• Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met een kwantitatieve Triade-benadering

      Rutgers M; Bogte JJ; Dirven-van Breemen EM; Schouten AJ; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Current approaches for site-specific ecological risk assessment of soil pollution are based on the estimation of effects from the presence of contaminants in soil and biota, and literature toxicity data. Trends in assessment methods are directed to the application of biological tests, like bioassays and biological field observations. For this the framework of the Triad approach was adopted and transformed to fit quantitative data of different assessment tools. The Triad is composed of three elements, i.e. an assessment of risks from the presence of contaminants in the soil (substances directed approach), an assessment of risks from the results of bioassays with samples from the site, and biological field observations. In this report the results are presented from experimentally derived TRIAD data in order to test the applicability and expressiveness of the method. Four propositions were adopted: 1. a balanced Triad requires effort on all three Triad legs simultaneously, 2. parameters for risk assessment should be quantitative rather than integer expressions or text, 3. for efficient evaluation it is recommended to express all data on one scale, the so-called 'effects' scale, ranging from 0 to 1, and, 4. for efficiency reasons, a tiered approach is recommended, using 'simple' tests in the lower tiers and 'sophisticated' tests in the higher tiers. From the field investigations at contaminated sites, the conclusion was that the quantitative Triad approach is useful for structuring ecological risk assessment methods.
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering deel 2

      Schouten AJ; Bogte JJ; Dirven-van Breemen EM; Rutgers M; Baerselman R; van Beelen P; Bloem J; Keidel H; Wouterse M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-12)
      Dit rapport beschrijft de tweede fase in het praktijkonderzoek naar de bruikbaarheid van de TRIADE-benadering voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. In deze tweede fase werd gekozen voor een uitbreiding van de ecologische veldwaarnemingen en werd gestreefd naar een betere locale referenties voor verontreinigde percelen. Het is een volgende stap in de ontwikkeling van een beslissingsondersteunende methodiek, die op termijn de huidige urgentie-systematiek voor bodemverontreiniging zou kunnen aanvullen of vervangen. De verontreinigingsgraad was op twee van de drie locaties (te) hoog door de aanwezigheid van een cocktail aan stoffen. De monsters van de vloeivelden Tilburg voldeden het best aan de doelstelling om een uitgebreide TRIADE-beoordeling uit te voeren langs een gradient van matig verontreinigde gronden. De methodiek gaf ook hier een gradatie in effecten weer. Er zijn een groot aantal bodemecologische metingen uitgeprobeerd. De meeste gaven onderscheid tussen de monsters. De waargenomen effecten waren kleiner dan op grond van het TRIADE-onderdeel chemie verwacht zou worden. De keuze van een goede referentie blijkt een belangrijk en kritisch aspect in de beoordelingsmethodiek.
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met een kwantitatieve Triade-benadering

      Rutgers M; Bogte JJ; Dirven-van Breemen EM; Schouten AJ; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Huidige methodieken voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling zijn gebaseerd op de inschatting van effecten op basis van toxiciteitsdata uit de literatuur en de aanwezigheid van contaminanten in de bodem en biota. Biologische testen, zoals bioassays en veldwaarnemingen, worden steeds meer toegepast bij ecologische risicobeoordeling. Het doel van het praktijkonderzoek was het toetsen van de bruikbaarheid van de Triade-benadering als basis voor een methodiek voor locatiespecifieke risicobeoordeling. De Triade bestaat uit drie elementen, nl. een inschatting van effecten op basis van de aanwezigheid van contaminanten op de locatie, een inschatting van de effecten op basis van de meetbare toxiciteit in monsters van de locatie, en een inschatting van effecten op basis van veldwaarnemingen aan het ecosysteem. Integratie van deze onafhankelijke sporen leidt tot een verbeterd inzicht in de effecten van de verontreiniging. Voor dit onderzoek werden Triade-gegevens van een aantal verontreinigde locaties verzameld. Vier uitgangspunten werden hierbij gehanteerd: 1) op elk Triade-spoor was de inzet vergelijkbaar t.b.v. een afgewogen integratie, 2) de individuele parameters werden gekwantificeerd (geen integer uitdrukking of tekst), 3) om de vergelijking te vergemakkelijken werd een eenduidige effectschaal toegepast, namelijk van 0 (geen effect) tot 1 (maximaal effect), en 4) t.b.v. de efficientie werd een gelaagde aanpak gebruikt, waarbij simpele testen bij de lage trede ingezet werden en complexe testen bij de hoge trede. De conclusie uit de resultaten van het onderzoek op de verontreinigde locaties is dat de kwantitatieve Triade geschikt is als basis voor een risicobeoordelingsmethodiek.<br>
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. Praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering: deel 3

