• Kwaliteit van leven in het Nationaal Kompas Volksgezondheid. Een ziektespecifieke benadering

      Wolleswinkel-van den Bosch JH; Hoeymans FHGM; Treurniet HF; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPallashealth and research consultancy, 2003-04-10)
      De doelstelling van dit onderzoek is het beschrijven van de gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven bij 53 ziekten en aandoeningen ten behoeve van het Nationaal Kompas Volksgezondheid, een van de websites van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Door middel van een literatuuronderzoek zijn per ziekte gegevens gezocht over kwaliteit van leven, zo mogelijk in relatie tot ziektekenmerken. De inventarisatie is beperkt tot generieke meetinstrumenten (met name de SF-36) afkomstig uit Nederlands onderzoek gepubliceerd in de periode 1990-2001. Voor 24 (45%) ziekten was het mogelijk om de kwaliteit van leven te beschrijven op basis van generieke meetinstrumenten. Voor 6 (11%) ziekten waren er alleen data beschikbaar op basis van ziektespecifieke instrumenten. Hier is volstaan met een verwijzing naar enkele kernpublicaties. Voor 23 (43%) ziekten was er geen informatie. Informatie over kwaliteit van leven van patienten kan in de toekomst verder aangevuld worden door nieuwe gegevens van omvangrijke bevolkingsstudies. Om de informatie over kwaliteit van leven beter toepasbaar te maken voor het beleid, zou meer informatie over ziektekenmerken gewenst zijn.<br>
    • Kwaliteit van mechanische ventilatiesystemen in nieuwbouw eensgezinswoningen en bewonersklachten

      Jongeneel WP; Bogers RP; van Kamp I; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-05)
      Het RIVM heeft vergeleken hoe bewoners van eengezinswoningen met twee soorten mechanische ventilatiesystemen hun gezondheid ervaren, evenals de kwaliteit van het binnenmilieu. Hieruit bleek dat bewoners van huizen met balansventilatiesystemen de kwaliteit van het binnenmilieu minder goed vinden dan bewoners van huizen met natuurlijke toevoer en mechanische afzuiging van lucht. Mensen met een balansventilatiesysteem zijn minder positief over lucht-kwaliteit, droge lucht, geluidhinder door het ventilatiesysteem, en de mate waarin ze zelf het ventilatiesysteem kunnen regelen. Toch rapporteren beide groepen een even goede gezondheid. Deze beschrijvende analyse is in opdracht van het ministerie van VROM onder bijna 300 bewoners uitgevoerd, omdat er zorgen bestaan over mogelijke gezondheidseffecten van mechanische ventilatiesystemen. Voor het onderzoek is nagevraagd hoe bewoners het binnenklimaat ervaren, evenals hun gezondheid. Daarnaast zijn de systemen technisch doorgelicht en is gekeken of er een ver-band was tussen de techniek en het ervaren binnenmilieu of de zelfgerapporteerde gezondheid. Drie van de 26 onderzochte technische kwaliteitskenmerken (waarvan twee te maken hebben met de hoeveelheid geventileerde lucht per minuut en één met ongewenste vermenging van in- en uitgaande lucht) vertoonden een verband met zelfgerapporteerde gezondheid of ervaren binnenmilieu, maar dat verband was zwak. Het is daarom met dit onderzoek niet mogelijk om aan te geven of verbeteringen van deze specifieke kenmerken van mechanische ventilatiesystemen zullen leiden tot een betere zelfgerapporteerde gezondheid en ervaren binnenmilieu.
    • De kwaliteit van ondiep en middeldiep grond-water in Nederland in het jaar 2000 en verandering daarvan in de periode 1984-2000

