• Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus

      Wang, J; Pouwels, X; Ramaekers, B; Frederix, G; van Lieshout, C; Hoogenveen, R; Li, X; de Wit, GA; Joore, M; Koffijberg, H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-01)
      Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
    • Een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn: de potentiele gezondheidswinst

      Picavet HSJ; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-03-18)
      Een op de vijf mensen heeft chronische rugklachten, een op de tien consulteert jaarlijks de huisarts vanwege lage rugklachten, en lage rugklachten veroorzaken veel ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Alle reden om de mogelijkheden voor preventie na te gaan.In 1997-1999 is in Australie een succesvolle multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn uitgevoerd. In opdracht van het ministerie van VWS is nagegaan wat de opbrengst zou kunnen zijn indien we in Nederland een dergelijke multimedia publiekscampagne gericht op lage rugpijn zouden uitvoeren.Voor deze schattingen zijn gegevens over effecten van een campagne (uit het buitenland) en de omvang van de gezondheidsproblematiek van lage rugpijn (in Nederland) gecombineerd.Effecten zijn gekwantificeerd voor de omvang van lage rugpijn, de omvang van het zorggebruik, het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid.De effecten kunnen als volgt worden samengevat:-het 'de-medicaliseren' van een public health probleem-het verbeteren van de implementatie van richtlijnen in de medische praktijk-het verminderen van de lastendruk op huisarts en specialist-het mensen beter in staat stellen met pijnklachten om te gaan (empowerment)-het verminderen van verzuim en arbeidsongeschiktheid.Indien de effecten van de Australische campagne worden vertaald naar Nederland dan is naar schatting 5% van chronische rugpijn episoden, 25% van de kosten van de gezondheidszorg ten gevolg van lage rugklachten, 15% van de verzuimdagen ten gevolge van rugklachten en 15% van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te voorkomen.Als de potentiele effecten uitgedrukt worden in geld, zou een kostenreductie kunnen worden verwacht van ruim 200 miljoen Euro in het derde jaar na de start van zo'n campagne. Daarbij is zoveel mogelijk uitgegaan van de situatie in het jaar 2000. Deze schatting geeft een indruk van de potentieel grote impact van een preventiecampagne, maar dient als feitelijk cijfer met voorzichtigheid geinterpreteerd te worden, gezien de grote onzekerheden rondom de schattingen.De potentieel grote gezondheidswinst en kostenbesparing zouden ervoor pleiten ook in Nederland een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugklachten uit te voeren.
    • Multiple Path Particle Deposition Model (MPPDep Version 1.11). A model for human and rat airway particle deposition

      Freijer JI; Cassee FR; Subramaniam R; Asghararian B; Anjilvel S; Miller FJ; Bree L van; Rombout PJA; LEO; LBM; et al. (Chemical Industry Institute of Toxicology (CIIT), 1999-10-31)
      Het programma is grotendeels gebaseerd op in de literatuur beschreven 'multiple path' modellen voor aerosolen, wat als belangrijk voordeel ten opzichte van bestaande modellen heeft dat het gebruik maakt van de morfologische gegevens van een individu. Het omvat zowel modules voor het bepalen van de gedeponeerde dosis in zowel de mens als in proefdieren (rat). De modellen zijn in staat om op basis van bestaande morfologische en functionele gegevens de dosis en flux in een bepaald segment of regio van de luchtwegen vast te berekenen. Daarnaast kunnen binnen een zekere range de functionele parameters als ademhalingsfrequentie worden aangepast om hiermee bepaalde luchtwegaandoeningen te kunnen simuleren. Een andere belangrijke modificatie is het toevoegen van functies voor de inhaleerbaarheid van aerosolen, het invoeren van gegevens over poydisperse aerosolen. Het softwarepakket is gebruikersvriendelijk door toepassing van een grafische interface en geschreven voor een MS-Windows 9x/NT.
    • Multiple Path Particle Dosimetry model (MPPD v1.0): A model for human and rat airway particle dosimetry

