• Magnetische velden van hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen

      Plas M van der; Houthuijs DJM; Dusseldorp A; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      In response to the conclusion of the Health Council of the Netherlands that 'there is a reasonably consistent association between the occurrence of leukaemia in children and residence near overhead power lines' the Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) requested RIVM to investigate what the consequences would be for the Netherlands if this association was found to be a result of a causal relationship between the strength of the magnetic fields due to these lines and the occurrence of leukaemia in children. Until now, experimental research has failed to indicate any plausible biological mechanism that supports a causal relationship between exposure to extremely low-frequency magnetic fields and the occurrence of any form of cancer. RIVM considers the results of two recently published pooled analyses a better starting point for describing the risk of leukaemia in children than the information from the individual studies or from meta-analyses performed previously. In the RIVM study values for the relative risk as a function of the magnetic field were derived from these two pooled analyses. The exposure situation in the Netherlands was determined using estimates of the magnetic field at several distances from the power lines. The additional individual risk and potential number of extra cases of leukaemia in children were calculated on the basis of the number of persons living within these distances. The additional individual risk in the RIVM study is defined as the risk children run of developing leukaemia due to living in a certain magnetic field near a power line. There are uncertainties about the form of the dose-response relationship. Therefore, the relative risk can only be concluded to be possibly elevated at field strengths somewhere above between 0.2 and 0.5 microtesla. On the basis of the results of the two pooled analyses, the additional individual risk for children who live in areas where the magnetic field exceeds 0.3 to 0.4 microtesla to develop leukaemia was found in the Netherlands to be 3 per 100,000 per year at the most. There are uncertainties in the number of children living in these magnetic fields, partly because of uncertainties in the estimates of the magnetic field as a function of the distance from power lines. When these estimates are used, the number of extra cases of the total 110 new cases each year is estimated at 0.2 to 1 per year. Since the total exposure to all sources of extremely low-frequency magnetic fields in the Netherlands is insufficiently known, further investigation of this exposure is recommended.
    • Magnetische velden van hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen

      van der Plas M; Houthuijs DJM; Dusseldorp A; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      Naar aanleiding van de conclusie van de Gezondheidsraad dat 'er sprake is van een redelijk consistente associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen en het wonen in de nabijheid van bovengrondse elektriciteitslijnen' heeft het ministerie van VROM aan RIVM gevraagd wat de consequenties voor Nederland zijn als deze associatie het resultaat is van een causale relatie tussen de sterkte van het magnetische veld van deze lijnen en het optreden van leukemie bij kinderen. Uit experimenteel onderzoek komen vooralsnog geen aanwijzingen voor enig plausibel biologisch mechanisme dat een oorzakelijk verband tussen blootstelling aan extreem laagfrequente magnetische velden en het optreden van enigerlei vorm van kanker ondersteunt. RIVM acht vanuit epidemiologisch oogpunt de resultaten van de recent verschenen 'pooled analyses' van Ahlbom et al. en van Greenland et al. een beter uitgangspunt voor de beschrijving van het risico op het krijgen van leukemie dan de informatie uit de afzonderlijke studies of uit eerder uitgevoerde meta-analyses. In het RIVM-onderzoek zijn uit de twee 'pooled analyses' waarden van het relatieve risico als functie van het magnetische veld afgeleid. De blootstellingssituatie in Nederland is bepaald op basis van schattingen van het magnetische veld op diverse afstanden tot de hoogspanningslijnen. Uit tellingen van het aantal personen dat binnen deze afstanden woont, zijn het toegevoegde individuele risico en het potentiele aantal extra gevallen van leukemie bij kinderen berekend. Met het begrip toegevoegd individueel risico wordt het risico op het krijgen van leukemie door kinderen als gevolg van het wonen bij een bepaalde waarde van het magnetische veld afkomstig van een hoogspanningslijn bedoeld. Er zijn onzekerheden over de vorm van de eventuele blootstelling-responsrelatie. Derhalve kan uit epidemiologisch onderzoek alleen worden geconcludeerd dat het relatieve risico mogelijk is verhoogd bij veldsterkten hoger dan ergens tussen 0,2 en 0,5 microtesla. Op basis van de resultaten van Ahlbom et al. en Greenland et al. blijkt voor Nederland het toegevoegde individuele risico op het krijgen van leukemie door kinderen in gebieden met magnetische veldsterkten boven 0,3 a 0,4 microtesla maximaal ongeveer 3 op de 100.000 per jaar te bedragen. Er zijn onzekerheden in het aantal kinderen dat bij deze veldsterkten woont, onder andere door de onzekerheden in schattingen van de magnetische veldsterkte als functie van de afstand tot de hoogspanningslijnen. Gebruik makend van deze schattingen, wordt het aantal extra gevallen van leukemie bij kinderen geschat op 0,2 tot 1 per jaar op een totaal van circa 110 nieuwe gevallen per jaar. Voor de Nederlandse bevolking is onvoldoende bekend hoe groot de blootstelling aan het totaal aan bronnen van extreem laagfrequente magnetische velden is. Het verdient daarom aanbeveling deze blootstelling nader te onderzoeken.<br>
    • The mailing of genetically modified microorganisms: A field survey

