• Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (1996-11-30)
      Dit rapport vormt een aanzet tot een integrale milieumonitoringstrategie voor het RIVM. Milieumonitoring is het diagnostisch apparaat waarmee op regelmatige basis informatie wordt verzameld die nodig is om de ontwikkeling van de milieukwaliteit in relatie tot het milieubeleid te volgen. Het gaat om de doorwerking van beleidsinstrumenten naar doelgroepactiviteiten, de resulterende milieudruk, de abiotische milieukwaliteit en de effecten op volksgezondheid, ecosystemen en voorraden (de 'beleid-effectketen'). De volgende verschuivingen worden voorzien: 1) Verbetering van de doelgroepmonitoring heeft de hoogste prioriteit. 2) De inzet van beleidsinstrumenten zal beperkt worden gemonitord. 3) Milieukwaliteitsmonitoring wordt meer toegespitst op de, vanuit bronnen en effect bezien, meest relevante gebieden.
    • Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      This report describes the development of an environmental monitoring strategy for the National Institute of Public Health and the Environment. Environmental Monitoring is seen as the information system underpinning regular assessment of the environmental quality in relation to environmental policy measures. Concerned here is the influence of policy measures in industrial, agricultural and social activities ; the resulting abiotic environmental quality and the effects on public health, as well as ecosystems and depletion of resources (the so-called 'policy-effect chain'). This will lead to a shift in the RIVM monitoring programme: 1) to increase efforts to obtain high quality environmental pressure data as input to computer information systems ; 2) to set up small monitoring programmes on the application of environmental policy measures ; 3) to focus from the point of view of causes and effects the long-term monitoring systems for chemical/physical environmental quality more on the most relevant locations.
    • Naar een integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Een beschrijving van beleidsmaatregelen binnen en buiten de volksgezondheidssector

      Schrijvers CTM; Storm I; VTV (2009-05-28)
      Er bestaan veel beleidsmaatregelen om gezondheidsachterstanden te verkleinen, maar er is nog onvoldoende bekend over de effecten ervan. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin, in opdracht van het ministerie van VWS, het effect van beleidsmaatregelen op gezondheidsachterstanden is onderzocht. In dit onderzoek is geanalyseerd welke beleidsvoornemens in de rijksbegroting 2008 er aan kunnen bijdragen gezondheidsachterstanden terug te dringen. Daarnaast is gekeken naar de effecten bij 14 bestaande beleidsmaatregelen. Uit eerder onderzoek blijkt dat de gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status over het algemeen slechter is dan de gezondheid van mensen met een hoge sociaaleconomische status. Ook allochtonen zijn over het algemeen ongezonder dan autochtonen. Om de veelheid aan oorzaken van gezondheidsachterstanden aan te pakken, is het van belang om naast de volksgezondheidssector andere beleidssectoren te betrekken. Voorbeelden zijn de sectoren onderwijs, sociale zaken en ruimtelijke ordening. Het beleid dient integraal te zijn en de volgende vier punten te verbeteren: 1. de sociaaleconomische positie van mensen; 2. de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsproblemen; 3.de woon- en werkomstandigheden en de leefstijl van mensen met een lage sociaaleconomische positie; 4. de toegankelijkheid en effectiviteit van de gezondheidszorg voor deze groepen. Uit dit onderzoek blijkt dat van de 153 voorgenomen beleidmaatregelen in de rijksbegroting er 38 op minimaal een van de vier bovengenoemde punten gericht zijn. Daardoor is het aannemelijk dat ze gezondheidsachterstanden terugdringen. Het verband tussen de effecten van de 14 bestaande maatregelen en de bijdrage aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden is echter moeilijk te leggen.
    • Naar een monitor voor beleving van de leefomgeving. Handreiking en vragenlijst voor GGD'en