      Reijnders HFR; Drecht G van; Prins HF; Bronswijk JJB; Boumans LJM; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-17)
      This report documents the quality of shallow (about 10 m below surface level) and medium-deep (about 25 m below surface level) groundwater in the Netherlands in the 1984-2000 period. Observations were grouped according to groups of eco-district areas. The observed concentrations were compared with environmental quality objectives for groundwater. The percentage of the surface with groundwater at concentrations exceeding the environmental quality objectives (%OBS) was calculated and depicted in maps for 2000. Maps showing the change in %OBS in the 1984-2000 period are also presented. In the sandy and loess areas, high OBS percentages (at least > 10%) are shown for nitrate, potassium and aluminium that are the effect of a combination of over-fertilisation, acidification and aggravation of drought. The effects highly resemble each other and are therefore not discernible. The %OBS that is observed in the shallow groundwater is often found to be higher than the %OBS in the medium-deep groundwater. Specifically, increased concentrations for cadmium, nickel and zinc occurs in the sandy area of the southern Netherlands. It is most plausible that the elevated concentrations represents the effect of a combination of over-fertilisation, acidification, aggravation of drought and the properties of the subsoil (poor, pyrite-containing), and not the effect of transport due to the burdening of the subsoil (caused by direct burdening with trace elements from the metal industry or fertiliser/manure). In clay and peat areas, high %OBS's are found for chloride, sulphate, ammonium, phosphate and potassium as a result of marine deposits. Often the %OBS observed in medium-deep groundwater are higher than in shallow groundwater. The %OBS for arsenic is inherently high in the marine clay and peat areas. In general, the groundwater quality did not change much in the 1984-2000 period. Only the concentration of chloride shows a decrease. This corresponds with the observed decrease in the chloride load on the soil in the Netherlands.
    • De kwaliteit van ondiep en middeldiep grond-water in Nederland in het jaar 2000 en verandering daarvan in de periode 1984-2000

      Reijnders HFR; van Drecht G; Prins HF; Bronswijk JJB; Boumans LJM; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-17)
      Gerapporteerd wordt over de kwaliteit van het ondiepe (circa 10 m-mv) en middeldiepe (circa 25 m-mv) grondwater in Nederland in de waarnemingsperiode: 1984-2000. De waarnemingen zijn gegroepeerd in zogenaamde ecodistrictgroepen. Per ecodistrictgroep is het percentage Oppervlakte uitgerekend met grondwater met concentraties Boven de kwaliteitsdoelstelling zoals bijvoorbeeld de Streefwaarde (%OBS) en voor het jaar 2000 in kaartjes afgebeeld. Ook zijn kaartjes gepresenteerd met de verandering van het %OBS tussen 1984 en 2000. In het ondiepe grondwater in de zand- en lossgebieden worden hoge %OBS (tenminste > 10%) gevonden voor nitraat, kalium, aluminium door effecten van vermesting, verzuring en verdroging. De effecten lijken veel op elkaar en zijn daardoor niet onderscheidbaar. De %OBS in het ondiepe grondwater zijn vaak hoger dan in het middeldiepe grondwater. Specifiek in het zuid-Nederlandse zandgebied komen de hoogste %OBS voor cadmium, nikkel en zink voor. Het meest aannemelijk is dat dit het gevolg is van vermesting, verzuring en verdroging in combinatie met de eigenschappen van de ondergrond (arm, pyriethoudend) en niet van transport vanaf het bodemoppervlak (directe belasting van metalen vanuit metaalindustrie of mest). In de zeeklei-/veengebieden worden door mariene afzettingen hoge %OBS gevonden voor chloride, sulfaat, ammonium, fosfaat en kalium. Vaak zijn hier de %OBS voor het middeldiepe grondwater hoger dan voor het ondiepe grondwater. In het rivierengebied is van nature het %OBS voor arseen hoog. Over het algemeen is de grondwaterkwaliteit tussen 1984 en 2000 weinig veranderd. Alleen bij chloride vertoont het %OBS een daling, wat overeenkomt met de daling van de Cl-belasting.
    • De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland : In het jaar 2008 en de verandering daarvan in 1984-2008

