• An assessment of the influence of variations in solar activity on climate

      Ulden AP van; Dorland R van; NOP (1999-12-10)
      Abstract niet beschikbaar
    • Assessment of the level of sea salt in PM10 in the Netherlands : Yearly average and exceedance days

      Hoogerbrugge R; Nguyen PL; Wesseling J; Schaap M; Wichink Kruit RJ; Kamphuis V; Manders AMM; Weijers EP; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOECN, 2012-02-16)
      In de Europese luchtkwaliteit richtlijn staat dat natuurlijke bijdragen aan de concentraties van fijn stof (PM10) mogen worden afgetrokken van de totale hoeveelheid fijn stof. In 2005 is in dat verband in de Nederlandse Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit een methode voor de hoeveelheid zeezout vastgelegd. De 'zeezoutcorrectie' die daarmee werd bepaald, was echter te ruim en is nu bijgesteld. Dit blijkt uit een evaluatie van de methode door het RIVM, op basis van nieuwe meetgegevens over zeezout. Zeezout draagt bij aan de hoeveelheid fijnstofdeeltjes in de lucht. Lagere zeezoutconcentratie in Nederland: De nieuwe gegevens van de geschatte hoeveelheid zeezout in de lucht zijn gebaseerd op gemeten concentraties natrium. Dit is een betrouwbaardere bron dan de chlorideconcentraties waarop de huidige zeezoutregeling is gebaseerd. Recente metingen van natrium in fijn stof (PM10) geven aan dat de jaargemiddelde zeezoutconcentratie in Nederland bijna de helft lager is dan was geschat. Hierdoor kan de natuurlijke bijdrage eveneens lager worden ingeschat. De nieuwe schatting is gebaseerd op de referentiemethode voor de monsterneming van fijn stof (PM10) en voldoet aan de Europese eisen. Correcties voor zeezout aangepast: De wet stelt een maximum aan het aantal dagen waarop PM10 boven de norm van 50 microgram per kubieke meter mag komen (35 dagen). Vanwege de natuurlijke bijdragen valt een aantal dagen af. Voor zeezout mochten in heel Nederland zes dagen worden afgetrokken. Met de nieuwe methode is dit aantal overschrijdingsdagen voor zeezout lager. Bovendien kan dat aantal op basis van de nieuwe data worden gedifferentieerd naar verschillende regio's van Nederland. Zo verandert de correctie voor het aantal normoverschrijdingsdagen in gebieden langs de kust van zes naar vier dagen. In het binnenland gaat deze correctie van zes naar twee dagen. Naar verwachting zijn de beleidsmatige gevolgen van de voorgestelde methode gering. Zelfs zonder de zeezoutaftrek is op de Nederlandse meetpunten het aantal overschrijdingsdagen in 2010 namelijk niet overschreden. Voor 2011 worden, als gevolg van andere weersomstandigheden (droog voorjaar), wel overschrijdingen verwacht.
    • Assessment of the product limit for PAHs in rubber articles : The case of shock-absorbing tiles

