• Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1993-1994

      Noordijk H; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-05-31)
      Various meteorological conditions, especially the presence of a very low and strong temperature inversion and the absence of wind, caused a sharp increase of atmospheric pollutants during the festivities at the turn of the year 1992. Especially the concentrations of fine particles were extremely high. The monitoring network for fine particles was implemented during the years 1992 and 1993, therefore no reliable estimate was available of concentrations at the turn of other years under normal meteorological conditions. The meteorological conditions at the turn of the year 1993 were normal. Concentrations of fine particles (PM10) over the first hour of the new year were, averaged over urban monitoring sites, about 500 mug/m3. The concentrations of SO2, CO and NO were higher than expected. Measurements were available on the change of the concentrations within the first hour of 1994, concentrations were highest during the first half hour. The composition of the fine particles was in agreement with measurements of the previous year.
    • Luchtverontreiniging door vuurwerk tijdens de jaarwisseling van 1992-1993

      Noordijk H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-04-30)
      A sharp increase of atmospheric pollutants was observed during the festivities at the turn of the year 1992. Concentrations of fine particles (PM10) over the first day of the new year were more than 200 mug/m3. During the first hour of 1993, concentrations of 1,000 - 10,000 mug/m3 are estimated in the centres of large cities. Concentrations of heavy metals in this dust were low. Other compounds, such as nitrogen oxides, sulphur dioxide and carbon monoxide, did not noticeably increase after the fireworks. The air pollution may have caused acute health effects. Visibility in or near domestic areas, was reduced to several tens of meters. Locally, further visibility reductions, due to fire works, are expected. These extreme concentrations, due to various meteorological conditions, may occur once in a decade.
    • Luchtverontreiniging met CO aan de Amsterdamsestraatweg-Zuilen/Utrecht

      Hady MSA (1989-10-31)
      Het rapport beschrijft de resultaten van een modelmatige studie naar de bijdrage van de emissies van een industriegebied aan de westkand van Utrecht aan de CO-concentraties of leefniveau. Deze bijdrage is vergeleken met de bijdrage van het verkeer en die van bronnen binnenshuis. Vervolgens is een risicoschatting gemaakt. De bijdrage van de industrie blijkt in relatie tot de andere bronnen verwaarloosbaar.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van de uitworp van kolengestookte installaties

      Egmond; N.D. van (1986-03-31)
      Om knelpunten en belemmeringen op technisch en milieuhygienisch gebied weg te nemen voor de grootschalige herintroduktie van steenkool in de Nederlandse energiehuishouding, wordt in opdracht van de Minister van Economische Zaken het Nationaal Onderzoek Programma kolen (NOK) verricht. Als onderdeel van dit programma werd in een samenwerkingsverband van ECN, KEMA, RIVM, TNO en UvA een onderzoek verricht naar de "Luchtverontreiniging ten gevolge van de Uitworp van Kolengestookte installaties" (LUK). Doel van dit onderzoek was het vaststellen van de consequenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concenquenties van een eventueel grootschalige herintroduktie van kolen voor de concentraties en deposities van luchtverontreinigende stoffen in Nederland. De hier te rapporteren studie is beperkt tot de herinvoering van kolen als brandstof voor elektriciteitscentrales.
    • Luchtverontreiniging ten gevolge van het wegverkeer. Meetresultaten en Modelberekeningen voor CO, NOx en ozon in de stad Utrecht (deel II)

      Anker M van den*; Eerens HC (1987-06-30)
      In het kader van de luchtkwaliteitsbesluiten "koolstofmonoxide en lood" en "stikstofdioxide" worden normen gesteld aan het voorkomen van deze stoffen nabij drukke verkeerssituaties. Om een beter inzicht te verkrijgen in de te verwachten overschrijdingen en concentraties, zijn metingen in de stad Utrecht verricht. Om deze metingen meer algemeen bruikbaar te maken, worden de resualtaten vergeleken met een door TNO ontwikkeld model voor het bepalen van luchtverontreiniging in verkeerssituaties. Op basis van deze studie worden een aantal verbeteringen voorgesteld om het model beter aan te laten sluiten op de praktijk. Meetresultaten en modelberekeningen geven een bevredigende correlatie te zien.
    • Luchtverontreinigingsepisode 16-21 januari 1985: meetresultaten, modelberekeningen en informatieverschaffing