      Canter Cremers HCJ; Groot HF (1991-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Major Shifts in Societal Trends and Their Impact on Climate Change

      Slob AFL; Hoorn ThMM van; NOP (1999-08-16)
      Abstract niet beschikbaar
    • Management en Good Laboratory Practice Afdeling Centrale Dierproeffaciliteit CDF

      van Soolingen J; Kroes R; Arens ABM; Beenen J; Bekius FA; Gomersbach-de Ridder A; van de Kuil R; ter Laak BG; de Liefde A; Luypen S; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-12-31)
      This report describes the realisation and implementation of working procedures in compliance with Good Laboratory Practice, as performed by the Central Animal Facility of Division II Pharmacology and Toxicology. This report froms a basis for a quality system with the pivot aim to meet Sterlab requirements.<br>
    • Management en Good Laboratory Practice op de afdeling Biotechnische Evaluatie Stofeffecten (BES) van het Centraal Dierenlaboratorium (CDL)

      van Soolingen J; Kroes R; de Vrey P; Arens ABM; Beenen J; Bekius FA; Gomersbach-de Ridder A; Jansen van &apos;t Land C; van de Kuil R; ter Laak BG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-05-31)
      The department BES (Biological Evaluation of Drug Effects) carries out animal studies for RIVM laboratories, whose commitment to GLP makes it necessary for BES also to comply with GLP. Compliance is assured by means of a quality system laid down in a quality handbook quaranteeing the consistent quality of the department products. The elements of the BES quality system are documented in this report under the following headings: - quality targets and management organisation - survey of areas of competence and of stoff qualifications - equipment inventory - goods and services available - standard operating procedures. Furthermore a general servey is presented of those co-operative arrangements necessary for optimal departmental organization.<br>
    • Management van de patientdosis in Nederland en het Verenigd Koninkrijk : Mogelijkheden tot verbetering

      Stam R; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-15)
      De doses straling die patiënten in Nederland en het Verenigd Koninkrijk per röntgenonderzoek oplopen behoren tot de laagste in Europa. In beide landen zijn de doses per onderzoek sinds de jaren negentig gedaald als gevolg van beperkende maatregelen. Wel liggen de doses van medische verrichtingen waarbij relatief meer straling vrijkomt in Nederland hoger dan in het Verenigd Koninkrijk. Voorbeelden daarvan zijn doorlichting van het maag-darmkanaal of een CT-scan van de buik. Door onzekerheden in de dosisdata van elk land is het overigens niet altijd duidelijk of deze verschillen tussen de landen significant zijn. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM, dat is aangevuld met interviews met experts uit Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Ondanks de gunstige positie van Nederland valt er op dit gebied nog steeds winst te behalen. Dit is van belang omdat de totale medische stralingsbelasting per patiënt de laatste jaren toeneemt. Dat komt doordat Nederlanders jaarlijks gemiddeld steeds meer medische verrichtingen ondergaan waarbij straling vrijkomt. Verbetermogelijkheden Het is soms mogelijk om met een lagere dosis voldoende beeldkwaliteit te krijgen. Het is daarom raadzaam om de dosisinformatie die radiologische systemen bieden voor alle ziekenhuizen op een standaard wijze te verzamelen. Momenteel gebeurt dit op uiteenlopende manieren. Ook is het van belang om dosisinformatie tijdens het röntgenonderzoek zichtbaarder te maken voor de radioloog of laborant, zodat deze eventueel aanpassingen kan doen. Verder is het van belang om onderzoeksprotocollen en dosisbesparende vernieuwingen landelijk te coördineren en te standaardiseren, zodat alle ziekenhuizen daarvan gebruik kunnen maken. Daarnaast zou er in landelijke richtsnoeren, bij de scholing van beroepsgroepen en bij de inspecties aandacht moeten zijn om de dosis te optimaliseren. Ten slotte zou het gebruik van de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus uitgebreid moeten worden van de grote academische en regionale ziekenhuizen naar de kleinere. Zowel de beroepsverenigingen als de Inspectie voor de Gezondheidszorg kunnen deze maatregelen faciliteren.
    • Managing Malaria ; an evolutionary modelling approach

