• Luchtkwaliteit. Jaaroverzicht 1993

      Aben JMM; Bleeker A; van Doesburg MJ; Erisman JW; de Leeuw FAAM; Noordijk H; van Velze K; de Woerd HJ; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      Op basis van de in 1993 in de stedelijke omgeving uitgevoerde metingen kan alleen voor fijn stof en tetrachloormethaan overschrijding van de grenswaarden worden geconstateerd. De grenswaarden voor fijn stof werden op nagenoeg alle locaties overschreden. De metingen van fijn stof zijn overigens niet noemenswaardig verhoogd ten opzichte van de regionale achtergrond waar dus ook overschrijding van grenswaarden voorkomt. Op basis van modelberekeningen wordt geconcludeerd dat in 1993 langs 340 km verkeersdrukke weg in grote steden (ca 10% van het beschouwde wegennet) voor een of meer stoffen de grenswaarde is overschreden. Samenhangend met de door maatregelen ontstane daling van de emissies wordt over de laatste tien jaar een duidelijk dalende trend gevonden voor de componenten lood en zwaveldioxyde. Ook voor stikstofoxyden, koolstofmonoxyde en benzo[a]pyreen tekent zich een dalende trend af. Gedurende de zomer van 1993 is op een beperkt aantal dagen (10) op een of meer plaatsen in het land matige smog geconstateerd. Ernstige smog is slechts op een dag waargenomen ; zeer ernstige smog is in het geheel niet waargenomen. De geringe frequentie waarmee zomersmog in 1993 is opgetreden is verklaarbaar door het geringe aantal zomerse dagen in 1993. De grenswaarden voor de ozonconcentratie zijn in 1993 niet overschreden. Zowel het 50-percentiel als het 98-percentiel van de ozonconcentraties vertoont geen duidelijke trend. Vergeleken met metingen uit het begin van de jaren 80 is de concentratie van vluchtige organische stoffen, die als precursor voor de ozonvorming fungeren, met ca eenderde verminderd. In 1993 heeft geen overschrijding van het niveau voor matige wintersmog plaatsgevonden. Het niveau voor geringe smog is op een gering aantal stations overschreden. In 1993 bedroeg de depositie van potentieel zuur -landelijk gemiddeld- 4000 mol H+ ha-1 j-1, gelijk aan de (tussen)doelstelling voor 1994. De depositie van potentieel zuur was in 1993 als volgt samengesteld: zwaveloxyden: 28%, stikstofoxyden 24% en ammoniak en ammonium 48%. De bijdrage van het buitenland aan de depositie van potentieel zuur bedraagt ca 45% (berekend op basis van emissiecijfers voor 1990). Ten opzichte van 1980 is de zure depositie met ca 40% gedaald. Vooral maatregelen bij SO2-emitterende bronnen hebben aan deze vermindering bijgedragen. De stikstofdepositie bedroeg in 1993 -gemiddeld over Nederland- ca. 2900 mol ha-1 j-1. Er is sprake van een dalende trend. De huidige waarde is echter nog aanzienlijk hoger dan de doelstellingen voor het jaar 2000 en 2010 (respectievelijk 1600 en 1000 mol ha-1 j-1. De loodconcentraties bleven in 1993 ruim onder de grenswaarden. Ook de WHO-richtlijn voor cadmium is in 1993 op geen der meetlocaties overschreden. De richtwaarde voor de depositie van cadmium werd in 1993 op beperkte schaal overschreden. Daarbij geldt de kanttekening dat de bij de berekeningen gehanteerde cadmiumemissie en de bronnen onzeker zijn. Door verlaging van het loodgehalte van benzine en vervolgens de invoering van loodvrije benzine zijn de atmosferische concentratie en depositie van lood in het afgelopen decennium enorm gedaald. De grenswaarde voor de daggemiddelde fluoride concentratie is op een industrieel belast station gedurende twee dagen overschreden. De Nederlandse emissie van gehalogeneerde koolwaterstoffen lag in 1993 vrijwel op het niveau zoals afgesproken in het CFK-actieprogramma. De ozonlaag boven Nederland was tot september 1993 dunner dan het langjarig gemiddelde. De grootste afwijking ten opzichte van het langjarig gemiddelde werd in februari gemeten (-17%). De Nederlandse emissie van broeikasgassen, behalve die van CFK's, is in het afgelopen decennium gestegen. In CO2-equivalenten uitgedrukt compenseert de afname van de CFK-emissie de toename van de emissie van de andere broeikasgassen.<br>
    • Luchtkwaliteitsindex : Aanbevelingen voor de samenstelling en duiding