      de Leeuw FAAM; van Egmond ND (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-11-27)
      Van 16-21 januari 1985 heeft zich in noordelijk Europa, en daarmee ook in Nederland, bij extreme winterse omstandigheden een periode van hoge luchtverontreinigingsconcentraties voorgedaan. Op 20 januari werd het SO2-emergency-niveau van 830 ug/m3 incidenteel overschreden. Een geringe droge depositie van SO2 als gevolg van de aanwezigheid van een sneeuwdek leidde tot transport over grote afstanden. In combinatie met een gering mengvolume, als gevolg van een sterke inversie op 400-800 m gaf dit aanleiding tot hoge concentraties. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de informatievoorziening zoals die door RIVM is verzorgd. Daarnaast wordt een beschrijving van de episode gegeven op basis van zowel de verkregen meetresultaten als de modelberekeningen.<br>
    • Luchtverontreinigingsepisode van 14-24 januari 1987, concentraties van So2 en NO2 in Nederland en nabije omgeving

      Onderdelinden; D.; Blom; W.F.; Rheineck Leyssius; H.J. van (1987-02-28)
      Na een periode van strenge vorst in de eerste helft van januari 1987 is een weersituatie ontstaan waarbij in centraal en West-Europa hoge niveaus van luchtverontreiniging zijn opgetreden. Door aanvoer vanuit brongebieden in Oost-Europa worden in de periode van 14-22 januari in geheel Nederland zwaveldioxide concentraties gemeten in de orde van 300 u,g/m3 in het zuid-oosten van het land worden de concentraties extra verhoogd door aanvoer vanuit het Roergebied. Door het RIVM zijn gedurende de gehele episode de provinciale milieudiensten en de inspecties geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het landelijk meetnet en de additionele uitgevoerde meetwagenmetingen als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. In Limburg wordt gedurende het optreden van hoge NO2-niveaus de alarmfase afgekondigd. Mede aan de han van de modelberekeningen wordt in dit rapport een meet gedetailleerd overzicht
    • Luchtverontreinigingsepisode van 17-27 mei 1989, Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-07-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO-2 + O-3)- concentraties in Nederland tijdens deze episode. Op landelijk gelegen stations werden daggemiddelde waarden van meer dan 80 ppb gevonden. In sterk door verkeer beinvloede situaties werden waarden boven 90 ppb bereikt. Op een groot aantal stations werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 200 mug/m gemeten. Door het RIVM werden gedurende de gehele periode de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling de waarschuwingsfase uitgeroepen.
    • Luchtverontreinigingsepisoden in de maanden juni t/m september 1989. Oxidantconcentraties (metingen en modelresultaten) in Nederland

      Schokkin GJH; Rheineck Leyssius HJ van; Onderdelinden D (1989-12-31)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de oxidant (NO2 + O2) - concentraties in Nederland gedurende de perioden 10 t/m 18 juni 1989, 24 t/m 27 juni 1989, 3 t/m 9 juli 1989, 19 t/m 21 augustus 1989 en 5 t/m 9 september 1989. Op landelijk gelegen stations lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties op de dagen met de hoogste niveaus rond de 80 a 85 ppb. In sterk door verkeer beinvloede situaties lagen de daggemiddelde oxidantconcentraties circa 10 ppb hoger. De hoogste oxidantconcentratie werd gemeten op 7 september 1989 te Naaldwijk. De daggemiddelde oxidantconcentratie bedroeg hier 108 ppb. Gedurende 34 uren werden uurgemiddelde ozonwaarden groter dan 240 mug/m3 gemeten. Door het RIVM werden gedurende de beschreven perioden de provinciale milieudiensten en de inspectie geinformeerd op basis van zowel de meetgegevens van het LML als de tijdens de episode uitgevoerde prognostische modelberekeningen. Door een aantal provincies werd op basis van de smogalarmregeling een aantal keren de waarschuwingsfase uitgeroepen.
    • Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol

      Vliet PHN van; Aarts FJH; Janssen NAH; Brunekreef B; Fischer PH; Wiechen CMAG van; EOH Gezondheidsleer (Milieu, Arbeid & Gezondheid): Universiteit Wageningen; EOH gezondheidsleer; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-10-06)
      The aim of this study is to assess: 1) the differences in lung function and in prevalences of respiratory symptoms between school children living in different towns in the Schiphol area; 2) the differences in air pollution levels caused by air and road traffic, as measured inside and outside primary schools (measurements outside were taken at school locations either close to Schiphol Airport or close to a busy roadway and compared to school locations at longer distances) and 3) the association between exposure to air pollution caused by air and road traffic and respiratory health. The study was performed among 2500 primary school children, aged 7-12, living in the Schiphol area. The health survey consisted of: a questionnaire on respiratory symptoms and allergy; a lung function test, blood test and a skin-prick test. Air pollution models were used to assess the exposure levels and air pollution measurements. The results show differences between towns where respiratory symptoms are prevalent, decreased lung function and the quantity of antibodies (IgE) in the blood. However, the prevalence was not related to the distance from Schiphol airport. The average prevalence in the Schiphol area was higher than in a 'control' population that was neither situated in the Schiphol area, nor close to a busy highway. In and near primary schools situated close to busy highways, higher concentrations of air pollution were found than in schools situated farther away from a roadway. Levels of NO2, 'soot' and benzene decreased with increasing distance to Schiphol Airport. No association was found between the different exposure measures and the prevalence of respiratory symptoms, a decreased lung function or an increased level of IgE in the blood. Air pollution around Schiphol was concluded not be associated with the health endpoints observed in the participating children.
    • Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol

      van Vliet PHN; Aarts FJH; Janssen NAH; Brunekreef B; Fischer PH; van Wiechen CMAG; EOH gezondheidsleer; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMEOH Gezondheidsleer (MilieuArbeid &amp; Gezondheid): Universiteit Wageningen, 1999-10-06)
      Doel van deze studie is om vast te stellen: 1. In hoeverre er tussen woonkernen binnen de regio Schiphol onder schoolkinderen verschillen bestaan in longfunctie en verschillen in prevalenties van CARA (prevalentievraag)? 2. of mensen in woonkernen dichtbij Schiphol een hogere blootstelling aan binnen- en buitenluchtverontreiniging hebben ten gevolge van vlieg- resp. wegverkeer dan in verder afgelegen woonkernen ? 3. of er sprake is van effecten op de luchtwegen (longfunctie, luchtwegklachten) door blootstelling aan verhoogde (binnen)luchtverontreiniging door vlieg- resp. wegverkeer ? Het onderzoek is uitgevoerd bij ca. 2500 basisschool kinderen, woonachtig in de omgeving van Schiphol in de leeftijd van 7 t/m 12 jaar. Het volledige gezondheidsonderzoek hield in: een vragenlijst over luchtwegsymptomen en allergie; een longfunctietest, bloedtest en huidpriktest. Voor het meten of schatten van de blootstelling aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van metingen, modellen en geografische informatie systemen. Uit het onderzoek blijkt dat er tussen de woonkernen verschillen bestaan in prevalentie van luchtwegsymptomen, verlaagde longfunctie en de hoeveelheid antilichamen (IgE) in het bloed. De prevalenties zijn echter niet groter in woonkernen die dicht bij Schiphol liggen, in vergelijking met woonkernen die verder weg liggen. De gemiddelde prevalentie van alle woonkernen samen is wel verhoogd voor de meeste luchtwegsymptomen wanneeer ze vergeleken wordt met een populatie die niet in de Schiphol regio woont, en niet langs een drukke snelweg. In en nabij scholen liggend dicht bij snelwegen werden hogere concentraties luchtverontreiniging aangetroffen dan in en nabij scholen op grotere afstand van snelwegen. De niveaus van de componenten NO2, roet en benzeen namen af met toenemende afstand tot de luchthaven; voor PM2.5 en hogere alkanen was dit niet het geval. Er was geen verband tussen de verschillende blootstellingsmaten (gemeten en gemodelleerde luchtverontreiniging in en nabij de scholen, het woonadres van het kind, of de afstand van de school of het woonadres tot Schiphol) en de prevalentie van luchtwegsymptomen, een verlaagde longfunctie of een verhoogde concentratie antilichamen tegen allergenen in het bloed. De conclusie is dat met dit onderzoek geen relatie aangetoond is tussen luchtverontreiniging nabij Schiphol en de onderzochte gezondheidsvariabelen bij de deelnemende kinderen.<br>
    • Luisteren naar de digitale patiënt : Verkennende analyse van gesprekken op social media over medicatie en ziekte

