• Monitoringsrapportage NSL : Stand van zaken 2010 Nationaal Samenwerkingsprogamma Luchtkwaliteit

      Beijk R; Wesseling J; Mooibroek D; du Pon B; Nguyen L; Groot Wassink H; Verbeek C; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-24)
      Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof (2011) en stikstofdioxide (2015) zal voldoen. Om de voortgang te volgen is bij het NSL een monitoringsprogramma opgezet. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruitvolgende rekenresultaten zijn vervolgens door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage. De prognoses voor 2011 en 2015 laten zien dat voor een groot deel van Nederland de resultaten onder de Europese grenswaarden voor PM10 (fijnstof) en NO2 liggen. Op een aantal plekken zijn er wel nieuwe of grotere overschrijdingen van de PM10- en NO2-grenswaarden zichtbaar. Bij de fijnstof (PM10) overschrijdingen gaat het hoofdzakelijk om locaties bij veehouderijen en een aantal industriele gebieden. Vooral nabij veehouderijen is op een aantal plekken nog sprake van grote overschrijdingen die lastig voor medio 2011 op te lossen zijn. De huidige prognose voor de concentraties stikstofdioxide in 2015 laat een minder gunstige ontwikkeling zien ten opzichte van wat is berekend in de vaststelling van het NSL. Dit komt voor een belangrijk deel door tegenvallende verkeersemissies wat heeft geleid tot een aantal nieuwe overschrijdingen. De nu in de prognoses berekende concentraties liggen op veel locaties net onder de grenswaarde. Met veel concentraties net onder de grenswaarde neemt het aantal overschrijdingen snel toe bij een tegenvaller in een van de gemaakte aannamen. In combinatie met een grote en deels onbekende onzekerheid in de rekenresultaten vormt dit een risico voor het behalen van de doelstelling van het NSL.
    • Monitoringsrapportage NSL : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011

      Beijk R; Wesseling J; van Alphen A; Mooibroek D; Nguyen L; Groot Wassink H; Verbeek C; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAgentschap NL/InfoMil, 2011-12-19)
      Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10, 2011) en stikstofdioxide (NO2, 2015) zal voldoen. Om de voortgang van het verbeterprogramma te volgen en tijdig bij te kunnen sturen is aan het NSL een monitoringprogramma verbonden. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruit volgende rekenresultaten zijn door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en kenniscentrum InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage. De berekeningen voor 2011 en 2015 laten zien dat de gemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijn stof waar de bevolking aan wordt blootgesteld, tussen 2010 en 2015 daalt. Voor een groot deel van Nederland liggen de berekende concentraties PM10 en NO2 onder de Europese grenswaarden. Op een beperkt aantal locaties zijn nog overschrijdingen berekend. De fijn stof-overschrijdingen komen hoofdzakelijk voor bij veehouderijen en in een aantal industriële gebieden. Ook voor stikstofdioxide worden voor 2015 nog overschrijdingen berekend, deze komen hoofdzakelijk voor op locaties met veel verkeer en worden mede veroorzaakt door tegenvallende emissiecijfers. Met behulp van de in 2011 beschikbaar gekomen Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is geconstateerd dat in de Monitoringstool niet op alle voor blootstelling relevante locaties wordt getoetst. Hierdoor, en door de focus op overschrijdingslocaties, wordt het aantal overschrijdingen onderschat. Verder zijn dit jaar in een extra aanpassingsronde toetslocaties uit de berekeningen weggehaald zonder dat deze zijn vervangen door andere toetspunten. Dit leidt waarschijnlijk tot een verdere onderschatting van het aantal overschrijdingen in de huidige resultaten. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om bovenstaande punten in een volgende monitoringronde te verhelpen. In de resultaten liggen de berekende concentraties voor 2011 en 2015 op veel locaties net onder de grenswaarde. Het aantal overschrijdingen zal dan ook snel toenemen indien zich een geringe tegenvaller in de vooronderstellingen voordoet. Daarnaast blijkt dat er nog aanzienlijke onzekerheden bestaan in de huidige resultaten. Een beter inzicht in de onzekerheden en een volledig beeld van alle potentiële overschrijdingen kan de bruikbaarheid van de monitoringsresultaten voor sturing van het NSL verbeteren.
    • Monitoringsysteem luchtkwaliteit in perspectief : Achtergrondrapport