      Price OT; Asgharian B; Miller FJ; Cassee FR; de Winter-Sorkina R; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-12-11)
      Dit model berekent de depositie en de klaring van monodisperse en polydisperse aerosolen in de luchtwegen en longen van ratten, de volwassen mens en kinderen voor deeltjes tussen ultrafijn (0.01 um) en grof (20 um) stof. Het model is gebaseerd op 'single-path' en 'multiple-path' methoden om het verloop van de luchtstroom te volgen en te berekenen wat de aerosol depositie in de longen is. Het 'single-path' model berekent de depositie in een specifieke route per luchtweggeneratie, terwijl het 'multiple-path' model de deeltjes depositie in alle luchtwegen van de longen berekent en longlob-specifieke en luchtwegspecifieke informatie verschaft. Binnen elke luchtweg wordt de depositie berekend met behulp van theoretisch afgeleide efficienties voor depositie door diffusie, sedimentatie en impactie in de luchtwegen of op splitsingen hiervan. Filtratie van aerosolen in het hoofd (neus en mond) wordt bepaald met behulp van empirische efficientie functies.<br>
    • Multiple stress by repeated use of plant protection products in agricultural areas

      Luttik R; Zorn MI; Brock TCM; Broek I van den; van der Linden AMA; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-13)
      Current risk assessment of plant protection products is performed on a formulated-product-by-formulated-product basis and does not take into account the fact that products may be mixed and/or that different products are used sequentially within a growing season. This report evaluates three possibilities for taking these aspects into account in the future that target the risks for surface water. The investigated methods have been shown to be able to take 'multiple stresses' into consideration. Further investigation is needed to check if these methods are sufficient. In this report, three different methods were used to assess the multiple stresses caused by parallel and sequential applications of plant protection products according to realistic application scenarios during the growing season of a tuber crop and an orchard crop. The methods show the effects of the different products on the organisms living in a ditch at the edge of a field. The first method used is the so-called Toxic Unit method, in which the contributions of the individual substances to the overall toxicity are summed and the maximum in time is calculated. The second method, the mixture toxic pressure method (msPAF), calculates the potentially affected fraction of aquatic organisms, taking into account differences in the sensitivity of the organisms to the various substances. The third method, the MASTEP population model, calculates the time necessary for a sensitive aquatic organism (an aquatic isopod) to recover from its exposure to the various substances. The Toxic Unit method (TU) is the one most comparable to the current authorization assessment. All three methods show that a few substances determine a large part of the calculated total effect. The TU-method and the mixture toxic pressure (msPAF) method are useful in identifying these active substances. These selected substances were then used in the MASTEP calculations. The MASTEP method, using Asellus aquaticus as indicator species, did indicate no or hardly any longer recovery times for the multiple applications in comparison with those calculated for the individual pesticide applications. This result applies to species with a high number of offspring. It is recommended that the MASTEP method is used with water organisms that have other survival strategies. At the moment, EFSA (European Food Safety Authority) undertakes activities to develop tools and guidance to assess the human and ecological risks of combined exposure to multiple active substances. This report can contribute to these activities.
    • Municipal climate change policies: A case study for Amsterdam

      Schol E; Bosch A van den; Ligthart FATM; Romer JC; Ruijg GJ; Schaeffer GJ; Dinkelman GH; Kok IC; Paauw KFB de; PB-NOP (Netherlands Energy Research Foundation ECN, 1999-06-25)
      Abstract niet beschikbaar
    • Mutagene stoffen en risico&apos;s voor natuurlijke populaties. Onderzoek met Daphnia magna als modelorganisme. II. Experimenten met een mutagene stof

      Vaal MA; Breedijk I; Dekker MP; Mout HCA; Kramers PGN; Roghair CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      Daphnia magna is used as a model organism to study the consequences of the impact of mutagenic chemicals to natural populations. Adult daphnids were exposed to a mutagenic test compound to test whether their offspring showed effects of induced mutations at exposure levels lower than the No Observed Effect Concentration for growth and reproduction. Life-history parameters were used as test parameters. A concentration-related toxic effect to reproduction could be measured reproducibly in the exposed adult daphnids. However, no indication of a mutagenic effect could be detected in their offspring. This may have been due to the inadequateness of the system to detect induced genetic change.<br>
    • Mutagenic and antimutagenic activities of bioflavonoids and structural analogues in the Ames/Salmonella test

