• Basis Selectie Document voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIV(M) 1940-1995

      BDA; Rijksarchiefdienst/Pivot (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMBDA/RIVM, 1998-04-30)
      As laid down by Dutch national law the fundamental selection instrument (Basis Selectie Document, BSD) is to be used in national and regional government archives to separate records that should be preserved from records for which destruction is warranted. New archival legislation promulgated in 1995 compels archives' administrators to deposit records not warranted for destruction with the Dutch national archives, the Rijksarchiefdienst (RAD), upon the twentieth year after their year of closing. The old law (1962) enforced a fifty-year period. This BSD is a product of the PIVOT method. This method is designed by the RAD to control the tidal wave of records the RAD anticipated after promulgation. The BSD establishes a valuation for all terms of reference the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) and it's predecessor , the National Institute of Public Health (RIV), were commissioned with from 1940 up to and including 1995. These terms of reference are referred to as acts (handelingen). They are also described in the RIVM report 840701001 titled 'Healthy again tomorrow; an institutional investigation of the tasks and terms of reference of the National Institute of Public Health and Environmental Protection 1940-1995.' The acts are grouped by actor, the authority responsible, and are detailed by their valuation, scope, period of execution, laboratory in charge, basic law, source of information, policy phase and, if warranted for destruction, their preservation period. The nine fundamental criteria that governed the valuation of the acts are also specified.<br>
    • Basis voor effectgerichte beoordeling?

      Slooff W; de Zwart D; Rutgers M; Tonkes M; van de Guchte C; CSR; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIZARIKZ, 2001-08-15)
      In het VROM project SOMS (Strategie OMgaan met Stoffen) is de aandacht o.a. gericht op het anders omgaan met de onbekendheid met gevaren van stoffen en het deelachtig maken van het bedrijfsleven inzake het nemen van verantwoordelijkheid voor risico's van stoffen. In dat kader is de vraag gerezen of toepassing van biologische effectmetingen aan emissies en het milieu, als aanvulling op het bestaande systeem van "stof-voor-stof" beoordelingen, hierin een rol kan spelen. Op basis van een verkenning in dit rapport naar de stand der wetenschap en bestaande beleidsruimte kan deze vraag positief worden beantwoord. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beoordeling van A)vervuilingsbronnen, waarbij de verantwoordelijkheid voor adequate uitvoering en rapportage primair bij het bedrijfsleven ligt en voor de overheid een toezichthoudende taak is weggelegd, en B) van het ontvangende milieucompartiment, waarbij uitvoering en rapportage bij de desbetreffende beherende overheidsinstantie ligt. Biologische effectbeoordeling biedt voldoende voordelen om een plaats naast de chemische stofgerichte benadering te rechtvaardigen. De techniek is beschikbaar; er moeten alleen keuzes worden gemaakt uit de scala van mogelijkheden voor effectgerichte beoordeling, alsook de wijze waarop de resultaten worden geinterpreteerd en vertaald naar het beleid. Beleidsmatig is nationaal en internationaal sprake van toenemende ruimte voor implementatie, zeker met betrekking tot effluenten en het compartiment water. Nederland loopt op dit punt niet voorop. In het kader van het waterbeleid wordt een inhaalslag verwacht, waarop het vernieuwde stoffenbeleid goed kan aansluiten.<br>
    • Basis voor effectgerichte beoordeling?

      Slooff W; Zwart D de; Rutgers M; Tonkes M; Guchte C van de; RIZA; RIKZ; CSR; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-15)
      In SOMS (SOMS is the Dutch acronym for 'Strategy on Management of Substances'), a programme has been started aimed at modernising the Dutch and European policy on handling substances. Broadly, the direction in which solutions for new policy are sought is to make industry more responsible for taking measures to reduce the risks and safety hazards associated with substances and to set up an adequate infrastructure for appraising, deciding and communicating related matters. In this framework it was questioned whether the application of biological effect assessments of emissions and the environment could play a role, in addition to the "substance-by-substance" assessments. Exploring the state of both science and policy, this report confirms the usefulness of biological effect assessments in addition to the regular assessments of substances. Difference has been made between assessments of effluents (in which case industry is likely to be responsible for performing the tests and reporting the results, controlled by government), and those of the receiving environment (in which case the managing and administrative governmental bodies are in charge). Biological effect assessment offers a number of advantages. The approach fits the need of SOMS since the total chemical stress is taking into account (not only the few priority substances but also unknown (non-assessed) chemicals, metabolites and combination toxicity) and the process is not hampered for reasons of confidentiality of substance-linked data. Technically, a variety of methods are available. From a policy point of view there is increasingly room for implementation, both nationally and internationally. This is particularly true for aquatic effluents and surface water including sediments. Choices have to be made which technical methods are the most appropriate, and on how to interpret the results and to translate them in a policy framework.
    • Basis/Detail-ontwerp rapport Informatiesysteem Technieken