      Dusseldorp A; Fischer PH; Dijkema MBA; Strak MM; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD Amsterdam, 2015-05-29)
      Het RIVM heeft een systeem ontwikkeld dat aangeeft in hoeverre de luchtkwaliteit op een bepaald moment van de dag van invloed is op de gezondheid. Deze informatie biedt de mogelijkheid om de blootstelling aan luchtverontreiniging zo veel mogelijk te beperken. Mensen met een chronische aandoening, zoals astma of COPD, kunnen bijvoorbeeld beslissen om zich bij een bepaalde mate van luchtvervuiling minder in te spannen, of activiteit te verplaatsen naar een moment van de dag waarop de luchtkwaliteit beter is. Bij ernstige luchtvervuiling zijn de informatie en de handelingsperspectieven relevant voor de hele bevolking. Het systeem bestaat uit een index met de concentraties van stoffen in de lucht. Het gaat om twee vormen van fijn stof (PM10 en PM2,5), ozon en stikstofdioxide (NO2). De informatie hierover is gebundeld tot één getal, dat met behulp van kleuren vier gradaties van de luchtkwaliteit weergeeft. Deze classificatie is gebaseerd op kennis over de gezondheidseffecten van deze stoffen. De index is ontwikkeld naar aanleiding van de vraag van de GGD'en of de informatie in de bestaande luchtkwaliteitsapp van DCMR, GGD Amsterdam en het RIVM beter kan worden geduid. Ook is er behoefte aan begrijpelijke handelingsadviezen voor de gebruikers. De adviezen kunnen worden meegenomen in een nieuwe versie van de app, en op de website van de luchtmeetnetten. Bovendien zal de informatie dienen als input voor de nieuwe smogregeling, die in de loop van 2015 wordt opgesteld.
    • Luchtnormen geordend

      de Jong FMW; Janssen PJCM; SEC ; SIR; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-05-11)
      Een inventarisatie van het RIVM laat zien dat er in Nederland veel verschillende typen luchtnormen zijn. Voorbeelden zijn normen voor binnen- en buitenlucht en normen die specifiek de werknemer of de algemene bevolking beschermen. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van het ministerie van VROM. In het rapport zijn de beschermingsdoelen van de afzonderlijke normen beschreven, zoals de mens of het ecosysteem, evenals hun formele status. Het onderscheid tussen de verschillende normen is echter niet altijd helder. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat voor eenzelfde type norm soms verschillende getalswaarden circuleren. Vooral voor milieukwaliteitsnormen is het voor een aantal stoffen onduidelijk wat de geldende norm is. Dit is vooral lastig voor vergunningverleners en vergunninghouders, omdat zij niet weten op welke waarde zij zich moeten richten. Daarnaast is het belangrijk dat beleidskaders die raakvlakken hebben zo veel mogelijk dezelfde getalswaarden als uitgangspunt voor een specifieke norm gebruiken. Het RIVM geeft in het rapport aanbevelingen om voor een aantal stoffen tot een eenduidige norm te komen. Dat kan bijvoorbeeld door technisch-wetenschappelijke normvoorstellen beleidsmatig vast te stellen en ze vervolgens bekend te maken op de website 'Risico's van Stoffen'.
    • Luchtnormen voor 31 prioritaire stoffen : Road-map Normstelling