      Bokkers BGH; Guichelaar SK; Bakker MI; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-20)
      Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) zijn schadelijke stoffen die onder andere in artikelen van rubber kunnen voorkomen. Voor een veilig gebruik van rubberen artikelen, zoals valdempende tegels, moeten producenten zich houden aan de Europese norm voor PAK's in consumentenproducten. Valdempende rubbertegels worden meestal gemaakt van afgedankte autobanden en bevatten PAK's. Het RIVM is gevraagd te onderzoeken of de huidige productnorm voor PAK's in rubbertegels gebruikers voldoende beschermt tegen het ontstaan van kanker. Op dit moment kan alleen een indicatie van het risico op kanker worden gegeven. Dat komt doordat veel betrouwbare gegevens ontbreken over de mate waarin kinderen in contact komen met de PAK's uit de tegels (via contact van de huid en via hand-mond-contact). Het gaat onder andere om gegevens over de duur van het contact tussen de tegel en de huid en de mate waarin PAK's dan uit de tegels vrijkomen. Deze informatie is wel nodig om de onzekerheden in de huidige risicobeoordeling te verkleinen. Aanvullend onderzoek hiernaar kon binnen het tijdbestek van dit onderzoek niet worden uitgevoerd. Daarnaast is er geen overeenstemming binnen Europa over de hoogte van zogeheten veiligheidsfactoren voor kankerverwekkende stoffen. Veiligheidsfactoren worden gebruikt om het risico op effecten op de gezondheid voor mensen te kunnen afleiden uit de resultaten van dierstudies. In de huidige studie is een standaard veiligheidsfactor voor kankerverwekkende stoffen gebruikt. Het RIVM beveelt daarom aan om op Europees niveau een discussie te initiëren om hierover overeenstemming te bereiken. In het algemeen worden de risico's van de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen uitgedrukt in het extra aantal mensen dat kanker krijgt per miljoen blootgestelden; de term 'extra' wordt gebruikt omdat mensen ook zonder blootstelling aan deze stoffen het risico lopen om kanker te krijgen. Een extra risico van 1 op de miljoen blootgestelde mensen wordt bij de risicobeoordeling van kankerverwekkende stoffen als verwaarloosbaar beschouwd. In dit onderzoek wordt, vanwege de doorgerekende onzekerheden, het extra risico op kanker weergegeven als een bandbreedte, wat betekent dat het extra risico tussen twee uiterste waarden ligt. Als de PAK-concentratie in rubbertegels gelijk is aan de norm voor consumentenproducten, ligt, bij de huidige kennis, deze bandbreedte rond het verwaarloosbare risiconiveau van 1 op de miljoen. Bij de hoogste uiterste waarde van de bandbreedte wordt het verwaarloosbare risiconiveau licht overschreden. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt bij de evaluatie van de norm voor PAK's voor alle plastic en rubberen consumentenproducten door de Europese Commissie in 2017. Bij deze evaluatie is het van belang ook rekening te houden met de blootstelling aan PAK's uit andere consumentenproducten.
    • Assurance system regarding the influence of medicinal products on results of IVD tests

      Moltó-Puigmartí, C; de Bruijn, A; van Drongelen, A; Meneses Leonardo Alves, T; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-03)
      Om een diagnose te kunnen stellen, worden soms tests uitgevoerd in een laboratorium, bijvoorbeeld op basis van bloed. Sommige medicijnen kunnen invloed hebben op de diagnostische test, waardoor de uitslag niet goed is. Het is daarom belangrijk dat kennis en informatie over de invloed van medicijnen op de uitslag wordt uitgewisseld tussen bedrijven en laboratoria. Doordat deze kennis niet systematisch wordt gedeeld, is de informatie niet altijd bij hen bekend. Er is nog geen centraal punt waar laboratoria, fabrikanten van tests en farmaceutische bedrijven deze informatie kunnen vinden. Daarnaast zijn laboratoria vaak niet op de hoogte van de medicijnen die een patiënt gebruikt. Daardoor is het niet altijd meteen duidelijk dat een medicijn de oorzaak is van een afwijkende testuitslag. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Diagnostische tests in laboratoria worden in vitro diagnostica (IVDs) genoemd. De invloed van medicijnen, zogenoemde interferenties, is niet altijd bekend op het moment dat het IVD wordt ontwikkeld. Ze komen vaak pas aan het licht nadat het in de handel is gebracht en wordt gebruikt in laboratoria. Als wordt ontdekt dat een medicijn interfereert met een diagnostische test, past de fabrikant van het IVD de gebruiksinstructies aan. Dan weten laboratoria dat ze rekening moeten houden met deze interferentie. Het is onbekend hoe vaak interferenties tussen medicijnen en IVD's voorkomen. Bij de IGJ komen per jaar één tot twee meldingen van nieuw ontdekte interferenties binnen. Het is mogelijk dat interferenties niet altijd worden ontdekt. Hierbij moet worden opgemerkt dat een arts zijn oordeel vaak niet alleen baseert op een IVD-test. Een arts voert vaak ook nog andere tests uit om een diagnose te stellen en weegt de symptomen en klachten van de patiënt mee.
    • Astma bij kinderen tot 12 jaar : Resultaten van het PIAMA-onderzoek

