• Kwaliteitskosten: Wat baat het?

      Bisschop A; Engel HWB; TOX; LPM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      An investigation concerning costs-benefits was carried out for the evaluation of the implementation of quality systems in the National Institute of Public Health and the Environment. The benefits largely can be made measurably by the application of a special developed method. The method consists in essence of the development and application of relevant performance-indicators. It appears that the method can be employed in different work-situations for the measurement and the monitoring of quality-improvements. The fundamental features and the approach of the method are presented in an Appendix of this report as an Instruction Manual. For the summary of the conclusions, both concerning costs and benefits, the reader is referred to the included review.
    • Kwaliteitsnormen Medicinale Cannabis

      Slijkhuis C; Hoving R; Blok-Tip L; Kaste D de; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-03-18)
      Medicinal Cannabis can be legally supplied by pharmacists to patients from the first of September 2003, although still only on prescription. The quality of this product is tested conform the monograph Cannabis flos. In this monograph tests and quality standards, such as characteristics, loss on drying, content of delta 9 -trans-tetrahydrocannabinol, microbial contamination, and pesticide residues are given. In this report the monograph is described together with a short explanation.
    • Kwaliteitsnormen Medicinale Cannabis

      Slijkhuis C; Hoving R; Blok-Tip L; de Kaste D; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-03-18)
      Vanaf 1 september 2003 mogen apothekers op voorschrift van een huisarts of specialist aan patienten medicinale cannabis verstrekken. De kwaliteit van dit product wordt getest conform de monografie Cannabis flos. In deze monografie zijn testen en kwaliteitseisen beschreven, onder andere met betrekking tot de kenmerken, gewichtsverlies door drogen, het gehalte delta 9 -trans-tetrahydrocannabinol, microbiologische contaminatie en pesticiden. In dit rapport is de monografie beschreven, inclusief een korte toelichting.
    • Kwaliteitsontwikkeling bij de drinkwaterwinplaatsen in Nederland

      Prins H (1989-05-31)
      Het rapport is een bijlage bij rapport 728820001 "De kwaliteit van het grondwater in Nederland" en bevat informatie over de kwaliteit van het water gewonnen op de waterwinplaatsen in Nederland die water leveren voor de openbare watervoorziening.
    • Kwaliteitsstandaarden voor interactie grondwater met terrestrische ecosystemen

      Claessens JW; Verweij W; Lukacs S; de Nijs ACM; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-04-03)
      Veel natuurgebieden zijn afhankelijk van grondwater; door een te lage grondwaterstand of door verontreinigd grondwater kan de kwaliteit van de natuurgebieden achteruit gaan. De Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft daarom voor dat bij het bepalen van normen voor de kwaliteit van grondwater rekening moet worden gehouden met de invloed van grondwater op ecosystemen op het land. Deze normen betreffen maximaal toegestane concentraties van stoffen in het grondwater en zijn ingesteld om doelen te halen voor drinkwater, oppervlaktewater en ecosystemen op land. De invloed van de kwaliteit van grondwater op ecosystemen op land was tot nu toe niet goed uitgewerkt. Het RIVM heeft daarom voor enkele stoffen (nutriënten) optimale concentraties afgeleid om ecosystemen op land te beschermen. Deze concentraties kunnen worden gebruikt in de methodiek om normen voor de kwaliteit voor grondwater af te leiden. De analyse is uitgevoerd voor de nutriënten: stikstof, fosfaat en chloride. Voor stikstof en fosfaat blijkt dat de optimale concentraties om ecosystemen op land te beschermen lager zijn (een factor 5) dan de huidige normen. De huidige normen worden bepaald door de achtergrondwaarden. Aangezien deze moeilijk te verlagen zijn, is het een beleidsmatige keuze om de norm op het niveau van de achtergrondwaarden vast te stellen. Een en ander betekent dat de huidige concentraties van de stoffen in het grondwater hoger zijn dan de concentraties die gewenst zijn vanuit het oogpunt van natuurbescherming. In welke mate zich daadwerkelijk effecten voordoen, is niet in dit onderzoek onderzocht. De getallen die in dit onderzoek voor de optimale concentraties voor ecosystemen op het land zijn afgeleid, zijn wel bruikbaar voor de volgende generatie 'stroomgebiedbeheersplannen', die vanaf 2021 gelden. Deze plannen moeten een goede kwaliteit van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Hiervoor zijn de zogeheten toestandbepaling (huidige concentraties van stoffen) en de karakterisering (lange termijn trend voor de toekomst) van het grondwater van belang. Beleidsmakers kunnen op verschillende manieren met de nu verworven inzichten omgaan. De getallen uit dit rapport kunnen bijvoorbeeld vergeleken worden met gemeten concentraties in het grondwater, zoals in het Trend Meetnet Verzuring (TMV). Dit geeft inzicht in de huidige kwaliteit van het ondiepe grondwater in de omgeving van natuurgebieden en in het mogelijke effect op de natuurgebieden.
    • Kwaliteitsverbeteriang en bewaking monstervoorbewerking en standaardmateriaal - Samenvatting Symposium "DIOXIN '88"