      de Jong FMW; Janssen MPM; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-12)
      Bij vergunninghouders en -verleners bestond onduidelijkheid over de status van de luchtnormen van 31 prioritaire stoffen. De normen zijn in het verleden niet formeel vastgesteld door de Stuurgroep Stoffen en stonden daarom niet vermeld op de website 'Risico's van Stoffen', www.rivm.nl/rvs/. Deze luchtnormen staan echter wel vermeld in de bijlage "Normstelling prioritaire stoffen" bij de notitie "Reductiedoelstellingen prioritaire stoffen" uit 2001, opgesteld door VROM in het kader van het vierde Nationaal Milieu Beleidsplan (NMP4). Het RIVM heeft onderzocht of de luchtnormen voor deze stoffen nog actueel zijn. Hieruit bleek dat voor drie stoffen de normen zijn aangepast, en dat er voor 18 stoffen nieuwe informatie beschikbaar is, waardoor deze normen mogelijk in de toekomst moeten worden herzien. Eind 2010 zijn voor alle 31 stoffen door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de luchtnormen vastgesteld. Vervolgens zijn de normen op de website 'Risico's van Stoffen' gepubliceerd. De Nederlandse prioritaire stoffenlijst omvat stoffen met een risico voor mens en milieu die de rijksoverheid met voorrang wil aanpakken.
    • Luchtnormen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen : Herziening van milieukwaliteitsnormen

      Smit CE; Janssen MPM; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-13)
      Het RIVM doet voorstellen voor nieuwe luchtnormen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De overheid heeft extra aandacht voor deze stoffen omdat ze kankerverwekkend zijn of de voortplanting verstoren. Ook stoffen die slecht afbreken in het milieu, zich ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen) worden aangemerkt als ZZS. In vergunningen worden eisen opgenomen om de uitstoot van ZZS naar lucht te verminderen. De nieuwe milieukwaliteitsnormen kunnen hiervoor als uitgangspunt worden gebruikt. De voorstellen zijn gemaakt omdat een deel van de huidige luchtnormen was afgeleid met een methode die niet meer wordt gebruikt. Voor een aantal stoffen circuleerden meerdere getallen en was er onduidelijkheid over de juiste norm. De voorstellen zijn gebaseerd op nationaal en internationaal gepubliceerde gezondheidskundige risicogrenzen. Deze waarden geven aan hoeveel mensen tijdens hun leven van een stof mogen inademen zonder daar nadelige effecten van te ondervinden.
    • Luchtonderzoek tijdens een bodemsanering van een benzineverontreiniging in het centrum van Deil

      Knol - Vos de T; Fortezza F; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      Air measurements during a soil remediation of a gasoline-polluted site in the town centre of Deil. During a soil remediation in the town centre of Deil (in the Netherlands) measurements were performed for peak and semi-chronic exposure to pollution compounds in the immediate vicinity of the soil remediation site. From the investigation peak exposures were shown to occur only during the treatment of polluted soil. Concentrations of the pollution compounds in the air showed a rapid decrease as the distance to the soil sanitation site increased. The pre-set limit values for the concentration of the polluting compounds in the air were not exceeded during the investigation. A general framework for assessing exposure to combinations of compounds has not yet been developed.
    • Luchtonderzoek tijdens een bodemsanering van een benzineverontreiniging in het centrum van Deil

      Knol-de Vos T; Fortezza F; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      Tijdens een bodemsanering in het centrum van Deil zijn metingen uitgevoerd naar piekblootstellingen en semichronische blootstellingen aan verontreinigingscomponenten in de directe omgeving van de saneringslocatie. Uit het onderzoek is gebleken dat piekblootstellingen slechts optraden bij beroering van de verontreinigde grond, en de concentraties verontreinigingen in de lucht snel afnamen met de afstand tot de saneringslocatie. Gedurende het onderzoek zijn de vooraf vastgestelde grenswaarden voor de verontreinigingscomponenten in de lucht niet overschreden. Een algemeen beoordelingskader voor blootstelling aan combinaties van componenten is nog niet ontwikkeld.<br>
    • Luchtvaart en milieu: indicatieve effecten van heffingen en substitutie naar rail