      van Alphen A; Pot JWGA; L&E; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-14)
      Nederland is wettelijk verplicht om de luchtkwaliteit te monitoren. Na interne en externe toetsing van de luchtkwaliteitsmonitoring blijkt de huidige werkwijze waarmee het RIVM de luchtkwaliteit meet en berekent, effectief en efficiënt. Wel is vanwege nieuwe technologische en maatschappelijke ontwikkelingen de tijd rijp om enkele vernieuwingen door te voeren. Een andere aanleiding is de komst van de Omgevingswet, waarvoor de manier van monitoren nog in wet- en regelgeving moet worden vastgelegd. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk om in de toekomst slimme en goedkopere sensoren in te zetten voor metingen. Daarnaast stimuleren deze ontwikkelingen lokale overheden en burgers om zelf aanvullende meetinformatie te kunnen geven, zodat een grootschalig meetnetwerk kan worden gerealiseerd. Gecombineerd met verbeterde rekenmethoden kan dit de monitoringsystematiek van de luchtkwaliteit in Nederland vernieuwen. Het is hierbij van belang dat aantoonbaar hetzelfde betrouwbare kwaliteitsniveau wordt behaald als bij de huidige manier van monitoren. De huidige monitoring van de luchtkwaliteit bestaat uit een systeem waarmee de luchtkwaliteit wordt gemeten en berekend. Daarnaast worden de emissies van vervuilende stoffen geregistreerd. Hiermee wordt een gedetailleerd beeld verkregen van de luchtkwaliteit in Nederland. De resultaten worden gebruikt voor vele nationale en internationale rapportages. Naast de wettelijke verplichting blijft gezondheid een belangrijke reden om de luchtkwaliteit te monitoren, ondanks de dalende concentraties van vervuilende stoffen in de afgelopen decennia. De gezondheidseffecten van bijvoorbeeld fijnstof en stikstof doen zich namelijk ook voor als de concentraties onder de normen zitten.
    • MONNIE 2000: Milieukostenmodel RIVM

      Hanemaaijer AH; Kirkx MCAP; LAE (2001-04-23)
      MONNIE 2000 is een milieukostenmodel, waarmee de huidige en toekomstige milieukosten op macroniveau kunnen worden berekend voor Nederland. Dit rapport beschrijft MONNIE 2000, zowel inhoudelijk, betreffende de gehanteerde uitgangspunten en de toegepaste rekenregels, als technisch, in de vorm van het technisch ontwerp van het model. Tevens is een gebruikershandleiding toegevoegd en daarmee omvat dit rapport alle relevante informatie over MONNIE 2000, zowel voor de gebruiker als de ontwikkelaar. Met MONNIE 2000 is het mogelijk om de milieukosten voor verschillende doorsneden te berekenen, zoals de kosten per doelgroep, per sector en per thema. Bij het berekenen van de milieukosten worden naast de operationele kosten en investeringen van maatregelen ook overdrachten tussen sectoren meegenomen in de vorm van bijvoorbeeld subsidies. Dit maakt het mogelijk om de lasten per sector en de milieu-uitgaven voor de overheid te bepalen. MONNIE 2000 is in Visual Basic ontwikkeld en door de input en output van het model in Excel te realiseren is het voor de gebruikers eenvoudiger geworden gegevens uit te wisselen.
    • Mono- en disacharidengehalten van voedingsmiddelen : Uitgangssituatie voor het bepalen van veranderingen in productsamenstelling