      Wijga AH; van Buul LW; Blokstra A; Wolse APH; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-09-15)
      Bijna één op de drie peuters heeft symptomen van astma, te weten piepen op de borst, benauwdheid of kortademigheid. Hieronder valt ook het gebruik van inhalatiecorticosteroïden. Bij de meeste kinderen gaan de klachten binnen een tot twee jaar over. Ongeveer 5% van de kinderen blijft klachten houden en heeft die nog op 12-jarige leeftijd. Meer jongens dan meisjes hebben astmasymptomen en kinderen van ouders met astma of allergie hebben een sterk verhoogd risico. Kinderen met astmasymptomen hebben vaak ook een allergie, eczeem of neusklachten. Dit blijkt uit het zogenoemde PIAMA-onderzoek, waarin kinderen zijn gevolgd vanaf hun geboorte tot de leeftijd van 12 jaar. PIAMA is een lopend onderzoek dat wordt uitgevoerd door het RIVM, de Universiteit van Utrecht, het UMC Groningen, het Erasmus MC in Rotterdam en Sanquin Research in Amsterdam. Psychisch even gezond. Desondanks zijn kinderen met astmasymptomen psychisch even gezond als kinderen zonder astmasymptomen. Zij zijn ook even tevreden over hun vriendschappen, hun uiterlijk, hun prestaties op school en bij gym en hun vrijetijdsbesteding. Op school presteren zij net zo goed als andere kinderen. Bovendien zijn ze even vaak lid van een sportclub, hoewel 30% van de kinderen met astmasymptomen medicijnen gebruikt bij het sporten.
    • Astma bij peuters en kleuters: Resultaten van het PIAMA onderzoek

      Wijga AH; Brussee JE; Smit HA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      This report presents the results of the PIAMA (Prevention and Incidence of Asthma and Mite Allergy) study on the incidence, prevalence and natural history of diagnosed asthma in children of 0-5 years old. A problem specific for this age group is that asthma does occur, but can not be clinically diagnosed with certainty. In young children, respiratory infections in combination with a small diameter of the airways often results in symptoms like wheezing, which are typical for asthma but do not necessarily mean that the child has asthma. Results of the PIAMA study (n=3000) show that a relatively large number of pre-school children are diagnosed by a doctor as having asthma. In the PIAMA study population, the prevalence of diagnosed asthma (as reported by the parents in yearly postal questionnaires) was 5.7% in children under 1 year and decreased to 3.9% in children aged 4-5 years. Moreover, the longitudinal data from the PIAMA study show that for more than half the children with an early asthma diagnosis, the parents no longer reported the presence of asthma one year later. The absence of asthma symptoms one year after diagnosis is not in line with the fact that asthma is a chronic disease that does not pass off quickly and often does not pass off at all. The relatively high prevalence of diagnosed asthma that we observed in very young children has led us to the conclusion that these diagnoses and the corresponding prognoses will be difficult for parents and others to interpret. We also conclude that there is a possibility that 'over'-diagnosis of asthma may result in unnecessary and possibly even harmful use of asthma medication in very young children; however, no data are available on this aspect.
    • Astma bij peuters en kleuters: Resultaten van het PIAMA onderzoek