      van Berkel JJ; Lambooij MS; Hegger I; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-09)
      Het RIVM heeft laten analyseren hoe chronisch zieke patiënten op internetfora omgaan met hun ziekte en medicatie. Hieruit blijkt dat de perspectieven van de patiënten niet altijd overeenkomen met die van de medische behandelaars en beleidsmakers. Patiënten op deze fora hechten vooral aan hun kwaliteit van leven en hoe die kan worden geoptimaliseerd. Zorgprofessionals en beleidsmakers leggen de nadruk op de medische uitgangspunten, zoals een gezonde levenswijze van de patiënt en passende zorg. De (kosten)effectiviteit van de zorg is daarvan een belangrijk onderdeel. Het onderzoek betreft onlinegesprekken van patiënten met ADHD, diabetes en de spierziekte ALS. Degenen met diabetes geven aan dat zorgprofessionals teveel vasthouden aan de theoretische kennis, die uitgaat van leefregels om bloedsuikerwaarden in de hand te houden. Patiënten willen wat ruimte om van deze regels af te wijken. Zij beschouwen een goede diabetespatiënt als iemand die niet alleen zijn bloedsuikerwaarden onder controle heeft, maar ook kan omgaan met de onvoorspelbaarheid ervan. Patiënten op deze fora met ALS verwachten van elkaar een strijdbare houding ten opzichte van de ziekte, bijvoorbeeld door actief op zoek te gaan naar experimentele geneesmiddelen. Onder de patiënten heerst onbegrip over de regelgeving die de toegang tot experimentele geneesmiddelen beperkt en toestemming vergt van de geneesmiddelenfabrikant en de behandelend arts. Bij een maatschappelijk controversiële ziekte als ADHD is het beeld op de fora weer anders. Patiënten hechten sterk aan de officiële diagnose van de zorgprofessional, die de authenticiteit van de klachten kan aantonen en met het voorschrijven van medicijnen de diagnose voor de buitenwereld bevestigt. Volgens overheidsbeleid hoeft passende zorg niet altijd een behandeling met medicijnen te zijn. Inzicht in het patiëntenperspectief via internet kan een waardevolle informatiebron zijn voor zorgprofessionals en beleidsmakers. Zij kunnen hierin bijvoorbeeld aanknopingspunten vinden om hun beleid bij de werkelijke wensen en verwachtingen van patiënten aan te laten sluiten. De analyse van de internetgesprekken is uitgevoerd door de Universiteit Twente.
    • Lyme-borreliose bij uitvoerend personeel van Staatsbosbeheer en aandachtspunten voor epidemiologisch vervolgonderzoek

      Wiessing LG; Houweling H; Kuiper H; de Jongh BM; Spanjaard L; Nauta AP; Moll van Charante AW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-01-31)
      An account is given of a first exploratory study on the prevalence or antibodies against Borrelia burgdorferi among Dutch forestry workers and on the association of seropositivity with signs and symptoms suggestive of Lyme disease and with medical and occupational history. Of the 127 participants 25 (20%) had serological evidence of past or present infection. Most infections were asymptomatic. Furthermore, methodological considerations are given for a possible follow-up study, with regard to prevalence, incidence, natural history, serological testing and preventive measures.<br>
    • Lyophilised samples of blank urine for the validation and quality control of residue analysis for growth promoting compounds

