• De keten van oplosmiddelen in kaart

      Morgenstern PP; de Zwart D; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-06)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een globale analyse gemaakt van de oplosmiddelenketen in Nederland. De inventarisatie is gericht op fabrikanten, importeurs en distributeurs, en degenen die verwante producten samenstellen (formuleerders) in branches die met oplosmiddelen werken. De nadruk ligt hierbij op de grotere ondernemingen. Er blijken in Nederland ongeveer 165 fabrikanten, 3400 importeurs en distributeurs en 420 formuleerders te zijn in dergelijke branches. Daarnaast zijn gegevens over 114 frequent gebruikte oplosmiddelen verzameld: fysisch-chemische eigenschappen zijn vermeld evenals een duiding van het gevaar dat ze kunnen vormen voor het milieu. Ten slotte is bekeken voor welke stoffen specifieke regels gelden vanuit internationale kaders. Dit blijkt voor 28 van de 114 geïventariseerde oplosmiddelen het geval te zijn. Negen stoffen hiervan staan op een lijst van gevaarlijke stoffen waarvoor beperkingen gelden in de Europese Unie (bijlage XVII van de REACH-verordening). De inventarisatie van de bedrijven is gedaan op basis van CBS-data. Aangezien hierin geen categorie 'oplosmiddelen' bestaat, zijn de aantallen fabrikanten, distributeurs en formuleerders geschat op basis van relevante categoriën, zoals chemische industrie, aardolieraffinaderij, verf en kunststoffen. De lijst is daardoor verkennend van aard en biedt handvatten voor nadere specificaties.
    • Ketenanalyse brandstoffen en brandstofadditieven

      Bakker J; Theodori D; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-06)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van Nederlandse bedrijven die brandstoffen en brandstofadditieven produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken. Daarnaast is informatie over brandstoffen en de hieraan toegevoegde additieven verzameld zoals welke chemische stoffen hiervoor worden gebruikt, wat de gevaarseigenschappen van deze stoffen zijn en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving. De ILT wil dit overzicht gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving. Het rapport concentreert zich vooral op de toeleveringsketen van brandstoffen die gemaakt zijn van aardolie. Brandstoffen op basis van aardolie worden in alle sectoren van de economie gebruikt, het meeste in de transportsector. De keten voor brandstoffen en additieven is complex en bestaat uit veel schakels. Sommige schakels in de keten vervullen tegelijkertijd meerdere rollen, bijvoorbeeld die van producent, bereider van mengsels (formuleren) en importeur. Als aardolieproducten en additieven schadelijke (kankerverwekkende) eigenschappen hebben, kunnen ze op internationale stoffenlijsten komen te staan die het gebruik ervan verbieden of beperken. Tegenwoordig worden veel brandstoffen op basis van minerale aardolie niet meer als kankerverwekkend en mutageen geclassificeerd. Ze zijn vaak dusdanig geraffineerd dat ze slechts weinig ongewenste stoffen bevatten. Een uitzondering hierop zijn bijvoorbeeld bunkeroliën voor de scheepvaart en zware stookoliën. Een belangrijk aandachtspunt is dat de kwaliteit van de informatie in de zogeheten veiligheidsinformatiebladen over stoffen en componenten te wensen over laat; producenten van brandstoffen en brandstofadditieven ontvangen deze informatiebladen van hun leveranciers en verwerken die in de veiligheidsinformatiebladen die ze opstellen voor de volgende schakel in de keten. Enkele producenten van brandstoffen en brandstofadditieven hebben daarom aangegeven zelf de juistheid van de informatie te toetsen. Alleen grote bedrijven hebben echter genoeg deskundigheid in huis om dat te kunnen doen.
    • Ketenanalyse impregneermiddelen

      de Groot GM; Bakker J; Luit RJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die impregneermiddelen produceren, importeren, distribueren en op industriële schaal in materialen verwerken. Daarnaast is informatie over impregneermiddelen verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt, en welke stoffen niet meer zijn toegestaan als impregneermiddel. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving en eventuele problemen met de naleving van de Europese stoffenregelgeving. Met impregneermiddelen worden vooral stoffen en middelen aangeduid om materialen, zoals leer, textiel, papier, hout en steen, beter water-, vet- en vuilafstotend of -bestendig te maken. Stoffen die veel gebruikt worden als impregneermiddel zijn fluorkoolstofverbindingen, siliconen en siloxanen, en acrylaat- en andere kunstharsen. Impregneermiddelen worden op industriële schaal gebruikt in de textiel-, tapijt-, leer-, papier-, betonproducten- en houtverwerkende industrie en in industriële wasserijen. De fabrikanten van fluorkoolstofverbindingen en siliconen bevinden zich hoofdzakelijk buiten Nederland. Uit de inventarisatie blijkt dat producenten en importeurs de registratieverplichting van stoffen goed naleven. Brancheverenigingen van industriële gebruikers van impregneermiddelen geven aan dat leveranciers hun stoffen en het gebruik ervan zo goed als altijd hebben geregistreerd. Als dit niet het geval is, wenden zij zich tot een leverancier die de stof en het gebruik wel heeft geregistreerd. Daarnaast ervaren industriële gebruikers geen problemen als stoffen niet meer zijn toegelaten, omdat ze hiervoor tijdig alternatieven krijgen aangeboden. De algemene Veiligheidsinformatiebladen die verplicht worden bijgeleverd bij gevaarlijke stoffen en mengsels, worden zowel door producenten en industriële gebruikers vaak te ingewikkeld en te weinig sectorspecifiek gevonden. De branches geven aan vooral gebruik te maken van sectorspecifieke arbocatalogi over veilig werken met gevaarlijke stoffen. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek, interviews met brancheverenigingen en een bijeenkomst met inspecteurs.
    • Ketenanalyse smeermiddelen

      de Groot GM; Bakker J; Luit RJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-05-15)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die smeermiddelen produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken bij de productie van machines, transportmiddelen, onderdelen, et cetera. Daarnaast is informatie over smeermiddelen en additieven verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving en eventuele problemen daarbij. De ILT wil de resultaten gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving door de doelgroepen in de keten van smeermiddelen. Smeermiddelen bestaan doorgaans uit minerale basisoliën, vetten of wassen, met diverse additieven. Behalve in machines, apparaten en transportmiddelen worden smeermiddelen ook gebruikt in de vorm van metaalbewerkingsvloeistoffen en als kunststofadditieven in de kunststofverwerkende industrie. De belangrijkste grondstoffen voor smeermiddelen, namelijk minerale basisoliën, worden geproduceerd door raffinaderijen. Diverse bedrijven in Nederland maken vervolgens de smeermiddelen door deze basisoliën met additieven te vermengen (blenden). Het gaat om grote aardoliemaatschappijen, bedrijven die smeermiddelen voor diverse leveranciers onder eigen label maken, en een aantal kleine bedrijven die ze op kleine schaal produceren. Smeermiddelen worden in Nederland voor een groot deel via de brandstoffen- en oliehandel gedistribueerd. Afgewerkte (smeer)oliën worden door enkele bedrijven weer opgewerkt tot onder andere nieuw inzetbare basisolie voor smeermiddelen. Een aandachtspunt hierbij is te voorkomen dat daarbij ongewenste stoffen in de smeermiddelenketen worden gebracht. Bij de branchevereniging van smeerolieondernemingen in Nederland (VSN) zijn geen problemen bekend bij de registratie van stoffen en het opstellen van veiligheidsinformatiebladen. Zowel de Nederlandse als de Europese brancheverenigingen bieden de leden actieve voorlichting en ondersteuning op dit gebied. De kennis over de wettelijke verplichtingen over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, ligt bij de groothandel in smeermiddelen en oliën onder het gemiddelde ten opzichte van andere branches. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek en interviews met brancheverenigingen.
    • Een keuringsmethode voor procesmatig gereinigde grond

      Bosman R; Kwaadsteniet JW de; Lame FPJ; Versluijs CW (1990-01-03)
      Abstract niet beschikbaar
    • Keuringsonderzoek naar de aantoonbaarheid van stilbeenderivaten in runderurine. Periode april tot juli 1984

      Jansen EHJM; Stekelenburg P; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-09-17)
      2225 monsters runderurine werden via celite-RIA onderzocht op de aanwezigheid van DES, DE en/of HEX. In 2 monsters was deze aanwezigheid geindiceerd. In deze 2 monsters werd via GCMS de aanwezigheid van DES bevestigd. HEX en DE werden niet aangetroffen. Het gehanteerde onderzoeksmodel bleek zeer betrouwbaar. Er werden geen discrepanties gevonden tussen HPLC-RIA en HPLC-GCMS.
    • Keuringsonderzoek naar de aantoonbaarheid van stilbeenderivaten in runderurine. Periode januari-april 1984

      Jansen EHJM; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-06-20)
      2333 Monsters runderurine werden via celite-RIA onderzocht op de aanwezigheid van DES, DE en/of HEX. In 4 monsters was deze aanwezigheid geindiceerd. In deze 4 monsters werd via GCMS de aanwezigheid van DE bevestigd. HEX en DES werd niet aangetroffen. Het gehanteerde onderzoeksmodel bleek zeer betrouwbaar. Er werden geen discrepanties gevonden tussen HPLC-RIA en HPLC-GCMS.
    • Keuringsonderzoek naar de aantoonbaarheid van stilbeenderivaten in runderurine. Periode juli tot oktober 1984

      Jansen EHJM; Stekelenburg P; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-13)
      Gedurende het derde kwartaal van 1984 zijn, in het kader van het keurings- onderzoek naar de aanwezigheid van diethylstilbestrol (DES) in runderurine, 1271 monsters urine onderzocht. De eerste stap ("screening") in het onderzoeksmodel is een radioimmunochemische bepaling inclusief een chromatografische zuivering via celite, uitgevoerd door het BCO te Breda onder RIVM-contract. Bevestigingsonderzoek vond plaats bij het RIVM via de combinatie hoge druk vloeistofchromatografie (HPLC)-gaschromatografie- massaspectrometrie (GCMS) en de combinatie HPLC-dunnelaag chromatografie (DLC). Hierbij werd in 3 monsters DES aangetoond, een met een gehalte rond 4 mug/l en twee met gehalten groter dan 10 mug/l. De eveneens verboden nauw verwante stoffen dienestrol (DE) en hexestrol (HEX) werden niet aangetroffen. Dit keuringsprogramma toont aan dat het misbruik van DES en van de andere "stilbenen" nauwelijks meer voorkomt, waarschijnlijk door de herinvoering van het keuringsonderzoek begin 1984.
    • Keuringsonderzoek naar de aantoonbaarheid van stilbeenderivaten in runderurine. Periode oktober tot en met december 1984

      Jansen EHJM; Stekelenburg P; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-03-31)
      Gedurende het vierde kwartaal van 1984 zijn, in het kader van het keuringsonderzoek naar de aanwezigheid van diethylstilbestrol (DES) in runderurine, 1413 monsters urine onderzocht. De eerste stap ("screening") in het onderzoeksmodel is een radioimmunochemische bepaling inclusief een chromatografische zuivering via celite, uitgevoerd door het BCO te Breda onder RIVM-contract. Bevestigingsonderzoek vond plaats bij het RIVM via de combinatie hoge druk vloeistofchromatografie (HPLC)-gaschromatografie- massaspectrometrie (GCMS) en de combinatie HPLC-dunnelaag chromatografie (DLC). Hierbij werd in 2 monsters DES aangetoond, met gehalten van 4,6 en 9,6 mug/l. De eveneens verboden nauw verwante stoffen dienestrol (DE) en hexestrol (HEX) werden niet aangetroffen. Dit keuringsprogramma toont aan dat het misbruik van DES en van de andere "stilbenen" nauwelijks meer voorkomt, waarschijnlijk door de herinvoering van het keuringsonderzoek begin 1984.<br>
    • Keuzedocument Technologische Oplossingsrichtingen voor milieutekorten

      Groeneveld PH; Schijndel MW van; Soczo ER; LAE (1994-10-31)
      Dit Keuzedocument is opgesteld ter ondersteuning van de nadere invulling van het milieugerichte technologiebeleid. Het kan worden gebruikt als een van de sturingsinstrumenten om te bepalen waar beleidsinstrumenten ten behoeve van het milieugerichte technologiebeleid ingezet kunnen worden. In dit Keuzedocument worden, uitgaande van de in het NMP-2 gesignaleerde milieutekorten, technologische oplossingsrichtingen geidentificeerd die mogelijk kunnen bijdragen aan het verminderen van de tekorten. Het zichtjaar is hierbij nadrukkelijk 2010. Doel van deze studie is om per doelgroep aan te geven welke bijdrage technologische oplossingen kunnen leveren aan het opheffen/verminderen van milieutekorten. Deze technologische oplossingen zijn per doelgroep hoofdzakelijk op procesniveau vastgesteld op basis van de oorzaken van de milieutekorten op datzelfde niveau. Als belangrijkste oorzaken van milieutekorten in 2010 zijn de verbranding van fossiele brandstoffen en het gebruik (consumptie) van (bepaalde) produkten naar voren gekomen. Technologische oplossingen voor de middellange termijn kunnen niet in alle gevallen de tekorten opheffen. Naast technologische oplossingen op procesniveau zijn tevens enkele technologische oplossingen op het niveau van ketens geidentificeerd. Deze kunnen veelal pas op de lange termijn (na 2010) volledig geimplementeerd worden en kunnen diep ingrijpen in de huidige produktie- en consumptiestruktuur. Sleutelbegrip hierbij is de vermindering en/of verandering van de input van primaire grondstoffen in het economisch systeem.
    • Keuzepakket met tools voor integraal werken op lokaal en regionaal niveau

      Storm I; van Oers JAM; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-30)
      Complexe gezondheidsvraagstukken worden in de publieke gezondheidszorg lokaal en regionaal steeds vaker aangepakt met behulp van integraal beleid en samenwerkingsverbanden. Integraal werken wordt steeds belangrijker omdat diverse sectoren en partijen binnen en buiten de volksgezondheid (zoals preventie, zorg, ruimtelijke ordening, scholen en bedrijven) overlappende taken of doelen hebben. Denk aan thema's als gezond gewicht en bewegen, gezond participeren in de buurt, een gezonde inrichting van de leefomgeving of de aanpak van gezondheidsachterstanden. Degenen die integrale beleids- of samenwerkingsprocessen vormgeven, hebben vaak vragen als: hoe krijg ik draagvlak, hoe maak ik goede beleidskeuzes en hoe werk ik samen met een andere sector? De afgelopen jaren zijn steeds meer tools beschikbaar gekomen die hierbij kunnen helpen. Voorbeelden zijn meetinstrumenten, stappenplannen, methodieken, checklists, werkvormen, et cetera. De tools worden echter onvoldoende benut omdat het ontbreekt aan een goed overzicht. Daarom heeft het RIVM met partners een keuzepakket samengesteld met een selectie van beschikbare tools die integraal werken ondersteunen. Met dit keuzepakket kunnen onderzoekers, adviseurs, beleidsmakers en professionals tools vinden om kennis te genereren over integraal werken en daar handelingsperspectieven bij te hebben. Ook worden aanbevelingen gedaan om tools uit het keuzepakket te implementeren. Het veld en landelijke organisaties (vooral vanuit publieke gezondheid) zijn betrokken bij de totstandkoming van het keuzepakket en de aanbevelingen. Landelijk is het gebruik van de tools te stimuleren door onder ander een overzicht van tools te publiceren op kennisportals (zoals Loketgezondleven.nl), scholing en ondersteuning te organiseren om de tools effectief te gebruiken, praktijkervaringen via regionale bijeenkomsten uit te wisselen, en een platform in te richten om te volgen of tools in de praktijk bruikbaar zijn en ze indien nodig door te ontwikkelen. De partijen waarmee dit project is uitgevoerd zijn partners die nauw betrokken zijn bij het lokale en regionale veld (Pharos, Platform31, GGD GHOR NL, CGL) en de negen onderzoeksgroepen uit het consortium instruments for integrated action (i4i).
    • Key factors for climate change adaptation : Successful green infrastructure policies in European Cities

      Schram-Bijkerk HE; Dirven-van Breemen EM; Otte PF; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-12)
      De klimaatverandering zal naar verwachting de komende decennia in Nederlandse steden meer perioden van hitte en droogte veroorzaken. Ook zullen intensievere regenbuien optreden die wateroverlast met zich meebrengen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat sommige Europese steden effectief beleid hebben ontwikkeld voor de aanleg van parken, groenstroken en stadslandbouw in de stad om deze effecten te verminderen. Dit beleid wordt echter vaak 'ad-hoc' en geïsoleerd geïmplementeerd. Landen en steden zouden meer van elkaars ervaringen kunnen leren. Het onderzoek geeft een overzicht van wat steden zelf rapporteren als lokale en gemeenschappelijke succesfactoren voor groene ruimte en stadslandbouw. Op basis daarvan schetst het RIVM hoe de Nederlandse overheid, lokale overheden, burgers en marktpartijen effectief kunnen werken aan (meer) groen in de stad. In Duitsland bijvoorbeeld heeft nationale regelgeving voor het behoud van natuur het voor lokale overheden gemakkelijker gemaakt om groenmaatregelen te implementeren. Een goede samenwerking tussen lokale overheid, burgers, en soms ook private partijen, die wordt bekrachtigd door bindende afspraken, blijkt een andere succesfactor bij de aanleg van groen in steden. De aanleg van groen is in Freiburg, Berlijn, Faenz, Malmö, Linz en London gestimuleerd door groenaanleg op te nemen in bestemmingsplannen, de bouw van duurzame wijken of contracten tussen de gemeente en woningbouwcorporaties. In Manchester, Lyon en Parijs is actief ingezet op stadslandbouw, als onderdeel van groenbeleid of om gezond, duurzaam geproduceerd voedsel voor iedereen beschikbaar te stellen. Vaak waren er triggers om deze veranderingen door te voeren, zoals de hereniging in Berlijn, de Olympische Spelen in Londen en de voorspelde toekomstige wateroverlast in Malmö. Overheden kunnen groenbeleid stimuleren door te faciliteren dat partijen die betrokken kunnen zijn bij de implementatie ervan kennis, informatie en ervaringen uitwisselen.
    • Kiemgetallen van facultatief anaerobe bacterien en relatieve gewichten van thymus, milt en coecum bij N:NIH muizen en Riv:TOX ratten, gehouden onder SPF condities

      Boot R; Bakker RHG; Veenema JL; LPM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      This report describes variations in the levels of groups of facultatively anaerobic bacteria in the intestinal tract and the relative weights of caecum, thymus and spleen in N:NIH mice and Riv:TOX rats kept under SPF conditions. Considerable variation in the composition of the enteric bacterial flora of mice and rats was detected. The possible influence of a poor colonization resistant (strictly anaerobic) flora (mCRF) on levels of other enteric flora elements and on relative weights of lymphoid organs is discussed.<br>
    • Kiemsurveillance van voedselgerelateerde ziekteverwekkers in Nederland: een inventarisatie

      Verhoef LPB; van Pelt W; Sprong H; Aarts HJM; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-04-25)
      Dit rapport beschrijft, voor een geselecteerde groep ziekteverwekkers waarbij voedsel in meer of mindere mate een rol speelt in de epidemiologie, een aantal aspecten van de huidige kiemsurveillance, oftewel ziektesurveillance door middel van typering van pathogenen, in Nederland. Bij de selectie van de virale, bacteriële en parasitaire ziekteverwekkers is rekening gehouden met ziektelast en kosten. De verschillende aspecten van de kiemsurveillance zijn per pathogeen beschreven in afzonderlijke hoofdstukken waarbij elk hoofdstuk is afgesloten met de lacunes in de huidige kiemsurveillance, het nut van typering voor besluitvorming in relatie tot de voedselveiligheid en een aantal conclusies. Dit rapport is mede gebaseerd op het eerder verschenen rapport Surveillance van pathogenen in Nederland: Detailkarakterisering van pathogenen die relevant zijn voor de openbare gezondheidszorg (1). Een aantal van de pathogenen is beschreven in beide rapporten. Voorafgaand aan de inhoudelijke hoofdstukken wordt in een afzonderlijk hoofdstuk achtergrondinformatie gegeven met betrekking tot de toepassingsgebieden van kiemsurveillance voor de voedselveiligheid en een korte beschrijving van de meest gebruikte moleculaire typeringstechnieken en aanwezige (inter-)nationale databanken. Het rapport wordt vervolgens afgesloten met een samenvatting van de conclusies zoals getrokken in de verschillende afzonderlijke inhoudelijke hoofdstukken met aansluitend een algemene conclusie en aanbevelingen.De belangrijkste bevindingen uit het rapport met betrekking tot virussen is dat de bestaande surveillance van norovirus en hepatitis A-virus aanzienlijk bijgedragen aan de gedetailleerde beschrijving van de verspreiding van deze virussen, ook via voedsel. Voor een verbeterde bronopsporing is het wenselijk de kiemsurveillance te richten, vooral internationaal, op een groter genoom fragment dan momenteel wordt gehanteerd. Verder dat moleculaire typering op bredere schaal zou kunnen bijdragen aan de opheldering van de omvang van de rol van voedsel in de transmissie van enterovirussen, rotavirussen en hepatitis E-virus. Voor de verspreiding van sommige geselecteerd bacteriële ziekteverwekkers is de rol van voedsel niet altijd duidelijk, zoals voor Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA), Clostridium difficile en Coxiella. Met betrekking tot Coxiella is het verder de vraag of (moleculaire) typering een belangrijke rol zal gaan spelen bij besluitvorming met betrekking tot voedselveiligheid. Een brede surveillance (voor onder andere Salmonella en Campylobacter), waarbij ook veterinaire, voedsel en omgevingsbronnen worden betrokken blijft noodzakelijk voor het epidemiologisch, transmissieonderzoek en attributieanalysis. De waarde van de huidige surveillance heeft zich al bewezen voor STEC. Voor Listeria zou moleculaire typering, zoals MLST (Multilocus Sequence Typing), de kiemsurveillance in velerlei opzicht kunnen verbeteren. Om sneller te kunnen ingrijpen in de voedselproductieketens is het wenselijk te kunnen beschikken over niet-kweekafhankelijke moleculaire detectiemethoden. Er vindt geen kiemsurveillance plaats voor de parasieten Giardia intestinalis en Cryptosporidium parvum. Voor alle parasieten is het gewenst humane en veterinaire typerinsgegevens te kunnen integreren omdat deze parasieten allemaal zoönotisch van aard zijn. Binnen het RIVM wordt gewerkt aan een typeringsmethode voor Giardia, Cryptosporidium, Echinococcus en Toxoplasma gondii ter ondersteuning van het attributieonderzoek.
    • Kijk op de Risicotoolbox Bodem : Beoordelen van de actuele bodemkwaliteit en kiezen van Lokale Maximale Waarden

      Posthuma L; Westerhof R; Wintersen A; Otte PF; Lukacs S; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRoyal Haskoning, 2008-10-30)
      Het RIVM heeft een toolbox ontwikkeld waarmee gemeenten zelf normen mogen onderbouwen voor de kwaliteit van bodem en bagger die bedoeld is voor hergebruik. Voortkomend uit het Besluit bodemkwaliteit mag het lokaal bevoegde gezag sinds 1 juli 2008 hierin afwijken van het nationale beleid. De toolbox, www.risicotoolboxbodem.nl, is sinds juli 2008 operationeel. Met dit bijbehorende rapport kunnen de invoerparameters worden bepaald en de resultaten van de Risicotoolbox Bodem (RTB) geonterpreteerd. Het eerste deel is een handleiding met praktisch bruikbare informatie over het gebruik van de RTB aan de hand van de te doorlopen. Vervolgens bevat het rapport achtergrondinformatie en enkele praktijkvoorbeelden om een indruk te krijgen van de toepassing van de toolbox. Het rapport is opgesteld in nauwe samenwerking met Bodem+ en Alterra. Voor meer informatie over de inhoud en werking van het Besluit bodemkwaliteit verwijzen wij u naar de Handreiking Besluit bodemkwaliteit en andere documenten op www.bodemplus.nl.
    • Kind en milieu; inventarisatie van beleid in Nederland

      Overveld AJP van; Houweling AD; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-22)
      In the Netherlands, much is being done on the subject of children, environment and health. For most issues, the Netherlands complies with international agreements. However, there are five areas in which Dutch policy does not meet these agreements. These are: 1. child-friendly urban planning; 2. children's facilities for social interaction, play and sports; 3. regulations for construction and furniture materials; 4. reducing emissions from transport and industry; and 5. monitoring exposure of children to substances. For a number of subjects, e.g. indoor air quality and children's exposure to chemicals, research is still ongoing. Results of current projects will provide insight into these issues. These are the findings of a Dutch inventory as follow-up of the WHO Ministerial Conference on Environment and Health in 2004 in Budapest. Fifty-two European countries, including the Netherlands, entered into agreements on a number of subjects in the area of environment and health as related to children. Within this framework, WHO has developed the Children's Environment and Health Action Plan for Europe (CEHAPE). The Netherlands has signed the Ministerial Declaration and CEHAPE. To assess whether the Netherlands meets these international agreements, an inventory was set up to incorporate the current activities of the Dutch government related to the subjects in the Declaration and CEHAPE. For each of the issues, the current activities were examined to determine if enough efforts were being made to meet the agreements. Topics worthy of more focus in Dutch policy could be integrated in the follow-up of the Dutch Health and Environment Action Plan. It is important that current and additional actions are evaluated.
    • Kind en milieu; inventarisatie van beleid in Nederland

      Overveld AJP van; Houweling AD; MGO (2005-12-22)
      Nederland voldoet in grote lijnen aan internationale afspraken en doet veel op het gebied van kind, milieu en gezondheid. Toch is er een aantal onderwerpen waarvoor nog onvoldoende beleid is ontwikkeld om aan de internationale afspraken te voldoen. Dit zijn: 1. kindvriendelijke stadsontwikkeling; 2. (groen)voorzieningen voor sport en spel; 3. richtlijnen bouwmaterialen en meubels; 4. beperking uitstoot verkeer en industrie; en 5. monitoring blootstelling kinderen aan stoffen. Voor een aantal onderwerpen (onder andere verbetering binnenlucht en blootstelling kinderen aan chemische stoffen) lopen op dit moment onderzoeken en kan nog niet beoordeeld worden of Nederland voldoet aan de afspraken. Dit blijkt uit een inventarisatie die gedaan is naar aanleiding van de WHO Ministersconferentie Milieu en Gezondheid in 2004 in Boedapest. Daar hebben 52 Europese milieuministers afspraken gemaakt over onderwerpen op het gebied van Milieu en Gezondheid, met speciale aandacht voor kinderen. De WHO heeft in dit kader het Children's Environment and Health Action Plan for Europe (CEHAPE) opgesteld. Nederland heeft de Ministersverklaring en het CEHAPE ondertekend. Om na te gaan in hoeverre Nederland voldoet aan de gemaakte afspraken, is een overzicht gemaakt van de activiteiten van de rijksoverheid die op dit moment in Nederland plaatsvinden met betrekking tot de onderwerpen uit het CEHAPE en de Ministersverklaring. Voor elk onderwerp is een afweging gemaakt of extra beleidsinzet nodig is om aan de afspraken te voldoen. Onderwerpen die meer aandacht verdienen in het beleid zouden uitgewerkt kunnen worden in een vervolg op het Actieprogramma Gezondheid en Milieu. Het is belangrijk dat huidige en eventuele aanvullende acties geevalueerd worden.
    • Kinderen en astmamedicatie : Kennis en attituden van ouders

      Wijga AH; van Buul LW; Zuidgeest MGP; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-30)
      Ontstekingsremmers zijn met luchtwegverwijders de twee typen medicijnen die doorgaans bij astma worden voorgeschreven. Beide soorten medicijnen worden meestal geïnhaleerd. Bij ontstekingsremmers is dagelijks gebruik van belang, aangezien deze medicijnen alleen dan optimaal effect hebben. 40% van de ouders geeft hun kind echter alleen ontstekingsremmers tegen astma als het kind kortademig of benauwd is. Ouders die meer kennis hebben over de medicijnen van hun kind houden zich beter aan het voorgeschreven gebruik. Kennis en informatievoorziening aan ouders zijn belangrijk voor een goed medicijngebruik van hun kinderen. Dit blijkt uit een enquête onder de ouders van 229 kinderen die op 8-jarige leeftijd astmamedicijnen gebruikten. De ouders doen mee aan het zogeheten Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie (PIAMA)-onderzoek, waaraan het RIVM een bijdrage levert. Naarmate ouders meer weten over de medicijnen, zijn zij er sterker van overtuigd dat de medicijnen noodzakelijk zijn voor de gezondheid van hun kind. Van de ouders die bijvoorbeeld niet wisten 'dat je ontstekingsremmers altijd moet gebruiken, óók als het goed gaat', gaf slechts 25% hun kind de ontstekingsremmers dagelijks. Van de ouders die deze kennis wel hadden, gaf 84% hun kind de ontstekingsremmers elke dag. Ouders die naar eigen zeggen door hun zorgverleners beter waren geïnformeerd, maakten zich minder zorgen over mogelijke ongunstige effecten van het medicijngebruik. Bij jonge kinderen zijn astma-achtige klachten in de meeste gevallen van voorbijgaande aard. Om onnodig medicijngebruik te voorkomen, wordt aanbevolen om regelmatig de arts te laten controleren of de ontstekingsremmers nog nodig zijn. Regelmatige controle is bovendien gewenst om na te gaan of kinderen hun medicijnen op de juiste, meest effectieve manier gebruiken.
    • Kinderkanker in de omgeving van kerncentrales : Resultaten van een Duitse studie in perspectief

      Dekkers SAJ; Slaper H; Tanzi CP; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-23)
      Of kinderkanker nabij kerncentrales vaker voorkomt blijft onzeker. Het resultaat van een Duits onderzoek uit 2007, dat hiervoor een significant verhoogd risico liet zien, wordt in Brits en Frans onderzoek niet bevestigd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In het Duitse onderzoek, de zogenoemde KiKK-studie, is in de nabijheid van zestien Duitse kerncentrales gekeken naar het aantal gevallen van kanker bij kinderen in de afgelopen decennia. Hieruit bleek dat kinderen onder de vijf, die binnen vijf kilometer van een kerncentrale wonen, een verhoogd risico lopen op kanker. De onderzoekers kunnen dit risico niet verklaren. De extra straling door kerncentrales is daarvoor veel te beperkt. Het onderzoek leidde tot Tweede Kamervragen aan de minister van VROM. De minister heeft vervolgens het RIVM gevraagd de resultaten van de Duitse studie met ander onderzoek te vergelijken en daarbij extra aandacht te geven aan de situatie rond Borssele. In Borssele wonen circa driehonderd kinderen onder de vijf jaar op minder dan vijf kilometer afstand van de kerncentrale. Indien het in Duitsland waargenomen risico ook voor de kerncentrale Borssele zou gelden, dan zou dat één extra geval van kanker bij kinderen in dertig jaar tijd betekenen. Zo'n lage frequentie is met epidemiologisch onderzoek niet aantoonbaar. Iemand die in de omgeving van de kerncentrale Borssele woont, ontvangt van de centrale in een jaar tijd minder straling dan wat Nederlandse burgers gemiddeld per dag al van nature ontvangen. Een dergelijke lage dosis kan een verhoogd risico zoals dat in Duitsland is waargenomen niet verklaren. '
    • Kinderwens van consanguine ouders: risico's en erfelijkheidsvoorlichting

      Waelput AJM; Achterberg PW; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-07)
      Bloedverwantschap tussen ouders (consanguiniteit) is een van de risicofactoren die de kans op aangeboren aandoeningen verhogen. Andere risicofactoren zijn bijvoorbeeld moederschap op oudere leeftijd, diabetes bij de moeder of erfelijke aandoeningen in de familie. Kinderen van consanguine ouders hebben vooral een verhoogde kans op zeer zeldzame autosomaal recessieve aandoeningen. Deze groep zeldzame aandoeningen maakt een zeer klein deel uit van het totale aantal aangeboren aandoeningen. Een (beperkt) deel van deze aandoeningen leidt tot sterfte, het risico hierop is het grootst in het eerste levensjaar. In absolute aantallen is het aandeel van met consanguiniteit samenhangende aandoeningen in de perinatale en zuigelingensterfte zeer gering. Over de ziektelast door autosomaal recessieve aandoeningen, wanneer geen sprake is van sterfte, zijn geen goede cijfers beschikbaar. Er zijn geen goede representatieve cijfers over het voorkomen van consanguiniteit in Nederland. Uit incidentele en soms indirecte gegevens valt af te leiden dat huwelijken tussen verwanten in Nederland waarschijnlijk het meest frequent voorkomen in de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroepen en in kleine religieuze gemeenschappen. Hoewel de absolute aantallen klein zijn, hebben de betreffende aandoeningen een grote impact op de getroffen families. De aandacht voor tijdige opsporing en advisering over genetische risico's, waaronder consanguiniteit en het risico binnen specifieke bevolkingsgroepen op minder zeldzame autosomaal recessieve aandoeningen (zoals erfelijke bloedarmoede), neemt toe. Idealiter zou ieder aanstaand ouderpaar, bij voorkeur vssr een zwangerschap, zich moeten kunnen laten informeren over een eventueel verhoogde kans op een kind met een aangeboren aandoening en over mogelijkheden voor preventie.