      Wijga AH; Brussee JE; Smit HA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      In dit rapport worden resultaten gepresenteerd over het beloop van gediagnosticeerd astma bij kinderen van 0-5 jaar in het PIAMA onderzoek. Specifiek voor deze leeftijdsgroep is het probleem dat astma wel voorkomt, maar medisch niet met zekerheid is vast te stellen. Bij jonge kinderen leiden luchtweginfecties, in combinatie met een kleine diameter van de luchtwegen namelijk vaak tot symptomen, zoals een piepende ademhaling. Die symptomen zijn weliswaar typisch voor astma, maar hoeven niet altijd te betekenen dat er ook sprake is van astma. Uit de resultaten van het PIAMA onderzoek bij ruim 3000 kinderen blijkt dat relatief veel jonge kinderen een diagnose astma krijgen. In het PIAMA onderzoek had 5,7% van de kinderen jonger dan 1 jaar gediagnosticeerd astma (zoals gerapporteerd door de ouders in jaarlijkse schriftelijke vragenlijsten). Op de leeftijd van 5 jaar was dit nog 3,9 %. De longitudinale gegevens uit het PIAMA onderzoek laten bovendien zien dat al een jaar na diagnose bij ruim de helft van de kinderen met een vroege diagnose astma, door de ouders geen astma meer wordt gerapporteerd. Dit laatste strookt niet met het gegeven dat astma een chronische ziekte is, die niet snel en vaak helemaal niet 'over' gaat. Op grond van de relatief hoge prevalentie van astma diagnoses bij heel jonge kinderen, constateren wij dat in deze leeftijdsgroep de betekenis van een diagnose astma en m.n. de eraan gekoppelde prognose voor de betrokkenen moeilijk te interpreteren is. Daarnaast concluderen we dat de mogelijkheid bestaat dat 'over'diagnose van astma bij jonge kinderen gepaard gaat met onnodig en misschien zelfs schadelijk gebruik van astma medicatie en dat hierover op dit moment geen gegevens bekend zijn.
    • Atmosferisch transportmodel voor de berekening van seizoensgemiddelde oxidant concentraties

      van den Berg RC; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-05-31)
      Op basis van het bestaande episodische MPA-model is een modelversie ontwikkeld voor de berekening van seizoensgemiddelde concentraties aan primaire en secundaire luchtverontreinigende componenten. Hoewel het model op een aantal punten nog verbeterd moet worden, geven voorlopige scenario berekeningen voor seizoensgemiddelde concentraties een analoog beeld als gevonden voor concentraties tijdens episoden. De meest effectieve maatregel om tot een verlaging van seizoensgemiddelde oxidantconcentraties te komen is een reductie van koolwaterstofemissies. Een reductie van NOx-emissies met 30% heeft nauwelijks invloed op de seizoensconcentraties aan oxidant.<br>
    • The Atmosphere-Ocean System of IMAGE 2.2. A global model approach for atmospheric concentrations, and climate and sea level projections

      Eickhout B; Elzen MGJ den; Kreileman GJJ; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-08-10)
      In this report, we describe the technical background of the Atmosphere Ocean System (AOS) of the Integrated Model to Assess the Global Environment (IMAGE, version 2.2). The AOS submodel elaborates the global concentrations of the most important greenhouse gases and ozone precursors, along with their direct and indirect effects on global-mean radiative forcing. These submodels are based on state-of-the-art approximations, as published by the Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) in its Third Assessment Report (TAR). That these simple submodels can adequately reproduce the global concentrations and forcings of more complex models in a very short runtime is also true for the simple climate submodel for calculating the consequences for the climate system and sea-level rise described in this report. We also elaborate on the scientific background and the most important features of the different submodels, comparing the results with other models and observations. Furthermore, we demonstrate that AOS adequately represents the 1970-1995 period for the main global indicators (concentrations, temperature increase and sea-level rise).
    • The Atmosphere-Ocean System of IMAGE 2.2. A global model approach for atmospheric concentrations, and climate and sea level projections