      Liem AKD; Wegman RCC (1988-09-30)
      In dit rapport zijn de resultaten van het 8ste Internationale Symposium over gechloreerde dioxinen en verwante verbindingen "DIOXIN '88" (analytisch-chemisch deel) opgenomen, welke gehouden is van 21-26 augustus te Umea, Zweden. Belangrijke ontwikkelingen en trends op analytisch-chemie gebied zijn samengevat. Gebleken is dat steeds meer laboratoria in staat zijn op een laag niveau de 17 meest toxische PCDD- en PCDF-congeneren te bepalen. Door het merendeel van de laboratoria wordt voor deze bepalaing capillaire gaschromatografie met laagoplossend vermogen massaspectrometrie (HRGC/LRMS) toegepast. LRMS-methoden veriesen arbeidsintensieve opwerkingsprocedures. In tegenstelling tot DIOXIN '87 (Las Vegas) is gebleken dat tandem-massaspectrometrie mogelijkheden biedt bestaande opewerkingsprocedures te vereenvoudigen en te versnellen. Op DIOXIN '88 werden een aantal presentaties gewijd aan de optimalisering van de hybride MS/MS-techniek en de combinatie hiervan met een minder arbeidsintensieve clean-up.
    • Kwaliteitsverbetering binnen het laboratorium door middel van de GLP regels en kwaliteitsborging

      Strik; J.J.T.W.A. (1987-03-31)
      Het besef groeit dat waarborging van kwaliteit de centrale doelstelling dient te zijn bij de produktie van goederen en diensten. Dit leidt ertoe dat de kwaliteitsbewaking wordt omgebogen naar procesbeheersing. Dit wordt binnen het gezondheidsonderzoek en milieuhygiene begeleid door richtlijnen, zoals Good Manufacturing Practice (GMP), Good Laboratory Practice (GLP), "Quality Assurance" en Kwaliteitsborging. M.b.v. deze richtlijnen en de handhaving hiervan kan worden aangetoond en gegarandeerd dat geproduceerde goederen (o.m. vaccins, standaarden, referentiematerialen) en onderzoekgegevens c.q. rapporten voldoen aan gestelde kwaliteitseisen. Dit betekent in de praktijk voor een onderzoeksinstituut dat: - een "quality assurance management" wordt aangesteld, zodat het kwaliteitsborgingssysteem wordt geimplementeerd, blijvend wordt toegepast en regelmatig en systematisch wordt herzien. - werkvoorschriften, protocollen en - procedures tot standkomen voor
    • Kwantificeren van de gezondheidseffecten van voeding

