• Multi-center study on the simultaneous administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. Part 1. Immunogenicity

      Labadie J; Sundermann LC; Rumke HC; LVO; LVM; LCB; LBA; LPO (DPT-IPV Hib vaccine study group, 1996-04-30)
      Resultaten worden beschreven van een multi-center klinische studie naar antistofvorming na twee vaccinatieschemas met simultane en gecombineerde toediening van DKTP en Hib PRP-T vaccins. 543 zuigelingen werden gerecruteerd uit 42 consultatiebureaus voor zuigelingen in Apeldoorn, Capelle en Rotterdam. De antistofrespons tegen alle vaccin-antigenen was in beide studiegroepen voldoende voor bescherming hiertegen. Een matige, maar statistisch significante interferentie werd gevonden bij de tetanus antistoffen. Deze waren lager in de groep kinderen die gecombineerde injecties kreeg dan in de groep die de injecties apart kreeg. Deze negatieve beinvloeding moet worden geinterpreteerd in het licht van de voordelen van gecombineerde toediening van deze belangrijke vaccins, waardoor het aantal injecties kan worden verminderd.
    • Multi-center study on the simultaneous administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. Part 1. Immunogenicity

      Labadie J; Sundermann LC; Rumke HC; the DPT-IPV Hib vaccine study group; LVO; LVM; LCB; LBA; LPO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      Results are presented of a multi-center clinical study into the antibody formation following two vaccination regimens with simultaneous and combined administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. 543 infants were recruited from 42 baby clinics in Apeldoorn, Capelle and Rotterdam. The antibody responses to all vaccine antigens were considered to be sufficient for protection on both study groups. A moderate but statistically significant interference was found with regard to tetanus antibodies, being lower in children who received combined injections than in children who received the separate injections. This negative interference should be interpreted in the light of the advantages of the combined administration of these important vaccines and thus of reducing the number of injections.
    • A multi-gas abatement analysis of the Kyoto Protocol

      Lucas PL; Elzen MGJ den; Vuuren DP van; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-02-15)
      This report presents an analysis of the costs and the abatement distribution of the Kyoto Protocol on the basis of a multi-gas approach, accounting for all six Kyoto gases (CO2, CH4, N2O, HFCs, PFCs, and SF6). Results are compared to earlier analyses, in which the Protocol was evaluated taking only CO2 into account. Consistent with earlier analyses, banking of emission allowances is a necessary requirement for the creation of a viable emission trading market, resulting in an international permit price in the range of 15 and 40 euro/tCeq. In such case, of the 490 MtC-eq reduction effort under the Protocol about half in permit demanding regions is achieved through international trading. Approximately 30% of the emission reduction target is realized through implementation of sinks or by the purchase of surplus emission allowances. As several low-costs emission reduction options exist for the non-CO2 emission sources, their share in total abatements is large, while CO2 represents about 30% of the emission reductions. Among the non-CO2 greenhouse gases, the largest contribution comes from CH4, for which most reductions originate in the gas sector, mainly in the Ukraine and the Russian Federation. Other important non-CO2 abatement sources are CH4 emissions from coal production and landfills, and N2O emissions from adipic and nitric acid production, mainly for the EU-25, Japan and Canada. In terms of percentage reduction from the baseline, the reductions for CH4 and the F-gases are much larger than the reductions in the CO2 emission, while in absolute terms, the largest reduction share still comes from CO2 emissions from energy use. Compared to the CO2-only analyses, a decline of both the international permit price and the total costs can be seen along with an increase of reduction in greenhouse gas emissions (in case of banking from 250 to 400 MtC-eq). These gains are somewhat reduced if banking of emission permits is assumed.
    • A multi-gas abatement analysis of the Kyoto Protocol