      Schouten AJ; Dirven van Breemen EM; Bogte JJ; Rutgers M; Baerselman R; Bloem J; Didden WAM; Dimmers W; Groot A de; Keidel H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      The TRIAD approach was tested for its applicability in assessing actual ecological risks on five sites around the zinc factory near the city of Budel, in The Netherlands. The TRIAD method offers the possibility of a tiered approach to actual risks for the local ecosystem. Risk assessment is derived on the basis of three elements, i.e. chemistry, toxicology and ecology. It is meant as an improvement for the present remediation urgency systematics. Three of the five sites were contaminated with zinc and cadmium at different levels, that did not exceed the Dutch 'intervention values'. Besides total soil contents, mobile soil metal fractions and pore-water concentrations were measured during the chemical assessment. Several variants of the toxic pressure calculations were compared. In the toxicological assessment several bioassays were performed, which showed different sensitivities to heavy metals and influence of soil-pH and nutrients. There are still very few tests that can be used for acid sandy field soil. Many soil biological analyses (microbial and soil fauna groups) and a vegetation inventory were used for the ecological assessment. In this field study they showed a larger deviation from the reference site than the chemical and toxicological indicators. From the overall TRIAD assessment it can be concluded, among others, that selection of a non-contaminated reference site is both crucial as well as difficult. Polluted sites generally differ in more aspects from a local reference site than just in the concentration of contaminants. Although the TRIAD approach is relatively time consuming, uniformity and the scientific basis of the actual ecological assessment have improved considerably. Therefore the TRIAD approach is recommended for the future as a standard tool to assess actual ecological risks of contaminated soil.
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. Praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering: deel 3

      Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Bogte JJ; Rutgers M; Baerselman R; Bloem J; Didden WAM; Dimmers W; de Groot A; Keidel H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Het doel van het onderzoek was de beproeving van de TRIADE methodiek voor de inschatting van locatiespecifieke ecologische risico's in een praktijksituatie. De TRIADE geeft de mogelijkheid om trapsgewijs effecten van verontreinigingen te bepalen voor de aspecten chemie, toxicologie en ecologie. Deze methodiek moet een verbetering opleveren ten opzichte van de ecologische risicoschatting in de huidige saneringsurgentie-systematiek. Het onderzoek werd uitgevoerd op vijf locaties rond de zinkfabriek te Budel. Twee van deze locaties lagen op grotere afstand en werden als (lokale) referentie gebruikt. Drie locaties in de nabijheid van de zinkfabiek hadden verhoogde gehaltes aan zink en cadmium. Interventiewaarden werden niet overschreden. Het chemische onderzoek richtte zich op totaal-gehaltes, extraheerbare fracties en poriewaterconcentraties van zware metalen. Op basis daarvan werd de toxische druk berekend. Het ecotoxicologisch onderzoek bestond uit bioassays met algen, springstaarten en radijsplanten. De gebruikte testorganismen vertoonden verschillende gevoeligheden voor zware metalen, mede als gevolg van bodemeigenschappen als zuurgraad en voedingsstoffenbeschikbaarheid. Het TRIADE-onderdeel "ecologie" werd ingevuld met indicatoren uit de Bodembiologische Indicator (BoBI) en met een vegetatie-inventarisatie. Verontreinigde locaties verschillen bijna altijd in meer eigenschappen van de referentie dan alleen de concentratie van de contaminanten. Het vaststellen van een simpele oorzaak-gevolg relatie voor ecologische effecten zal daarom meestal niet mogelijk zijn. Uit het TRIADE-onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de keuze van de locale referentie aanzienlijke invloed heeft op het berekende ecologisch risico. De TRIADE-systematiek geeft de ecologische risicoschatting desondanks een aanzienlijk bredere basis dan de huidige urgentiesystematiek. De methodiek is gebaseerd op het 'multiple weight of evidence' principe en biedt een kwantitatieve maat voor ecologische risico's. Aangezien ook het bodembeschermingsbeleid zich ontwikkelt naar een meer locatiespecifieke benadering, wordt verder inpassing van de TRIADE-methodiek aanbevolen.
    • Lokale detectie-efficiëntie van de gammadetectoren : NMR-meetposten