      Janssen MA; Martens WJM; MNV (1996-07-31)
      Door toenemende resistentie-ontwikkeling van de malariaparasiet voor antimalaria medicijnen, en van de malariamuskiet voor insecticiden, wordt een effectief beleid voor malaria in veel tropische landen bemoeilijkt. Tezamen met een mogelijke klimaatverandering zou dit de incidentie van malaria in de komende decennia kunnen doen toenemen. In dit rapport wordt het gebruik van een evolutionaire modelleerwijze geintroduceerd om adaptatie van muskieten aan insecticiden en van parasieten aan medicijnen te kunnen simuleren. Door een zogenaamd genetisch algoritme aan een dynamisch malaria-epidemiologisch model te koppelen, ontstaat een complex adaptief system dat geschikt is om aanpassingsprocessen te simuleren, zowel binnen de muskietenpopulatie als binnen de parasietenpopulatie. Deze nieuwe modelleerwijze is gebruikt om een aantal strategieen voor malariabeleid te analyseren voor gebieden met hoge en lage endemiciteit. Een uitvoerige gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd voor de resistentieontwikkeling, waarbij is gekeken naar de invloed van migratie van vatbare muskieten en parasieten, de mate waarin insecticiden en medicijnen de muskieten en parasieten bereiken en het initieele resistentie niveau. Verder is de invloed van temperatuursverandering op de verspreiding van malaria bekeken. De resultaten suggereren dat een adequaat gebruik van insecticiden en medicijnen malaria in laag endemische gebieden kan doen verminderen, al zal er beduidende intensivering moeten plaatsvinden indien de gemiddelde temperatuur gaat stijgen. Echter in gebieden met een hoge endemiciteit kan het (inadequaat) gebruik van medicijnen en insecticiden de incidentie van malaria doen stijgen, dit ten gevolge van het verloren gaan van de natuurlijk opgebouwde immuniteit. Een klimaatverandering kan in deze gebieden tot een (kleine) afname van de incidentie leiden door een stijging van immuniteit van volwassenen. Een duurzaam malariabeleid zal in deze regio's gevonden moeten worden in o.a. het stimuleren van sociaal-economische ontwikkeling en goede (vector-vrije) huisvesting. Deze modelleerwijze is in lijn met het toenemende inzicht dat evolutionaire principes belangrijk zijn in gezondheidswetenschappen.
    • Manual for Dynamic Modelling of Soil Response to Atmospheric Deposition

      Posch MB; Hettelingh J-P; Slootweg J; LED; UNECE Working Group on Effects; ICP M&M Coordination Center for Effects (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-25)
      The objective of this manual is to inform the network of National Focal Centers (NFCs) about the requirements of methodologies for the dynamic modelling of geochemical processes in soils in particular. This information is necessary to support European air quality policies with knowledge on time delays of ecosystem damage or recovery caused by changes, in time, of acidifying deposition. This manual has been requested by bodies under the Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP) to support the extension of the European critical load database with dynamic modelling parameters. A Very Simple Dynamic (VSD) model is described to encourage NFCs to meet minimum data requirements upon engaging in the extension of national critical load databases. This manual can be consulted in combination with a running version of VSD which is available on www.rivm.nl/cce. The manual also provides an overview of existing dynamic models which generally have more complex input data requirements. Finally, the manual tentatively describes possible linkages between dynamic modelling results and integrated air pollution assessment modelling. This linkage is necessary for use in the near future support of the review of the 1999 CLRTAP Protocol to Abate Acidification, Eutrophication and Ground-level Ozone (the "Gothenburg Protocol") and the 2001 EU National Emission Ceiling directive.
    • Manual for Dynamic Modelling of Soil Response to Atmospheric Deposition