      Lucas PL; Elzen MGJ den; Vuuren DP van; KMD (2005-02-15)
      Dit rapport analyseert de kosten van het Kyoto Protocol en de belangrijkste emissiereductiebronnen op basis van een multi-gas benadering (alle Kyoto-gassen worden hierin meegenomen: CO2, CH4, N2O, HFCs, PFCs, en SF6). De resultaten zijn vergeleken met eerdere analyses, waarin alleen naar CO2-reductiemogelijkheden is gekeken. Het sparen van de surplus emissierechten van de Oekraine en de Russische Federatie is een absoluut vereiste om een vatbare emissiehandelsmarkt te bewerkstelligen, wat resulteert in een marktprijs tussen de 15 en de 40 euro/tCeq. Ongeveer de helft van de reductiedoelstelling van de permit-kopende landen kan verkregen worden door de emissiehandel. Ongeveer 30% van de emissiereducties kan verkregen worden door de handel in surplus emissierechten en door het inzetten van sinks-projecten. Het aandeel van CO2 in de totale emissieverminderingen is vrij klein ten opzichte van het aandeel van CO2 in het basispadscenario (circa 30%). Voor de niet-CO2 broeikasgassen komt het grootste reductieaandeel van CH4, waarvoor de meeste reducties in de gassector plaatsvinden; hoofdzakelijk in de Oekraine en de Russische Federatie. Andere belangrijke niet-CO2-emissiereductiebronnen zijn CH4 emissies uit kolenproductie en van stortplaatsen, en N2O-emissies uit de industrie; voornamelijk uit de EU-25, Canada en Japan. Ten opzichte van het basispadscenario, zijn de emissiereducties procentueel groter voor CH4 and the F-gassen dan voor CO2, terwijl in absolute termen CO2-emissies uit energiegebruik nog steeds de belangrijkste reductiebron vormen.De vergelijking met CO2-only benaderingen laat zien dat het meenemen van alle Kyoto-gassen enerzijds resulteert in een daling van zowel de internationale prijs voor verhandelbare emissierechten als de totale kosten voor de landen die kwantitatieve verplichtingen op zich hebben genomen en anderzijds in een toename in vermeden emissies (van 250 naar 400 MtC-eq). De winst die gemaakt wordt door het meenemen van alle Kyoto gassen in de analyses wordt echter sterk verminderd door deze banking strategie.
    • Multi-gas emission profiles for stabilising greenhouse gas concentrations: Emission implications of limiting global temperature increase to 2 degrees centigrade

      Eickhout B; Elzen MGJ den; Vuuren DP van; KMD (2004-02-24)
      In dit rapport presenteren we twee broeikasgas emissieprofielen die leiden tot twee verschillende stabilisatieniveaus van concentraties. De multi-gas emissieprofielen zijn gebaseerd op het 'Global Warming Potential' (GWP) concept. De concentratieniveaus zijn berekend aan de hand van de som van de stralingsforcering van de Kyoto gassen (CO2, CH4, N2O en de F-gassen). Het profiel dat stabiliseert op 550 ppmv CO2-equivalenten resulteert in een temperatuurtoename tot onder de 2 graden Celsius wanneer de klimaatgevoeligheid wordt gevarieerd tussen de 1.5 graden Celsius en 2.5 graden Celsius. Bij hogere waardes van de klimaatgevoeligheid zal het profiel leiden tot hogere temperatuurtoenames, daarmee het EU-doel overschrijdend. De onzekerheidsband van de klimaatgevoeligheid is gesteld op 1.5 graden Celsius tot 4.5 graden Celsius. Verder blijkt dat het 2 graden Celsius doel bij het 650 ppmv stabilisatieprofiel alleen binnen bereik is als de klimaatgevoeligheid aan de lage kant zit van die onzekerheidsband. Om het temperatuurdoel van de 2 graden Celsius met grotere waarschijnlijkheid te kunnen halen, zou stabilisatie dus gericht moeten worden op 550 ppmv CO2-equivalenten. Zonder het toestaan van een overshoot betekent dit stringente restricties voor de mondiale emissies, die niet later mogen pieken dan 2015 - 2020. Deze conclusies zijn ook afhankelijk van de aannames in de zwavelemissies, die niet worden meegenomen in het GWP-concept. In deze studie blijkt de onzekerheid door zwavelemissies niet groter dan 0.3 graden Celsius te zijn, wat verwaarloosbaar is ten opzichte van de onzekerheid in de klimaatgevoeligheid. Voor onze conclusies hebben we aangenomen dat de niet-CO2 broeikasgassen 100 ppmv CO2-equivalenten bijdragen aan de stabilisatieniveaus. Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat variatie in de bijdrage van niet-CO2 broeikasgassen resulteert in een ander stabilisatieniveau (plusminus 50 ppmv) en ook een andere temperatuurtoename (plusminus 0.2 graden Celsius) in de komende 100 jaar. Dit wordt verklaard door het feit dat het gebruik van GWP's, met een 100-jarig tijdshorizon, ervoor zorgt dat de bijdrage van kortlevende gassen zoals methaan wordt onderschat. Dit effect is minder zichtbaar op de langere termijn (meer dan 100 jaar), maar zorgt ervoor dat het GWP-concept minder goed bruikbaar is om temperatuurdoelen te vertalen naar equivalente broeikasgas emissiedoelen.
    • Multi-gas emission profiles for stabilising greenhouse gas concentrations: Emission implications of limiting global temperature increase to 2 degrees centigrade