      Milder IEJ; Toxopeus IB; Westenbrink S; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Zuivelproducten, (fris)dranken, banket en zoetwaren dragen het meeste bij aan de hoeveelheid toegevoegde suikers die mensen dagelijks binnenkrijgen. Het RIVM onderzoekt, in opdracht van het ministerie van VWS, hoe de suikergehalten in voedingsmiddelen zich in de komende jaren ontwikkelen. Hiervoor is nu eerst in kaart gebracht wat het suikergehalte van diverse productcategorieën is. Deze 'nulmeting' maakt het mogelijk om te kijken in hoeverre fabrikanten erin slagen om het gehalte aan toegevoegde suiker in producten in de komende jaren stapsgewijs te verlagen. Aanleiding voor de nulmeting is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en vertegenwoordigers van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 hebben getekend en loopt tot 2020. Daarin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen te verlagen. De nulmeting is uitgevoerd bij productgroepen die meer dan drie procent bijdragen aan de dagelijkse inname van suikers in Nederland. Behalve zuivelproducten, (fris)dranken en banket en zoetwaren zijn dit broodbeleg, brood- en graanproducten, en bewerkte groenten en fruit. Het betreft producten die niet uitsluitend van nature aanwezige suikers bevatten. Binnen de productgroepen is aangegeven welke producten veel of weinig suiker bevatten. Bij de producten met een hoog suikergehalte, zoals zuivel waar suiker aan is toegevoegd, zijn immers aanpassingen mogelijk. De resultaten van de nulmeting kunnen door de voedingsmiddelenindustrie worden gebruikt worden bij het maken van (sectorbrede) afspraken om het suikergehalte in voedingsmiddelen te verlagen.
    • A monoclonal anti-rat IgA antibody. Detection of IgA antibodies to ovalbumin and antigens of the parasite Trichinella spiralis in the rat

      van Loveren H; Osterhaus ADME; Nagel J; Hakkert B; de Klerk A; Drost G; Vos JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-03-31)
      Dit rapport geeft de resultaten weer van de ontwikkeling van een monoclonaal antilichaam dat specifiek ratte IgA immunglobulinen herkent. IgA is een belangrijk immuunglobuline voor de bescherming van muscosale oppervlakken (o.a. op het niveau van de darm en de luchtwegen). Met behulp van het ontwikkelde reagens kunnen effecten van blootstelling aan schadelijke stoffen op de produktie van IgA worden vastgesteld, hetgeen van belang is om tot een nadere normstelling ten aanzien van deze stoffen te komen.<br>
    • Monografieen informatiesysteem technieken - Compartiment Bodem

      Joziasse J; Wiering ACF (eds); Assink JW; Bartelds H; Hinsenveld M; Veen HJ van; Groenendijk E; Leur GJ van de (1992-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Monografieen informatiesysteem technieken - Compartiment Lucht

      Joziasse J; Wiering ACF eds; Bartelds H; Engelhard WFJM; Heslinga DC; Kok HJG; Koning J de; Ligtvoet ACP; Schmal D; Ottengraf SPP; et al. (1992-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Monografieen informatiesysteem technieken. Compartiment Afvalstoffen

      Joziasse J; Wiering ACF; Ansems AMM; van Erkel J; Mulder E; Luggenhorst HJ; van der Steen JJD; Bartelds H; Pisa JC; Esmeijer FG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-08-31)
      This report contains 12 monographs of techniques used in the field of waste treatment. It is the first report in a series of four, containing techniques in the field of waste, water, air and soil treatment. The source of this information is the information system on environmental techniques (IT) that is in development at RIVM. A reprint of an article on this has been suppleted as appendix. Authors of the different contributions work at TNO/IMET and can be considered as experts on their field of technology. It has been the aim of this report to present the state of the art of the techniques. The structure of every monograph has been standardised according to 20 items.<br>
    • Monografieen informatiesysteem technieken. Compartiment Water

      Joziasse J; Wiering ACF; Annokee GJ; Arkenbout GJ; Assink JW; Engelhard WFJM; Hinsenveld M; van Veen HJ; van Voorneburg F; Rinzema A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-08-31)
      This report contains 17 monographs of techniques used in the field of treatment of waste water. It is the fourth report in a series of four, containing techniques in the field of waste, water, air and soil treatment. The source of this information is the information system on environmental techniques (IT) that is in development at RIVM. A reprint of an article on this has been suppleted as appendix. Authors of the different contributions work at the Netherlands Organisation for Applied Scientific Research (TNO) and can be considered as experts on their field of technology. The aim of this report is to present the state of the art of the techniques.<br>
    • Monovalent RIVM meningococcal B OMP vesicle F91 vaccines in toddlers