      Eickhout B; Elzen MGJ den; Kreileman GJJ; KMD (2004-08-10)
      Dit rapport beschrijft de technische achtergrond van het atmosfeer-oceaan systeem van het IMAGE-model (Integrated Model to Assess the Global Environment). Het atmosfeer-oceaan systeem van IMAGE modelleert de atmosferische concentraties van de meest belangrijke broeikasgassen en de directe en indirecte effecten van die gassen op de stralingsbalans. Deze submodellen zijn gebaseerd op state-of-the-art benaderingen van meer complexe modellen, zoals gepubliceerd in de Third Assessment Report van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Dit geldt ook voor het eenvoudige klimaatmodel, wat in dit rapport wordt beschreven en wat de mondiaal gemiddelde klimaatverandering en zeespiegelstijging berekent. Naast de belangrijkste kenmerken van de submodellen, wordt ook de meest relevante wetenschappelijke achtergrond geschetst. Eveneens worden voor een aantal mondiale indicatoren de resultaten vergeleken met observaties en resultaten van meer complexe modellen en wordt aangetoond voor deze indicatoren dat het atmosfeer-oceaan systeem in de periode 1970 - 1995 goed benadert. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met projecties tot 2100 volgens de SRES scenario's van het IPCC, zoals die door het IMAGE team in 2001 zijn gepubliceerd.
    • Atmospheric Input, Thematic report no. VI, Dutch Priority Programme on Acidification, phase 3

      Erisman JW; LLO (1995-05-31)
      Dit thematisch rapport vat de belangrijkste resultaten van het onderzoek naar de atmosferische depositie in Nederland samen. Beschreven worden de huidige depositie niveaus van verzurende componenten op natuurgebieden in Nederland, bepaald aan de hand van onder andere nationale en internationale onderzoeksresultaten. De resultaten van het nationale en internationale depositieonderzoek hebben geleid tot een verlaging van de onzekerheid in met name regionale depositieschattingen voor Nederland. Het rapport geeft een overzicht van de resultaten van depositiemetingen, de vertaling hiervan in een geregionaliseerd beeld van de depositie van verzurende componenten en basische kationen over Nederland en Europa, en een schatting van de onzekerheid daarin. Dit rapport vormt een onderdeel van de eindrapportage van de derde fase van het Additioneel Programma Verzuringsonderzoek.
    • Attainment of EU NO2 standards in the Netherlands

      Folkert RJM; Eerens HC; Odijk M; Breugel PB van; Bree L van; LLO (2002-12-02)
      De jaargemiddelde EU-NO2-norm zal, volgens het EC scenario van het CPB, nog overschreden worden in 2010 bij gemiddelde meteorologie. Overschrijding vindt voornamelijk plaats bij woningen langs snelwegen in stedelijk gebied. Om te voldoen aan de grenswaarde zal mogelijk lokaal voor miljarden euro aan maatregelen (sloop huizen, tunnels, luifels) genomen moeten worden. Ook bij uitvoering van NMP4 en het BOR (Bereikbaarheids Offensief Randstad) verkeersbeleid wordt de norm nog overschreden in 2010. Wel daalt het aantal overschrijdingen fors (factor 15). Om aan de grenswaarde te voldoen dalen de kosten van mogelijke lokale maatregelen van enkele miljarden euro tot enkele tientallen miljoenen euro. Pas als er na de uitvoering van NMP4 in 2010 in Europees verband maximaal emissiereductie- en verkeersbeleid wordt ingezet dan vindt er in en na 2015 geen overschrijding bij woningen meer plaats onder gemiddelde meteorologische omstandigheden.
    • Attainment of EU NO2 standards in the Netherlands