      Buchner FL; Hoekstra J; van den Berg SW; Wieleman F; van Rossum CTM; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-05-22)
      Modelsimulaties geven aan dat met een grotere consumptie van fruit, groente en vis veel gezondheidswinst te behalen is. Dit soort schattingen kunnen worden gebruikt bij de onderbouwing van het voedingsbeleid. Met behulp van het Chronische-Ziekten-Model (CZM) van het RIVM kunnen de gezondheidseffecten op de langere termijn en zorggerelateerde kosten van beleidsdoelstellingen en voedingsinterventies worden doorgerekend. De modelsimulaties geven aan dat met een verhoging van de consumptie van groenten, fruit en vis relatief veel gezondheidswinst te behalen is. Ook blijkt dat ten aanzien van de vetzuursamenstelling de meeste gezondheidswinst inmiddels al is bereikt. Als de gehele Nederlandse bevolking de aanbevelingen voor gezonde voeding zou naleven, overlijden de komende twintig jaar naar schatting 140.000 minder mensen. De totale zorgkosten die anders in 20 jaar worden uitgegeven verminderen dan ongeveer met 3%. Doordat mensen langer leven zullen in de daaropvolgende jaren hun zorgkosten wel toenemen. Het model is ook gebruikt voor doorrekening van twee concrete voedingsinterventies, te weten SchoolGruiten en Werkfruit. Een kind dat deelneemt aan SchoolGruiten zal gemiddeld langer leven (+0,37 jaar) en ook langer gezond blijven. Er worden minder medische kosten op jongere leeftijd gemaakt. Deze kosten worden echter voor een groot deel uitgesteld. Voorwaarde voor de gunstige effecten is dat kinderen na de basisschool structureel meer groenten en fruit blijven eten. Werkfruit is een interventie die zich richt op de fruitconsumptie van werknemers in Nederland. Wanneer dit wordt ingevoerd bij 1 op de 10 werknemers, stijgt naar verwachting de levensverwachting van een 20-jarige met 0,08 jaar en nemen de gezondheidszorgkosten met 0,2 procent af.
    • Kwantitatief gevoeligheidsonderzoek met intra- en extramurale isolaten van Escherichia coli

      de Neeling AJ; de Jong J; Overbeek BP; de Bruin RW; Dessens-Kroon M; van Klingeren B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-11-30)
      Three Dutch laboratories for medical microbiology collected a total number of 1432 strains of Escherichia coli. Of these 995 were obtained from routine samples taken in clinic and policlinic, 290 had been sent spontaneously by general practitioners for microbiological examination and 147 had been isolated from the urine of out-patients who had not been treated with antibiotics for at least six months. The highest resistance percentages were found for the older orally administered antibiotics in the strains that had been sent spontaneously by general practitioners. Resistance percentages were lowest, but still considerable, in the isolates obtained from patients who had not been treated with antibiotics: amoxycillin 20%, doxycycline 23%, sulfamethoxazole 32%, trimethoprim 10% and cotrimoxazole 10%. The level of resistance in clinic and policlinic was in between the levels in the two categories obtained from general practitioners. The resistance percentages for the other investigated antibiotics (Augmentin, cefazolin, cefaclor, cefamandole, cefuroxime, ceftazidime, imipenem, gentamicin, pipemidic acid, norfloxacin and nitrofurantoin) were lower than 7%. An explanation for the high level of resistance in the strains sent spontaneously by general practitioners is that they generally request susceptibility testing only if previous antibiotic therapy has failed.<br>
    • Kwantitatief model voor emissies van persistente contaminanten destructiebedrijven Rendac

      Freijer JI; Knol T; Kliest JJG; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-12)
      RIVM heeft een generiek model ontwikkeld waarmee emissies van persistente contaminanten bij Rendac destructiebedrijven gekwantificeerd kunnen worden. Het model is gebaseerd op de principes van massabalans en partitionering van stoffen over verschillende matrices. Er wordt verondersteld dat de contaminanten via de grondstoffen (o.a. slachtafval en kadavers) in het destructieproces komen. Invoergegevens voor het model zijn diverse procesparameters en stofeigenschappen. Met het model zijn berekeningen uitgevoerd voor ca. 40 persistente contaminanten. Een groot deel van de geevalueerde stoffen komt normaal niet voor in de aangevoerde grondstoffen. De modelexercitie is daarom uitsluitend een theoretische analyse van de emissies. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de meeste van de geselecteerde stoffen vooral emitteren naar de producten vet en meel. Slechts een kleine fractie van de totale emissie komt terecht in het afvalwater en de afgas. Voor beide afvalstromen bestaan nageschakelde technieken, die voor een verdere reductie van de emissies zorgen.<br>
    • Kwantitatief onderzoek naar de gevoeligheid van Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida voor sulfonamiden

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1985-10-31)
      Teneinde kwantitatieve informatie te verkrijgen over de gevoeligheid en het resistentieniveau van Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida voor sulfonamiden werd voor resp. 119 en 151 bij biggen/varkens geisoleerde stammen van deze species uit een vijftal veterinair bacteriologische centra de minimale remmingsconcentratie (MRC) bepaald van sulfadimidine (SDM) en sulfamethoxazol (SMX). De MRC's van SDM t.o.v. sulfa-gevoelige stammen waren doorgaans een factor 4 hoger dan die van SMZ. Ongeveer 1 op de 3 isolaten van B.bronchiseptica bleek resistent (MRC > 64 ug/ml) tegen beide sulfonamiden. Van de P.multocida isolaten was ca. 7% resistent tegen SMZ en 21% tegen SDM. Op grond hiervan kan worden betwijfeld of SDM onder de sulfonamiden de beste keus is bij atrofische rhinitis.
    • Kwantitatieve en kwalitatieve bepaling van de werkzaamheid in vitro van apramycine, flumequine en furazolidon t.o.v. Salmonella species en E.coli

