• Jaarrapportage Surveillance Respiratoire Infectieziekten 2013

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-26)
      Het griepseizoen (influenza) 2013/2014 was erg mild, na de uitzonderlijk langdurende epidemie in het seizoen 2012/2013. Ook was het een mild seizoen wat betreft het aantal mensen dat een longontsteking (pneumonie) opliep. In 2013 waren er geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten legionellose (308 meldingen), papegaaienziekte (psittacose; 51 meldingen), Q-koorts (19 meldingen) en tuberculose (848 meldingen). Deze aantallen waren in het verslagjaar vergelijkbaar of lager dan het aantal meldingen in voorgaande jaren. Dit blijkt uit de jaarlijkse surveillance luchtweginfectieziekten 2013 van het RIVM. Griep en longontsteking leiden tot veel ziekenhuisopnames en sterfte in Nederland, waardoor het RIVM ze actief volgt. In vergelijking met griep komen de meldingsplichtige luchtweginfecties in Nederlands maar weinig voor. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM volgt ook potentieel gevaarlijke nieuwe luchtweginfecties die elders in de wereld voorkomen. In mei 2014 werden voor het eerst in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS coronavirus. In het seizoen 2013/2014 lag het aantal mensen dat met griepachtige klachten bij de huisarts kwam begin 2014 gedurende vier weken boven de grens waarmee een griepepidemie wordt geduid. Bij de patiënten met griepachtige klachten kwam naast influenzavirus vaak RSV (respiratoir syncytieel virus) en neusverkoudheid (rhinovirus) voor. Er kwamen minder mensen met een longontsteking bij de huisarts dan voorgaande seizoenen, maar het aantal longontstekingpatiënten in verpleeghuizen bleef gelijk.
    • Jaarverslag 1994

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30
      Abstract niet beschikbaar
    • Jaarverslag Bureau REACH 2016 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-13)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft de activiteiten in hoofdlijnen over 2016 en belicht enkele specifieke cases. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Bureau REACH 2017 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; van Goor-Gras J; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij. Voorbeelden zijn weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen en oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) en (buitenlandse) overheden bij de uitvoering van REACH en CLP. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2017 en belicht enkele specifieke cases. Zo was er in 2017 veel aandacht voor nieuwe stoffen waarover zorgen bestaan in bijvoorbeeld drinkwater (zoals GenX) en risico's als mensen aan verschillende stoffen tegelijk bloot worden gesteld. Als de risicoanalyse van stoffen nog vragen oproepen, kan Bureau REACH de producent of importeur om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof vragen. Op basis van de uitkomst wordt bepaald of een stof als zeer ernstige zorgwekkende stof (ZZS) moet worden getypeerd. Ook kan Bureau REACH voorstellen indienen om stoffen in te delen op basis van Europees vastgestelde gevaren (classificatie volgens CLP). Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de gevaarseigenschappen van een stof op etiketten aangeduid moeten worden zodra deze boven de grenswaarde in een product aanwezig is. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers van stoffen die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2009

      van Leeuwen LC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)
    • Jaarverslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010

      van Leeuwen LC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-19)
      Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2009 (rapportnummer 601784002). Helpdesk RIVM SEC: De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2010 geevalueerd. Voor wie bedoeld: Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen. Aanbevelingen: Om de doelgroepen nog beter van dienst te zijn, is het vergroten van de naamsbekendheid van de website Risico's van Stoffen en de Helpdesk RIVM SEC belangrijk. Door het verder optimaliseren van de samenwerking met andere partijen en helpdesks, zowel binnen als buiten het RIVM, wordt de doelgroep gerichter naar de juiste informatie verwezen.
    • Jaarverslag helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2011

      van Leeuwen LC; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-31)
      Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010". Helpdesk RIVM SEC De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2011 geëvalueerd. Voor wie bedoeld Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen.
    • Jaarverslag Landelijke Werkgroep Grondwater 2011 en 2012