      Posch M; Hettelingh JP; Slootweg J; LED; UNECE Working Group on Effects; ICP M&amp;M Coordination Center for Effects (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-25)
      Dit rapport informeert het netwerk van National Focal Centra (NFCs) over de vereisten van methodologien voor de gevolgtijdelijke (dynamische) modellering van geochemische processen, vooral in bodems. Deze informatie is nodig om het Europese luchtbeleid te kunnen ondersteunen met kennis over tijdsvertragingen van ecosysteemherstel of -schade als gevolg van veranderingen, in de tijd, van verzurende depositie. Het is geschreven op verzoek van werkgroepen onder de Conventie van Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging (CLRTAP). Dit ter ondersteuning van de uitbreiding met dynamische model parameters van de Europese databank die momenteel uitsluitend kritische waarden voor verzurende en vermestende deposities bevat. Een Very Simple Dynamic (VSD) model wordt beschreven teneinde NFCs aan te moedigen om te voldoen aan minimale databehoeften bij de uitbreiding van nationale databanken van kritische waarden. De handleiding kan worden geraadpleegd in combinatie met het gebruik van een geimplementeerde versie van het VSD dat beschikbaar is op www.rivm.nl/cce. De handleiding geeft ook een overzicht van bestaande dynamische modellen die doorgaans meer complexe databehoeften hebben. Tenslotte verschaft het rapport een eerste beschrijving van mogelijke verbindingen tussen resultaten van dynamische modellering en geintegreerde modellen voor de analyse en ondersteuning van luchtbeleid. Deze zijn in de nabije toekomst nodig voor de ondersteuning van de beleidsmatige evaluatie van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive).<br>
    • Manual for summarising and evaluating environmental aspects of plant protection products

      Mensink BJWG; Smit CE; Montforts MHMM; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-24)
      Het RIVM heeft een handleiding opgesteld om studies voor het beoordelen van milieurisico's van gewasbeschermingsmiddelen samen te vatten. De handleiding geeft vervolgens aanwijzingen om de betrouwbaarheid te kunnen beoordelen van verschillende soorten (standaard)toetsen over de afbraak, verspreiding en effecten van deze stoffen in het milieu. Ook geeft het rapport aan hoe het onderzoeksresultaat voor de uiteindelijke risicobeoordeling kan worden gebruikt. Deze handleiding vergroot de eenduidigheid tussen beoordelingen van verschillende organisaties. De eerste versie van deze handleiding heeft het RIVM in 1995 uitgebracht. Nadien is de inhoud in interne tussenrapportages verschillende malen aangepast. Met het huidige rapport is wederom een openbare versie beschikbaar.
    • Manual for summarising and evaluating the environmental aspects of pesticides