      Wee GP van; Brink RMM van den; Geurs KT; LAE (1997-10-31)
      Op verzoek van de Commissie vergroening belastingen zijn de gevolgen doorgerekend van enkele heffingen, gericht op de luchtvaart en de substitutie van luchtvaartpassagiers naar rail. Bij de heffingen gaat het om kerosineheffingen en heffingen op tickets. Uit de berekeningen blijkt, dat dergelijke heffingen forse effecten kunnen hebben op het aantal Schipholpassagiers en de CO2-emissie door de luchtvaart, vooral, wanneer ze mondiaal worden ingevoerd. Heffingen op brandstof hebben een relatief groter effect op de CO2-emissie dan heffingen op tickets, aangezien ze tot (extra) efficiencymaatregelen leiden. Substitutie van luchtvaart naar rail (HSL) leidt tot een lagere CO2- en NOx-emissie, aangezien per reizigerskilometer de HSL een veel lagere CO2-emissie (82%) en NOx-emissie (96% lager) heeft dan een luchtvaartpassagier.
    • Luchtvaart en milieu: indicatieve effecten van heffingen en substitutie naar rail

      Wee GP van; Brink RMM van den; Geurs KT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-10-31)
      A working group commissioned by the Dutch Ministry of Finance is investigating the possibilities of introducing a 'greener' tax system in the Netherlands. At the request of this working group, the Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) has quantified the environmental impacts of taxes on jet fuel and on tickets, and of the substitution of air passenger transport with rail transport. The investigation showed that taxes on jet fuel and tickets have a relatively large impact on the number of air passengers going through Schiphol and on CO2 emissions from aircraft, especially concerning global taxes. Because they encourage efficiency measures, jet taxes on fuel have a relatively higher impact on CO2 emissions than taxes on tickets. (Future) CO2 emission per aircraft passenger will be about five times higher and NOx emission about 25 times higher than emissions from high-speed rail. Therefore substitution from air to high speed rail will result in lower CO2 and NOx emissions.
    • Luchtverontreiniging door de luchthaven Schiphol

      Anker IM van den; Velze K van; Onderdelinden D (1989-12-31)
      In dit onderzoek wordt de luchtverontreiniging ten gevolge van emissies op Schiphol, met name van het vliegverkeer berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De emissies voor een aantal stoffen werden eerst geschat met behulp van actuele informatie over het vliegverkeer. Een toetsing van deze emissies vond plaats met behulp van concentratiemetingen op verscheidene locaties op en rond Schiphol. Voor zwaveldioxide en polycyclische aromatische koolwaterstoffen bleek een bijstelling van de emissies naar lagere waarden noodzakelijk. Met behulp van de aldus bijgestelde emissies werd de concentratieverhoging van de regionale concentraties in de omgeving van Schiphol berekend. De bijdrage van Schiphol aan de regionale concentraties is op 3 km afstand van het centrum van Schiphol voor alle beschouwde componenten kleiner dan 10%. Een belangrijke bijdrage aan de regionale concentraties wordt eveneens geleverd door de emissies van het verkeer op de snelwegen A4 en A9. Verder blijkt dat deze regionale concentraties verhoogd zijn ten opzichte van het landelijk gemiddelde niveau, maar lager dan de geschatte waarden in stedelijke omgeving. Naast de hier gerapporteerde concentratiemetingen werd een beperkt aantal luchtstofmonsters onderzocht op mutageniteit met behulp van de AMES-test. In deze monsters werd geen van normaal afwijkende verhoging van de microbiele mutageniteit gevonden.
    • Luchtverontreiniging door de Luchthaven Schiphol. Deel III. Meetresultaten organische componenten en mutageniteit