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M.G. (1984-02-22)
      In het kader van de standaardisatie van gevoeligheidsbepalingen in de veterinair bacteriologische laboratoria is onderzoek verricht naar het verband tussen minimale remmingsconcentraties en remzonediameters voor de antimicrobiele diergeneesmiddelen apramycine, flumequine en furazolidon. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 76, veelal multiresistente, stammen van E.coli en Salmonella species. Alle stammen bleken gevoelig voor apramycine en, op een na, voor flumequine. Alleen voor furazolidon bleek de verdeling van MRC's en zonediameters zodanig dat berekening van een regressielijn mogelijk was.
    • Kwantitatieve risicoanalyse voor arbeidsveiligheid. De ontwikkeling van een risicomodel en software

      Aneziris O; Baedts E de; Baksteen J; Bellamy LJ; Bloemhoff A; Damen M; Eijk V van; Kuiper JI; Leidelmeijer K; Mud M; et al. (WORM Metamorphosis ConsortiumNCSR DemokritosEDBCRondas Safety ConsultancyWhite Queen BVConsumer Safety InstituteRIGORPS Advies BVMinisterie SZWNIFVHCRM Ltd., 2009-08-27)
      Er is een model ontwikkeld om arbeidsrisico's tijdens het werk in Nederland te berekenen. Per activiteit, baan, bedrijf of industrietak kan het risico op ongevallen of overlijden worden berekend. Werkgevers kunnen vervolgens maatregelen kiezen die het risico hierop beperken. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicobeperking met het model worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van maatregelen die risico's verminderen. Het model is ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het RIVM gaf leiding aan het internationale onderzoeksconsortium. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenario's. De ongevalscenario's werden gebruikt om zogenoemde 'vlinderdasmodellen', bow ties, te construeren. Aan de ene kant van dit model staan de onderliggende oorzaken van een ongeval vermeld en aan de anders kant de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel). In een bow tie worden de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De bow ties geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en arbeidsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werkende personen aan risicovolle activiteiten blootstaan en hoe goed de risicobeperkende maatregelen op de werkplek zijn.
    • Kwantitatieve schatting van het gezondheidseffect voor de Nederlandse bevolking door blootstelling aan PM10 ("fijn stof")

      Aalst RM van; Bloemen HJT; Bree L van; Buringh E; Diederen HSMA; Fischer PH; Hollander AEM de; Houthuijs DJM; Koenemann WH; Lebret E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      The main conclusion of this report, is that the ambient levels of particulate matter in the Netherlands may lead to serious health effects in the population. This summary contains a double message. Based on epidemiological research, replicated in number of countries, it is estimated that ambient PM10 is associated with a number of thousands of cases of acute mortality, and with serious health effects in a few tens of thousands of people per year in the Netherlands. However, our current knowledge fails in completely explaining the observed associations. The sole fact, that at the ambient levels of PM10 such associations with mortality are consistenly found, is remarkable. The question remains, whether these associations are caused by PM10, or by another factor highly correlated with PM10. At the request of the Ministry of the Environment the national institute of public health and environmental protection (RIVM) has performed a quantitative risk assessment of the health effects of population exposure to PM10. PM is an acronym of particulate matter, and PM10 indicates particles with an aerodynamic diametre smaller than 10 micrometres (10 mum). These particles can enter the airways and are classified as inhalable. Their health effects have been estimated by combining the 1993 daily averages of PM10, as measured by the Dutch monitoring network with the concentration response relationships reported in open literature, including Dutch studies.
    • Kwantitatieve schatting van het gezondheidseffect voor de Nederlandse bevolking door blootstelling aan PM10 (&quot;fijn stof&quot;)