      Mensink BJWG; Montforts M; Wijkhuizen-Maslankiewicz L; Tibosch H; Linders JBHJ; ACT (1995-07-31)
      (ABSTRACT-NEDERLANDS) Deze handleiding geeft richtlijnen voor het samenvatten en beoordelen van diverse milieu-aspecten van landbouwkundige en niet-landbouwkundige bestrijdingsmiddelen. Het betreft dat deel van de toelatingsprocedure in Nederland dat de risico-schatting voorafgaat. De eisen van de Nederlandse overheid voor de toelating van bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen in deze handleiding. Omdat ze niet integraal zijn opgenomen wordt het aangeraden het CTB Aanvraagformulier te raadplegen, indien gewenst. De handleiding richt zich vooral op richtlijnen wat betreft het gedrag in water en bodem, de ecotoxiciteit voor aquatische en terrestrische organismen, en de bioconcentratie in aquatische organismen. De richtlijnen hebben betrekking op zowel de intrinsieke betrouwbaarheid van de door de fabrikant aangeleverde testrapporten als op de beknopte beschrijving van deze rapporten in een zogeheten RIVM Adviesrapport. Dit laatste wordt opgesteld door de afdeling Beoordeling Bestrijdingsmiddelen Milieu (BBM) ten behoeve van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Dit College heeft de verantwoordelijkheid voor het al dan niet toelaten van bestrijdingsmiddelen op de Nederlandse markt in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet. Er is onderscheid gemaakt tussen de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van testen. Het eerste verwijst naar de intrinsieke aspecten van een test - methodologie, rapportage -, het laatste verwijst naar het nut van een dergelijke test voor een specifiek doel - bijvoorbeeld risico-schatting. De nadruk ligt in deze handleiding op de betrouwbaarheid, en het geeft een check-list per milieu-aspect om op grond hiervan onderscheid te kunnen maken tussen betrouwbare, minder betrouwbare en onbetrouwbare testen. Deze check-listen worden weergegeven als zogenoemde resume-tabellen ; zij vormen de kern van de handleiding. De handleiding is niet compleet. Talrijke milieu-aspecten zijn momenteel zowel nationaal als internationaal in discussie. Daarom is de handleiding een reflectie van de huidige stand van zaken. Ze zal regelmatig worden bijgesteld om de nationale en internationale ontwikkelingen bij te kunnen houden. De risico-schatting is eveneens niet opgenomen. Dit zal gebeuren in een volgende versie.
    • Manual for summarising and evaluating the environmental aspects of pesticides

      Mensink BJWG; Montforts M; Wijkhuizen-Maslankiewicz L; Tibosch H; Linders JBHJ; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      This Manual gives guidance in summarising and evaluating the environmental aspects of agricultural and non-agricultural pesticides. Actually this is the part of the pesticide registration process in the Netherlands preceding the risk assessment. The requirements of the Dutch government for admission of pesticides to the market are included in the Manual. As they are not reported exhaustively, it is advised to consult the CTB Application Form, if felt necessary. This Manual focusses primarily on instructions with respect to studies on behaviour in water and soil, ecotoxicity for aquatic and terrestrial organisms, and bioconcentration for aquatic organisms. The instructions cover both the intrinsic reliability of test reports provided by the industry, and the summarised description of these reports in an Advisory Report of RIVM. The latter is prepared by the Department of Evaluating Environmental Aspects of Pesticides on behalf of the Dutch Board for the Authorisation of Pesticides (CTB). This Board has the responsibility for admitting or refusing pesticides on the Dutch market in view of the Pesticides Act. A distinction has been made between the reliability and usefulness of tests. The first refer to intrinsic aspects of a test - methodology, description -, the latter to the use of such a test for a particular purpose - e.g. risk assessment. In this Manual the emphasis is on the reliability, and it offers a check-list per environmental item to discriminate between reliable, less reliable and not reliable tests. These check-lists are presented as so-called summary tables, and they are the core of the Manual. This Manual does not claim to be complete. Many environmental issues are currently in discussion both nationally and internationally. Therefore this Manual represents the state of art. It will be updated regularly to cope with these national and international developments. The risk assessment is also not included and will be dealt with in a follow-up.
    • Manual of FOCUS PEARL version 1.1.1

      Titak A; Berg F van den; Boesten JJTI; Kraalingen D van; Leistra M; Linden AMA van der; LBG (Alterra Green World Research, 2001-03-22)
      In het kader van de Europese en Nederlandse toelating van bestrijdingsmiddelen wordt het PEARL model gebruikt om de uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het ondiepe grondwater te berekenen. Het model is tevens geschikt voor evaluatie van gevoerd beleid (Meerjaren Plan Gewasbescherming; Gewasbescherming 2000+).PEARL staat voor 'Pesticide Emission Assessment at Regional and Local scales'. Het model is een gezamenlijk product van Alterra en het RIVM. Het model vervangt de modellen PESTLA en PESTRAS. Model en data kunnen worden bereikt via een Grafische gebruikersinterface onder Windows 95/98/NT. Alle gegevens worden opgeslagen in een relationele database. Het systeem is al gevuld met gegevens over de Europese en Nederlandse standaardscenario's. Dit rapport beschrijft de processen en parameters in PEARL 1.1. Het rapport bevat tevens een beschrijving van in- en uitvoerbestanden en geeft handreikingen bij de modelparameterisatie. Tenslotte wordt het Nederlands standaardscenario kort beschreven.
    • Manual of FOCUS PEARL version 1.1.1