      van Vliet ME; Vrijhoef A; Boumans LJM; Wattel-Koekkoek EJW; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-23)
      In 2008 overschrijden ammonium, totaal-fosfor, nitraat, kalium, nikkel, cadmium, zink, chroom, arseen, sulfaat, chloride, de zuurgraad en aluminium de toetsingswaarde in het ondiepe en middeldiepe grondwater van Nederland. Tussen 1984 en 2008 is de grondwaterkwaliteit over het algemeen weinig veranderd. In zandgebieden is de kwaliteit zowel gedaald als gestegen. Aangetoonde dalingen kunnen het gevolg zijn van minder mestgebruik, minder atmosferische neerslag van metalen en een lagere aanvoer van dierlijke mest. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. In de zandgebieden zijn veel van de toetsingswaarden overschreden. Vooral in het ondiepe grondwater van het zuidwestelijke zandgebied en de Peelhorst en oude rivierterrassen langs de Maas komen veel verhoogde concentraties voor. Waarschijnlijk veroorzaakt de afbraak van organisch materiaal de hoge concentratie totaal-fosfor en ammonium in het rivierengebied. Daarnaast is arseen in dit gebied van nature in hoge mate aanwezig. Als gevolg van invloeden van zee zijn de concentraties van chloride en kalium in de zeeklei- en laagveengebieden hoog. Overeenkomsten tussen het ondiepe en middeldiepe grondwater in polders en droogmakerijen en het zeekleigebied suggereren dat door de afbraak van organische stof ammonium vrijkomt. Brak water in de ondergrond van duinen en strandwallen beïnvloedt de hoge concentraties chloride, sulfaat en kalium in het middeldiepe grondwater aldaar. De afbraak van organisch materaal is de meest voor de handliggende verklaring voor de hoge concentraties ammonium en totaal-fosfor in zowel ondiep als middeldiep grondwater.
    • Kwaliteitsbeelden voor transities

      Engelen RFJM; Spakman J; Nagelhout D; Molendijk KGP; Weterings RAPM; LAE (TNO-MEP, 2002-10-11)
      Traditionele (milieu) verkenningen zijn veelal gebaseerd op extrapolatie van trends. Dit resulteert in waarschijnlijke of plausibele toekomstbeelden. In het NMP4 wordt een aantal hardnekkige milieuproblemen opgesomd. Systeemoptimalisaties en technologie-ontwikkeling alleen zijn ontreikend om deze problemen het hoofd te beiden. Transities of systeeminnovaties, waarin technologische, economische, sociaal-culturele en institutionele veranderingen plaatsvinden, zijn nodig om uiteindelijk in een gewenste en duurzame toekomst te geraken. In dit rapport zijn verschillende typen verkenningen beschreven en is gekeken hoe deze ten opzichte van staan. Een van de 10 verschillende projecten (het COOL-project) die is bekeken is nader geanalyseerd. Dit project was een goed voorbeeld van een kwaliteitsbeeld (wenselijke toekomst). Hieruit is de conclusie getrokken dat het instrument 'kwaliteitsbeelden' een goed instrument is voor milieugerichte verkenningen als er sprake is van 1) complexe situaties, 2) diverse meningen en visies, 3) noodzakelijk geachte nieuwe en onverwachte oplossingen en 4) grote onzekerheid (bijvoorbeeld een lange tijdshorizon).
    • Kwaliteitsbeelden voor transities

      Engelen RFJM; Spakman J; Nagelhout D; Molendijk KGP; Weterings RAPM; TNO-MEP; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-10-11)
      Traditional (environmental) outlooks are based on extrapolation of trends, resulting in plausible views on the future. In the Fourth National Environmental Policy Plan of the Netherlands, long-term persistent environmental problems call for innovations in the social system (e.g. food and energy supply). The proces of transformation is called transition or innovation of the social system. A successful transition, in which technological, economic, sociocultural and institutional changes have to take place, will lead in the long run to a desirable (i.e. sustainable) future. Here, different options for future views, and how they interconnect (plausible vs. desirable in relation to the present), are described. Of the 10 different projects on future scans explored, one of them, the COOL project, has proven to be a good example of a 'quality view for the future'. This survey shows the usefulness of creating concrete views on quality for the future, and is instrumental in creating environmental outlooks in situations that are: (1) complex, (2) diverse with respect to opinions and visions, (3) necessary for new and unexpected solutions and (4) uncertain (because of the long time horizon).
    • Kwaliteitsbeheer bij het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie ; Jaarverslag 1995