      van Aalst RM; Bloemen HJT; van Bree L; Buringh E; Diederen HSMA; Fischer PH; de Hollander AEM; Houthuijs DJM; Koenemann WH; Lebret E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      De conclusie van dit rapport is dat bij de huidige Nederlandse niveaus van deeltjesvormige luchtverontreiniging sprake lijkt te zijn van ernstige gezondheidseffecten in de Nederlandse populatie. In deze samenvatting zit een tweeledige boodschap verpakt. Enerzijds wordt op basis van herhaald, consistent en in vele landen uitgevoerd epidemiologisch onderzoek geschat dat dagelijkse blootstelling aan PM10 in Nederland kan leiden tot een vervroegde dagelijkse sterfte bij enige duizenden personen per jaar en tot ernstige gezondheidseffecten bij enige tienduizenden personen per jaar. Anderzijds schiet onze kennis tekort om de gevonden uitkomsten volledig te kunnen verklaren. Het feit dat bij de huidige niveaus aan luchtverontreiniging associaties met sterfte worden gevonden blijft een opmerkelijke bevinding. Het is de vraag of de gevonden effecten toe te schrijven zijn aan PM10 of aan een andere factor die een hoge correlatie heeft met PM10. Op verzoek van DGM heeft het RIVM een kwantitatieve schatting uitgevoerd van de gezondheidseffecten van blootstelling van de bevolking aan deeltjesvormige luchtverontreiniging, geindiceerd door PM10. PM is een afkorting van 'particulate matter' en PM10 heeft betrekking op de deeltjesdiameter die kleiner is dan 10 micrometer (10 mum). Dergelijke deeltjes kunnen diep in de luchtwegen doordringen. De gezondheidseffecten zijn geschat door gegevens over het daggemiddelde van de PM10-niveaus in 1993, zoals gemeten door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, te koppelen aan concentratie-respons relaties uit buitenlandse en Nederlandse epidemiologische studies. De ruimtelijke variatie in PM10-niveaus is gering, per dag zijn de verschillen over Nederland doorgaans niet meer dan een factor twee. De variatie van dag tot dag kan aanzienlijk zijn. Tijdens episoden worden niveaus gemeten die een factor tien tot vijftien hoger zijn dan de achtergrondniveaus. Men onderscheidt primair geemitteerd aerosol en secundair aerosol dat door chemische omzetting ontstaat uit gasvormige luchtverontreiniging vooral zwavel-en stikstofoxiden. De lange atmosferische verblijftijd van enkele dagen betekent dat PM10 tevens een grootschalig probleem is. In 1993 is op ongeveer de helft van de meetlokaties het jaargemiddelde luchtkwaliteitsdoel van 40 mug/m3 met maximaal 20% overschreden. Het daggemiddelde kwaliteitsdoel van 140 mug/m3 is vrijwel overal op een of enkele dagen overschreden. Op basis van de huidige epidemiologische gegevens is niet aan te geven of de berekende mortaliteit ten gevolge van de acute blootstelling aan deeltjesvormige luchtverontreiniging slechts enkele dagen of weken eerder sterven inhoudt, of dat de toename van het PM10-niveau leidt tot een verlies aan levensjaren. Deeltjesvormige luchtverontreiniging lijkt het tijdstip van overlijden te vervroegen van met name oudere mensen met hart-vaatziekten en ziekten van de luchtwegen, of een anderszins zwakke gezondheid. De omvang van de verhoging van de sterfte is zodanig dat de door VROM gehanteerde risicogrens van 10-6 per jaar wordt overschreden. Het is verder belangrijk om op te merken dat met de huidige kennis geen drempelwaarde is aan te geven, waaronder de vervroegde sterfte niet optreedt. Behalve met een vervroegde mortaliteit is blootstelling aan PM10 geassocieerd met een verhoging van ziekenhuisopnamen als gevolg van ademhalingsziekten, een toename van luchtwegklachten, een reversibele daling van de longfunctie en een acute verergering van astma en een toename van medicijngebruik bij astmatici. De omvang van deze effecten is groter dan die van de sterfte ; waarbij sterfte kan worden beschouwd als het cumulatieve resultaat van onderliggende effecten. Vanwege de onzekerheid in de concentratie-respons relatie en de extrapolatie van literatuurgegevens uit het buitenland naar de Nederlandse situatie, varieert de onder- en bovengrens van de onzekerheid in de kwantitatieve uitspraken van een factor twee tot meer dan twintig. De schattingen van de sterftecijfers zijn in het algemeen nog het meest betrouwbaar. De berekeningen wijzen uit dat alleen het terugbrengen van piekbelastingen als beleidsoptie relatief weinig bijdraagt aan de vermindering van de gezondheidseffecten. De gemiddeld voorkomende niveaus dragen relatief meer bij dan korte episoden met pieken. Het is vooralsnog de vraag of PM10 een voor de gezondheid relevante maat is, en daarmee of PM10 verlaging wel het juiste bestrijdingsdoel is. Het is bovendien moeilijk om aan te geven of het uitvoeren van beleid gebaseerd op terugdringen van PM10-niveaus als doel op zich, effectief de gezondheidseffecten zal reduceren. Uitspraken over de effectiviteit van specifieke beleidsmaatregelen kunnen worden verbeterd wanneer de onzekerheden over gezondheidseffecten worden verkleind, de kennis met betrekking tot verspreiding, blootstelling en werkingsmechanisme wordt vergroot en de bronnen die bijdragen aan de voor gezondheidseffecten meest kritische fracties van deeltjesvormige buitenluchtverontreiniging beter worden gekend. Mogelijke alternatieven voor het beleid en hun effecten kunnen daarna via een proces van kwantitatieve effectschatting worden doorgerekend.<br>
    • Kwetsbaarheid van het grondwater. Kartering van kenmerken van de Nederlandse bodem in relatie tot de kwetsbaarheid van het grondwater voor verontreiniging