      Bloemen HJT; Bos HP; Jekel AA; Vaessen HAMG; Voogd CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-02-28)
      Air pollution around the Airport Schiphol has been characterized by the concentration of organic compounds and mutagenicity. At a limited number of days the concentration of volatile organic compounds and polycyclic aromatic hydrocarbons as well as the mutagenic activity of particulate matter, tested according to Ames, have been determined. The found concentrations and mutagenic activity are comparable with those usually measured in urban areas.<br>
    • Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1993-1994

      Noordijk H; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-05-31)
      Various meteorological conditions, especially the presence of a very low and strong temperature inversion and the absence of wind, caused a sharp increase of atmospheric pollutants during the festivities at the turn of the year 1992. Especially the concentrations of fine particles were extremely high. The monitoring network for fine particles was implemented during the years 1992 and 1993, therefore no reliable estimate was available of concentrations at the turn of other years under normal meteorological conditions. The meteorological conditions at the turn of the year 1993 were normal. Concentrations of fine particles (PM10) over the first hour of the new year were, averaged over urban monitoring sites, about 500 mug/m3. The concentrations of SO2, CO and NO were higher than expected. Measurements were available on the change of the concentrations within the first hour of 1994, concentrations were highest during the first half hour. The composition of the fine particles was in agreement with measurements of the previous year.
    • Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1992-1993

      Noordijk H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-04-30)
      A sharp increase of atmospheric pollutants was observed during the festivities at the turn of the year 1992. Concentrations of fine particles (PM10) over the first day of the new year were more than 200 mug/m3. During the first hour of 1993, concentrations of 1,000 - 10,000 mug/m3 are estimated in the centres of large cities. Concentrations of heavy metals in this dust were low. Other compounds, such as nitrogen oxides, sulphur dioxide and carbon monoxide, did not noticeably increase after the fireworks. The air pollution may have caused acute health effects. Visibility in or near domestic areas, was reduced to several tens of meters. Locally, further visibility reductions, due to fire works, are expected. These extreme concentrations, due to various meteorological conditions, may occur once in a decade.
    • Luchtverontreiniging met CO aan de Amsterdamsestraatweg-Zuilen/Utrecht

      Hady MSA (1989-10-31)
      Het rapport beschrijft de resultaten van een modelmatige studie naar de bijdrage van de emissies van een industriegebied aan de westkand van Utrecht aan de CO-concentraties of leefniveau. Deze bijdrage is vergeleken met de bijdrage van het verkeer en die van bronnen binnenshuis. Vervolgens is een risicoschatting gemaakt. De bijdrage van de industrie blijkt in relatie tot de andere bronnen verwaarloosbaar.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van de uitworp van kolengestookte installaties

      Egmond; N.D. van (1986-03-31)
      Om knelpunten en belemmeringen op technisch en milieuhygienisch gebied weg te nemen voor de grootschalige herintroduktie van steenkool in de Nederlandse energiehuishouding, wordt in opdracht van de Minister van Economische Zaken het Nationaal Onderzoek Programma kolen (NOK) verricht. Als onderdeel van dit programma werd in een samenwerkingsverband van ECN, KEMA, RIVM, TNO en UvA een onderzoek verricht naar de "Luchtverontreiniging ten gevolge van de Uitworp van Kolengestookte installaties" (LUK). Doel van dit onderzoek was het vaststellen van de consequenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concenquenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concentraties en deposities van luchtverontreinigende stoffen in Nederland. De hier te rapporteren studie is beperkt tot de herinvoering van kolen als brandstof voor elektriciteitscentrales.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van het wegverkeer. Meetresultaten en Modelberekeningen voor CO, NOx en ozon in de stad Utrecht (deel II)