      Sterk SS; Tricht EF van; Stephany RW; Ginkel LA van; ARO (1998-11-12)
      Voor het opzetten van een collectie (bank) van referentiemonsters blanco urine werden vijftig verschillende monsters in kleine hoeveelheden (5 ml) gevriesdroogd. Voor runderen, schapen en varkens zijn van 10 tot 20 verschillende dieren monsters urine verzameld. De individuele dieren verschilden in ras en geslacht en werden gevoerd met verschillende types voeder. Na vriesdrogen werd een uitgebreide serie kwaliteits controle testen uitgevoerd. Variatie in de netto gewichten van de urines en de gevriesdroogde droogresten, werden voor een percentage van de flesjes van iedere batch bepaald. Voor de meeste batches was de spreiding voor urines en droogresten respectievelijk niet groter dan 0.1% en 1%. Het rest gehalte aan water voor elke batch na het vriesdrogen werd bepaald d.m.v. een Karl-Fisher titratie. Het percentage rest water varieerde voor de monsters runderurine van 1.0-7.0%, voor de monsters varkens urine van 1.3-3% en voor de monsters schapen urine van 1.6-5.5%. In 10 van de 50 batches is het rest water percentage hoger dan de van te voren beoogde 5%. Elke batch is geanalyseerd op de aanwezigheid van anabolica met een multi residu methode ontwikkeld bij ARO/CRL. In 2 monsters runder urine werd de aanwezigheid van a-boldenon bevestigd. In de meeste monsters varkens- en schapen- urine werden het endogene a-testosteron en a-estradiol aangetoond. In een aantal monsters varkens- en schapen-urine werden a- en b-zearalenol, metabolieten van het fusarium toxine zearalenon, aangetoond. De setjes gevriesdroogde monsters blanco urine worden beschikbaar gesteld aan officiele controle laboratoria met als doel ze te gebruiken bij de validatie en kwaliteits borging van methoden ingezet bij residu onderzoek op groeibevorderende stoffen.
    • Maagsapresistente (Enteric coated) produkten. Een literatuuronderzoek

      Stokman PGW; Olling M; Rauws AG (1990-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Maatregelen geneesmiddelentekorten; stand van zaken najaar 2019

      Weda, M; Bos, V; Meneses Leonardo Alves, TI; Hegger, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-12-11)
      Steeds vaker zijn medicijnen niet verkrijgbaar. In Nederland, maar ook in andere landen. In 2017 stelde de Werkgroep Geneesmiddelentekorten 27 maatregelen voor om tekorten aan medicijnen in Nederland te verkleinen. Deze maatregelen moeten er ook voor zorgen dat patiënten zo min mogelijk last hebben van de gevolgen van de tekorten. Uit een evaluatie van het RIVM blijkt dat sommige maatregelen helpen om de gevolgen voor patiënten zo klein mogelijk te houden. Zo is het Meldpunt Geneesmiddelentekorten opgericht. Bij dit Meldpunt melden fabrikanten dreigende tekorten. Vervolgens worden oplossingen gezocht om tekorten te voorkómen of de consequenties op te vangen. Ook kan soms een geneesmiddel uit een ander land worden geïmporteerd of krijgt de patiënt tijdelijk een kleinere hoeveelheid mee dan gebruikelijk. De maatregelen helpen vooral om de gevolgen zo klein mogelijk te houden, maar niet of nauwelijks om tekorten te voorkomen. Daarom zijn extra maatregelen voorgesteld, zoals grotere voorraden aanleggen. Het RIVM adviseert de werkgroep om goed te kijken welke van de voorgestelde maatregelen kunnen helpen. Tekorten aan medicijnen hebben meerdere oorzaken. Dat komt onder andere doordat veel partijen bij de hele keten zijn betrokken en van elkaar afhankelijk zijn: van de ontwikkeling en productie tot het moment dat een patiënt het medicijn krijgt. Zo kan een fabrikant geen medicijn maken als er geen kwalitatief goede grondstof is te krijgen. Andere oorzaken zijn natuurrampen en besluiten van fabrikanten om bepaalde medicijnen om financiële redenen niet meer te produceren. Ook zijn er strengere eisen in de internationale wet- en regelgeving voor bijvoorbeeld de kwaliteit van grondstoffen. Omdat de oorzaken van tekorten aan medicijnen vaak buiten Nederland liggen, is het nodig om samen met andere landen op te trekken om de tekorten terug te dringen.
    • Maatregelen na een radiologische besmetting van drinkwater en drinkwaterbronnen