      Eickhout B; Elzen MGJ den; Vuuren DP van; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-02-24)
      In this report we present two CO2-equivalent emission profiles leading to two different stabilised greenhouse gas concentration levels. The contribution of the various greenhouse gas emissions is expressed in CO2-equivalent emissions. These equivalent emissions are determined by using the concept of Global Warming Potential (GWP). Moreover the radiative forcing of the emission profiles are summed resulting in CO2 equivalent concentration levels. The profile leading to 550 ppmv CO2-equivalents can result in a maximum global mean temperature increase of less than 2 degrees centigrade above pre-industrial level (i.e. 1765), with a low to medium value for climate sensitivity. The profile leading to 650 ppmv CO2-equivalents only remains below the 2 degrees centigrade level if the value for climate sensitivity is at the low end of the range, which means that this profile is unlikely to meet the 2 degrees centigrade target. With a high climate sensitivity of 4.5 degrees centigrade, the target will not be met under either profile. A robust conclusion is that the 550 ppmv CO2-equivalent stabilisation level can only be reached if global emissions peak around 2015 or if an overshoot of 550 ppmv is allowed. Other conclusions also depend on the level of sulphur emission reductions and the share of non-CO2 greenhouse gas emissions in the reductions. Sulphur emissions are not taken into account in the GWP concept, but only have a small effect on the temperature increase in the short term. In the default analyses it is assumed that non-CO2 greenhouse gases contribute 100 ppmv CO2-equivalents in both profiles. From a sensitivity analysis we concluded that the variation in the contribution of non-CO2 greenhouse gas emissions leads to a variation of about 50 ppmv in CO2-equivalents and about 0.2 degrees centigrade temperature change in the short term (i.e. until 2100). This effect occurs since the GWP concept tends to underestimate the effect of efforts to reduce the emissions of short-lived gases such as CH4. The effects of CO2 mitigation measures are underestimated in the long-term (over 100 years). This shows that the validity of the GWP concept beyond short-term emission goals is limited.
    • Multi-scale land use modelling with the CLUE Modelling Framework

      Koning GHJ de; Veldkamp A; Kok K; Ridder N de; Fresco LO; Schoorl J; NOP (2001-01-01)
      Abstract niet beschikbaar
    • Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus

      Wang, J; Pouwels, X; Ramaekers, B; Frederix, G; van Lieshout, C; Hoogenveen, R; Li, X; de Wit, GA; Joore, M; Koffijberg, H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-01)
      Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
    • Een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn: de potentiele gezondheidswinst

      Picavet HSJ; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-03-18)
      Een op de vijf mensen heeft chronische rugklachten, een op de tien consulteert jaarlijks de huisarts vanwege lage rugklachten, en lage rugklachten veroorzaken veel ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Alle reden om de mogelijkheden voor preventie na te gaan.In 1997-1999 is in Australie een succesvolle multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn uitgevoerd. In opdracht van het ministerie van VWS is nagegaan wat de opbrengst zou kunnen zijn indien we in Nederland een dergelijke multimedia publiekscampagne gericht op lage rugpijn zouden uitvoeren.Voor deze schattingen zijn gegevens over effecten van een campagne (uit het buitenland) en de omvang van de gezondheidsproblematiek van lage rugpijn (in Nederland) gecombineerd.Effecten zijn gekwantificeerd voor de omvang van lage rugpijn, de omvang van het zorggebruik, het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid.De effecten kunnen als volgt worden samengevat:-het 'de-medicaliseren' van een public health probleem-het verbeteren van de implementatie van richtlijnen in de medische praktijk-het verminderen van de lastendruk op huisarts en specialist-het mensen beter in staat stellen met pijnklachten om te gaan (empowerment)-het verminderen van verzuim en arbeidsongeschiktheid.Indien de effecten van de Australische campagne worden vertaald naar Nederland dan is naar schatting 5% van chronische rugpijn episoden, 25% van de kosten van de gezondheidszorg ten gevolg van lage rugklachten, 15% van de verzuimdagen ten gevolge van rugklachten en 15% van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te voorkomen.Als de potentiele effecten uitgedrukt worden in geld, zou een kostenreductie kunnen worden verwacht van ruim 200 miljoen Euro in het derde jaar na de start van zo'n campagne. Daarbij is zoveel mogelijk uitgegaan van de situatie in het jaar 2000. Deze schatting geeft een indruk van de potentieel grote impact van een preventiecampagne, maar dient als feitelijk cijfer met voorzichtigheid geinterpreteerd te worden, gezien de grote onzekerheden rondom de schattingen.De potentieel grote gezondheidswinst en kostenbesparing zouden ervoor pleiten ook in Nederland een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugklachten uit te voeren.
    • Multiple Path Particle Deposition Model (MPPDep Version 1.11). A model for human and rat airway particle deposition