      den Outer PN; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-10-31)
      Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) is een waarschuwingsmeetnet voor stralingsongevallen en bestaat uit 167 meetlocaties. Op de meetlocaties staan gammadetectoren die het stralingsniveau van een passerende wolk met radionucliden kunnen bepalen. Het NMR geeft inzicht in de omvang en het verloop van een radioactieve besmetting tijdens een stralingsongeval. In de praktijk staan de gammadetectoren niet op een ideaal groot en leeg grasveld maar staan er objecten zoals bomen en gebouwen in de buurt. Deze objecten beïnvloeden de mate van de radioactieve besmetting of schermen de straling af die afkomstig is van de achterliggende gebieden. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om het totale effect van deze objecten in verhouding tot de ideale situatie te kunnen bepalen, de zogeheten lokale detectie-efficiëntie. Vóór deze studie was niet duidelijk welke objecten relevant zijn en tot welke afstand dat aan de orde is. Op een ideaal grasveld wordt de besmetting tot een afstand van ongeveer 500 meter in een keer gemeten. Uit deze studie blijkt dat het voldoende is de omgeving van elke meetlocatie binnen een straal van slechts 8 meter nauwkeurig in kaart te brengen. Voor dit doel worden foto's van de omgeving gemaakt tijdens het reguliere onderhoud van de meetlocaties. Voor afstanden groter dan 8 meter volstaat een algemene methode die gebruikmaakt van het Geografisch Informatie Systeem (GIS) van het RIVM. Met de algemene methode is al voor elke meetlocatie de lokale detectie-efficiëntie bepaald; in een later stadium moet de informatie over de eerste 8 meter nog daarin worden verwerkt.
    • Lokale overheden en klimaatbeleid

      Menkveld M; Burger H; Heinink H; Kaal M; Coenen FHJM; Veer KA vd; NOP (ECN PettenCSTM Twente University, 2002-02-27)
      Abstract niet beschikbaar
    • Long-range Atmospheric Transport of Persistent Organic Pollutants, I: Description of surface-atmosphere exchange modules and implementation in EUROS

      Jacobs CMJ; van Pul WAJ; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      Beschrijving van een model voor de uitwisseling van gasvormige Persistent Organic Pollutants (POP) tussen het aardoppervlak en de atmosfeer, en de toepassing in het Euleriaanse verspreidingsmodel EUROS. Als voorbeeld is de netto depositie van lindaan over Europa berekend. Bij niet-emissiegebieden op land werd gevonden dat natte depositie verantwoordelijk is voor gemiddeld 75% van de totale toevoer van lindaan, terwijl gemiddeld ongeveer 30% re-emissie optrad. Op zee bleek droge depositie, de belangrijkste bron van lindaan, verantwoordelijk voor gemiddeld 72% van de totale toevoer, en bedroeg de fractie re-emissie gemiddeld 15%. De concentraties van lindaan in neerslagwater van een aantal stations rond de Noordzee worden door het model met een factor 3 overschat. Een model gevoeligheidsanalyse laat zien dat de emissiedata de grootste bron van onzekerheid zijn.<br>
    • Long-term changes of chemistry and biota in moorland pools in relation to changes in atmospheric deposition

      Dam H van; Houweling H; Wortelboer FG; Erisman JW; Smeulders SM; LWD; LLO; IBN-DLO; AquaSense TEC (AquaSense TECWageningenDLO-Instituut voor Bosbouw en NatuuronderzoekWageningen, 1996-04-19)
      De voornaamste veranderingen in de chemie en biologie van drie vennen in de loop van 16 jaar zijn gemeten. Deze gegevens werden vergeleken met oudere waarnemingen (1912-1970) om verbanden te leggen tussen deze veranderingen en de veranderingen van de atmosferische depositie, in het bijzonder van zwavel- en stikstofverbindingen. Modelberekeningen werden toegepast. Tussen 1979 en 1994 is in twee van de drie onderzochte vennen het sulfaatgehalte sterk gedaald. Uit modelberekingen bleek dat dit veroorzaakt werd door de sterke afname van depositie van zwavelverbindingen in die periode. Dit had zeer positieve gevolgen voor de soortensamenstelling van de kiezelwieren, die sterk indicatief zijn voor de verzuringstoestand. Uit de modelberekingen blijkt dat er geen goede meetresultaten zijn van de depositie van stikstofverbindingen op oppervlaktewateren. Het is zeer noodzakelijk dat hiervoor metingen worden uitgevoerd.
    • Long-term complications of transvaginal mesh implants. A literature review