      Bruinsma PH; Visscher K; Wiering ACF (1989-03-31)
      Dit rapport is een vervolg op het "Definitiestudie Rapport Informatiesysteem Technieken". Het behandelt naast organisatorische aspecten van het informatiesysteem Technieken ook de functionaliteit van het systeem in relatie tot BRS functies. Het organisatorische deel omvat drie elementen met ieder hun eigen taken: - de beheerder van IT volgt ontwikkelingen op het gebied van milieutechnologie, fungeert als spreekbuis voor de gebruikers en wijzigt de monografieen, trefwoorden en gegevensstructuren. - De interne dienst voor systeemonderhoud binnen het LAE verzorgt het algemeen onderhoud, installeert nieuwe gebruikers op het systeem en assisteert de beheerder van IT bij het wijzigen van de user-interface. - Een stuurgroep IT samengesteld uit de gebruikers, functioneert als klankbordgroep en heeft voorts als taken het waarborgen van de kwaliteit en continuiteit van het IT en het coordineren van de verdere ontwikkeling ervan.
    • Basis/Detail-ontwerp, Werken met het IT, versie 2

      Peek CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-11-30)
      This report is the result of the Global/Detailed design phase of "The use of IT, version 2". The first version of "The use of IT" has been published as part - chapter 6 - of the Global/Detailed-design Information System on Environmental Technology (IT), 1989, report nr. 738705003. The activities performed in this phase are the implementaiton of the funcitonal recommendations, metnioned in the report Evaluation IT. To simplify "The use of IT" a user shell will be implemented with the help of the programming language BRS/MNS. This user friendly user shell will enable the user to work without any knowledge of the BRS system. It is expected that the second version of "The use of IT" will be ready in december 1991.<br>
    • Basisdocument Arseen

      Slooff W; Haring BJA; Hesse JM; Janus JA; Thomas R; van Beelen P; de Boer JLM; Boumans LJM; Buijsman E; Canton JH; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-01-31)
      This report contains a systematic review of the most relevant data on the priority-substance-group arsenic for the purpose of environmental policy.<br>
    • Basisdocument Asbest

      Slooff W; Blokzijl PJ; van Dijk-Looyaard AM; van der Heijden CA; Heijna-Merkus E; Kramers PGN; Matthijsen AJCM; Montizaan GK; Rombout PJA; den Boeft J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-11-30)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof asbest ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Basisdocument Chloorbenzenen

      Slooff W; Bremmer HJ; Hesse JM; van den Berg R; Bloemen HJT; Eerens HC; Hrubec J; Janssens H; de Leeuw FAAM; van der Linden AMA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-04-30)
      This document contains data on chlorobenzenes with regard to sources and distribution, the risks based on a consideration of exposure levels and harmful concentrations and the technical possibilities to reduce these risks. Chlorobenzenes form a group of 12 compounds in total. They are unnatural ; often they are produced by humans by chlorating benzenes, but it is possible that they are formed by integration of substreams of waste water and/or by degradation of chlorinated hydrocarbons. In the Netherlands there are standards and guidelines for soil and groundwater and for surface water, water and soil.<br>
    • Basisdocument Chloorfenolen

      Slooff W; Bremmer HJ; Janus JA; Matthijsen AJCM; van Beelen P; van den Berg R; Bloemen HJT; Canton JH; Eerens HC; Hrubec J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-08-31)
      This report contains data on chlorophenols concerning its sources and distribution pattern (soil, water, air, biota), the risks based on a careful consideration of exposure levels and toxic concentrations, the technical possibilities of reducing these risks and the financial consequences for the industries concerned of any measures to be taken. Chlorophenols are mainly brought into the environment via man (directly or indirectly). There is no industrial production of chlorophenols in the Netherlands. The damaging effects of chlorophenols to the environment has generally decreased in the past years. This decrease is the direct result of a sharp reduction of the use of chlorophenols in the last decennium.<br>
    • Basisdocument Chroom