      Freijer JI; Cassee FR; Subramaniam R; Asghararian B; Anjilvel S; Miller FJ; Bree L van; Rombout PJA; LEO; LBM; et al. (Chemical Industry Institute of Toxicology (CIIT), 1999-10-31)
      Het programma is grotendeels gebaseerd op in de literatuur beschreven 'multiple path' modellen voor aerosolen, wat als belangrijk voordeel ten opzichte van bestaande modellen heeft dat het gebruik maakt van de morfologische gegevens van een individu. Het omvat zowel modules voor het bepalen van de gedeponeerde dosis in zowel de mens als in proefdieren (rat). De modellen zijn in staat om op basis van bestaande morfologische en functionele gegevens de dosis en flux in een bepaald segment of regio van de luchtwegen vast te berekenen. Daarnaast kunnen binnen een zekere range de functionele parameters als ademhalingsfrequentie worden aangepast om hiermee bepaalde luchtwegaandoeningen te kunnen simuleren. Een andere belangrijke modificatie is het toevoegen van functies voor de inhaleerbaarheid van aerosolen, het invoeren van gegevens over poydisperse aerosolen. Het softwarepakket is gebruikersvriendelijk door toepassing van een grafische interface en geschreven voor een MS-Windows 9x/NT.
    • Multiple Path Particle Dosimetry model (MPPD v1.0): A model for human and rat airway particle dosimetry

      Price OT; Asgharian B; Miller FJ; Cassee FR; de Winter-Sorkina R; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-12-11)
      Dit model berekent de depositie en de klaring van monodisperse en polydisperse aerosolen in de luchtwegen en longen van ratten, de volwassen mens en kinderen voor deeltjes tussen ultrafijn (0.01 um) en grof (20 um) stof. Het model is gebaseerd op 'single-path' en 'multiple-path' methoden om het verloop van de luchtstroom te volgen en te berekenen wat de aerosol depositie in de longen is. Het 'single-path' model berekent de depositie in een specifieke route per luchtweggeneratie, terwijl het 'multiple-path' model de deeltjes depositie in alle luchtwegen van de longen berekent en longlob-specifieke en luchtwegspecifieke informatie verschaft. Binnen elke luchtweg wordt de depositie berekend met behulp van theoretisch afgeleide efficienties voor depositie door diffusie, sedimentatie en impactie in de luchtwegen of op splitsingen hiervan. Filtratie van aerosolen in het hoofd (neus en mond) wordt bepaald met behulp van empirische efficientie functies.<br>
    • Multiple stress by repeated use of plant protection products in agricultural areas