      Folkert RJM; Eerens HC; Odijk M; Breugel PB van; Bree L van; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-12-02)
      The yearly mean EU-NO2 limit value will, according to the EC scenario of the CPB, still be exceeded in 2010 under average meteorological conditions. Exceedance will mainly take place along motorways in urban areas. To meet the limit values a few bilions of Euros will possibly have to be spent for local measures (tearing down houses, tunnels, plates). Even by executing the National Environmental Action plan 4 en the BOR traffic policy the limit value will still be exceeded in 2010. The number of exceedances at houses does decrease drastically (factor 15). To meet the limit values cost for possible local measures reduce then from a few billions to a few million euros. Just by carrying out European wide maximum emmission reduction and traffic policy, after implementing NMP4 in 2010, the limit values by houses will be met in 2015 for average meteorological conditions.
    • Automatisch meetnet Twente en ZW.-Nederland : Jaaroverzicht van meetuitkomsten 1972

      Elskamp HJ (Rijks Instituut voor de Volksgezondheid RIV, 2013-12-20)
    • Automatische HPLC-analyse van schildklierhormonen en gerelateerde verbindingen

      Kootstra PR; Broek HH van den; Hogendoorn EA; Goewie CE (1989-09-30)
      Ten behoeve van kinetische studies naar de jodering en hormoonvorming in het thyreoglobuline, gekatalyseerd door het schildklierperoxidase, is een analysemethode ontwikkeld waarmee de ontstane produkten op een snelle en betrekkelijk eenvoudige wijze bepaald kunnen worden. De methode is gebaseerd op een automatische ion-paar HPLC-methode met een on-line preconcentratie en voorzuivering van een thyreoglobuline hydrolysaat c.q. een enzymatisch reactiemengsel. De HPLC-analyse vindt plaats met UV-detectie bij 220 nm. De aantoonbaarheidsgrens van deze methode bedraagt ongeveer 10 ng/ml van elk der betreffende componenten, bij standaard injecties en 20 ng/ml in 50 mul geinjecteerd thyreoglobuline hydrolysaat.
    • Autorisatie van de koppeling van referentietermen uit de DT2014 aan de ICD-10 2014

      van Mens JTh; ten Napel H; van Gool CH; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-11)
      De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verplicht medisch specialisten in Nederland per 1 juli 2015 om een internationale codering voor ziekten en aandoeningen (ICD-10) te gebruiken. Op die manier kunnen schattingen van kosten van zorg beter met andere landen worden vergeleken. De behandelend artsen kunnen hierbij als hulpmiddel de diagnosethesaurus (DT) gebruiken, die de stichting Dutch Hospital Data (DHD) heeft ontwikkeld. Hierin zijn medische termen over ziekten (zogeheten referentietermen), zoals hepatitis, gerubriceerd en gekoppeld aan een ICD-10 diagnosecode, bijvoorbeeld K75.9 ontstekingsproces van de lever, niet gespecificeerd. In opdracht van de NZa heeft het RIVM onderzocht of DHD de termen op de juiste manier en volgens de codeerregels aan de diagnosecodes heeft gekoppeld. In 85 procent van de 11.000 onderzochte referentietermen gevallen blijkt dat het geval te zijn. In 15 procent van de gevallen wordt een andere koppeling voorgesteld, bijvoorbeeld omdat de koppeling niet volgens de ICD-10 codeerregels plaatsvond of omdat aan een specifiekere klasse gekoppeld kon worden. Over 50 koppelingen vindt nog afstemming plaats. Het RIVM heeft de aangepaste en goedgekeurde koppelingen in een bestand verzameld en aan DHD ter beschikking gesteld.
    • Autospuiterijen

      Brouwer JGH; Hoogenkamp AWHM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      This document on car spray painting has been published within the SPIN project. In this project information has been collected on industrial plants or industrial processes to afford support to governmental policy on emission reduction. This document contains information on the processes, emission sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology and standards and licences.
    • Avian Flu Epidemic 2003: Public health consequences. Executive summary

