• Luchtnormen geordend

      de Jong FMW; Janssen PJCM; SEC ; SIR; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-05-11)
      Een inventarisatie van het RIVM laat zien dat er in Nederland veel verschillende typen luchtnormen zijn. Voorbeelden zijn normen voor binnen- en buitenlucht en normen die specifiek de werknemer of de algemene bevolking beschermen. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van het ministerie van VROM. In het rapport zijn de beschermingsdoelen van de afzonderlijke normen beschreven, zoals de mens of het ecosysteem, evenals hun formele status. Het onderscheid tussen de verschillende normen is echter niet altijd helder. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat voor eenzelfde type norm soms verschillende getalswaarden circuleren. Vooral voor milieukwaliteitsnormen is het voor een aantal stoffen onduidelijk wat de geldende norm is. Dit is vooral lastig voor vergunningverleners en vergunninghouders, omdat zij niet weten op welke waarde zij zich moeten richten. Daarnaast is het belangrijk dat beleidskaders die raakvlakken hebben zo veel mogelijk dezelfde getalswaarden als uitgangspunt voor een specifieke norm gebruiken. Het RIVM geeft in het rapport aanbevelingen om voor een aantal stoffen tot een eenduidige norm te komen. Dat kan bijvoorbeeld door technisch-wetenschappelijke normvoorstellen beleidsmatig vast te stellen en ze vervolgens bekend te maken op de website 'Risico's van Stoffen'.
    • Luchtnormen voor 31 prioritaire stoffen : Road-map Normstelling

      de Jong FMW; Janssen MPM; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-12)
      Bij vergunninghouders en -verleners bestond onduidelijkheid over de status van de luchtnormen van 31 prioritaire stoffen. De normen zijn in het verleden niet formeel vastgesteld door de Stuurgroep Stoffen en stonden daarom niet vermeld op de website 'Risico's van Stoffen', www.rivm.nl/rvs/. Deze luchtnormen staan echter wel vermeld in de bijlage "Normstelling prioritaire stoffen" bij de notitie "Reductiedoelstellingen prioritaire stoffen" uit 2001, opgesteld door VROM in het kader van het vierde Nationaal Milieu Beleidsplan (NMP4). Het RIVM heeft onderzocht of de luchtnormen voor deze stoffen nog actueel zijn. Hieruit bleek dat voor drie stoffen de normen zijn aangepast, en dat er voor 18 stoffen nieuwe informatie beschikbaar is, waardoor deze normen mogelijk in de toekomst moeten worden herzien. Eind 2010 zijn voor alle 31 stoffen door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de luchtnormen vastgesteld. Vervolgens zijn de normen op de website 'Risico's van Stoffen' gepubliceerd. De Nederlandse prioritaire stoffenlijst omvat stoffen met een risico voor mens en milieu die de rijksoverheid met voorrang wil aanpakken.
    • Luchtnormen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen : Herziening van milieukwaliteitsnormen

      Smit CE; Janssen MPM; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-13)
      Het RIVM doet voorstellen voor nieuwe luchtnormen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De overheid heeft extra aandacht voor deze stoffen omdat ze kankerverwekkend zijn of de voortplanting verstoren. Ook stoffen die slecht afbreken in het milieu, zich ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen) worden aangemerkt als ZZS. In vergunningen worden eisen opgenomen om de uitstoot van ZZS naar lucht te verminderen. De nieuwe milieukwaliteitsnormen kunnen hiervoor als uitgangspunt worden gebruikt. De voorstellen zijn gemaakt omdat een deel van de huidige luchtnormen was afgeleid met een methode die niet meer wordt gebruikt. Voor een aantal stoffen circuleerden meerdere getallen en was er onduidelijkheid over de juiste norm. De voorstellen zijn gebaseerd op nationaal en internationaal gepubliceerde gezondheidskundige risicogrenzen. Deze waarden geven aan hoeveel mensen tijdens hun leven van een stof mogen inademen zonder daar nadelige effecten van te ondervinden.
    • Luchtonderzoek tijdens een bodemsanering van een benzineverontreiniging in het centrum van Deil