      Luttik R; Zorn MI; Brock TCM; Broek I van den; van der Linden AMA; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-13)
      Current risk assessment of plant protection products is performed on a formulated-product-by-formulated-product basis and does not take into account the fact that products may be mixed and/or that different products are used sequentially within a growing season. This report evaluates three possibilities for taking these aspects into account in the future that target the risks for surface water. The investigated methods have been shown to be able to take 'multiple stresses' into consideration. Further investigation is needed to check if these methods are sufficient. In this report, three different methods were used to assess the multiple stresses caused by parallel and sequential applications of plant protection products according to realistic application scenarios during the growing season of a tuber crop and an orchard crop. The methods show the effects of the different products on the organisms living in a ditch at the edge of a field. The first method used is the so-called Toxic Unit method, in which the contributions of the individual substances to the overall toxicity are summed and the maximum in time is calculated. The second method, the mixture toxic pressure method (msPAF), calculates the potentially affected fraction of aquatic organisms, taking into account differences in the sensitivity of the organisms to the various substances. The third method, the MASTEP population model, calculates the time necessary for a sensitive aquatic organism (an aquatic isopod) to recover from its exposure to the various substances. The Toxic Unit method (TU) is the one most comparable to the current authorization assessment. All three methods show that a few substances determine a large part of the calculated total effect. The TU-method and the mixture toxic pressure (msPAF) method are useful in identifying these active substances. These selected substances were then used in the MASTEP calculations. The MASTEP method, using Asellus aquaticus as indicator species, did indicate no or hardly any longer recovery times for the multiple applications in comparison with those calculated for the individual pesticide applications. This result applies to species with a high number of offspring. It is recommended that the MASTEP method is used with water organisms that have other survival strategies. At the moment, EFSA (European Food Safety Authority) undertakes activities to develop tools and guidance to assess the human and ecological risks of combined exposure to multiple active substances. This report can contribute to these activities.
    • Municipal climate change policies: A case study for Amsterdam

      Schol E; Bosch A van den; Ligthart FATM; Romer JC; Ruijg GJ; Schaeffer GJ; Dinkelman GH; Kok IC; Paauw KFB de; PB-NOP (Netherlands Energy Research Foundation ECN, 1999-06-25)
      Abstract niet beschikbaar
    • Mutagene stoffen en risico&apos;s voor natuurlijke populaties. Onderzoek met Daphnia magna als modelorganisme. II. Experimenten met een mutagene stof

      Vaal MA; Breedijk I; Dekker MP; Mout HCA; Kramers PGN; Roghair CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      Daphnia magna is used as a model organism to study the consequences of the impact of mutagenic chemicals to natural populations. Adult daphnids were exposed to a mutagenic test compound to test whether their offspring showed effects of induced mutations at exposure levels lower than the No Observed Effect Concentration for growth and reproduction. Life-history parameters were used as test parameters. A concentration-related toxic effect to reproduction could be measured reproducibly in the exposed adult daphnids. However, no indication of a mutagenic effect could be detected in their offspring. This may have been due to the inadequateness of the system to detect induced genetic change.<br>
    • Mutagenic and antimutagenic activities of bioflavonoids and structural analogues in the Ames/Salmonella test

      Mohn GR; Stel JJ van der; Stavenuiter JFC; Hamzink MRJ; Kreijl CF; LEO; LBO (1996-04-30)
      De mutagene en antimutagene eigenschappen van bioflavonoiden werden in de bacteriele mutageniteitstest van Ames met Salmonella typhimurium stammen TA98 en TA100 onderzocht. De volgorde van mutagene activiteit voor beide stammen in aanwezigheid van metabole activering was quercetine>myricetine-kaempferol>morin hydraat. De stoffen galangin, luteoline, apigenine en chrysin vertoonden geen mutagene werking voor Salmonella TA98 en/of TA100. De antimutagene werking van de bioflavonoiden werd bepaald tegen de mutagene werking van benzo(a)pyreen in Salmonella stammen TA98 en TA100. Alle hier onderzochte stoffen, inclusief de stof met het laagst aantal hydroxylgroepen en chrysin vertoonden een antimutagene werking tegen de mutageniteit van benzo(a)pyreen.
    • Mutagenic and antimutagenic activities of bioflavonoids and structural analogues in the Ames/Salmonella test

      Mohn GR; Van der Stel JJ; Stavenuiter JFC; Hamzink MRJ; Kreijl CF; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      The mutagenic and antimutagenic properties of bioflavonoids were determined in the bacterial mutagenicity test of Ames, using Salmonella typhimurium strains TA98 and TA100. The decreasing order of mutagenic activity found in both strains was quercetin>myricetin-kaempferol>morin hydrate. The compounds galangin, luteolin, apigenin, and chrysin were devoid of mutagenic activity under the present conditions. The antimutagenic activity of the bioflavonoids was measured against the mutagenic activity of benzo(a)pyrene (BaP) in Salmonella strains TA98 and TA100. All compounds investigated, including the compound with the lowest number of hydrozyl side groups and chrysin, did show antimutagenic activity against BaP-induced mutagenesis.
    • Mutagenicity of chemicals in genetically modified animals