      de Vries, C; Roszek, B; Oostlander, A; van Baal, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
      Since 2002 synthetic mesh implants are used to treat patients with pelvic organ prolapse. Because of serious complaints, measures were taken in the Netherlands in 2011-2012. Since then mesh products are only implanted if alternative treatments such as physiotherapy, a vaginal ring and an operation using the body's own tissue were not effective to treat pelvic organ prolapse. In addition, mesh implantation may only take place in a limited number of specialized centers by well-trained recognized specialists. This is because mesh implantation requires experience and precision. International scientific literature was examined by National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) to determine complications that can occur one year or longer after mesh implantation. Complications that were observed in literature were: pain, mesh exposure and erosion, incontinence and pain during intercourse. In addition, a prolapse can recur, for example in another area then where the mesh was implanted. The complication rates varied widely in the literature. Additionally, data on the duration and severity of a complication was limited. This variation and the limited data can partially be attributed to the lack of an unambiguous, international inventory of complications. There is a lot of attention for mesh implants in the international media. Complaints reported to the Dutch Health and Youth Care Inspectorate between 2009 and 2012 demonstrated the occurrence of serious complications. For these reasons, RIVM is calling for a standardized guideline with universal definitions to facilitate the reporting of the complications of mesh implants for pelvic organ prolapse. In the meantime, newly developed mesh implants entered the market, that are expected to have less complications. In this literature study, identified complications were primarily associated with products that are no longer available on the Dutch market.
    • Long-term effects of climate change on biodiversity and ecosystem processes

      Oene H van; Ellis WN; Heijmans MMPD; Mauquoy D; Tamis WLM; Vliet AJH; Berendse F; Geel B van; Meijden R van der; Ulenberg SA; et al. (Wageningen UniversityTinea FoundationIBEDAmsterdam UniversityResearch Group PalynologyIBEDAmsterdam UniversityPCNE Leiden UniversityEnvironmental Systems Analysis GroupWageningen UniversityDepartment of EntomologyIBEDAmsterdam UniversityNationaal Herbarium NederlandUniversiteit Leiden, 2002-03-01)
      Abstract niet beschikbaar
    • Long-term immune effects of Lactobacillus casei Shirota during lactation

      Ezendam J; Loveren H van; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Exploratory studies on potential effects of administration of probiotics to infants have revealed a potential induction of allergy and autoimmunity later in life. Advertisements for probiotics claim their beneficial effects on gut flora, resistance and allergies. However, neither beneficial effects nor adverse effects have been proven and no legislation for probiotic use is currently in place. Probiotics in baby foods are, however, generally regarded as safe bacteria. Studies described here show the effects of probiotic administration during lactation in two animal models. Effects, even when small, were found to indicate a potential hazard. For a broader view of the effects on early administration, different types of probiotics will need to be studied in the models used.
    • Long-term immune effects of Lactobacillus casei Shirota during lactation

      Ezendam J; van Loveren H; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Verkennend onderzoek naar de toediening van probiotica aan zuigelingen duidt op de mogelijke ontwikkeling van allergie en autoimmuniteit later in het leven. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel 'goede bacterien' genoemd. Fabrikanten claimen een positief effect op de darmflora van de consument, op zijn weerstand en op mogelijk preventie van allergieen. Echter, zowel werkzaamheid als veiligheid van dit soort producten is wetenschappelijk niet onderbouwd. Momenteel is er nog geen regelgeving op het gebied van probiotica. Producten zoals zuigelingenvoeding worden als veilig beschouwd. De effecten van vroege blootstelling aan probiotica zijn bestudeerd met behulp van twee experimentele proefdiermodellen. De waargenomen effecten zijn gering, maar duiden wel op een potentieel risico van probiotica. Om meer inzicht te verkrijgen in de negatieve effecten van probiotica is verder onderzoek nodig.
    • Long-term measurements of gamma-HCH in precipitation in the Netherlands