      Esseveld FG van; LAC (1996-03-31)
      In 1995 was de ontwikkeling van het kwaliteitssyteem van het Laboratorium voor Anorganische Chemie (LAC) wederom voor een belangrijk deel gericht op de operationalisering en verbetering van procedures voor Onderzoeks- en Ontwikkelingswerk (O&O). Tevens werd het beheer van apparatuur verbeterd door de in gebruikneming van een nieuw type 'logboek apparatuur' en aanpassing van de bijbehorende procedures. Het kwaliteitshandboek van LAC (LAC.KH) werd ingrijpend gereviseerd, delen van het kwaliteitshandboek werden vervangen door verwijzingen naar RIVM-handboeken. De belangrijkste conclusies van de audits luidden dat: - de bij de audits van 1994 geconstateerde, soms ernstige tekortkomingen bij Onderzoeks- en Ontwikkelingswerk in 1995 niet meer werden waargenomen. De onderzoeksgegevens zijn goed en snel te traceren en te reconstrueren. - de door LAC geleverde producten van voldoende professioneel niveau zijn. De belangrijkste tekortkomingen waren dat: - het optreden van afwijkingen t.o.v. het O&O-onderzoeksplan bij een onderzoek onvoldoende is vastgelegd in het bijbehorende O&O-labjournaal ; - een deel van O&O-werk moeilijk is te reconstrueren ; - geen systematische controle op de backup/restore procedure wordt uitgevoerd ; - het terughalen van electronische files niet wordt geregistreerd. In 1995 zijn de volgende onderdelen verbeterd: - invulling van de O&O-onderzoeksplannen (beschrijving onderzoek volledig) ; - uitvoering van O&O volgens de daarvoor geldende procedures en gebruik van (C)RM's ; - vastlegging van resultaten en conclusies van O&O De bepaling van prestatiekenmerken van meetmethoden werd in 1995 voortgezet. Het SOP-bestand van LAC (LACSOP in File Maker Pro) werd opgenomen in het Laboratorium Informatie en Management Systeem (LAC-LIMS), zodra een SOP aan dit bestand is toegevoegd of relevante informatie wordt gewijzigd wordt een nieuwe 'analysis' automatisch gedefinieerd of wordt een bestaande aangepast. De werking van het huidige kwaliteitssysteem wordt weerspiegeld in de uitslagen van de interne en externe kwaliteitscontrole: - de resultaten van analyses van diverse blinde monsters (drink-, grond-, regen- en oppervlaktewater en vaccinprodukten) waaronder duplo's, standaarden en gecertificeerd referentiemateriaal waren goed ; - voor vele anorganische componenten, waaronder voor de eerste maal het element kwik, werd deelgenomen aan ringonderzoek georganiseerd door KIWA (drinkwater), WMO (neerslag), EMEP (neerslag) en NILU (neerslag); gerapporteerde resultaten waren van goed tot zeer goed.
    • Kwaliteitsbeheer bij het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie ; jaarverslag 1996

      Esseveld FG van; LAC (1997-06-30)
      In 1996 was de ontwikkeling en verbetering van het kwaliteitssysteem van het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie (LAC) nog steeds gericht op de operationalisering en verbetering van procedures voor Onderzoeks- en Ontwikkelingswerk (O&O). Daarnaast werd veel aandacht besteed aan de uitvoering van methodevalidatie ten behoeve van nieuwe LAC-verrichtingen. De in gebruikneming van het nieuwe type 'logboek apparatuur' werd eind 1996 afgerond. Het ingrijpend gereviseerde kwaliteitshandboek LAC (LAC.KH) werd eind januari 1996 uitgegeven.
    • Kwaliteitsbeheer bij het Laboratorium voor Anorganische Chemie. Jaarverslag 1994

      Esseveld FG van; LAC (1995-03-31)
      In 1994 was de ontwikkeling van het kwaliteitssyteem van het Laboratorium voor Anorganische Chemie (LAC) vooral gericht op de operationalisering en verbetering van procedures voor Onderzoeks- en Ontwikkelingswerk (O&O). Hoewel de algemene conclusie van de audits luidde dat: - de door LAC geleverde producten van voldoende professioneel niveau zijn, - de in de SOP's vermelde borging ook in de praktijk consequent ten uitvoer wordt gebracht, - in geval van overschrijdingen van alarmgrenzen adequate actie wordt ondernomen, toonde met name het controle-onderzoek van STERLAB terkortkomingen voor O&O: - de invulling van de onderzoeksplannen is summier en niet altijd conform de Sector-SOP, - de relatie met erkende verrichtingen in het onderzoeksplan ontbreekt veelal, - de opleverdatum wordt in sommige gevallen overschreden zonder traceerbare terugkoppeling naar de opdrachtgever, - de doelstelling in het onderzoeksplan komt in enkele gevallen niet overeen met die in het eindrapport terwijl ook een traceerbare vastlegging van de bijstelling ontbreekt. De procedures zijn in de loop van 1994 aangepast maar de uitvoering voldoet voor enkele onderdelen nog niet geheel aan de eisen van de Sector SOP's. Ter onderbouwing van de meetonzekerheid werden prestatiekenmerken van diverse meetmethoden bepaald en in orde bevonden. De ondubbelzinnige uitvoering van de kwaliteitscontrole en de overdracht van analyseresultaten werd voor diverse meetprocedures door verregaande automatisering verbeterd. De controle en autorisatie van het LIMS-gebruik werd ontwikkeld en vastgelegd in procedures. De werking van het huidige kwaliteitssysteem wordt weerspiegeld in de uitslagen van de interne en externe kwaliteitscontrole: - de resultaten van analyses van diverse blinde monsters waaronder duplo's, standaarden en gecertificeerd referentiemateriaal waren goed ; - voor vele anorganische componenten werd deelgenomen aan ringonderzoek georganiseerd door KIWA (drinkwater), WMO (neerslag) en NILU (neerslag) ; gerapporteerde resultaten waren van goed tot uitstekend.
    • Kwaliteitsborging bij aanschaf van medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen? Inventarisatie van processen en eisen