      Boumans LJM; Groot Obbink DJ; Jelgersma S; van Straten H; Wosten JHM; Breeuwsma A; van Duijvenbooden W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-03-30)
      Om de kwetsbaarheid van het grondwater in Nederland voor verontreiniging te karakteriseren, zijn voor het afdekkende pakket gelegen boven het eerste watervoerend pakket kaarten samengesteld met informatie over enkele bodemkenmerken, die van invloed zijn op de uitspoeling. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen de niet met water verzadigde deklaag en het resterende, waterverzadigde deel van het afdekkend pakket. De grens tussen beide delen van de deklaag werd hierbij gelegd bij de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Door deze benaderingswijze is het mogelijk om inzicht te verkrijgen in de kwetsbaarheid van zowel het zeer ondiepe grondwater als van het grondwater in het bovenste watervoerende pakket.<br>
    • Lab-on-a-chip devices for clinical diagnostics : Measuring into a new dimension

      Hermsen SAB; Roszek BR; van Drongelen AW; Geertsma RE; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-21)
      Een lab-on-a-chip (LOC) is een miniatuur laboratoriumsysteem dat binnen en buiten het ziekenhuis voor verschillende medische doeleinden wordt gebruikt. Voorbeelden zijn het bepalen van bloedwaarden, het bloedglucose- en cholesterolgehalte of het aantal HIV-cellen. Het RIVM heeft de state of the art van dergelijke LOC's beschreven, inclusief een overzicht van producten die op de markt zijn of binnenkort verwacht worden. Hieruit blijkt dat deze producten sterk in ontwikkeling zijn en het aanbod in de nabije toekomst verder zal toenemen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Naar verwachting levert het gebruik van LOC's voordelen op ten opzichte van de huidige testwijze in klinisch diagnostische laboratoria. De belangrijkste zijn dat ze het mogelijk maken om op locaties waar dit direct gewenst is snel een diagnose te stellen (point-of-care), en dat er minder monsters en materialen nodig zijn om de tests uit te voeren. Wel is aandacht nodig voor kwaliteitsmanagementaspecten, zoals meetafwijkingen corrigeren (kalibratie), onderhoud van de apparatuur en scholing van de gebruiker. Op die manier gaan de voordelen van LOC's niet ten koste van de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid. Het gebruik van LOC's draagt bij aan de huidige trend van meer zelfredzaamheid in de gezondheidszorg, doordat huisartsen zelf tests kunnen uitvoeren of mensen dat thuis kunnen doen. Daarnaast draagt het bij aan de ontwikkeling van behandelingsvormen die meer op de individuele patiënt zijn geënt (personalized medicine). De kans dat zorgprofessionals LOC's gaan gebruiken neemt toe als zij de ontwikkelaars van LOC's kunnen laten weten hoe ze nog beter aansluiten bij hun behoeften. Dit onderzoek beschrijft ook de technologie die gebruikt wordt bij de LOC's, microfluidica. Deze technologie maakt het mogelijk om vloeistoffen op microschaal te gebruiken en manipuleren.
    • Laboratorium Surveillance Infectieziekten - 1989-1995

