvangrijke Q-koortsepidemie van 2007 tot en met 2010, was 2011 een jaar zonder onverwachte uitbraken op het gebied van luchtweginfecties. Luchtweginfecties zoals griep (influenza) en longontsteking zijn echter elk jaar verantwoordelijk voor een aanzienlijk ziekteverzuim en huisartsenbezoek onder de bevolking. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Griep In het influenzaseizoen 2011/2012 kwamen er minder mensen met griep bij de huisarts dan voorgaande seizoenen. Wel stierven er in Nederland en elders in Europa relatief veel ouderen in die periode, wat mogelijk gedeeltelijk aan de griep kan worden toegeschreven. Nederland heeft goede surveillancesystemen voor griep in de huisartsenzorg. Er bestaat echter nog geen systeem dat inzicht geeft in het aantal mensen dat eraan overlijdt of voor wie een ziekenhuisopname nodig is vanwege een ernstig verloop van de griep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onder andere beveelt een dergelijk systeem aan. Q-koorts De epidemie van acute Q-koorts is voorbij. Wel wordt als gevolg van de epidemie, de omvangrijkste ooit ter wereld, een toename verwacht van het aantal patiënten met chronische Q-koorts. Chronische Q-koorts is een ernstig ziektebeeld waaraan nog steeds patiënten overlijden. Longontstekingen In Nederland en in andere Europese landen was er in 2011 een epidemie van infecties met Mycoplasma pneumoniae. Deze bacterie veroorzaakt luchtweginfecties en is de belangrijkste veroorzaker van longontsteking bij kinderen. Een epidemie komt elke vier tot zeven jaar voor. Het aantal meldingen van Psittacose, een soort longontsteking, was stabiel (78), maar net als vorig jaar was het aantal ziekenhuisopnames als gevolg van deze aandoening relatief hoog. Na een aanzienlijke toename in 2010 was het aantal meldingen van longontsteking veroorzaakt door de legionella-bacterie (veteranenziekte) in 2011 weer terug op het gebruikelijke niveau (312). Tuberculose Het aantal meldingen van tuberculose nam iets af, van 1.065 naar 1.007, maar het percentage multiresistente tuberculose steeg licht (van 1,4 naar 2 procent). Bijna driekwart van de tbc-patiënten die in 2011 in Nederland zijn gediagnosticeerd, is in het buitenland geboren; vooral onder Somaliërs komt relatief veel tbc voor. Waarschijnlijk heeft het merendeel de besmetting in het buitenland opgelopen. Bij circa 15 procent van alle tbc-patiënten is het aannemelijk dat de infectie recentelijk binnen Nederland is opgelopen.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2012

      Brandsema P; Dijkstra F; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; de Lange MMA; Meijer A; Slump E; van der Hoek W; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMStreeklaboratorium voor de Volksgezondheid KennemerlandHaarlem., 2013-11-22)
      Er waren in 2012 geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfecties legionellose, psittacose, Q-koorts en tuberculose. Wel duurde de influenza (griep)epidemie van het seizoen 2012/2013 uitzonderlijk lang: met 18 weken was het de langstdurende epidemie in de afgelopen 25 jaar. Mogelijk heeft dit geleid tot meer longontsteking en meer sterfgevallen. Griep en longontsteking leiden jaarlijks tot veel ziekteverzuim en huisartsenbezoeken. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. De meldingsplichtige luchtweginfecties komen veel minder voor dan griep of longontsteking in het algemeen. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Meldingsplichtige longontstekingen De meldingsplichtige longontstekingen vormen een klein deel van het totaal aantal longontstekingen. In 2012 was het aantal longontstekingen veroorzaakt door de legionellabacterie (veteranenziekte) met 304 meldingen vergelijkbaar met vorig jaar. Bijna de helft van de patiënten had tijdens de incubatietijd een reis gemaakt; vooral bij een reis naar Italië was het risico op een legionella-infectie hoger. Er waren 46 meldingen van psittacose, een vorm van longontsteking waarbij vooral vogels de bron van infectie zijn. Dit is het laagste aantal sinds 2004. Er was echter wel een uitbraak van psittacose bij medewerkers van een vogelopvang. Met slechts 66 meldingen was er weinig acute Q-koorts, wat bevestigt dat de grote Q-koortsepidemie van 2007-2010 voorbij is. In Friesland werden echter meer Q-koortspatiënten gezien dan voorgaande jaren, zonder dat hier een bron van infectie gevonden werd. Tuberculose Het aantal tuberculosepatiënten in Nederland is sinds 2002 met een derde gedaald. Na een tijdelijke toename in 2009 tot 1158 meldingen, zette de daling in de jaren erna door tot 958 meldingen in 2012. Evenals voorgaande jaren is in 2012 bijna driekwart van het aantal tbc patiënten geboren in het buitenland. Vooral onder Somaliërs komt relatief vaak tuberculose voor. Griep In het griepseizoen van 2012-2013 circuleerden er vier verschillende griepvirussen: twee verschillende influenzavirussen type A, en twee soorten influenzavirus type B. De effectiviteit van het influenzavaccin was voor één virustype zeer laag en voor de andere drie soorten virussen redelijk tot goed. Tijdens de influenza-epidemie werd langdurig een verhoogd aantal sterfgevallen waargenomen, dat mogelijk deels aan de griep kan worden toegeschreven.
    • Jaarrapportage Surveillance Respiratoire Infectieziekten 2013