      van Drongelen AW; Roszek B; van Tienhoven EAE; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-09-22)
      Er is op verzoek van IGZ een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop ziekenhuizen de kwaliteit borgen tijdens de beslissing om een nieuw medisch hulpmiddel aan te schaffen. In de Nederlandse ziekenhuizen worden nieuwe medische hulpmiddelen zowel via een multidisciplinair overleg tussen belanghebbenden als zonder overleg aangeschaft via de afdeling inkoop. De eerste manier van inkoop vergt meer tijd, maar de verschillende aspecten van een hulpmiddel worden bij de beslissing tot aanschaf meegewogen. Wanneer een gebruiker zonder verder overleg een hulpmiddel aanschaft, zal de aanschaf vrij snel kunnen plaatsvinden, maar er bestaat een risico dat er een aantal aspecten minder gedegen zijn meegewogen. Tijdens het onderzoek in negen ziekenhuizen is de indruk ontstaan dat de ziekenhuizen vaak bewust voor een bepaald traject kiezen, waarbij de kosten van het inkooptraject worden afgewogen tegen de aard van het hulpmiddel en het gebruik van het hulpmiddel binnen een ziekenhuis. Er zijn voor beide trajecten punten geodentificeerd waarop verbeteringen mogelijk zijn. In elke instelling bleek het mogelijk om hulpmiddelen aan te schaffen buiten de geldende inkoopprocedures om. Dit is een ongewenste situatie, mede doordat de aangeschafte producten niet traceerbaar zijn.
    • Kwaliteitsborging binnen literatuuronderzoek

      van Loon EML; Melis PHAM; Polder MD; Swartjes FA; van der Zwan CW; ACT; FB-BDA; BKG; CIE; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      Literatuuronderzoek is een van de vele vormen van onderzoek die bij het RIVM worden uitgevoerd. Elke onderzoeker voert regelmatig literatuuronderzoek uit, hetzij als zelfstandig onderzoek, hetzij als onderdeel van een groter onderzoek. Net als op elk ander type onderzoek zijn op literatuuronderzoek kwaliteitseisen als reproduceerbaarheid en aantoonbare wetenschappelijke borging van toepassing. In deze leidraad worden aandachtspunten gegeven, die het mogelijk maken het proces van literatuuronderzoek gecontroleerd te laten verlopen. Hierbij wordt uitgegaan van de verschillende processtappen in literatuuronderzoek: probleemstelling en planning, recherche, selectie, verzameling, acceptatie, verwerking en rapportage. Deze processtappen worden beschreven. Bij elke processtap worden borgpunten aangegeven die het proces traceerbaar maken en wetenschappelijke betrouwbaarheid aantonen.<br>
    • Kwaliteitsborging en onderhoud van röntgenapparatuur : Verkenning 2011