      Willems MI; Benthem J van; TNO Zeist; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-02-05)
      The strategy for assessing human health risks of chemicals consists of a large number of tests in different research disciplines. Tests include acute and chronic toxicity, genotoxicity, reproduction toxicity and carcinogenicity. Genotoxic properties of chemicals are assessed in short-term in vitro and in vivo genotoxicity tests. There are two main endpoints for genotoxicity: gene mutations and chromosome aberrations. Under in vitro conditions, there are sufficient assays for both endpoints. Testing under in vivo conditions is essential to confirm in vitro data since it is impossible to mimic, in a petri dish, all the complex factors determining whether a chemical will induce mutations in a specific tissue in animals in vivo. Moreover, in a regulatory context, a relevant negative in vivo result from an adequately performed test overrules positive in vitro results. There are appropriate assays in existence to investigate in vivo chromosome aberration; however, problems occur when a compound induces gene mutations in vitro. In the absence of reliable in vivo gene mutation assays, a justified assessment of the genotoxic potential of chemicals may be hampered. Introduced in this report, based open literature data up to August 2000, are several promising new in vivo gene mutation assays. The report is not restricted to assays with the commercially available transgenic models; all assays - whether using transgenes or endogenous genes as reporter genes - are incorporated. In reviewing the current state of the art in evaluating these assays, the advantages and the disadvantages of the assays are discussed. This is to determine the feasibility of the routine use of these new in vivo gene mutation tests for health risk estimation. Gene mutation assays with transgenic animals have already been used on a small scale for legislation of chemicals. However, to allow the routine use of these assays for regulatory purposes, they will have to be validated further and an official OECD guideline prepared.
    • Mutagenicity of chemicals in genetically modified animals

      Willems MI; van Benthem J; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Zeist, 2001-02-05)
      The strategy for assessing human health risks of chemicals consists of a large number of tests in different research disciplines. Tests include acute and chronic toxicity, genotoxicity, reproduction toxicity and carcinogenicity. Genotoxic properties of chemicals are assessed in short-term in vitro and in vivo genotoxicity tests. There are two main endpoints for genotoxicity: gene mutations and chromosome aberrations. Under in vitro conditions, there are sufficient assays for both endpoints. Testing under in vivo conditions is essential to confirm in vitro data since it is impossible to mimic, in a petri dish, all the complex factors determining whether a chemical will induce mutations in a specific tissue in animals in vivo. Moreover, in a regulatory context, a relevant negative in vivo result from an adequately performed test overrules positive in vitro results. There are appropriate assays in existence to investigate in vivo chromosome aberration; however, problems occur when a compound induces gene mutations in vitro. In the absence of reliable in vivo gene mutation assays, a justified assessment of the genotoxic potential of chemicals may be hampered. Introduced in this report, based open literature data up to August 2000, are several promising new in vivo gene mutation assays. The report is not restricted to assays with the commercially available transgenic models; all assays - whether using transgenes or endogenous genes as reporter genes - are incorporated. In reviewing the current state of the art in evaluating these assays, the advantages and the disadvantages of the assays are discussed. This is to determine the feasibility of the routine use of these new in vivo gene mutation tests for health risk estimation. Gene mutation assays with transgenic animals have already been used on a small scale for legislation of chemicals. However, to allow the routine use of these assays for regulatory purposes, they will have to be validated further and an official OECD guideline prepared.<br>
    • Mutageniteit en cytotoxiciteit van buitenlucht aerosol bij bacterien en zoogdiercellen in vitro

      Kramers PGN; Voogd CE; Knaap AGAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      Extracten van buitenlucht-aerosol zijn cytotoxisch voor V79 Chinese hamstercellen in vitro. Deze parameter kan gebruikt worden voor de karakterisering van luchtstof. Bij het bepalen van de mutageniteit van extracten van luchtstof in de Ames-test zijn diverse experimentele condities van grote invloed op het eindresultaat. Nitro-reductase- deficiente stammen van Salmonella typhimurium, welke resistent zijn tegen bepaalde klassen van verbindingen, vertonen een sterk gereduceerde mutagene respons in vergelijking met andere Salmonella stammen. Dit geeft aan dat het gebruik van deze stammen indicaties kan geven over de samenstelling van buitenlucht-aerosool.<br>