      Mohn GR; Stel JJ van der; Stavenuiter JFC; Hamzink MRJ; Kreijl CF; LEO; LBO (1996-04-30)
      De mutagene en antimutagene eigenschappen van bioflavonoiden werden in de bacteriele mutageniteitstest van Ames met Salmonella typhimurium stammen TA98 en TA100 onderzocht. De volgorde van mutagene activiteit voor beide stammen in aanwezigheid van metabole activering was quercetine>myricetine-kaempferol>morin hydraat. De stoffen galangin, luteoline, apigenine en chrysin vertoonden geen mutagene werking voor Salmonella TA98 en/of TA100. De antimutagene werking van de bioflavonoiden werd bepaald tegen de mutagene werking van benzo(a)pyreen in Salmonella stammen TA98 en TA100. Alle hier onderzochte stoffen, inclusief de stof met het laagst aantal hydroxylgroepen en chrysin vertoonden een antimutagene werking tegen de mutageniteit van benzo(a)pyreen.
    • Mutagenic and antimutagenic activities of bioflavonoids and structural analogues in the Ames/Salmonella test

      Mohn GR; Van der Stel JJ; Stavenuiter JFC; Hamzink MRJ; Kreijl CF; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      The mutagenic and antimutagenic properties of bioflavonoids were determined in the bacterial mutagenicity test of Ames, using Salmonella typhimurium strains TA98 and TA100. The decreasing order of mutagenic activity found in both strains was quercetin>myricetin-kaempferol>morin hydrate. The compounds galangin, luteolin, apigenin, and chrysin were devoid of mutagenic activity under the present conditions. The antimutagenic activity of the bioflavonoids was measured against the mutagenic activity of benzo(a)pyrene (BaP) in Salmonella strains TA98 and TA100. All compounds investigated, including the compound with the lowest number of hydrozyl side groups and chrysin, did show antimutagenic activity against BaP-induced mutagenesis.
    • Mutagenicity of chemicals in genetically modified animals

      Willems MI; Benthem J van; TNO Zeist; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-02-05)
      The strategy for assessing human health risks of chemicals consists of a large number of tests in different research disciplines. Tests include acute and chronic toxicity, genotoxicity, reproduction toxicity and carcinogenicity. Genotoxic properties of chemicals are assessed in short-term in vitro and in vivo genotoxicity tests. There are two main endpoints for genotoxicity: gene mutations and chromosome aberrations. Under in vitro conditions, there are sufficient assays for both endpoints. Testing under in vivo conditions is essential to confirm in vitro data since it is impossible to mimic, in a petri dish, all the complex factors determining whether a chemical will induce mutations in a specific tissue in animals in vivo. Moreover, in a regulatory context, a relevant negative in vivo result from an adequately performed test overrules positive in vitro results. There are appropriate assays in existence to investigate in vivo chromosome aberration; however, problems occur when a compound induces gene mutations in vitro. In the absence of reliable in vivo gene mutation assays, a justified assessment of the genotoxic potential of chemicals may be hampered. Introduced in this report, based open literature data up to August 2000, are several promising new in vivo gene mutation assays. The report is not restricted to assays with the commercially available transgenic models; all assays - whether using transgenes or endogenous genes as reporter genes - are incorporated. In reviewing the current state of the art in evaluating these assays, the advantages and the disadvantages of the assays are discussed. This is to determine the feasibility of the routine use of these new in vivo gene mutation tests for health risk estimation. Gene mutation assays with transgenic animals have already been used on a small scale for legislation of chemicals. However, to allow the routine use of these assays for regulatory purposes, they will have to be validated further and an official OECD guideline prepared.
    • Mutagenicity of chemicals in genetically modified animals