      Kwakman PJM; Versteegh JFM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-05-27)
      Drinkwater kan door een radiologisch incident verontreinigd raken met radioactief materiaal. Om de stralingsdosis na de consumptie van drinkwater te beperken, kunnen Nederlandse drinkwaterbedrijven nooddrinkwater verstrekken. Drinkwaterbedrijven zijn wettelijk verplicht deze voorziening te kunnen leveren. Ook kunnen ze een andere bron dan de vervuilde kiezen om drinkwater van te produceren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de VROM Inspectie. Hierin zijn voor het eerst de handelingsperspectieven van drinkwaterbedrijven in deze situatie geinventariseerd. Schoon drinkwater is altijd nodig en na een radiologische besmetting van drinkwater is snel handelen noodzakelijk. De handelingsperspectieven zijn ontleend aan een Europees handboek, dat op haalbaarheid is vertaald naar de Nederlandse situatie. In het onderzoek is verder uiteengezet bij welke besmettingsniveaus sprake is van een gevaar voor de gezondheid en wat er dan moet gebeuren. Daarnaast zijn beslisschema's opgesteld om gerichte acties te kunnen bepalen en bijlagen met drie uitgewerkte scenario's. De nadruk ligt op het beheer van de radioactieve besmetting van het drinkwater zoals dat 'uit de kraan' aan de bevolking wordt geleverd.
    • Maatschappelijke baten. Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter

      Post NAM; Zwakhals SLN; Polder JJ; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-25)
      'Maatschappelijke baten' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010, dat een overzicht biedt van de opbrengsten van volksgezondheid, preventie en zorg in Nederland. De meeste burgers vinden hun gezondheid het allerbelangrijkst, en alleen daarom al goud waard. Voor de samenleving als geheel zijn gezonde burgers cruciaal menselijk kapitaal. Lichamelijke en psychische beperkingen leiden tot het buitensluiten van groepen burgers wier participatie aan onze samenleving en economie van levensbelang is. Gezondheid is van invloed op de schoolprestaties en de loopbaan van mensen en beïnvloedt de arbeidsparticipatie, het arbeidsverzuim en de arbeidsproductiviteit. Een betere volksgezondheid draagt bij aan de economische groei en speelt een onmisbare rol bij de vermindering van de kosten van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Gezondheid is ook een belangrijke factor voor andere vormen van maatschappelijke participatie, waaronder vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een goede volksgezondheid en een hoogontwikkelde, welvarende samenleving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor veel mensen zijn toegankelijke zorgvoorzieningen een bron van zekerheid en welbevinden. Daarnaast is de gezondheidszorg een bron van werkgelegenheid en innovatie en daarmee een economische sector van betekenis.
    • De maatschappelijke betekenis van geluid