      Waard IR; Stoop P; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-08-14)
      Ziekenhuizen en leveranciers werken tegenwoordig vaak samen aan het onderhoud van röntgenapparatuur. Hierdoor zijn ziekenhuizen directer betrokken bij de kwaliteitsborging van de apparatuur. Via samenwerkingscontracten tussen fabrikanten of leveranciers en de ziekenhuizen krijgen medisch technici van ziekenhuizen onder meer een opleiding om storingen zelfstandig te kunnen verhelpen. Daarnaast zijn ze aanwezig bij de onderhoudsbeurten die de fabrikant of leverancier uitvoert, zodat ze goed op de hoogte zijn van de staat van de apparatuur. Voorheen werd het onderhoud meestal uitbesteed aan de leverancier of fabrikant. Meer informatie sneller beschikbaar Door de samenwerkingscontracten zijn ziekenhuizen beter geïnformeerd over de kwaliteit van hun apparatuur en is duidelijker wanneer deze moet worden vervangen. Dat is van belang voor zowel de veiligheid van de patiënt als voor de bedrijfsvoering van het ziekenhuis. Door deze informatie is bijvoorbeeld beter bekend hoe lang apparaten buiten werking zijn vanwege onderhouds- of vervangingsactiviteiten. Daarnaast kan het ziekenhuis financieel beter anticiperen op de aanschaf van nieuwe apparatuur. Voorheen was deze informatie pas beschikbaar in het jaarverslag van de fabrikant of leverancier. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. In opdracht van de IGZ is bij drie ziekenhuizen onderzocht wat zij doen om de kwaliteit van röntgenapparatuur te waarborgen. Zowel de ziekenhuizen als de fabrikanten vinden de samenwerkingscontracten een goede ontwikkeling. Good practices Om de kwaliteit van röntgenapparatuur te kunnen waarborgen, is het van belang met een vaste regelmaat een volledig controleprogramma uit te voeren. De verslagen dienen minimaal de gemeten waarden te bevatten, evenals de criteria waaraan ze zijn getoetst. Een goede ontwikkeling is dat de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica een werkgroep heeft ingesteld om de meetprotocollen voor kwaliteitscontrole van röntgenapparatuur van verschillende fabrikanten te harmoniseren.
    • Kwaliteitsborging ter optimalisatie van de patientdosis in de interventieradiologie

      Meeuwsen EJ; Stoop P; Bijwaard H; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-06-25)
      Drie maatregelen kunnen de dosis straling optimaliseren die patienten ontvangen tijdens radiologische interventies. Ten eerste moderne apparatuur gebruiken die speciaal geschikt is voor interventies. Ten tweede extra aandacht schenken aan stralingsbescherming tijdens opleidingen op het gebied van de interventieradiologie. En tot slot complicaties van straling opnemen in het complicatieregister van de sectie Interventieradiologie van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft uitgevoerd naar de kwaliteitsborging van de interventieradiologie in Nederland. De opdracht is ingegeven door de relatief hoge stralingsdosis waaraan patienten kunnen worden blootgesteld tijdens radiologische interventies. Bij interventieradiologie worden medische behandelingen uitgevoerd via een kleine opening in de huid, terwijl die ingreep in beeld wordt gebracht met behulp van rontgen, CT, MRI of echografie. Bij gebruik van rontgen of CT kan de stralingsdosis leiden tot nadelige effecten voor de gezondheid, zoals roodheid, verbranding van de huid, (tijdelijke) ontharing of op de lange termijn kanker.
    • Kwaliteitsborging van de reinigingsprocessen op de CSA

      de Bruijn A; van Drongelen A; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-01-23)
    • Kwaliteitsborging van medische apparatuur in mobiele units

      de Bruijn ACP; van Drongelen A; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-20)
    • Kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur - Overzicht van publicaties sinds 2004

      Bijwaard H; Stoop P; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-10-05)
      Het Britse handboek voor de kwaliteitsborging (Quality Assurance) van CT-scanners en andere rontgentoestellen, kan met enkele aanpassingen ook in Nederland gebruikt worden. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de kwaliteitsborging van deze apparaten. Beelden van CT-scanners en andere rontgentoestellen moeten goed genoeg zijn om een juiste diagnose te kunnen stellen. Ze worden gemaakt met rontgenstraling en die is schadelijk voor de gezondheid. De beelden worden echter vaak beter als er meer straling wordt gebruikt. Om goede beelden te krijgen met een zo laag mogelijke stralingsdosis is er veel aandacht nodig voor het optimaal laten functioneren van de apparatuur. Het geheel van maatregelen die hieraan bijdragen wordt kwaliteitsborging genoemd. Er is in Nederland geen algemeen handboek voor de kwaliteitsborging van CT-scanners en andere rontgenapparaten. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat het Britse handboek, aangevuld met enkele andere documenten, vrij eenvoudig naar de Nederlandse praktijk vertaald kan worden. Wel is er nog een enkele toevoeging nodig en moeten grenswaarden worden aangepast aan de Nederlandse regelgeving.
    • Kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur: Een inventarisatie van initiatieven in binnen- en buitenland