      Esveld MI; van Pelt W; van Leeuwen WJ; Banffer JRJ; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      Voor planning m.b.t. bestrijding van infectieziekten moeten overheid en betrokken instanties keuzen maken over de ontwikkeling en implementatie van beheersprogramma's en epidemiologisch en diagnostisch onderzoek. Surveillance is hiertoe een onmisbare ondersteuning. Door het LSI-project wordt landelijk laboratoriumsurveillance van bacteriele infecties via een netwerk van Streeklaboratoria voor de Volksgezondheid (STL) gerealiseerd. De streeklaboratoria omvatten naar schatting 55% van de Nederlandse populatie, verspreid over vrijwel alle provincies. Alle eerste isolaten bij de mens van Salmonella, Bordetella, Legionella, Shigella, Listeria, Yersinia, Streptococcus pyogenes (zowel invasief als oppervlakkig) en invasieve Haemophilus influenzae worden door middel van meldingsformulieren gerapporteerd. Middels een weekformulier wordt het totaal aantal onderzochte faecesmonsters per week geregistreerd. Ook een weekoptelling van de isolaten en een weektotaal van Campylobacter. Salmonella-, Bordetella-, en Streptococcus pyogenes-isolaten dienen opgestuurd te worden naar het Laboratorium voor Infectieziektenscreening en Diagnostiek (RIVM) voor serotypering en faagtypering. Haemophilus influenzae-stammen worden getypeerd door het Referentielaboratorium voor Bacteriele Meningitis. Naast inzicht in trends en voorkomen van enkele bacteriele infecties in Nederland, verschaft het LSI-project inzicht in technische en organisatorische aspecten van landelijke surveillance. In dit rapport wordt zeven jaar registratie beschreven: de periode 1989 tot en met 1995.<br>
    • Laboratorium surveillance van HIV-infecties, regio Arnhem, 1989-1994

      van Duynhoven YTHP; Wiessing LG; Katchaki JN; Nieste HLJ; Esveld MI; Houweling H; CIE; Streeklaboratorium Arnhem (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      In de regio Arnhem vinden sinds april 1989 een aantal surveillance-activiteiten voor HIV-infecties plaats. Dit rapport presenteert de resultaten van vijf jaar monitoring van laboratoriumdiagnostiek van HIV-infecties aangevuld met een continue enquete naar de indicatie voor de test bij alle aanvragers van deze diagnostiek. Van april 1989 tot en met juni 1994 zijn 16.411 testen verricht voor 14.715 personen uit het verzorgingsgebied van het Streeklaboratorium Arnhem (SLA). Het percentage geinfecteerde personen (1,0%, n=140) was bijna twee keer zo klein als het percentage positieve testen (1,8%, n=303). Het aantal positieve personen nam niet toe in de tijd, alhoewel het aantal aangevraagde testen wel sterk is gestegen. Dit werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een stijging in testaanvragen vanwege "wisselende heteroseksuele contacten". Sinds de start van de enquete in 1990 zijn 13.002 personen getest, waaronder 114 seropositieven. Door de enquete is van 88% van deze personen de reden voor testaanvraag bekend. Van de personen werd 38,3% getest op verzoek van derden, meestal in het kader van een keuring voor een (levens)verzekering. Onder deze testen werden twee infecties (0.05%) aangetoond. Er werden 3835 mannen en 3220 vrouwen getest met een medische reden waarvan 1,3% positief werd bevonden. Bij mannen werden de meeste infecties waargenomen onder homo/biseksuelen: 9,7% seropositief. Per kalenderjaar varieerde dit percentage van 6% tot 10%. Ook onder de intraveneuze druggebruikers werden relatief veel infecties aangetoond: 4,2% van de mannelijke druggerbuikers was positief en 5,8% van de vrouwelijke. Circa 44% van de mannen en 59% van de vrouwen met een test op medische indicatie werden getest vanwege heteroseksueel risicogedrag. Het percentage infecties dat in deze groep werd gevonden was echter laag: 0,2% en 0,3% van deze mannen resp. vrouwen. Er was geen trend zichtbaar in de heteroseksuele verspreiding over de 5 jaren. Dit alles wijst erop dat de verspreiding van HIV-infecties zich nog steeds met name in de bekende risicogroepen voordoet ; aanwijzingen voor aanzienlijke transmissie in de algemene bevolking werden niet gevonden.<br>