      Slooff W; Cleven RFMJ; Janus JA; van der Poel P; van Beelen P; Boumans LJM; Canton JH; Eerens HC; Krajnc EI; de Leeuw FAAM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-09-30)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof chroom ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Basisdocument Dioxinen

      Liem AKD; van den Berg R; Bremmer HJ; Hesse JM; Slooff W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-03-31)
      This report contains general information on mixtures of polychlorinated dibenzo-p-dioxins and -dibenzofurans (dioxins) considering standards, emissions, exposure levels and effect levels. The document also discusses the need and possibilities to reduce the risks related to this group of compounds. Dioxins includes 210 tricyclic chlorinated organic compounds in total. International Toxicity Equivalency Factors (-TEFs) are used to describe to toxicity of dioxins, expressed in toxic equivalents (I-TEQ) based on 2,3,7,8-TCDD, the most known compound. Information to quantify dioxin emissions is scarce ; they are not commercially produced nor applied, being formed in incineration and industrial processes. Based on 1990 figures, direct emissions to air, water and soil amount approximately 600, 4 and 3 g I-TEQ per year, respectively. Deposition and sludge application contribute significantly to the load of soil (approx. 330 g I-TEQ), whereas, the contamination of water bodies is largely determined by deposition and trans-boundary emissions (approx. 100-125 g I-TEQ). In total the amount of dioxins in the soil and sediment compartments has been increased in 1990 with approx. 330 and over 65-90 g I-TEQ, respectively. Information on the occurrence of dioxins in the environment is very limited. Based on estimated exposure levels (approx. 1-3 pg I-TEQ.kg-1 b.w. per day by food, which contributes 90-95% to the total exposure) dioxins are considered not to present a risk to humans, the TDI being 10 pg I-TEQ.kg-1 b.w. However, information is lacking to evaluate the risks for sucklings during breast-feeding. Generally the risks to ecosystems is limited and only locally ecosystems may be at risk. However, secondary poisoning can not be ruled out and foodchain effects may occur in both the aquatic and terrestric environment. As a result of policy measures emission to air will decrease to approx. 125 g I-TEQ per year by 2000, those to water and soil will be the same as in 1990. The yearly increase in dioxin content of the soil will then amount 0.1 ng I-TEQ.kg-1. Additional measures are possible.<br>
    • Basisdocument fijn stof

      Annema JA; Booij H; Hesse JM; Meulen A van der; Slooff W; Fischer PH; Hollander AEM de; Noordijk H; Velze K van; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      An overview and evaluation is given of important environmental data of fine dust (PM10) in the Netherlands, such as emissions, possibilities for emission abatement, air quality, exposure, toxicology and epidemiology. These data can be used to define environmental policy to prevent negative effects from exposure to fine dust.
    • Basisdocument Fluoriden

      Slooff W; Eerens HC; Janus JA; Ros JPM; Janssen PJCM; Knaap AGAC; Lagas P; Matthijsen AJCM; Reijnders HFR; Struijs J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-11-30)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep fluoriden ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Basisdocument Kwik

      Slooff W; Beelen P van; Annema JA; Janus JA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      This document contains data on mercury concerning the sources and distribution, and the risks based exposure levels and hazardous concentrations. The autonomous developments in the emissions are also described and an insight is given into any possible technical measures for further emission control.Mercury is one of the heavy metals. In the Netherlands mercury is obtained as a byproduct (several tonnes) in the natural gas extraction and the primary zinc production. In 1990 its use amounted to 13 tonnes, 40% of which was applied as amalgam in dentistry, 20% in batteries and 40% in measuring equipment, incandescent lamps and in the chloralkali industry. An amount of approximately 40 tonnes of mercury is landfilled annually with waste (based on 1990 data). A major cause of the relatively high amount of mercury waste is the non-intentional mercury flow: mercury as an unintended byproduct in various base materials. This non-intentional flow is responsible for more than 50% of the mercury occurring in waste.The emission to air amounted to approximately 4 tonnes (particularly from waste incineration and the chloralkali industry), to water amounted to approximately 1 tonne (especially from the phosphorous fertilizer industry and dentistry), to the soil to approximately 1.2 tonne (especially by application of fertilizer on agricultural land).The contribution to the mercury load from abroad is considerable. For surface water this is estimated at 75% (based on 1990 data). The deposition is also mainly determined by the background level and thus constitutes the major load of the soil in the Netherlands.
    • Basisdocument Nitraat

      van Duijvenbooden W; Matthijsen AJCM; van Aalst RM; van Apeldoorn ME; Canton JH; van Dijk-Looyaard AM; Eerens HC; Ellen G; Fonds AW; van Gestel CAM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-12-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof nitraat ten behoeve van het milieubeleid.<br>
    • Basisdocument PAK