      Sterkenburg A; Claessens JW; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-10-10)
      In de Landelijke Werkgroep Grondwater (LWG) werken provincies, ministeries, waterschappen, gemeenten en onderzoeksinstituten sinds 2003 aan de implementatie van het grondwatergedeelte van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de daaronder vallende Grondwater Richtlijn. In 2011 en 2012 heeft de werkgroep zich erop gericht beleidsvelden te koppelen. Op die manier is kennis gebundeld waarmee het volgende stroomgebiedsbeheersplan, gepland voor 2015, op kan worden gesteld. Deze plannen moeten de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater zeker stellen door telkens voor zes jaar een programma van maatregelen op te stellen. In de verslagperiode is onder andere met de betrokken partijen overlegd om de factsheets met gegevens over de grondwaterlichamen in Nederland op uniforme wijze in te vullen. Deze documenten vormen de basis voor de gebiedsbeheersplannen en bevatten informatie over de kwaliteit van de grondwaterlichamen, voorstellen voor de toekomst om die kwaliteit te verbeteren en de manier waarop dat kan worden bereikt. Ook heeft het ministerie in samenwerking met de LWG een protocol ontwikkeld om de huidige kwaliteit van de grondwaterlichamen te duiden (toestand), en de ontwikkelingen daarin op termijn te beoordelen. Het RIVM voert het secretariaat van de LWG en maakt jaarlijks een overzicht van de werkzaamheden. Deze overzichten dienen als naslagwerk voor diegenen die betrokken zijn bij de Werkgroep Grondwater. Daarnaast dient het als informatiebron voor diegenen die aan de slag gaan met activiteiten die voortkomen uit de werkgroep.
    • JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte'

      Heerdink-Obenhuijsen N; van Dommelen P; Kamphuis M; van Buuren S; Coenen-van Vroonhoven EJC; Verkerk PH; CJG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2010-05-27)
      In samenwerking met professionals uit de jeugdgezondheidszorg heeft TNO de JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte' ontwikkeld. De richtlijn draagt eraan bij dat kleine lichaamslengte bij kinderen tussen 0 en 10 jaar tijdig wordt opgespoord en behandeld. De richtlijn is in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin opgesteld. Het RIVM voert de regie over de ontwikkeling, implementatie en borging van JGZ-richtlijnen. Om een kleine lichaamslengte te signaleren en vast te stellen wordt de groei van kinderen gemonitord. Hierbij wordt onder andere de lengte van het kind afgezet tegen de gemiddelde lengte van leeftijdgenoten. Ook wordt gekeken naar de (medische) achtergrond van het kind. Wanneer een kleine lichaamslengte wordt vastgesteld, verwijst de JGZ het kind door. Afhankelijk van de vermoedelijke oorzaak wordt verwezen naar een kinderarts of psycholoog. De richtlijn beschrijft hiervoor de criteria. De oorzaken van kleine lichaamslengte zijn in de richtlijn onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste kan het zijn dat er geen medische oorzaak bekend is. Ten tweede kan een kleine lichaamslengte het gevolg zijn van een aandoening aan de bot- en steunweefsels, zoals bij het syndroom van Down. Ten slotte kan het een gevolg zijn van andersoortige aandoeningen, zoals chronische ziekten (bijvoorbeeld astma, taaislijmziekte en diabetes) en psychische aandoeningen als anorexia en emotionele verwaarlozing. Naast de oorzaken van kleine lichaamslengte geeft de richtlijn ook weer hoe de JGZ het kind en zijn ouders kan begeleiden, nadat een kleine lichaamslengte is vastgesteld. Dat kan bijvoorbeeld door hen te informeren over oorzaken en behandelingen en door vragen en zorgen te bespreken. Groeihormonen worden alleen ingezet als deze behandeling bewezen effectief is, bijvoorbeeld als een kind zelf te weinig groeihormoon aanmaakt.
    • JGZ-richtlijn Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar : Eerste herziening

      Coenen-van Vroonhoven EJC; Lantau VK; van Eerdenburg-Keuning IA; van Velzen-Mol HWM; CGL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-10-01)
      Op initiatief van TNO Kwaliteit van Leven en het Expertisecentrum Kind en Ontwikkeling is eind 2007 begonnen met de herziening van de standaard 'Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar', welke in 2002 werd uitgegeven. Dit initiatief werd ondersteund door de Richtlijnadviescommissie (RAC) van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid. De herziene richtlijn, die is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en de deskundigheid van JGZ-professionals, is goedgekeurd door de RAC.
    • JGZ-richtlijn Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar : Eerste herziening - Samenvatting

      Coenen-van Vroonhoven EJC; Lantau VK; van Eerdenburg-Keuning IA; van Velzen-Mol HWM; CGL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-10-01)
      Op initiatief van TNO Kwaliteit van Leven en het Expertisecentrum Kind en Ontwikkeling is eind 2007 begonnen met de herziening van de standaard 'Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar', welke in 2002 werd uitgegeven. Dit initiatief werd ondersteund door de Richtlijnadviescommissie (RAC) van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid. De herziene richtlijn, die is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en de deskundigheid van JGZ-professionals, is goedgekeurd door de RAC.
    • JGZ-richtlijn Preventie Wiegendood. Gebaseerd op de gelijknamige richtlijn, opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland in 2007