      Willems MI; van Benthem J; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Zeist, 2001-02-05)
      The strategy for assessing human health risks of chemicals consists of a large number of tests in different research disciplines. Tests include acute and chronic toxicity, genotoxicity, reproduction toxicity and carcinogenicity. Genotoxic properties of chemicals are assessed in short-term in vitro and in vivo genotoxicity tests. There are two main endpoints for genotoxicity: gene mutations and chromosome aberrations. Under in vitro conditions, there are sufficient assays for both endpoints. Testing under in vivo conditions is essential to confirm in vitro data since it is impossible to mimic, in a petri dish, all the complex factors determining whether a chemical will induce mutations in a specific tissue in animals in vivo. Moreover, in a regulatory context, a relevant negative in vivo result from an adequately performed test overrules positive in vitro results. There are appropriate assays in existence to investigate in vivo chromosome aberration; however, problems occur when a compound induces gene mutations in vitro. In the absence of reliable in vivo gene mutation assays, a justified assessment of the genotoxic potential of chemicals may be hampered. Introduced in this report, based open literature data up to August 2000, are several promising new in vivo gene mutation assays. The report is not restricted to assays with the commercially available transgenic models; all assays - whether using transgenes or endogenous genes as reporter genes - are incorporated. In reviewing the current state of the art in evaluating these assays, the advantages and the disadvantages of the assays are discussed. This is to determine the feasibility of the routine use of these new in vivo gene mutation tests for health risk estimation. Gene mutation assays with transgenic animals have already been used on a small scale for legislation of chemicals. However, to allow the routine use of these assays for regulatory purposes, they will have to be validated further and an official OECD guideline prepared.<br>
    • Mutageniteit en cytotoxiciteit van buitenlucht aerosol bij bacterien en zoogdiercellen in vitro

      Kramers PGN; Voogd CE; Knaap AGAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      Extracten van buitenlucht-aerosol zijn cytotoxisch voor V79 Chinese hamstercellen in vitro. Deze parameter kan gebruikt worden voor de karakterisering van luchtstof. Bij het bepalen van de mutageniteit van extracten van luchtstof in de Ames-test zijn diverse experimentele condities van grote invloed op het eindresultaat. Nitro-reductase- deficiente stammen van Salmonella typhimurium, welke resistent zijn tegen bepaalde klassen van verbindingen, vertonen een sterk gereduceerde mutagene respons in vergelijking met andere Salmonella stammen. Dit geeft aan dat het gebruik van deze stammen indicaties kan geven over de samenstelling van buitenlucht-aerosool.<br>
    • Mutageniteit en cytotoxiciteit van buitenluchtaerosol: chemische fractionering van extracten en variaties van biologische effecten in het jaarverloop

      Kramers PGN; Sicherer-Roetman A; Voogd CE; Knaap AGAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-03-31)
      De fractionering van aerosolextracten werd verbeterd m.b.t. de recovery van modelstoffen. De recovery van de mutageniteit in de fracties is nog voor verbetering vatbaar. De mutageniteit en cytotoxiciteit van aerosolextracten over het jaarverloop vertonen een maximum in de wintermaanden. De twee biologische parameters zijn in beperkte mate gecorreleerd. Correlaties van de biologische parameters met SO2- gehaltes zijn hoger dan met niveau's van stikstofoxiden.<br>
    • Mutageniteit van het buitenluchtaerosol. Fractionering en subfractionering van extracten

      Sicherer-Roetman A; Ramlal M; van de Wiel HJ; Voogd CE; van der Stel JJ; Kramers PGN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      Tolueen-extracten van buitenluchtaerosol kunnen met XAD-2 kwantitatief worden opgesplitst in 3 klassen: apolair, polair, poly-aromatisch. HPLC-fractionering van de meest mutagene fractie toont de verdeling van mutageniteit over zeer vele componenten.<br>
    • N-nitrosaminen en nitroseerbare verbindingen in spenen en enige andere rubber- en plastic produkten