      Knol - Vos de T; Fortezza F; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      Air measurements during a soil remediation of a gasoline-polluted site in the town centre of Deil. During a soil remediation in the town centre of Deil (in the Netherlands) measurements were performed for peak and semi-chronic exposure to pollution compounds in the immediate vicinity of the soil remediation site. From the investigation peak exposures were shown to occur only during the treatment of polluted soil. Concentrations of the pollution compounds in the air showed a rapid decrease as the distance to the soil sanitation site increased. The pre-set limit values for the concentration of the polluting compounds in the air were not exceeded during the investigation. A general framework for assessing exposure to combinations of compounds has not yet been developed.
    • Luchtonderzoek tijdens een bodemsanering van een benzineverontreiniging in het centrum van Deil

      Knol-de Vos T; Fortezza F; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      Tijdens een bodemsanering in het centrum van Deil zijn metingen uitgevoerd naar piekblootstellingen en semichronische blootstellingen aan verontreinigingscomponenten in de directe omgeving van de saneringslocatie. Uit het onderzoek is gebleken dat piekblootstellingen slechts optraden bij beroering van de verontreinigde grond, en de concentraties verontreinigingen in de lucht snel afnamen met de afstand tot de saneringslocatie. Gedurende het onderzoek zijn de vooraf vastgestelde grenswaarden voor de verontreinigingscomponenten in de lucht niet overschreden. Een algemeen beoordelingskader voor blootstelling aan combinaties van componenten is nog niet ontwikkeld.<br>
    • Luchtvaart en milieu: indicatieve effecten van heffingen en substitutie naar rail

      Wee GP van; Brink RMM van den; Geurs KT; LAE (1997-10-31)
      Op verzoek van de Commissie vergroening belastingen zijn de gevolgen doorgerekend van enkele heffingen, gericht op de luchtvaart en de substitutie van luchtvaartpassagiers naar rail. Bij de heffingen gaat het om kerosineheffingen en heffingen op tickets. Uit de berekeningen blijkt, dat dergelijke heffingen forse effecten kunnen hebben op het aantal Schipholpassagiers en de CO2-emissie door de luchtvaart, vooral, wanneer ze mondiaal worden ingevoerd. Heffingen op brandstof hebben een relatief groter effect op de CO2-emissie dan heffingen op tickets, aangezien ze tot (extra) efficiencymaatregelen leiden. Substitutie van luchtvaart naar rail (HSL) leidt tot een lagere CO2- en NOx-emissie, aangezien per reizigerskilometer de HSL een veel lagere CO2-emissie (82%) en NOx-emissie (96% lager) heeft dan een luchtvaartpassagier.
    • Luchtvaart en milieu: indicatieve effecten van heffingen en substitutie naar rail

      Wee GP van; Brink RMM van den; Geurs KT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-10-31)
      A working group commissioned by the Dutch Ministry of Finance is investigating the possibilities of introducing a 'greener' tax system in the Netherlands. At the request of this working group, the Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) has quantified the environmental impacts of taxes on jet fuel and on tickets, and of the substitution of air passenger transport with rail transport. The investigation showed that taxes on jet fuel and tickets have a relatively large impact on the number of air passengers going through Schiphol and on CO2 emissions from aircraft, especially concerning global taxes. Because they encourage efficiency measures, jet taxes on fuel have a relatively higher impact on CO2 emissions than taxes on tickets. (Future) CO2 emission per aircraft passenger will be about five times higher and NOx emission about 25 times higher than emissions from high-speed rail. Therefore substitution from air to high speed rail will result in lower CO2 and NOx emissions.
    • Luchtverontreiniging door de luchthaven Schiphol

      Anker IM van den; Velze K van; Onderdelinden D (1989-12-31)
      In dit onderzoek wordt de luchtverontreiniging ten gevolge van emissies op Schiphol, met name van het vliegverkeer berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De emissies voor een aantal stoffen werden eerst geschat met behulp van actuele informatie over het vliegverkeer. Een toetsing van deze emissies vond plaats met behulp van concentratiemetingen op verscheidene locaties op en rond Schiphol. Voor zwaveldioxide en polycyclische aromatische koolwaterstoffen bleek een bijstelling van de emissies naar lagere waarden noodzakelijk. Met behulp van de aldus bijgestelde emissies werd de concentratieverhoging van de regionale concentraties in de omgeving van Schiphol berekend. De bijdrage van Schiphol aan de regionale concentraties is op 3 km afstand van het centrum van Schiphol voor alle beschouwde componenten kleiner dan 10%. Een belangrijke bijdrage aan de regionale concentraties wordt eveneens geleverd door de emissies van het verkeer op de snelwegen A4 en A9. Verder blijkt dat deze regionale concentraties verhoogd zijn ten opzichte van het landelijk gemiddelde niveau, maar lager dan de geschatte waarden in stedelijke omgeving. Naast de hier gerapporteerde concentratiemetingen werd een beperkt aantal luchtstofmonsters onderzocht op mutageniteit met behulp van de AMES-test. In deze monsters werd geen van normaal afwijkende verhoging van de microbiele mutageniteit gevonden.
    • Luchtverontreiniging door de Luchthaven Schiphol. Deel III. Meetresultaten organische componenten en mutageniteit