      Ruys JH; Engelberts AC; Velzen-Mol HWM van; CJG (2009-11-17)
      De richtlijn Preventie Wiegendood, die in 2007 voor kinder- en jeugdartsen is opgesteld, is vertaald naar de praktijk van de jeugdgezondheidszorg (JGZ). De vertaalslag houdt in dat aan de richtlijn een praktijkgerichte samenvatting is toegevoegd van de aanbevelingen om wiegendood te voorkomen. Daarnaast is een handzame overzichtskaart met aandachtspunten gemaakt. De documenten zijn bedoeld om professionals uit de JGZ, artsen en verpleegkundigen te ondersteunen bij de voorlichting aan ouders over dit onderwerp. De vertaalslag is onder begeleiding van het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM uitgevoerd. De richtlijn is indertijd opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en de Artsen Jeugdgezondheid Nederland (AJN). Het document geeft op basis van literatuuronderzoek een overzicht van risicofactoren, aanbevelingen en andere aan wiegendood gerelateerde onderwerpen. De richtlijn is goedgekeurd door de RIVM-Richtlijnadviescommissie voor de jeugdzondheidszorg (RAC). In de RAC zijn onder meer de koepelorganisaties, zoals GGD Nederland en de organisatie voor zorgondernemers ActiZ, en de beroepsverenigingen in de jeugdgezondheidszorg vertegenwoordigd.
    • JGZ-richtlijn Secundaire preventie kindermishandeling

      Wagenaar-Fischer MM; Heerdink-Obenhuijsen N; Kamphuis M; de Wilde J; CGL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-19)
    • JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen

      Postma S; CJG (2009-01-15)
      Een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugd heeft te kampen met psychosociale problemen. Onder 0-12 jarigen is dat bij 11% tot 28% in meer of mindere mate het geval. In dit kader heeft het programmaministerie voor Jeugd en Gezin het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid de opdracht gegegeven een JGZ-richtlijn 'Vroegsignalering van psychosociale problemen' te ontwikkelen. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) speelt een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren van psychosociale problemen, omdat zij in principe alle jeugdigen in de leeftijd van 0-19 jaar ziet. Doel van deze richtlijn is dan ook om de professionals in de JGZ handvatten te bieden bij het voorkomen en herkennen van psychosociale problemen, evenals het beperken van mogelijke schade. De richtlijn geeft geen vastomlijnd antwoord op de vraag hoe de JGZ om dient te gaan met de signalering van psychosociale problemen. De reden is dat nog maar een klein deel van de bestaande signaleringsinstrumenten die binnen de JGZ kunnen worden gebruikt is gevalideerd voor de Nederlandse situatie. Wel is aangetoond dat het gebruik van instrumenten de signalering van kinderen met psychosociale problemen aanzienlijk verbetert. Het advies aan de JGZ is daarom in ieder geval een instrument te gebruiken bij de signalering van psychosociale problemen. In de richtlijn worden per leeftijdsgroep iin of meerdere instrumenten aangegeven, die gebruikt kunnen worden totdat meer onderzoeksresultaten bekend zijn. De richtlijn zal dan worden aangepast. De richtlijn is goedgekeurd door het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid op advies van de Richtlijn Advies Commissie (RAC). Deze commissie is de opvolger van de Jeugdgezondheidszorg Adviesraad Standaarden (JAS) en van het Samenwerkingsverband Implementatie (SI). De standaarden in de JGZ worden nu richtlijnen genoemd.
    • JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen

      Postma S; CJG (2009-01-15)
      Een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugd heeft te kampen met psychosociale problemen. Onder 0-12 jarigen is dat bij 11% tot 28% in meer of mindere mate het geval. In dit kader heeft het programmaministerie voor Jeugd en Gezin het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid de opdracht gegegeven een JGZ-richtlijn 'Vroegsignalering van psychosociale problemen' te ontwikkelen. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) speelt een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren van psychosociale problemen, omdat zij in principe alle jeugdigen in de leeftijd van 0-19 jaar ziet. Doel van deze richtlijn is dan ook om de professionals in de JGZ handvatten te bieden bij het voorkomen en herkennen van psychosociale problemen, evenals het beperken van mogelijke schade. De richtlijn geeft geen vastomlijnd antwoord op de vraag hoe de JGZ om dient te gaan met de signalering van psychosociale problemen. De reden is dat nog maar een klein deel van de bestaande signaleringsinstrumenten die binnen de JGZ kunnen worden gebruikt is gevalideerd voor de Nederlandse situatie. Wel is aangetoond dat het gebruik van instrumenten de signalering van kinderen met psychosociale problemen aanzienlijk verbetert. Het advies aan de JGZ is daarom in ieder geval een instrument te gebruiken bij de signalering van psychosociale problemen. In de richtlijn worden per leeftijdsgroep iin of meerdere instrumenten aangegeven, die gebruikt kunnen worden totdat meer onderzoeksresultaten bekend zijn. De richtlijn zal dan worden aangepast. De richtlijn is goedgekeurd door het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid op advies van de Richtlijn Advies Commissie (RAC). Deze commissie is de opvolger van de Jeugdgezondheidszorg Adviesraad Standaarden (JAS) en van het Samenwerkingsverband Implementatie (SI). De standaarden in de JGZ worden nu richtlijnen genoemd.
    • Jodide-opname per persoon en per dag, bepaald via onderzoek van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/85

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1989-04-30)
      Resultaten worden gepresenteerd van het onderzoek naar de jodide-opname met de etmaalvoeding en drank door volwassen Nederlanders, 53 vrouwen en 57 mannen, in de leeftijdscategorie 18-74 jaar. Bemonsteringsperiode: oktober 1984 (N=54) en maart 1985 (N=56). Als methode van onderzoek werd toegepast natte ontsluiting van de analyseportie gevolgd door de meting van jodide via de Sandell-Kolthoff-reactie. Ter kwaliteitsbewaking zijn alle bepalingen tenminste in duplo verricht, werd in elke meetsessie NBS "Bovine Liver" 1577 geanalyseerd en zijn opbrengstexperimenten uitgevoerd. De jodide-opname van de doelgroep bedraagt 45-933 mug per persoon en per dag ; gemiddeld wordt 197 mug opgenomen en mediaan 148 mug/persoon/dag. In 15% van de gevallen is de opname lager dan 100-200 mug jodide per persoon en per dag die algemeen voldoende wordt geacht. Het gehalte aan jodide van een kilogram gemiddelde duplicaatvoeding (dit onderzoek) en "market basket" voeding, CIVO-TNO voedingsonderzoek 1984/1986, is gelijk. De gemiddelde orale jodide-opname is in ons land iets lager dan in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
    • De jodiuminname van de Nederlandse bevolking na verdere zoutverlaging in brood

      Geurts M; Verkaik-Kloosterman J; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-11)
      Dit rapport bevat een erratum na blz. 37 Nederlanders tussen 7 en 69 jaar krijgen over het algemeen voldoende jodium binnen. Doordat brood een belangrijke bron van jodium is, krijgen mensen die weinig brood eten mogelijk te weinig jodium binnen. Mensen die maximaal 1 snee brood per dag eten, krijgen gemiddeld 35 tot 40 procent minder jodium binnen dan mensen die minstens 4 sneden brood per dag eten. Jodium is van belang voor een normale groei en ontwikkeling en voor een goede stofwisseling. Een tekort aan jodium kan de werking van de schildklier verstoren. Tijdens de zwangerschap en in de eerste levensjaren kan een tekort aan jodium een verminderde cognitieve ontwikkeling veroorzaken. Door de toevoeging van gejodeerd bakkerszout is brood een belangrijke bron van jodium in Nederland. Sinds 2009 is de hoeveelheid zout in brood een aantal keer verlaagd in verband met de inspanningen om het productaanbod gezonder te maken. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM berekend wat het effect van deze verlaging is op de jodiuminname in de Nederlandse bevolking en twee mogelijke risicogroepen. Mensen die brood zonder gejodeerd (bakkers)zout consumeren, zoals een deel van het biologische brood of het zelfgebakken brood, zijn mogelijk een risicogroep om te weinig jodium binnen te krijgen. Het is onbekend of deze personen via andere voedingsmiddelen hun jodiuminname op peil houden. De huidige gegevens over de Nederlandse voedselconsumptie geven namelijk geen inzicht in de mate waarin mensen brood zonder gejodeerd zout consumeren, en dus ook niet in het voedingspatroon van deze consumenten. Zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven hebben meer jodium nodig in vergelijking met vrouwen van dezelfde leeftijd. Er is onvoldoende bekend over het voedingspatroon van zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven in Nederland. Gezien de effecten van onvoldoende jodium op het (ongeboren) kind is het van belang om inzicht te krijgen in de jodiumstatus van deze vrouwen en in hun voedingsgewoonten.
    • Jodiumprofylaxe bij kernongevallen