      Titak A; Berg F van den; Boesten JJTI; Kraalingen D van; Leistra M; Linden AMA van der; Alterra Green World Research; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-22)
      The PEARL model is used to evaluate the leaching of pesticide to the groundwater in support to the Dutch and European pesticide registration procedures. PEARL is an acronym for Pesticide Emission Assessment at Regional and Local scales. The model is a joint product of Alterra Green World research and the National Institute of Public Health and the Environment, and it has replaced the models PESTLA and PESTRAS since June first, 2000. Model and data can be accessed through a user-friendly Graphical User Interface for Windows 95/98/NT. All data are stored in a relational database. Both the Dutch standard scenario and the European standard scenarios as suggested by the FOCUS modeling working group can be accessed through the User Interface. This report gives a description of the processes and parameters included in PEARL version 1.1. It also contains a description of the Pearl User Interface and the input and output files. The Dutch standard scenario is described briefly.
    • Manual on integrated water quality evaluation

      Zwart D de; Trivedi RC; Kruijf HAM de; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      This manual for integrated water quality evaluation is based on the experiences gained in a six year collaboration between the Central Pollution Control Board in India and the RIVM. The Dutch part of this study was financed by the Directorate General for International Cooperation, while the Indian committment was taken care of by the Department of Environment and Forests. Next to the scientific justification, the manual contains a "cook book" description of the many methods and procedures which should be applied for sampling, analysis and data evaluation. As an annex, interpretation examples are given of the 1993-1994 monitoring results for a number of Indian river systems.
    • Manual on integrated water quality evaluation

      de Zwart D; Trivedi RC; de Kruijf HAM; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Deze handleiding voor integrale waterkwaliteitsbeoordeling is samengesteld op basis van de bevindingen die zijn opgedaan in een zes jaar durende samenwerking tussen de Central Pollution Control Board in India en het RIVM. Het aan dit werk ten grondslag liggende onderzoek werd van de Nederlandse zijde gefinancierd door het Directoraat Generaal voor Internationale Samenwerking, terwijl de financiering vanuit India voor rekening kwam van het Department of Environment and Forests. Naast een rechtvaardiging van de wetenschappelijke achtergrond omvat de handleiding de beschrijving van een groot aantal methoden en procedures voor bemonstering, analyse en gegevensbeoordeling. In een bijlage wordt een aantal voorbeelden gegeven van werkelijke beoordelingsresultaten die zijn gebaseerd op metingen die in verschillende riviersystemen in India zijn uitgevoerd in het monitoring seizoen 1993-1994.<br>
    • The MAP COMPARISON KIT: methods, software and applications

      Borsboom-van Beurden JAM; Jong K de; Niet R de; Nijs ACM de; Hagen A; Klein Goldewijk CGM; Verburg P; Visser H; IMP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-01-16)
      Comparing maps is an important issue in environmental research. Reasons for comparing maps may be: (i) the different socio-economic scenarios on which they are based, (ii) detection of temporal changes, (iii) calibration/validation of land-use models, (iv) hot-spot detection, (v) their use in uncertainty analysis, and (vi) their origin in different methodologies/models. This report addresses the problem of quantifying subsequent map similarities and dissimilarities.Our main focus is on maps denoted as 'categorical' or 'nominal'. A number of the five map- comparison techniques are described. These techniques differ in mathematical approach (no math, 'cell by cell', two types of 'fuzzy' and 'single-map statistics') and apply to different types of maps (nominal, ordinal, ratio and interval scale). Special attention is given to the comparison of maps through fuzzy-set calculation rules. The rationale is that fuzzy-set map comparison is very close to human judgement, as shown in an Internet experiment.The MAP COMPARISON KIT (MCK) software plays a major role in the report. MCK, a software package for 'state-of-the-art' map comparison, contains all the examples used in this report. The software, developed by order of the Netherlands Environmental Assessment Agency, was fully designed by the Research Institute for Knowledge Systems. The software will be made publicly available on the RIVM website early 2004 (www.rivm.nl).