      Lafeber AB; Limpt CJP van; Labadie J; Berbers GAM; Kleijn ED de; Groot R de; Rumke HC; Alphen AJW; Sophia Kinderziekenhuis / Academisch Ziekenhuis Rotterdam; LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-01-10)
      This report gives the results of a randomised phase-II clinical study into the safety and immunogenicity of a monovalent MenB OMV vaccine expressing P1.7h,4 PorA (MonoMen) in toddlers. Safety and immunogenicity are compared for two types of vaccine that are differently adjuvated (either aluminium phosphate or aluminium hydroxide). MonoMen is administred a 3- or 4-dose schedule with vaccinations at 0, 2 and 8 or 0, 1, 2 and 8 months. A total of 134 children were included in the study. No serious adverse events occurred during the study. Only mild local and systemic reactions were reported during the observation period. None of the children showed bactericidal activity against the PorA negative mutant strain H1.5, illustrating PorA specificity of the antibody response. In general, the SBA response was highest in the AlPO4 groups, which means that adsorption of the RIVM meningococcal vaccines to AlPO4 seems preferable to Al(OH)3. After the primary series slightly higher titres were found in children who received two vaccinations instead of three, which is probably due to the longer intervals between the vaccinations in the 2+1-schedule. After the booster vaccination significantly higher GMT's were found in children vaccinated according to the 3+1-schedule. Even though the 3+1-schedule seems better with respect to GMT's, the percentages of immune responders showed only minor differences between the two schedules. Both this study and the study concerning the booster effect of MonoMen in children primed with a hexavalent MenB vaccine showed that MonoMen is a safe and immunogenic vaccine.
    • Monsteridentificatie met behulp van barcodes

      Janssens H; Cleij P; Cornelissen AAJ; Overveld MJLC van; Staden JJ van (1990-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • De monstername van regenwater voor de bepaling van kwik. Een tussenrapportage

      Boer JLM de; Fortezza F (1993-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Monsterneming en chemische analyse van AVI-slak, E-filteras en huishoudelijk afval en stofbalansen voor het emissie onderzoek roosterovens

      Masereeuw P; Aalbers TG (1988-06-30)
      Voor het project 738473 "Emissie onderzoek roosterovens bij verbranding van huishoudelijk afval" heeft het RIVM zorggedragen voor de monsterneming en metaalanalyses van AVI-slak, E-filteras en huishoudelijk afval (HHA). Met de verkregen analyseresultaten werd nagegaan of er verband bestond tussen de metaalconcentraties in het te verbranden HHA en de metaalgehalten van de verbrandingsresiduen. De stofbalansen, bleken met uitzondering van Hg en Cu, redelijk te kloppen. Toevoeging van kunststof aan het HHA resulteerde in hogere Cu-concentraties en lagere Pb-concentraties in de vliegas. Een vergelijking van de metaalconcentraties in E-filteras, verkregen na verbranding van zakkenafval met kunststofadditie bij normale (800-900 graden C) en verlaagde (600-700 graden C) oventemperatuur, resulteerde in lagere metaalconcentraties in de E-filteras, verkregen bij een lagere oventemperatuur. Verkleining van bunkerafval voor de verbranding en toevoeging van kalk tijdens de verbranding resulteerden beiden in lagere concentraties van de metalen in de E-filteras.
    • Monsterneming en monstervoorbewerking van primaire en secondaire grondstoffen

      Aalbers TG; Colenbrander B; Lamers FJM (1990-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Monsterneming en monstervoorbewerking van produkten gemaakt van primaire en secondaire grondstoffen

      Aalbers TG; Keijzer J; Colenbrander B (1990-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Monsternemingen van het grondwater tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel - De selectie van kansrijke methoden

      Elzakker BG van; Gast LFL; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-09)
      Currently, the quality of the upper metre of the groundwater is monitored on farms within the Netherlands National Monitoring Programme for Effectiveness of the Minerals Policy (LMM). The data are used both for trend analysis and for checking whether the effect of Dutch agricultural practice on water quality does not lead to the environmental quality objectives for water being exceeded. The questions raised on the use of these data for compliance checking (especially for the infiltration areas in the Netherlands, i.e. sandy regions) by the Dutch Parliament led to a study. The aim was to determine the merits and demerits of using the upper five metres of groundwater as the compliance checking level in the sandy regions. In a part of this study the focus was on the feasibility of methods to be used in a monitoring network for sampling groundwater up to five metres below groundwater level. Suitable methods twelve drilling and sampling methods for monitoring the upper five metres of groundwater in agricultural fields were surveyed and the most favourable methods selected. The most preferred proved to be one manually-driven method and one machine-driven method, both of which could bring temporary sampling filters into place. Another machine-driven method would allow placement of permanent filters. These methods still have to be tested for their applicability in the next phase of the study.
    • Monsternemingen van het grondwater tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel - De selectie van kansrijke methoden