      Bosman A; Mulder YM; Leeuw JRJ de; Meijer A; Du Ry van Beest Holle M; Kamst RA; Velden PG van der; Conyn-van Spaendonck MAE; Koopmans MPG; Ruijten MWMM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-20)
      Executive summary Avian flu epidemic 2003: public health consequences.Risk factors, health, well-being, health care needs and preventive measures during the H7N7 avian flu outbreak control in the Netherlands.An estimated thousand people, possibly more have been infected with avian flu during the outbreak in the Netherlands in 2003. One third of the poultry farmers whose holdings were cleared reported stress reactions, fatigue and depressive symptoms. The large spread of the virus underscores the importance of the measures to prevent poultry-to-human transmission in people handling infected poultry. The possible uncertainty, stress and anxiety associated with the avian flu control demand specific health care attention. A total of 453 people reported with health complaints, predominantly conjunctivitis. Antibodies were found in 59% of infected poultry workers' family members. Of the 500 tested persons who had handled infected poultry, about 50% showed an antibody response. The poultry farmers and workers complied insufficiently with the preventive measures. The antiviral drug oseltamivir protected against infection, whereas mouth and nose masks did not. The attention for support, information and respectful treatment of poultry farmers and workers during the clearances worked quite well. Externally hired veterinarians experienced their activities as emotionally aggravating more often than other professionals. About a quarter of the poultry farmers worried about the survival of their holding and the sector as a whole; 16% felt a need for additional support, help or health care because of the avian flu. They consulted agricultural care providers and family doctors, and less frequently mental health care providers.
    • Avian Flu Epidemic 2003: Public health consequences. Executive summary

      Bosman A; Mulder YM; de Leeuw JRJ; Meijer A; Du Ry van Beest Holle M; Kamst RA; van der Velden PG; Conyn-van Spaendonck MAE; Koopmans MPG; Ruijten MWMM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMInstituut voor Psychotrauma, 2004-12-20)
      Beleidssamenvatting Vogelpest Epidemie 2003: gevolgen voor de volksgezondheid.Risicofactoren, gezondheid, welbevinden, zorgbehoefte en preventieve maatregelen tijdens de bestrijding van Aviaire Influenza H7N7 in Nederland.Naar schatting minimaal duizend mensen zijn tijdens de vogelpest epidemie in 2003 besmet met het vogelpest virus. Eenderde van de pluimveehouders met een geruimd bedrijf meldde stressreacties, vermoeidheid en depressieve klachten. De grootschalige verspreiding onderstreept het belang van maatregelen tegen overdracht van het vogelpestvirus van pluimvee naar de mens bij contact met besmet pluimvee. De mogelijke onzekerheid, stress en spanningsklachten samenhangend met de bestrijding van de vogelpest epidemie vereisen specifieke zorg.Er meldden zich 453 personen met gezondheidsklachten, voornamelijk oogvliesontsteking. Antistoffen werden ook aangetroffen bij 59% van huisgenoten van bestrijders die een infectie met vogelpestvirus doormaakten. Circa 50% van de 500 onderzochte personen die tijdens de epidemie contact hadden met besmet pluimvee had antistoffen tegen vogelpestvirus.Pluimveehouders en bestrijders leefden de preventieve maatregelen slecht na. Het antivirale middel oseltamivir bleek te beschermen tegen besmetting, mond-neus maskers niet. De aandacht voor de begeleiding van pluimveehouders en andere betrokkenen en voor de informatie over en de bejegening tijdens de ruimingen hebben behoorlijk gewerkt. Extern ingehuurde dierenartsen ervoeren hun werkzaamheden vaker als emotioneel belastend dan andere betrokken beroepsgroepen.Circa een kwart van de pluimveehouders met geruimde bedrijven heeft zorgen om het voortbestaan van het bedrijf en de sector, 16% had behoefte aan aanvullende ondersteuning, hulp of zorg vanwege de vogelpest. Daarvoor benaderden zij de agro-hulpverlening en de huisarts, en minder vaak de geestelijke gezondheidszorg.