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-26)
      Het griepseizoen (influenza) 2013/2014 was erg mild, na de uitzonderlijk langdurende epidemie in het seizoen 2012/2013. Ook was het een mild seizoen wat betreft het aantal mensen dat een longontsteking (pneumonie) opliep. In 2013 waren er geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten legionellose (308 meldingen), papegaaienziekte (psittacose; 51 meldingen), Q-koorts (19 meldingen) en tuberculose (848 meldingen). Deze aantallen waren in het verslagjaar vergelijkbaar of lager dan het aantal meldingen in voorgaande jaren. Dit blijkt uit de jaarlijkse surveillance luchtweginfectieziekten 2013 van het RIVM. Griep en longontsteking leiden tot veel ziekenhuisopnames en sterfte in Nederland, waardoor het RIVM ze actief volgt. In vergelijking met griep komen de meldingsplichtige luchtweginfecties in Nederlands maar weinig voor. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM volgt ook potentieel gevaarlijke nieuwe luchtweginfecties die elders in de wereld voorkomen. In mei 2014 werden voor het eerst in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS coronavirus. In het seizoen 2013/2014 lag het aantal mensen dat met griepachtige klachten bij de huisarts kwam begin 2014 gedurende vier weken boven de grens waarmee een griepepidemie wordt geduid. Bij de patiënten met griepachtige klachten kwam naast influenzavirus vaak RSV (respiratoir syncytieel virus) en neusverkoudheid (rhinovirus) voor. Er kwamen minder mensen met een longontsteking bij de huisarts dan voorgaande seizoenen, maar het aantal longontstekingpatiënten in verpleeghuizen bleef gelijk.
    • Jaarverslag 1994

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30
      Abstract niet beschikbaar
    • Jaarverslag Bureau REACH 2016 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-13)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft de activiteiten in hoofdlijnen over 2016 en belicht enkele specifieke cases. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Bureau REACH 2017 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; van Goor-Gras J; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij. Voorbeelden zijn weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen en oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) en (buitenlandse) overheden bij de uitvoering van REACH en CLP. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2017 en belicht enkele specifieke cases. Zo was er in 2017 veel aandacht voor nieuwe stoffen waarover zorgen bestaan in bijvoorbeeld drinkwater (zoals GenX) en risico's als mensen aan verschillende stoffen tegelijk bloot worden gesteld. Als de risicoanalyse van stoffen nog vragen oproepen, kan Bureau REACH de producent of importeur om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof vragen. Op basis van de uitkomst wordt bepaald of een stof als zeer ernstige zorgwekkende stof (ZZS) moet worden getypeerd. Ook kan Bureau REACH voorstellen indienen om stoffen in te delen op basis van Europees vastgestelde gevaren (classificatie volgens CLP). Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de gevaarseigenschappen van een stof op etiketten aangeduid moeten worden zodra deze boven de grenswaarde in een product aanwezig is. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers van stoffen die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2009

      van Leeuwen LC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)
    • Jaarverslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010

      van Leeuwen LC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-19)
      Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2009 (rapportnummer 601784002). Helpdesk RIVM SEC: De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2010 geevalueerd. Voor wie bedoeld: Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen. Aanbevelingen: Om de doelgroepen nog beter van dienst te zijn, is het vergroten van de naamsbekendheid van de website Risico's van Stoffen en de Helpdesk RIVM SEC belangrijk. Door het verder optimaliseren van de samenwerking met andere partijen en helpdesks, zowel binnen als buiten het RIVM, wordt de doelgroep gerichter naar de juiste informatie verwezen.
    • Jaarverslag helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2011

      van Leeuwen LC; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-31)
      Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010". Helpdesk RIVM SEC De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2011 geëvalueerd. Voor wie bedoeld Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen.