• Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006

      Zwart MH; Hooijboer AEJ; Fraters B; Kotte M; Duin RNM; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-10)
      Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2010

      Baumann RA; Hooijboer AEJ; Vrijhoef A; Fraters B; Kotte M; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterdienstLEI Wageningen URCBSEconomische ZakenLandbouw en InnovatieDienst Regelingen, 2012-10-05)
      Het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw is tussen 1992 en 2010 met bijna 50 procent afgenomen. Dit is een gevolg van maatregelen die vanwege de Europese Nitraatrichtlijn in de Nederlandse landbouw zijn genomen, zoals minder mest gebruiken gedurende een kortere tijd van het jaar. Dit blijkt uit een inventarisatie van de ontwikkelingen in de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Waterdienst, LEI (onderdeel van Wageningen UR) en Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Nitraatconcentratie daalt Dankzij de uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn is ook de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' van landbouwpercelen naar het grond- en oppervlaktewater sterk gedaald tussen 1992 en 2010. Vooral in de zandgebieden is dat het geval: in deze gebieden daalde de gemiddelde concentratie van 140 naar 60 milligram per liter. In de gebieden met kleigrond zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in het uitspoelende water eveneens gedaald, naar 29 milligram per liter. In veengrond is altijd weinig nitraat in het uitspoelende water aanwezig (minder dan 10 milligram per liter). Dat komt doordat nitraat in veengronden snel afbreekt. Zoet oppervlaktewater In zoet oppervlaktewater schommelt de gemiddelde nitraatconcentratie sinds 2002 rond hetzelfde niveau (15 milligram per liter in 2008-2010). Desondanks is tussen 2004 en 2010 de chlorofyl-a-concentratie in de zomerperiode (een indicator voor eutrofiëring) in regionale zoete oppervlaktewateren die door de landbouw worden beïnvloed licht toegenomen. Waterkwaliteit blijft zich verbeteren Het is te verwachten dat de waterkwaliteit in Nederland in de komende jaren verder verbetert. Het duurt namelijk enkele jaren voordat de maatregelen uit het huidige actieprogramma (2010-2013), zoals aangescherpte gebruiksnormen voor mest, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstof, zich vertalen naar een betere waterkwaliteit.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland. Achtergrondinformatie periode 1992-1997 voor de landenrapportage EU-Nitraatrichtlijn

      Fraters B; Eerdt MM van; Hoop DW de; Latour P; Olsthoorn CSM; Swertz OC; Verstraten F; Willens WJ; Centraal Bureau voor de Statistiek; Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA); et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-01)
      This overview documents agricultural practice, and groundwater and surface water quality, in the Netherlands, mainly for the period from 1992 to 1997. It is intended to provide the Dutch authorities with basic information for reporting on the results of monitoring programmes to asses the effectiveness of the Dutch Action programme. A start was made in the 1992-1997 reporting period with the implementation of the Code of Good Practice in the Netherlands. In part, this concerned accentuation of measures taken in the 1987-1992 period. Nitrogen present in agriculture via chemical fertilisers and manure decreased slightly in 1992-1997. The nitrogen surplus in agriculture has not changed as a result of lower crop yields. Nitrate concentrations in groundwater under agricultural land showed no trend in the reporting period, in which fluctuations in precipitation surplus were accounted for. The nitrate concentration in groundwater and the frequency of exceeding the European reference value not only depends on human activities but also on soil type, the local hydrological conditions and sampling depths. The annual average nitrate concentrations in fresh surface waters influenced by agriculture and other fresh waters decreased in the reporting period. Maximum concentrations showed, on the contrary, an increase. The reason for this is unknown. Nitrate concentrations at monitoring locations in marine waters decreased or did not change. This holds for both average and maximum concentrations. Eutrophication expressed as the concentration of chorophyll-a showed no clear trend in both fresh and marine surface waters in the 1992-1997 period. If the period before 1992 is taken into account (from 1986 onwards), a decrease in eutrophication is observed in fresh waters. It is too early to determine effects of the Dutch Action programme, implemented in 1996; this applies especially to nitrate concentrations in surface and groundwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland. Achtergrondinformatie periode 1992-1997 voor de landenrapportage EU-Nitraatrichtlijn

      Fraters B; van Eerdt MM; de Hoop DW; Latour P; Olsthoorn CSM; Swertz OC; Verstraten F; Willens WJ; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCentraal Bureau voor de StatistiekRijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA)Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ)Expertisecentrum LNV, 2000-08-01)
      Het rapport geeft een overzicht van de landbouwpraktijk en de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit in Nederland in met name de periode 1992-1997. Het levert het basismateriaal voor het onderdeel 'resultaten controleprogramma's' in de rapportage die de Nederlandse overheid medio 2000 aan de Europese Commissie dient toe te sturen in het kader van de Nitraatrichtlijn. De resultaten van de controleprogramma's moeten een indruk geven van de effectiviteit van het Nederlandse actieprogramma ter uitvoering van de EU-nitraatrichtlijn. de invoering van de in de code voor Goede Landbouwpraktijk uit 1993 genoemde maatregelen. Deels betreft het hier een gefaseerde aanscherping van maatregelen die reeds in 1987 een aanvang hebben genomen. De stikstofaanvoer naar de bodem via meststoffen in de landbouw is in de verslagperiode licht afgenomen. Het stikstofoverschot van de Nederlandse landbouw is niet verminderd als gevolg van lagere gewasopbrengsten. De nitraatconcentratie in het grondwater onder landbouwgrond laat geen trendmatige verandering zijn in de verslagperiode als gecorrigeerd wordt voor weersinvloeden. Het effect van droge en natte jaren is met name in het bovenste grondwater groot. De gemeten nitraatconcentratie in het grondwater is m.n. afhankelijk van de hydrologische omstandigheden, het bodemtype en de diepte van bemonsteren. De jaargemiddelde nitraatconcentraties in de zoete oppervlaktewateren nemen in de verslagperiode af. De maximum nitraatconcentraties daarentegen vertonen geen duidelijke trend. De nitraatconcentraties in de zoute wateren blijven gelijk of dalen, dit geldt voor zowel de gemiddelde als de maximale waarden. De eutrofiering uitgedrukt als de concentratie aan chlorofyl-a vertoont in de periode 1992-1997 in de zoete oppervlaktewateren en in het kustwater geen duidelijke trend. Over een langere periode gezien (vanaf 1986), is in de rijkswateren en de regionale wateren wel sprake van een daling. Het is nog te vroeg om effecten van het Nederlandse actieprogramma, dat vanaf 1996 van start is gegaan, te kunnen vaststellen, met name als het gaat om de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit.<br>
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2012-2014) en trend (1992-2014) : Resultaten van de monitoring voor de Nitraatrichtlijn

      Fraters B; Hooijboer AEJ; Vrijhoef A; Claessens J; Kotte MC; Rijs GBJ; Denneman AIM; van Bruggen C; Daatselaar CHG; Begeman HAL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijkswaterstaat Water Verkeer en LeefomgevingCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS)LEI Wageningen URRijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2016-07-06)
      Stikstof en fosfaat zijn essentiële stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om de productie te bevorderen. Teveel stikstof en fosfaat is echter schadelijk. Het verschil tussen de aan- en afvoer van stikstof naar en van landbouwbedrijven in Nederland, het zogeheten stikstofoverschot, is tussen 1992 en 2014 gehalveerd. Het fosfaatoverschot is nagenoeg verdwenen. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven zijn gedaald en de kwaliteit van het oppervlaktewater is verbeterd. Ten opzichte van de vorige monitoringronde (2008-2011) zijn de verbeteringen in de waterkwaliteit echter beperkt. De nutriëntenconcentraties zullen naar verwachting wel blijven dalen, maar de gewenste situatie zal in het grondwater niet overal worden bereikt. Ook zal de kwaliteit van het oppervlaktewater veelal onvoldoende blijven. Dit blijkt uit een inventarisatie van de gronden oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. Waterkwaliteit 2012-2014 De verbeteringen in de waterkwaliteit zijn een gevolg van maatregelen die in Nederland vanwege de Europese Nitraatrichtlijn zijn genomen. Een voorbeeld daarvan is het voorschrift om minder mest te gebruiken. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven in de Klei- en Veenregio zijn van 2012 tot en met 2014 op de meeste plaatsen lager dan de norm (50 mg/l). In de Zandregio geldt dit voor iets meer dan de helft van de bedrijven en in de Lössregio voor minder dan de helft. De nitraatconcentraties in regionale oppervlaktewateren die vooral vanuit landbouwgebieden worden gevoed, zijn bijna altijd lager dan de norm. In de oppervlaktewateren die zijn aangewezen voor de Europese Kaderrichtlijn Water, wordt deze norm niet overschreden. Desondanks veroorzaken nitraat, andere stikstofverbindingen en fosfaat ongewenste milieueffecten in het merendeel van de oppervlaktewateren. De norm voor nitraat, die is ingevoerd om het drinkwater te beschermen, blijkt niet voldoende om deze effecten te voorkomen. De stikstof- en de fosforconcentraties in de zomer, die grote invloed hebben op de flora en fauna in het oppervlaktewater (ecologische waterkwaliteit), zijn sinds begin jaren negentig gedaald. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS/WVL), LEI Wageningen Universiteit en Research Centrum (WUR) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie : Resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet

      Zwart MH; Daatselaar CHG; Boumans LJM; Doornewaard GJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouw Economisch Instituut LEI, 2010-08-13)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2008 en de waterkwaliteit in 2008 en 2009 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2008 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2007, het tweede jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2013 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 284 graslandbedrijven is zowel de bedrijfsvoering als de waterkwaliteit gemonitord. Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen en door bedrijfswisselingen in het meetnet.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie : Resultaten meetjaar 2009 in het derogatiemeetnet

      Zwart MH; Daatselaar CHG; Boumans LJM; Doornewaard GJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI, 2011-09-20)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2009 en de waterkwaliteit in 2009 en 2010 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008, het derde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en komt ook door bedrijfswisselingen in het meetnet.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2012 : Resultaten meetjaar 2012 in het derogatiemeetnet

      Hooijboer AEJ; de Koeijer TJ; van den Ham A; Boumans LJM; Prins H; Daatselaar CHG; Buis E; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2014-07-08)
      De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mochten in 2012 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over de bedrijven die in 2012 voor derogatie zijn aangemeld, opgesteld door het RIVM met LEI Wageningen UR, blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater tussen 2007 en 2013 is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2012 gemiddeld circa 11 kilo lager was dan de maximaal toegestane 250 kilo stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot, gemiddeld over heel Nederland, is niet duidelijk veranderd tussen 2006 en 2012. Grondwaterkwaliteit In 2012 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 36 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (10 en 4 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio bevonden zich gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage droge gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2013 : Agricultural practices and water quality at grassland farms registered for derogation in 2013

      Lukacs S; de Koeijer TJ; Prins H; Vrijhoef A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; Hooijboer AEJ; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-16)
      De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70 procent grasland mochten onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en in 2013 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie inzetten de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. LEI Wageningen UR en het RIVM stellen jaarlijks deze rapportage op. Dit rapport beschrijft de situatie in 2013 en de trends voor de periode tussen 2006 en 2014. Uit de resultaten blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater in deze periode, afhankelijk van de regio, is gedaald of gelijk is gebleven. Bedrijfsvoering Ook blijkt dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2013 gemiddeld circa 4 kilogram per hectare lager was dan de maximaal toegestane 250 kilogram stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd. Grondwaterkwaliteit In 2013 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio (gemiddeld 37 milligram per liter (mg/l)) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 11 en 6 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio lagen gemiddeld boven de norm (56 mg/l). Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2014

      Lukacs S; de Koeijer TJ; Prins H; Vrijhoef A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2016-07-05)
      De Nederlandse landbouw is wereldwijd gezien een zeer productieve en efficiënte sector. Het gebruik van mest is noodzakelijk voor de efficiënte productie van gewassen. Mestgebruik heeft echter ook ongewenste (milieu)effecten. Het Nederlandse mestbeleid tracht schadelijke milieueffecten te beperken; monitoring is hierbij een essentieel onderdeel. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik en over het volgen van het effect van beleidsmaatregelen. De Europese Nitraatrichtlijn schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 80 procent grasland mochten in 2014 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en meer mest, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen, gebruiken (derogatie). LEI Wageningen UR en het RIVM volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage zijn de situatie in 2014 beschreven en de trends tussen 2006 en 2015. De nitraatconcentratie in het grondwater is in deze periode, afhankelijk van de regio, gedaald of gelijk gebleven. Bedrijfsvoering Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2014 237 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd, maar vertoonde in 2014 wel een sterke daling als gevolg van het goede groeiseizoen voor gras en maïs. Grondwaterkwaliteit In 2014 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio 40 milligram per liter (mg/l). Dit was 10 mg/l onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 15 en 9,5 mg/l). De nitraatconcentratie op de derogatiebedrijven in de Lössregio was gemiddeld 51 mg/l. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2015

      Hooijboer AEJ; de Koeijer TJ; Prins H; Vrijhoef A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-07)
      Het Nederlandse mestbeleid probeert de schadelijke milieueffecten van de landbouw te beperken. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik, die onder meer zijn vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn. Die schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Bedrijven met ten minste 80 procent grasland mogen onder bepaalde voorwaarden meer mest gebruiken, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen (derogatie). Op deze bedrijven is in de periode 2006 tot en met 2016 de uitspoeling van nitraat uit de mest naar het grondwater gedaald of gelijk gebleven. In 2015 ligt op derogatiebedrijven de concentratie gemiddeld in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van het RIVM en Wageningen Economic Research. Zij volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en zij rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage is de situatie in 2015 beschreven en de ontwikkeling tussen 2006 en 2016 (trend). Bedrijfsvoering . De toegestane hoeveelheid stikstof uit graasdiermest is, afhankelijk van de bodemsoort en regio, 250 kilogram per hectare (in de Kleiregio, Veenregio en het noordelijke deel van de Zandregio) of 230 kg/ha (in de Lössregio en het overige deel van de Zandregio). Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2015 238 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het zogenoemde stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over de regio's tijdens de onderzochte periode gedaald met 16%. Grondwaterkwaliteit. In 2015 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater 26 milligram per liter (mg/l) in Zand 250. De hoogste concentratie wordt gemeten in de Lössregio (42 mg/l) en in Zand 230 (45 mg/l). Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 22 en 13 mg/l). Het verschil tussen de regio's kan verklaard worden door het aandeel uitspoelingsgevoelige gronden. Vooral in Zand 230 en in de Lössregio komen gronden voor waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2016

      Lukacs S; Blokland PW; Prins H; Fraters D; Daatselaar CHG; LGW; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-06)
      Dutch grassland farms that meet certain conditions may use more animal manure than the general limit of 170 kg nitrogen per hectare, as prescribed by the European Nitrates Directive. This partial exemption is referred to as 'derogation'. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) and Wageningen Economic Research monitor the effects of this derogation on the water quality on 300 farms in the derogation monitoring network. This study shows the results for 2016 and the development from 2006 onwards. Management On average, derogation farms have used 238 kilograms of nitrogen from animal manure per hectare in 2016, the same amount as in 2015. The permissible amount of nitrogen from animal manure varies from 230 to 250 kilograms per hectare, depending on the soil and region. In recent years, improvements in management resulted in more efficient use of nitrogen for crop production; the nitrogen surplus on the soil surface balance has dropped with 16 %. And lower nitrogen surpluses lead to less nitrate leaching to groundwater. Groundwater quality From 2006, leaching of nitrate to the groundwater has stabilized or decreased on derogation farms. Since 2015, the average nitrate concentration in groundwater on derogation farms has been below the EU-standard of 50 milligram per liter, in all regions. Individuals farms however, may still exceed the standard. Even so, the amount of farms with nitrate concentrations below 50 mg/l still increases. In 2016, highest nitrate concentrations have been found in the Loess region (35 mg/l) and in Sand 230 (36 mg/l). In these regions there are soils for which nitrate is degraded in a lesser extent, and therefore can leach more to groundwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017

      Lukács, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. : Resultaten meetjaar 2011 in het derogatiemeetnet

      Hooijboer AEJ; van den Ham A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; Buis E; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2013-09-26)
      De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mogen onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kg per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over 2011 die het RIVM met het LEI in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld, volgt dat de nitraatconcentratie in het grondwater op deze bedrijven tussen 2007 en 2012 gemiddeld is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2011 gemiddeld enkele kilogrammen lager was dan 250 kg stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die mogelijk als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt mede bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over heel Nederland significant gedaald tussen 2006 en 2011. Grondwaterkwaliteit In 2011 ligt de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 41 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hebben gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (14 en 7 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio zitten gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat minder in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. : Resultaten meetjaar 2010 in het derogatiemeetnet

      Buis E; van den Ham A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2012-09-13)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2010 en de waterkwaliteit in 2010 en 2011 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen van derogatie voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009, het vierde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2011 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2010. Achtergrond derogatiemeetnet De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 t/m 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm voor dierlijke mest. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd t/m december 2013. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk gericht op derogatie inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Monitoring van bedrijfsvoering en waterkwaliteit in 2010 Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en LEI Wageningen UR, hebben dit monitoringsnetwerk in 2006 voor Nederland opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen van de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Voor het derogatiemeetnet is in 2010 van 294 graslandbedrijven de bedrijfsvoering gemonitord en van 290 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven toch geen derogatie toepasten of toegekend kregen of niet langer deelnamen vanwege bedrijfsbeëindiging.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Beschrijving van de meetnetopzet voor de periode 2006-2009 en de inhoud van de rapportages vanaf 2008

      Fraters B; van Leeuwen TC; Reijs J; Boumans LJM; Aarts HFM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; de Hoop DW; Schroder JJ; Velthof GL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraLEIPRI, 2007-04-20)
      Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Resultaten meetjaar 2007 in het derogatiemeetnet

      Zwart MH; Doornewaard GJ; Boumans LJM; van Leeuwen TC; Fraters B; Reijs JW; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-04)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2007 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2007 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2006, het eerste jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het RIVM en het LEI hebben in 2006 Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen.
    • Landelijk beeld van de grondwaterkwaliteit, methode en resultaten voor nitraat

      van Drecht G; Boumans LJM; Reijnders HFR; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      De meetgegevens van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (RIVM) zijn gegroepeerd (geclusterd) om de gemeten grondwaterkwaliteit te kunnen evalueren. Een cluster is een groep van waarnemingen met dezelfde kenmerken t.a.v. filterdiepte, grondgebruik, grondsoort, grondwatertrap en regio. Daarbij is gebruik gemaakt van geografische gegevens zoals de bodemkaart, de landelijke grondgebruiksdatabank van Nederland en diverse regionale indelingen van Nederland. Voor het jaar 1992 zijn berekeningen gemaakt van de gemiddelde nitraatconcentratie, de spreiding in de nitraatconcentraties en de mate waarin de streefwaarde voor nitraat in grondwater wordt overschreden. De percentages oppervlakte met een nitraatconcentratie boven de streefwaarde zijn geschat per fysisch-geografische regio en in kaartvorm gepresenteerd. Het percentage over schrijding van de streefwaarde is ook per cluster en voor elk jaar in de periode 1984-1992 berekend. De verandering van de nitraatconcentratie in deze periode is geschat als het gemiddelde van de hellingen van de regressielijnen per cluster en per regio. De conclusies voor nitraat zijn: - Hoge nitraatconcentraties, tot 120 g/m3 NO3-N, zijn aangetroffen op een diepte tussen 5-15 m -mv in de zandgebieden. Op een diepte tussen 15 en 30 m -mv is de gemeten maximum nitraatconcentratie 62 g/m3 NO3-N. De gemiddelde concentraties op diepten tussen 5 en 15 m -mv voor de clusters grasland, maisland en akkerbouw op zandgrond in de zandgebieden liggen tussen 8 en 24 g/m3 NO3-N. De gemiddelde concentraties voor dezelfde clusters op diepten tussen 15 en 30 m -mv liggen tussen 1 en 4 g/m3 NO3-N. De gemiddelde concentraties voor de clusters in het westen van Nederland zijn lager dan 1 g/m3 NO3-N. - Het percentage oppervlakte boven de streefwaarde voor nitraat in het grondwater (5,6 g/m3 NO3-N) op een diepte van 5-15 m -mv in heel Nederland is geschat tussen 11% en 18% (95%-interval). Vrijwel de gehele oppervlakte boven de streefwaarde ligt in de zandgebieden. Het percentage oppervlakte boven de streefwaarde voor de zandgebieden is geschat tussen 18% en 29% (95%-interval). - Hoge percentages oppervlakte boven de streefwaarde zijn gevonden in het grondwater op diepte 5-15 m -mv voor grasland, maisland en akkerbouw op zandgrond in de zandgebieden. De percentages, uitgedrukt in 95% intervallen, zijn voor grasland 15-32%, voor maisland 37-76%, voor akkerbouw 15-59%. In het westen van Nederland en in het diepere grondwater zijn de percentages lager. - Voor geen van de onderscheiden clusters of regio's is een verandering van de nitraatconcentratie in de periode 1984-1992 vastgesteld.<br>