      Slooff W; Matthijsen AJCM; Montizaan GK; Ros JPM; van den Berg R; Eerens HC; Goewie CE; Janus JA; Kramers PGN; van de Meent D; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-03-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep PAK ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Basisdocument radon

      Vaas LH; Kal HB; Jong P de; Slooff W (eds); Blaauboer RO; Bartstra RW; Jansen JTM; Zoetelief J; Ackers JG (1991-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Basisdocument Zink

      Cleven RFMJ; Janus JA; Annema JA; Slooff W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-11-30)
      This report contains information on zinc and zinc compounds concerning standards, emissions, exposure levels and effect levels. It includes a risk evaluation and presents proposals for maximum permissible concentrations of zinc in the environment. This study indicates that the concentration of zinc in the top soil in the Netherlands is (still) increasing. Environmental zinc levels in surfacewater and ambient air have been decreased in the last decade. The current exposure levels do not pose a threat to humans, however, there is a risk for both aquatic and terrestric ecosystems. In Dutch surfacewater, on the average, the intended minimum protection level of 95% is not achieved; according to model calculation the percentage of species protected is about 82%. Possible effects on soil ecosystems are difficult to interprete, as a result of both factors determining the bioavailability of zinc and the natural role that this essential element may play in achieving diversity in ecosystems. Apart from the contribution from foreign sources, the main emission sources to soil and surfacewater are corrosion and agriculture.
    • Basisdocumenten gebieden voor gebiedsgericht beleid - een perspectief voor een geintegreerd ruimtelijk, milieu- en waterhuishoudkundig beleid voor gebieden

      Laak PJA van der (1989-12-31)
      In this report a perspective is outlined for the development of area- oriented environmental assessments (AEAs) for integrated regional policy. These documents should hold scientific information for the development and foundation of an integrated policy for town and country planning, water management and environment. The present planning structure for environmental policy and the policy for town and country planning and watermanagement is described. The position and function of AEAs within the present framework of national, regional and local planning is explained. The advisable contents of AEAs is surveyed. Possible items for the contents of AEAs are: the physical environment and the relation with other regions, regional (economic) activities and developments, impacts on the environment, use of space, groundwater and surface watersystems and sustainability on a regional level. The interrelations between these items are emphasized. Furthermore the user prospects of AEAs for regional and local authorities is clarified.
    • Basisnotitie Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs

      Keizers P; Ohana D; van Aerts L; Broek I van den; Janssen R; PRS; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-15)
      In 1999 is een Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) opgericht. Het doel van het CAM is om indien nodig zo snel mogelijk een risicobeoordeling uit te voeren op nieuw verschenen drugs in het gebruikscircuit. Aan de hand van de risicobeoordeling kan het beleid ten aanzien van deze nieuwe drugs worden bepaald. Het CAM bestaat uit een voorzitter, een coördinator en een secretariaat en wordt ondersteund door een Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs waarin diverse deskundigen op het gebied van drugs en drugsgebruik zijn vertegenwoordigd. De coördinator en het secretariaat worden vanuit het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) geleverd. Er is een protocol voor de risicobeoordelingsprocedure dat is opgesteld door de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Het doel en de werkwijze van het CAM en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs staan beschreven in deze Basisnotitie. De Basisnotitie vervangt de vorige versie uit 2011 en is opgesteld vanwege wijzigingen in procedures en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Naast het uitvoeren van risicobeoordelingen, is het CAM voor de leden van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs ook een centraal punt waar informatie over nieuwe stoffen uitgewisseld wordt en voor de volksgezondheid relevante trends bijgehouden worden. Het CAM en de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs zijn formeel ingesteld via het Besluit Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs 2003. De leden van de Commissie en de onafhankelijke voorzitter worden door de Minister benoemd. Het CAM is sinds 1 januari 2006 ondergebracht bij het RIVM.