      Ellen; G.; Sahertian; E.T. (1984-05-04)
      Van 14 monsters spenen, 8 monsters fopspenen en 3 monsters ballonnen werd de afgifte aan speekselsimulans van n-nitrosaminen (NA) en nitroseerbare stoffen (NS) bepaald. Het merendeel van de monsters overschreed de van kracht zijnde limieten (1 mug NA/kg en 20 mug NS/kg speen) meer dan 10-voudig. De NA-gehalten liepen voor de spenen uiteen van 1-53 mug/kg (gem. 19,9 mug/kg) en voor de fopspenen van 5-19 mug/kg (gem. 11,6 mug/kg). Voor de NS waren deze waarden voor spenen 35-3402 mug/kg (gem. 752 mug/kg) en voor fopspenen 66-5029 mug/kg (gem. 1240 mug/kg). Ballonnen bleken eveneens NA te bevatten ; vnl. NDMA en NDEA, gem, 82 mug/kg en aan nitroseerbare stoffen gemiddeld 2384 mug/kg. De onderzochte medische artikelen, vnl. catheters, bevatten geen of zeer lage hoeveelheden NA.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst van der EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      The N-nitrosamine problem in cosmetics has been reviewed on behalf of the Chief Inspectorate of Health Protection (HIGB). Problem issues that emerge from this review are NDELA [N-nitroso-diethanolamine] and NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)-benzoate]. Data on the NMPABAO content of Dutch retail samples are lacking and those available for NDELA date back to the early eighties. N-nitrosamines pose a potential consumer health risk and these compounds should not be present in cosmetic products. Since 1992 legal guidelines that restrict the occurrence of N-nitrosamines in cosmetics are operational in the European Union. It is advised to analyse a selected number of Dutch retail samples for NDELA and NMPABAO and to develop an appropriate method of analysis. A combination of capillary gas chromatography and chemiluminescence detection with a Thermal Energy Analyzer (TEA) is estimated to be best suitable for this.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Op verzoek van de HIGB is de N-nitrosamine problematiek in cosmetische produkten in kaart gebracht. Deze spitst zich toe op de verbindingen NDELA [N-nitrosodiethanolamine] en NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)benzoaat]. Gegevens over NMPABAO-gehalten in cosmetica van de Nederlandse markt ontbreken terwijl de informatie over NDELA-gehalten stamt uit het begin van de tachtiger jaren. N-nitrosaminen vormen een potentiele bedreiging voor de gezondheid van de gebruiker en horen niet in cosmetica thuis. Sinds 1992 is er een wettelijke regeling van kracht in de Europese Unie wat het voorkomen van N-nitrosaminen in cosmetica betreft. Aanbevolen wordt een selectief aantal monsters van de Nederlandse markt te onderzoeken op NDELA en NMPABAO en de hiervoor benodigde analysemethode te ontwikkelen. De beste basis hiervoor is capillaire gaschromatografie in combinatie met chemiluminescentie-detectie met behulp van een Thermal Energy Analyzer (TEA).<br>
    • N-Nitrosodiethanolamine (NDELA) in cosmetica methode ontwikkeling en monster analyse

      Rijst EC van; Schothorst RC; ARO (1997-09-30)
      In 1995 is op verzoek van de Inspectie Gezondheids Bescherming de N-nitrosamine problematiek in cosmetische producten in kaart gebracht. Voor het bepalen van NDELA in cosmetica is de GC-TEA methode ontwikkeld en gevalideerd. De terugwinning voor NDELA is gemiddeld 99% (N=4) en de bepaalbaarheidsgrens is 5 mug NDELA / kg cosmetica. De GC-TEA methode is gebruikt om in 48 cosmetische producten, waaronder shampoos, cremes, melk , conditioners en schuimen het NDELA gehalte te bepalen. Alle bepalingen werden in tweevoud uitgevoerd en voor elke 10 cosmetica monsters is een terugwinnings- en blanco-experiment uitgevoerd. De resultaten van deze kwaliteitsexperimenten voldeden aan de kwaliteitskenmerken van de ontwikkelde methode.Van de 48 onderzochte monsters cosmetica bevatten vier monsters meetbare hoeveelheden NDELA.
    • Naar afgestemde kwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater en oppervlaktewater

      Willems WJ; Fraters B; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-30)
      In dit rapport worden de huidige milieukwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen in grond- en oppervlaktewater geevalueerd. Het doel van de studie was de kwaliteitsdoelstellingen voor grondwater te heroverwegen met het oog op de afstemming hiervan op de kwaliteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater. De huidige kwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen zijn vergeleken met gegevens over de naturrlijke achtergrond concentraties in ondiep en diep grondwater. Op basis van deze vergelijking en de evaluatie is een voorstel opgenomen voor nieuwe milieukwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater. Tevens zijn enkele suggesties gegeven voor de verbetering van het systeem van doelstellingen voor zowel grond- als oppervlaktewater.<br>