      Bloemen HJT; Bos HP; Jekel AA; Vaessen HAMG; Voogd CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-02-28)
      Air pollution around the Airport Schiphol has been characterized by the concentration of organic compounds and mutagenicity. At a limited number of days the concentration of volatile organic compounds and polycyclic aromatic hydrocarbons as well as the mutagenic activity of particulate matter, tested according to Ames, have been determined. The found concentrations and mutagenic activity are comparable with those usually measured in urban areas.<br>
    • Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1993-1994

      Noordijk H; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-05-31)
      Various meteorological conditions, especially the presence of a very low and strong temperature inversion and the absence of wind, caused a sharp increase of atmospheric pollutants during the festivities at the turn of the year 1992. Especially the concentrations of fine particles were extremely high. The monitoring network for fine particles was implemented during the years 1992 and 1993, therefore no reliable estimate was available of concentrations at the turn of other years under normal meteorological conditions. The meteorological conditions at the turn of the year 1993 were normal. Concentrations of fine particles (PM10) over the first hour of the new year were, averaged over urban monitoring sites, about 500 mug/m3. The concentrations of SO2, CO and NO were higher than expected. Measurements were available on the change of the concentrations within the first hour of 1994, concentrations were highest during the first half hour. The composition of the fine particles was in agreement with measurements of the previous year.
    • Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1992-1993

      Noordijk H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-04-30)
      A sharp increase of atmospheric pollutants was observed during the festivities at the turn of the year 1992. Concentrations of fine particles (PM10) over the first day of the new year were more than 200 mug/m3. During the first hour of 1993, concentrations of 1,000 - 10,000 mug/m3 are estimated in the centres of large cities. Concentrations of heavy metals in this dust were low. Other compounds, such as nitrogen oxides, sulphur dioxide and carbon monoxide, did not noticeably increase after the fireworks. The air pollution may have caused acute health effects. Visibility in or near domestic areas, was reduced to several tens of meters. Locally, further visibility reductions, due to fire works, are expected. These extreme concentrations, due to various meteorological conditions, may occur once in a decade.
    • Luchtverontreiniging met CO aan de Amsterdamsestraatweg-Zuilen/Utrecht

      Hady MSA (1989-10-31)
      Het rapport beschrijft de resultaten van een modelmatige studie naar de bijdrage van de emissies van een industriegebied aan de westkand van Utrecht aan de CO-concentraties of leefniveau. Deze bijdrage is vergeleken met de bijdrage van het verkeer en die van bronnen binnenshuis. Vervolgens is een risicoschatting gemaakt. De bijdrage van de industrie blijkt in relatie tot de andere bronnen verwaarloosbaar.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van de uitworp van kolengestookte installaties

      Egmond; N.D. van (1986-03-31)
      Om knelpunten en belemmeringen op technisch en milieuhygienisch gebied weg te nemen voor de grootschalige herintroduktie van steenkool in de Nederlandse energiehuishouding, wordt in opdracht van de Minister van Economische Zaken het Nationaal Onderzoek Programma kolen (NOK) verricht. Als onderdeel van dit programma werd in een samenwerkingsverband van ECN, KEMA, RIVM, TNO en UvA een onderzoek verricht naar de "Luchtverontreiniging ten gevolge van de Uitworp van Kolengestookte installaties" (LUK). Doel van dit onderzoek was het vaststellen van de consequenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concenquenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concentraties en deposities van luchtverontreinigende stoffen in Nederland. De hier te rapporteren studie is beperkt tot de herinvoering van kolen als brandstof voor elektriciteitscentrales.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van het wegverkeer. Meetresultaten en Modelberekeningen voor CO, NOx en ozon in de stad Utrecht (deel II)