      Buijsman E; Pul WAJ van; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-03)
      The results of 20 years of measuring gamma-HCH in precipitation in the Netherlands are presented here. Analysis has revealed a systematic seasonal behaviour, with enhanced levels of gamma-HCH in precipitation from April through June. Evidence was found for a statistically significant change in concentrations during the last 20 years. Measurement results from the last three years (1999-2001) showed a clear downward trend, suggesting a decline in lindane emissions. An evaluation of measurement results from north-west Europe confirms the large-scale distribution of gamma-HCH in precipitation in north-west Europe. Given the large uncertainties in emission estimates and in modelling of atmospheric transport and deposition, measurements are concluded to form a better tool for monitoring the changes in environmental quality and emissions.
    • Long-term measurements of gamma-HCH in precipitation in the Netherlands

      Buijsman E; van Pul WAJ; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-03)
      De resultaten van 20 jaar metingen gamma-HCH in neerslag in Nederland worden gepresenteerd. Analyse van de data toont aan dat er sprake is van een systematisch seizoensgedrag met verhoogde niveaus van gamma-HCH in neerslag in de periode van april tot en met juni. Er zijn aanwijzingen gevonden voor een statistisch significante verandering in de concentraties in de afgelopen 20 jaar. De meetresultaten van de afgelopen drie jaar (1999-2001) laten een duidelijke dalende trend zien. Dit suggereert een afname in de lindaan emissies. Een evaluatie van meetresultaten uit noordwest Europa bevestigt de grootschalige verspreiding van gamma-HCH in neerslag in noordwest Europa. Op basis van de grote onzekerheden in emissieschattingen en in het modelleren van het atmosferisch transport en depositie wordt geconcludeerd dat metingen een beter instrument zijn om veranderingen in de milieukwaliteit en in de emissies te monitoren.<br>
    • Long-term perspectives on world metal use - a model-based approach

      Vuuren DP; Strengers BJ; Vries HJM de; MNV (1999-09-01)
      Abstract niet beschikbaar
    • Long-term perspectives on world metal use - a model-based approach

      Vuuren DP; Strengers BJ; Vries HJM de; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-09-01)
      In this report, a system dynamics model is described, which simulates long-term trends in the production and consumption of metals (i.e. iron/steel and an aggregate of metals of medium abundance) in relation to impacts such as ore-grade decline, capital and energy requirements and waste flows. This metal model can be of assistance in exploring the issue of sustainablility of metal resource use. Application of the model to historical trends shows it to be fairly capable of reproducing the long-term trends in the 1900-1990 period, among others on the basis of two intensity of use curves applied to 13 world regions. For future trends, a set of perspective-based long-term scenarios has been constructed that represent the major paradigms in resource use. These scenarios highlight some of the uncertain factors in the relation between economic growth, metal resource exploitation and use, and energy and environmental consequences. They also indicate that apparently similar metal flows in society may be the result of quite different and sometimes contrary assumptions on metal demand, production patterns and resource base characteristics. Such analyses contribute to a more open and transparent discussion on the issue at hand by adding quantitative explications to qualitative views.
    • Long-term wholesomeness study of autoclaved or irradiated pork in rats

      van Logten MJ; de Vries T; van der Heijden CA; van Leeuwen FXR; Garbis-Berkvens JM; Strik JJTWA (Rijksinstituut voor de Volksgezondheid, 1983-11-22)
      6 Groepen van 50 vrl. en 50 mnl. ratten werden gedurende 2,5 jaar gevoerd met SSP-Tox standaard dieet of een SSP-Tox speciaal dieet waaraan varkensvlees was toegevoegd dat geautoclaveerd of bestraald was. Tussen de 5 proefgroepen - controle geautoclaveerd, geautoclaveerd, controle bestraald, hoog bestraald en laag bestraald - werden geen verschillen in groei, voedselopname en sterfte geconstateerd. Biochemisch onderzoek van serum en urine leverde geen effecten op die aan de behandeling konden worden toegeschreven. De enige afwijking op de orgaangewichten was een toename van het schildkliergewicht van de 5 proefgroepen. Bij macros- copisch onderzoek van de geseceerde ratten aan het einde van de proef en van de intercurrent gestorven dieren werden geen afwijkingen gevonden die aan de behandeling kunnen worden toegeschreven. De histopathologische verandering die in de proefgroepen werd gezien, werd ook in de controle- groep waargenomen.
    • Longitudinale studie naar de aanwezigheid van legionella en amoeben in drinkwaterinstallaties