      Leenders MEC; Kok YS; Reinen HAJM; Zuur C; NVIC; LSO; VROM-DGM-SAS (2005-02-24)
      In 1999 is in Nederland begonnen met de revisie van het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding. Hierbij hoort ook de herziening van de aanbevelingen betreffende jodiumprofylaxe bij het vrijkomen van radioactief jodium. Dit rapport bevat een strategie voor de Nederlandse situatie, waarvoor een dreigingsanalyse is uitgevoerd. Op basis van scenario's en brontermen zijn afstanden berekend waar de schildklierdosis voor kinderen ten gevolge van radioactief jodium zo hoog zou worden dat profylaxe aanbevolen wordt (interventieniveau).Dit is berekend voor de kerncentrales van Borssele, Doel (Belgie) en Emsland (Duitsland). Er zijn per kerncentrale twee zones gedefinieerd: een waar wordt aanbevolen de kaliumjodaattabletten voor te verdelen en een tweede daaromheen waar de tabletten decentraal kunnen worden opgeslagen bij huisartsenposten, apotheken, drogisten en GGD's of GHOR.
    • Jodiumprofylaxe bij kernongevallen

      Leenders MEC; Kok YS; Reinen HAJM; Zuur C; NVIC; LSO; VROM-DGM-SAS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-02-24)
      In 1999 the Dutch government made a start on the revision of the National Nuclear Emergency Response Plan. This revision includes recommendations for iodine prophylaxis in case of a radioactive iodine release. The strategy set out for the Dutch situation will be described here. The first step was to carry out a threat analysis to calculate the area around nuclear power plants, where thyroid doses for children are sufficiently high as to warrant iodine prophylaxis. Calculations were based on scenarios and source terms. Analyses were conducted for accidental releases of the power plants of Borssele (the Netherlands), Doel (Belgium) and Emsland (Germany). Two zones were defined for each nuclear power plant: one in the direct vicinity of the power plant and a second one, forming a circle around the first zone. In the first zone predistribution of iodine tablets is advocated. In the second zone, around the first one, we advice local storage at offices of general practitioners, pharmacies, drugstores and at municipal health services ( GGD's) and at medical accident and disaster assistance service points (GHOR's).
    • Joint toxic effects of cadmium and pyrene on reproduction and growth of the earthworm Eisenia andrei

      Posthuma L; Weltje L; Anton-Sanchez FA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      In verontreinigde gronden zijn vaak diverse verontreinigende stoffen aanwezig. Daarom moet er bij de bepaling van de ecotoxicologische risico's van de aanwezige mengsels rekening gehouden worden met mengsel-effecten. Empirische data over de toxische effecten van een polycyclische aromatische koolwaterstof (PAK) en een metaal voor een bodem-evertebraat worden gepresenteerd. De toxische effecten van mengsels van cadmium en pyreen werden bestudeerd bij de worm Eisenia andrei. Blootstelling vond plaats in een kunstmatig substraat (OECD kunstgrond). Reproductie en lichaamsgroei werden gebruikt om toxische effecten te kwantificeren. Om de mengseleffecten vast te stellen werd een geoptimaliseerde proefopzet gekozen. Daarbij werden de effecten van de afzonderlijke stoffen, en van mengsels met verschillende concentraties, simultaan bepaald. De data werden geanalyseerd met behulp van het (relatieve) Toxic Unit concept. Hiervoor werden de concentraties van beide stoffen in de mengsels uitgedrukt als fracties van hun EC50, die voor beide stoffen bepaald was via de enkelvoudige blootstelling. De mengseleffecten bleken niet significant af te wijken van de respons die verwacht wordt volgens het concentratie-additie model, hoewel er een tendens bestond voor een minder dan concentratie-additief effect op reproductie. Deze conclusie is in overeenstemming met de waarneming dat de lichaamsconcentraties van cadmium slechts in geringe mate, en alleen in de hoogste blootstellingsconcentratie, beinvloed werden door pyreen, en vice versa.<br>