      Bijwaard H; Brugmans MJP; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      The inventory of current initiatives for the Quality Assurance (QA) and Quality Control (QC) of X-ray equipment reported was undertaken in response to a need for improvement in the QA of radiology departments expressed by the Dutch Health Care Inspectorate. Work on building the inventory started with a literature study and was further developed with the results of interviews with Dutch professionals and survey results from foreign experts. The inventory has led us to a number of conclusions, the most important of which are: European and Dutch regulations do not provide details on how the QA of X-ray equipment should be organised, professional associations need to formulate their own standards for QA. The current Dutch standard for QA of X-ray equipment is out-of-date and restricted to conventional techniques. For development of new guidelines, all professional associations involved will need to commit themselves to the QA of X-ray equipment. For the moment, the Inspectorate should formulate and publish requirements themselves. Now radiology departments are seen to go their own way. Possibilities for financial support from the Dutch government to draw up new standards have diminished. However, inspiration can be found abroad for this in the pioneer work of mainly British institutes, the Institute of Physics and Engineering in Medicine (IPEM), for example. For the final implementation of a new standard broad support will be needed and radiology departments will have to be involved. Multidisciplinary audits could help here if QA of X-ray equipment is involved.
    • Kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur: Een inventarisatie van initiatieven in binnen- en buitenland

      Bijwaard H; Brugmans MJP; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Dit rapport bevat een inventarisatie van initiatieven voor kwaliteitsborging van apparatuur in de radiodiagnostiek. De aanleiding voor dit onderzoek is de constatering van de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat de kwaliteitsborging op afdelingen radiologie verbetering behoeft. Voor deze inventarisatie is een literatuurstudie uitgevoerd, zijn interviews gehouden met Nederlandse deskundigen en is een enquete gestuurd naar experts in het buitenland. De belangrijkste conclusies die hieruit voortvloeien zijn de volgende: de wet schrijft niet precies voor wat kwaliteitsborging moet inhouden, de beroepsgroepen moeten daar zelf richtlijnen voor opstellen. Op dit moment is de veldstandaard verouderd en beperkt tot conventionele technieken. Voor de ontwikkeling van nieuwe richtlijnen dient kwaliteitsborging van apparatuur door alle betrokken beroepsverenigingen hoog op de agenda te worden geplaatst. Voorlopig dient de Inspectie voor de Gezondheidszorg zelf eisen te formuleren en openbaar te maken om de kwaliteitsborging toch te kunnen toetsen. Op dit moment gaan afdelingen radiologie hun eigen weg. Voor het opstellen van een actuele veldstandaard voor kwaliteitsborging kan echter efficient gebruik gemaakt worden van het pionierswerk in het buitenland. Om een nieuwe standaard vervolgens geimplementeerd te krijgen is het noodzakelijk daarbij zoveel mogelijk afdelingen radiologie te betrekken. Hierbij kunnen multidisciplinaire visitaties een goed hulpmiddel zijn indien daarbij ook specifiek naar kwaliteitsborging van apparatuur gekeken wordt.
    • Kwaliteitsborging van wiskundige modellen. Een inventarisatie van de behoefte aan richtlijnen

      van der Giessen A; de Haan BJ; Steinberger PE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-01-31)
      Mathematical models play an important role in support of the preparation of policies and decision-making in health and environment. A major objective for the near future is to pay more attention to modelling quality assurance (MODQUA). Within the framework of the research project MODQUA the need of guidelines to the process of development and application of models has been investigated. This study revealed four main topics, which ask for the formulation of specific quality control criteria. Firstly, a software quality assurance plan is required. Secondly, the ease of use of the software package needs to be guaranteed. The administrative quality control of model calculations including input scenarios is another important item. Undoubtedly, the quality of the mathematical model itself is a key factor and makes the availability of methods, such as validation tools, for a systematic model analysis indispensable. It is recommended to start a pilot-study aimed at the integration and elaboration of criteria for these topics in practice.<br>