      Schalk JAC; Redeker S; Docters van Leeuwen AE; Lodder WJ; de Roda Husman AM; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-07-05)
      In Nederland wordt bij prioritaire instellingen met collectieve leidingwaterinstallaties, zoals ziekenhuizen en verzorgingstehuizen, twee keer per jaar gecontroleerd of legionella in de waterleidingen aanwezig is. De concentratie legionellabacteriën in het water moet wettelijk lager zijn dan 100 kolonievormende eenheden per liter. De eigenaren van dergelijke collectieve installaties zijn verplicht om maatregelen te nemen om legionella-infecties te voorkomen. Oudere mensen of mensen die verzwakt zijn, zijn namelijk gevoeliger om ziek te worden van een infectie met legionella. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de concentratie van legionellabacteriën in korte tijd sterk kan variëren, tot een factor 50. Beheerders van prioritaire collectieve drinkwaterinstallaties wordt daarom aanbevolen om eventuele maatregelen niet alleen op basis van de resultaten van een controle te nemen. Het is minstens zo belangrijk om ervoor te zorgen dat de drinkwaterinstallaties goed worden geïnstalleerd en onderhouden. Zo moeten temperaturen waarbij legionella goed kan groeien, worden voorkomen en mag het water in de leidingen niet te lang stilstaan. De studie is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT). In het onderzoek zijn de koudwaterleidingen van drie drinkwaterinstallaties gedurende tien maanden onderzocht op legionella. Bij deze drinkwaterinstallaties is in het verleden meerdere malen legionella aangetroffen. Dit keer werden in de watermonsters twee soorten legionellabacteriën aangetroffen, de Legionella anisa of Legionella gormanii. De Legionella pneumophila, de legionellasoort die verantwoordelijk is voor het merendeel van de ziektegevallen in Nederland, is niet aangetroffen.
    • Lood in drinkwater : GGD-informatieblad medische milieukunde

      Dusseldorp A; Versteegh JFM; Drijver M; Janssen PJCM; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-27)
      Lood komt als verontreiniging voor in bodem, water en lucht. De blootstelling aan lood is in Nederland de afgelopen decennia afgenomen door maatregelen die de uitstoot hebben doen afnemen. Mensen worden momenteel voornamelijk via voeding aan lood blootgesteld. Omdat kinderen gevoeliger zijn voor lood dan volwassen is het belangrijk dat zij niet aan te veel lood blootstaan. Een te hoge blootstelling kan de normale ontwikkeling van de intelligentie namelijk belemmeren. Drinkwater valt onder de categorie voeding en maakt bij kinderen gemiddeld 7 procent uit van de loodblootstelling via voeding. In specifieke situaties kunnen zij ook via de bodem en via huisstof worden blootgesteld aan lood. Maatregelen voorkomen loodblootstelling via waterleidingen In de meeste woningen zijn de loden waterleidingen vervangen en wordt de drinkwaternorm gehaald. In specifieke situaties kan de blootstelling via drinkwater echter hoger zijn dan gemiddeld. Het gaat dan om oude woningen met loden drinkwaterleidingen. In nieuwbouwwoningen kan de blootstelling via drinkwater tijdelijk verhoogd zijn. Preventieve maatregelen kunnen deze blootstellingen voorkomen. De belangrijkste zijn de loden leidingen te vervangen en in nieuwbouwwoningen de kraan na de oplevering gedurende drie maanden dagelijks twee minuten te laten doorspoelen. Dit en meer staat in dit informatieblad lood in drinkwater, dat het RIVM voor de GGD heeft opgesteld. De GGD'en willen graag op uniforme wijze informatie over lood in drinkwater geven. De kennis die in dit informatieblad is samengebracht, kan daaraan bijdragen. Inhoud informatieblad lood Verder komt de nieuwe Europese evaluatie van de gezondheidseffecten als gevolg van loodblootstelling aan de orde. Hieruit blijkt dat er geen drempel kan worden aangegeven voor de schadelijke effecten van lood. Ook wordt toegelicht welke wettelijke regelingen er bestaan voor metalen in drinkwater, en wat deze inhouden.