      Anker M van den*; Eerens HC (1987-06-30)
      In het kader van de luchtkwaliteitsbesluiten "koolstofmonoxide en lood" en "stikstofdioxide" worden normen gesteld aan het voorkomen van deze stoffen nabij drukke verkeerssituaties. Om een beter inzicht te verkrijgen in de te verwachten overschrijdingen en concentraties, zijn metingen in de stad Utrecht verricht. Om deze metingen meer algemeen bruikbaar te maken, worden de resualtaten vergeleken met een door TNO ontwikkeld model voor het bepalen van luchtverontreiniging in verkeerssituaties. Op basis van deze studie worden een aantal verbeteringen voorgesteld om het model beter aan te laten sluiten op de praktijk. Meetresultaten en modelberekeningen geven een bevredigende correlatie te zien.
    • Luchtverontreinigingsepisode 16-21 januari 1985: meetresultaten, modelberekeningen en informatieverschaffing

      de Leeuw FAAM; van Egmond ND (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-11-27)
      Van 16-21 januari 1985 heeft zich in noordelijk Europa, en daarmee ook in Nederland, bij extreme winterse omstandigheden een periode van hoge luchtverontreinigingsconcentraties voorgedaan. Op 20 januari werd het SO2-emergency-niveau van 830 ug/m3 incidenteel overschreden. Een geringe droge depositie van SO2 als gevolg van de aanwezigheid van een sneeuwdek leidde tot transport over grote afstanden. In combinatie met een gering mengvolume, als gevolg van een sterke inversie op 400-800 m gaf dit aanleiding tot hoge concentraties. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de informatievoorziening zoals die door RIVM is verzorgd. Daarnaast wordt een beschrijving van de episode gegeven op basis van zowel de verkregen meetresultaten als de modelberekeningen.<br>
    • Luchtverontreinigingsepisode van 14-24 januari 1987, concentraties van So2 en NO2 in Nederland en nabije omgeving

      Onderdelinden; D.; Blom; W.F.; Rheineck Leyssius; H.J. van (1987-02-28)
      Na een periode van strenge vorst in de eerste helft van januari 1987 is een weersituatie ontstaan waarbij in centraal en West-Europa hoge niveaus van luchtverontreiniging zijn opgetreden. Door aanvoer vanuit brongebieden in Oost-Europa worden in de periode van 14-22 januari in geheel Nederland zwaveldioxide concentraties gemeten in de orde van 300 u,g/m3 in het zuid-oosten van het land worden de concentraties extra verhoogd door aanvoer vanuit het Roergebied. Door het RIVM zijn gedurende de gehele episode de provinciale milieudiensten en de inspecties geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het landelijk meetnet en de additionele uitgevoerde meetwagenmetingen als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. In Limburg wordt gedurende het optreden van hoge NO2-niveaus de alarmfase afgekondigd. Mede aan de han van de modelberekeningen wordt in dit rapport een meet gedetailleerd overzicht
    • Luchtverontreinigingsepisode van 17-27 mei 1989, Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-07-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO-2 + O-3)- concentraties in Nederland tijdens deze episode. Op landelijk gelegen stations werden daggemiddelde waarden van meer dan 80 ppb gevonden. In sterk door verkeer beinvloede situaties werden waarden boven 90 ppb bereikt. Op een groot aantal stations werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 200 mug/m gemeten. Door het RIVM werden gedurende de gehele periode de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling de waarschuwingsfase uitgeroepen.
    • Luchtverontreinigingsepisoden in de maanden juni t/m september 1989. Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-12-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO2 + O2) - concentraties in Nederland gedurende de perioden 10 t/m 18 juni 1989, 24 t/m 27 juni 1989, 3 t/m 9 juli 1989, 19 t/m 21 augustus 1989 en 5 t/m 9 september 1989. Op landelijk gelegen stations lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties op de dagen met de hoogste niveaus rond de 80 a 85 ppb. In sterk door verkeer beinvloede situaties lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties circa 10 ppb hoger. De hoogste oxidantconcentratie werd gemeten op 7 september 1989 te Naaldwijk. De daggemiddelde oxidantconcentratie bedroeg hier 108 ppb. Gedurende 34 uren werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 240 mug/m3 gemeten. Door het RIVM werden gedurende de beschreven perioden de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling een aantal keren de waarschuwingsfase uitgeroepen.