      Anker M van den*; Eerens HC (1987-06-30)
      In het kader van de luchtkwaliteitsbesluiten "koolstofmonoxide en lood" en "stikstofdioxide" worden normen gesteld aan het voorkomen van deze stoffen nabij drukke verkeerssituaties. Om een beter inzicht te verkrijgen in de te verwachten overschrijdingen en concentraties, zijn metingen in de stad Utrecht verricht. Om deze metingen meer algemeen bruikbaar te maken, worden de resualtaten vergeleken met een door TNO ontwikkeld model voor het bepalen van luchtverontreiniging in verkeerssituaties. Op basis van deze studie worden een aantal verbeteringen voorgesteld om het model beter aan te laten sluiten op de praktijk. Meetresultaten en modelberekeningen geven een bevredigende correlatie te zien.
    • Luchtverontreinigingsepisode 16-21 januari 1985: meetresultaten, modelberekeningen en informatieverschaffing

      de Leeuw FAAM; van Egmond ND (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-11-27)
      Van 16-21 januari 1985 heeft zich in noordelijk Europa, en daarmee ook in Nederland, bij extreme winterse omstandigheden een periode van hoge luchtverontreinigingsconcentraties voorgedaan. Op 20 januari werd het SO2-emergency-niveau van 830 ug/m3 incidenteel overschreden. Een geringe droge depositie van SO2 als gevolg van de aanwezigheid van een sneeuwdek leidde tot transport over grote afstanden. In combinatie met een gering mengvolume, als gevolg van een sterke inversie op 400-800 m gaf dit aanleiding tot hoge concentraties. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de informatievoorziening zoals die door RIVM is verzorgd. Daarnaast wordt een beschrijving van de episode gegeven op basis van zowel de verkregen meetresultaten als de modelberekeningen.<br>
    • Luchtverontreinigingsepisode van 14-24 januari 1987, concentraties van So2 en NO2 in Nederland en nabije omgeving

      Onderdelinden; D.; Blom; W.F.; Rheineck Leyssius; H.J. van (1987-02-28)
      Na een periode van strenge vorst in de eerste helft van januari 1987 is een weersituatie ontstaan waarbij in centraal en West-Europa hoge niveaus van luchtverontreiniging zijn opgetreden. Door aanvoer vanuit brongebieden in Oost-Europa worden in de periode van 14-22 januari in geheel Nederland zwaveldioxide concentraties gemeten in de orde van 300 u,g/m3 in het zuid-oosten van het land worden de concentraties extra verhoogd door aanvoer vanuit het Roergebied. Door het RIVM zijn gedurende de gehele episode de provinciale milieudiensten en de inspecties geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het landelijk meetnet en de additionele uitgevoerde meetwagenmetingen als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. In Limburg wordt gedurende het optreden van hoge NO2-niveaus de alarmfase afgekondigd. Mede aan de han van de modelberekeningen wordt in dit rapport een meet gedetailleerd overzicht
    • Luchtverontreinigingsepisode van 17-27 mei 1989, Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-07-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO-2 + O-3)- concentraties in Nederland tijdens deze episode. Op landelijk gelegen stations werden daggemiddelde waarden van meer dan 80 ppb gevonden. In sterk door verkeer beinvloede situaties werden waarden boven 90 ppb bereikt. Op een groot aantal stations werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 200 mug/m gemeten. Door het RIVM werden gedurende de gehele periode de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling de waarschuwingsfase uitgeroepen.
    • Luchtverontreinigingsepisoden in de maanden juni t/m september 1989. Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-12-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO2 + O2) - concentraties in Nederland gedurende de perioden 10 t/m 18 juni 1989, 24 t/m 27 juni 1989, 3 t/m 9 juli 1989, 19 t/m 21 augustus 1989 en 5 t/m 9 september 1989. Op landelijk gelegen stations lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties op de dagen met de hoogste niveaus rond de 80 a 85 ppb. In sterk door verkeer beinvloede situaties lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties circa 10 ppb hoger. De hoogste oxidantconcentratie werd gemeten op 7 september 1989 te Naaldwijk. De daggemiddelde oxidantconcentratie bedroeg hier 108 ppb. Gedurende 34 uren werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 240 mug/m3 gemeten. Door het RIVM werden gedurende de beschreven perioden de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling een aantal keren de waarschuwingsfase uitgeroepen.
    • Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol

      Vliet PHN van; Aarts FJH; Janssen NAH; Brunekreef B; Fischer PH; Wiechen CMAG van; EOH Gezondheidsleer (Milieu, Arbeid & Gezondheid): Universiteit Wageningen; EOH gezondheidsleer; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-10-06)
      The aim of this study is to assess: 1) the differences in lung function and in prevalences of respiratory symptoms between school children living in different towns in the Schiphol area; 2) the differences in air pollution levels caused by air and road traffic, as measured inside and outside primary schools (measurements outside were taken at school locations either close to Schiphol Airport or close to a busy roadway and compared to school locations at longer distances) and 3) the association between exposure to air pollution caused by air and road traffic and respiratory health. The study was performed among 2500 primary school children, aged 7-12, living in the Schiphol area. The health survey consisted of: a questionnaire on respiratory symptoms and allergy; a lung function test, blood test and a skin-prick test. Air pollution models were used to assess the exposure levels and air pollution measurements. The results show differences between towns where respiratory symptoms are prevalent, decreased lung function and the quantity of antibodies (IgE) in the blood. However, the prevalence was not related to the distance from Schiphol airport. The average prevalence in the Schiphol area was higher than in a 'control' population that was neither situated in the Schiphol area, nor close to a busy highway. In and near primary schools situated close to busy highways, higher concentrations of air pollution were found than in schools situated farther away from a roadway. Levels of NO2, 'soot' and benzene decreased with increasing distance to Schiphol Airport. No association was found between the different exposure measures and the prevalence of respiratory symptoms, a decreased lung function or an increased level of IgE in the blood. Air pollution around Schiphol was concluded not be associated with the health endpoints observed in the participating children.
    • Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol

      van Vliet PHN; Aarts FJH; Janssen NAH; Brunekreef B; Fischer PH; van Wiechen CMAG; EOH gezondheidsleer; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMEOH Gezondheidsleer (MilieuArbeid &amp; Gezondheid): Universiteit Wageningen, 1999-10-06)
      Doel van deze studie is om vast te stellen: 1. In hoeverre er tussen woonkernen binnen de regio Schiphol onder schoolkinderen verschillen bestaan in longfunctie en verschillen in prevalenties van CARA (prevalentievraag)? 2. of mensen in woonkernen dichtbij Schiphol een hogere blootstelling aan binnen- en buitenluchtverontreiniging hebben ten gevolge van vlieg- resp. wegverkeer dan in verder afgelegen woonkernen ? 3. of er sprake is van effecten op de luchtwegen (longfunctie, luchtwegklachten) door blootstelling aan verhoogde (binnen)luchtverontreiniging door vlieg- resp. wegverkeer ? Het onderzoek is uitgevoerd bij ca. 2500 basisschool kinderen, woonachtig in de omgeving van Schiphol in de leeftijd van 7 t/m 12 jaar. Het volledige gezondheidsonderzoek hield in: een vragenlijst over luchtwegsymptomen en allergie; een longfunctietest, bloedtest en huidpriktest. Voor het meten of schatten van de blootstelling aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van metingen, modellen en geografische informatie systemen. Uit het onderzoek blijkt dat er tussen de woonkernen verschillen bestaan in prevalentie van luchtwegsymptomen, verlaagde longfunctie en de hoeveelheid antilichamen (IgE) in het bloed. De prevalenties zijn echter niet groter in woonkernen die dicht bij Schiphol liggen, in vergelijking met woonkernen die verder weg liggen. De gemiddelde prevalentie van alle woonkernen samen is wel verhoogd voor de meeste luchtwegsymptomen wanneeer ze vergeleken wordt met een populatie die niet in de Schiphol regio woont, en niet langs een drukke snelweg. In en nabij scholen liggend dicht bij snelwegen werden hogere concentraties luchtverontreiniging aangetroffen dan in en nabij scholen op grotere afstand van snelwegen. De niveaus van de componenten NO2, roet en benzeen namen af met toenemende afstand tot de luchthaven; voor PM2.5 en hogere alkanen was dit niet het geval. Er was geen verband tussen de verschillende blootstellingsmaten (gemeten en gemodelleerde luchtverontreiniging in en nabij de scholen, het woonadres van het kind, of de afstand van de school of het woonadres tot Schiphol) en de prevalentie van luchtwegsymptomen, een verlaagde longfunctie of een verhoogde concentratie antilichamen tegen allergenen in het bloed. De conclusie is dat met dit onderzoek geen relatie aangetoond is tussen luchtverontreiniging nabij Schiphol en de onderzochte gezondheidsvariabelen bij de deelnemende kinderen.<br>