      Devilee J; Maris E; van Kamp I; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-04)
      Mensen willen graag controle over geluid in hun omgeving. Als dat niet het geval is, heeft dat invloed op hun gedrag. Ze kunnen bijvoorbeeld agressief worden of hun behulpzaamheid en geduld verliezen. Het is daarom van belang dat beleidsmakers zich hiervan bewust zijn en maatregelen daarop afstemmen. Zo is het raadzaam bewoners vooraf te informeren over geluidoverlast, zoals van popconcerten, bouwactiviteiten en dergelijke. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar geluid en sociaal gedrag in opdracht van het ministerie van VROM. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd. Tot nu toe is er relatief weinig aandacht voor de betekenis van geluid, voor de geluidproducent en ontvanger, en de context waarin het optreedt. Vooralsnog staat onderzoek en beleid op het gebied van omgevingsgeluid in het teken van geluid als een fysische maat in decibellen, geluid als stressor en tot slot geluid als verstoring. Hierbij ligt de nadruk op (overschrijdingen) van drempelwaarden en bijbehorende negatieve effecten op welbevinden en gezondheid. De laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de maatschappelijke betekenis van geluid. Zo verkennen stedenbouwkundigen en planologen zowel de nadelige kanten van geluid en lawaai als de positieve, potentieel herstellende functie ervan. Bijvoorbeeld door bronnen van geluiden die mensen als prettig ervaren in stedelijke gebieden te integreren. Er bestaat echter nog geen theorie die ruimte biedt voor zowel de positieve als negatieve aspecten van geluid en waarin sociale en maatschappelijke aspecten worden geïntegreerd met korte en lange termijn gezondheidseffecten. Het RIVM heeft daarom een model ontwikkeld dat uitgaat van de motieven en behoeften van mensen om lawaai te maken en de sociale effecten daarvan op de omgeving. Het instituut beveelt aan om bij het denken over geluid, het geluidonderzoek en geluidregulatie rekening te houden met deze motieven, betekenissen en gedrag.
    • Maatschappelijke kosten voor astma, COPD en respiratoire allergie

      Suijkerbuijk AWM; Hoogeveen RT; de Wit GA; Wijga AH; Hoogendoorn EJI; Rutten-van Mölken MPMH; Feenstra TL; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-20)
      Volgens schattingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stijgt het aantal mensen in Nederland met astma en COPD de komende 25 jaar sterk, met respectievelijk 28% en 70%. Dit komt vooral door de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Het aantal patiënten met respiratoire allergie (zoals hooikoorts) blijft in deze periode ongeveer gelijk. Deze aandoening komt namelijk bij ouderen minder voor. De verwachting is dat de totale medische kosten voor alle drie de aandoeningen over 25 jaar (fors) zijn gestegen. Voor respiratoire allergie zal dat met 73% zijn; voor astma stijgen de kosten met 150%, voor COPD met 220%. Deze percentages zijn inclusief de jaarlijkse stijging van zorguitgaven door onder andere technologische veranderingen (zoals nieuwe medicijnen) en prijsstijgingen, volgens de trendanalyse van het Centraal Planbureau. Het RIVM heeft deze schattingen gemaakt op verzoek van het Longfonds. De cijfers zijn gebaseerd op nieuwe analyses van de kosten in 2007. Voor astma bedroegen de medische kosten in totaal 287 miljoen euro, gemiddeld 530 euro per patiënt. Dit bedrag bestaat voor bijna driekwart uit kosten voor medicijnen. Bij werknemers komt daar nog gemiddeld 1200 euro per persoon per jaar bovenop vanwege extra ziekteverzuim door astma. Van hen verzuimen werknemers die ouder zijn dan 55 jaar het meest. De medische kosten voor COPD in Nederland in 2007 waren 415 miljoen euro, gemiddeld 1400 euro per patiënt. Hierbij waren geneesmiddelen, ziekenhuisopnames en langdurige zorg (zoals thuiszorg en in verzorgingshuizen) de belangrijke kostenposten. Kosten van arbeidsongeschiktheid waren voor werkenden met COPD gemiddeld 1200 euro per persoon. Voor ziekteverzuim waren deze gemiddeld 1900 euro per werkende met COPD. Deze kosten overtreffen veruit de kosten van het zorggebruik voor COPD. De medische kosten voor respiratoire allergie waren 102 miljoen euro, gemiddeld 170 euro per patiënt. Medicatiekosten vormden hierin het grootste deel, 90%. Er waren te weinig data om de ziekteverzuimkosten betrouwbaar te schatten. De gepresenteerde cijfers over de verwachte stijging van het aantal mensen met deze drie aandoeningen en de kosten die hiermee gemoeid zijn, leveren belangrijke informatie op voor het beleid. Preventie en behandeling zijn daarbij onverminderd belangrijk, zoals stoppen met roken en doelmatiger gebruik van geneesmiddelen. Aangezien er steeds meer oudere patiënten met astma en COPD komen, is specifieke ondersteuning ook voor hen van belang.