      Elzakker BG van; Gast LFL; LVM (2006-06-09)
      Er zijn drie mogelijk geschikte methoden geselecteerd om grondwatermonsters tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel te verzamelen. Deze methoden worden nu verder in het veld getest om tot een aanbeveling te komen. Aanleiding voor de studie is dat volgens het concept monitorrichtsnoer van de EU Nitraat Richtlijn de kwaliteit van het grondwater niet alleen voor het hele grondwaterpakket bepaald dient te worden, maar specifiek ook in de bovenste vijf meter. In het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) wordt de verandering van de waterkwaliteit gemeten in de bovenste meter van het grondwater en deze metingen worden ook gebruikt voor toetsing. Hierdoor wordt mogelijk te streng getoetst, vooral in zandgebieden. Er wordt bekeken of een grondwaterkwaliteitmeetnet voor de bovenste vijf meter van het grondwater zinvol en mogelijk is in de zandgebieden. Als onderdeel van die studie wordt in dit rapport een inventarisatiestudie naar 12 mogelijk bruikbare boor- en monsternemingsmethoden tot vijf meter onder de grondwaterspiegel beschreven. Aan de hand van een aantal gewogen criteria zijn daaruit de meest kansrijke methoden geselecteerd. Het betreft een handmatige en een machinale methode voor de plaatsing van tijdelijke monsternemingsfilters. En een machinale methode voor de installatie van permanente filters.
    • Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) computational model: maintenance and management 2017

      Boon PE; Broek I van den; Kruisselbrink J; van Lenthe M; te Biesebeek JD; van Klaveren JD; van der Voet H; VVH; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-13)
      In dit rapport zijn de aanpassingen in het rekenmodel Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) beschreven die het RIVM en Wageningen University & Research in 2017 hebben uitgevoerd. MCRA is een rekenmodel waarmee de meest realistische inname van stoffen via voedsel kan worden verkregen die op dit moment mogelijk is, en eventuele gezondheidsrisico's kunnen worden geëvalueerd. Het rekenmodel is voor geregistreerde gebruikers beschikbaar via internet. De huidige versie van MCRA is versie 8.2. In 2017 zijn verschillende nieuwe functionaliteiten aan deze versie toegevoegd om de innameberekeningen van enkelvoudige stoffen of mengsels van stoffen via voedsel te verbeteren. Ook is binnen MCRA de koppeling verbeterd tussen de uitkomsten van innameberekeningen en berekeningen die de dosis aangeven waarbij een schadelijk effect van een stof kan optreden (dosis-respons modellen). Deze koppeling is een belangrijk onderdeel van een geïntegreerde risicobeoordeling. De nieuwe functionaliteiten zijn onder andere geïmplementeerd vanuit het partnership tussen het RIVM en de Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA), en vanuit het Europese project EuroMix. Het MCRA-rekenmodel is in 2017 gebruikt om de inname te berekenen van lood via de totale voeding, en van fipronil via de consumptie van ei, producten die ei bevatten, en plantaardige producten. Deze berekeningen zijn in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd door het Front Office Voedsel- en Productveiligheid van het RIVM en Wageningen UR, RIKILT. Dit Front Office beantwoordt ad-hoc-vragen van de NVWA over de veiligheid van voedsel en consumentenproducten. Het Front Office heeft MCRA ook gebruikt voor een geïntegreerde risicobeoordeling van titaniumdioxide nanodeeltjes op basis van de blootstelling via voedsel. Daarnaast is MCRA gebruikt om de inname te berekenen van verschillende stoffen die in voedsel kunnen zitten, zoals bisphenol A, minerale oliën en mengsels van bestrijdingsmiddelen.