      Overveld AJP van; Franssen EAM; IMG (2009-12-01)
      Het RIVM heeft een monitor opgesteld in de vorm van een vragenlijst waarmee kan worden gemeten hoe mensen hun leefomgeving beleven. Medisch-milieukundig medewerkers van GGD'en kunnen met deze handreiking op een uniforme manier gegevens over beleving verzamelen en deze gebruiken voor hun adviezen aan gemeenten. Inzicht in beleving biedt aanknopingspunten voor een 'gezonder' beleid dat erop gericht is de leefomgeving van bewoners te verbeteren. Door ontwikkelingen in de tijd te volgen (te monitoren) kunnen beleidsmakers bijtijds bijsturen en effecten van maatregelen of beleid evalueren. Belevingsonderzoek geeft belangrijke signalen over knelpunten die bewoners in hun leefomgeving ervaren. Deze hoeven niet altijd overeen te komen met de feitelijke (gemeten of berekende) milieubelasting. Andere factoren kunnen de beleving beinvloeden, zoals aandacht van de media, vertrouwen in de bereidheid van de gemeente om problemen aan te pakken en de gezinssamenstelling. Naast de monitor is een handreiking ontwikkeld waarin staat beschreven hoe GGD'en de monitor in de praktijk kunnen gebruiken.
    • Naar een nationale graadmeter voor het natuurlijk milieu

      Latour JB; Bal D; Reiling R; Lammers GW; Bink RJ (1993-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Naar een nieuw Nederlands voedingspeilingsysteem

      Ocke MC; Hulshof KFAM; Bakker MI; Stafleu A; Streppel MT; TNO Kwaliteit van Leven; CVG; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-13)
      Here, proposals are presented for a new system of dietary monitoring. The core of the system comprises a (semi-)continuous collection of data pertaining to the general population aged from 4 to 69 years. Separate surveys are advised for the various components made up of specific target groups, specific foods, nutritional status and/or determinants of dietary behavior. This system is set up to underpin a policy that will provide adequate healthy nutrition and food safety. The dietary assessment method used for designing the core data collection will consist of two non-consecutive 24-h dietary recalls in combination with a self-administered questionnaire; subjects will be recruited from consumer panels. Separate food consumption surveys are needed for the various components made up of young children, ethnic groups, pregnant and lactating women, and (institutionalized) elderly people. Calibration of the new and old methodologies will be necessary to study time trends in dietary intake, while insight into the validity of the employed methods is also required. Bottlenecks in nutrition signaled in the surveys may induce follow-up studies on nutritional status or on determinants of dietary behavior. The follow-up surveys should form an integral part of the dietary monitoring system. The new design and methodologies for dietary monitoring in the Netherlands are supported by many experts
    • Naar een nieuw Nederlands voedingspeilingsysteem

      Ocke MC; Hulshof KFAM; Bakker MI; Stafleu A; Streppel MT; CVG; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2006-07-13)
      Dit rapport omvat een advies over de invulling van een nieuw voedingspeilingsysteem. De basis wordt gevormd door een (semi)continue gegevensverzameling onder de algemene bevolking van 4-69 jaar. Daarnaast worden aanvullende onderzoeken bij specifieke doelgroepen, naar specifieke producten, naar voedingsstatus en/of naar determinanten van voedselconsumptie aanbevolen. Een dergelijk nieuw systeem is essentieel voor een adequaat toekomstig beleid op het gebied van voeding en voedselveiligheid. De voedselconsumptiemethode voor de basisgegevensverzameling zal bestaan uit twee niet-aaneengesloten 24-uursvoedingsnavragen aangevuld met een schriftelijke vragenlijst; de deelnemers zullen geworven worden uit een consumentenpanel. Voor jonge kinderen, allochtonen, zwangere en lacterende vrouwen en (geinstitutioneerde) ouderen of voor specifieke belangrijke producten zijn aparte - aanvullende - voedselconsumptiepeilingen nodig. Om tijdtrendanalyses met het verleden mogelijk te maken wordt aanbevolen een ijkingsstudie uit te voeren. Bovendien is het belangrijk om inzicht in de validiteit van de voedselconsumptie-gegevens te krijgen. Wanneer uit de voedselconsumptiepeilingen indicaties van knelpunten in de voeding naar voren komen, kan gericht vervolgonderzoek naar bijvoorbeeld voedingsstatus of determinanten van voedingsgedrag belangrijk zijn. Geadviseerd wordt om ook dit vervolgonderzoek integraal onderdeel te laten uitmaken van het voedingspeilingsysteem. Het voorgestelde toekomstige voedingspeilingsysteem heeft een breed draagvlak. De hierboven beschreven opzet en inhoud van het systeem wordt onderschreven door vele ter zake kundigen.
    • Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE

      Rutgers M; Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Otte PF; Mesman M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-30)
      At present, the Remediation Urgency Method can be used in the Netherlands to determine the urgency of remediation for seriously contaminated sites. This methodology includes a site-specific ecological risk assessment based on the presence of contaminants, the sensitivity of the ecosystem with respect to land use, and the dimensions of the contaminated soil surface. A so-called TRIAD to improve ecological risk assessment of soil contamination has recently been developed and validated. Risk assessment with the TRIAD is based on three different angles: 1. the presence of contaminants (chemical angle), 2. results from bioassays using samples from the site (toxicological angle)and 3. ecological field observations (ecological angle). Integration of the results from the three TRIAD angles provides a multiple weight of evidence in the risk assessment, which strongly reduces uncertainties in the ecological risk assessment. The TRIAD, as explained here, is not solely based on chemical soil quality, which overcomes some of the drawbacks of the methodology for determining how urgent remediation is. A preliminary guideline for a simple TRIAD is also presented here. The costs of the assessment and the complexity of the guideline are of the same magnitude as the current methodology to determine the urgency of remediation.
    • Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE

      Rutgers M; Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Otte PF; Mesman M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-30)
      Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.
    • Naar een ruimtelijk beeld van de gevoeligheid van bodem en grondwater. Deel 1: De gevoeligheid voor belasting met zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniak-depositie

      Bollen MJS; Bekhuis FHWM; Reiling R; Scheper E; LBG (1995-03-31)
      In het kader van het meerjarenprogramma Gebiedsgerichte Integratie wordt de milieuproblematiek in het landelijk gebied geanalyseerd. Deze problematiek is specifiek per "gebied" en wordt bepaald door de mate van belasting, de (a)biotische gevoeligheid en de functie(s). De resultaten die in dit rapport beschreven zijn hebben betrekking op de gevoeligheid van de bodem en het grondwater voor een aantal milieubelastingen en ingrepen. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de abiotische aspecten van de regionale draagkracht van het milieu. De resultaten zijn het produkt van de koppeling van de 'best beschikbare ruimtelijke bestanden van relevante bodemkenmerken' aan de 'best beschikbare abiotische effectmodellen' met de meest geschikte techniek (GIS). De abiotische gevoeligheidskaarten van zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniakdepositie worden in dit rapport gepresenteerd. Voor het bepalen van de verschillende aspecten van 'abiotische gevoeligheid' waren in eerste instantie betere ruimtelijke basisgegevens nodig over de bepalende fysisch-chemische kenmerken van de bodem. Belangrijke fysisch-chemische parameters daarbij zijn o.a. organisch-stofgehalte, zuurgraad, textuur. In het kader van het project Gebiedsgerichte Integratie is de vereiste fysisch-chemische karakterisering uitgevoerd door het Staringcentrum-DLO voor de eenheden van de bodemkaarten schaal 1:250.000 en 1:50.000. Samenvattend zijn de zandgronden in het algemeen gevoelig voor uitspoeling van milieubelastende stoffen naar het grondwater, terwijl klei- en veengronden juist gevoelig zijn voor accumulatie van milieubelastende stoffen in de bovengrond. De voorlopige resultaten geven aan dat het veelal mogelijk is om de abiotische gevoeligheid ('regionale draagkracht') kwantitatief of semi-kwantitatief uit te drukken en met een zeker ruimtelijk detail te presenteren. Kanttekeningen daarbij zijn: - dat de resultaten slechts op nationale schaal toepasbaar zijn ; - dat de 'modellen' die gebruikt zijn om de abiotische gevoeligheid uit te drukken weliswaar kwantitatief zijn, maar conceptueel sterk divergeren, zodat de resulaten onderling niet vergelijkbaar zijn ; - dat de gevoeligheidskaarten slechts 'momentopnamen' vertegenwoordigen, omdat er geen rekening is gehouden met de dynamiek (buffers!) van sommige bodemparameters (zuurgraad, organische stof). Voor enkele vormen van milieubelasting (ammoniak en enkele bestrijdingsmiddelen) is bij wijze van illustratie een koppeling gemaakt tussen de abiotische gevoeligheidsgegevens met de belastingsgegevens. Hierdoor onstaat een eerste beeld van de ruimtelijke ligging van potentiele probleemgebieden voor wat betreft de grondwaterkwaliteit.
    • Naar een vaccinatieprogramma voor Nederland in de 21ste eeuw

      Zeijst BAM van der; Dijkman MI; Kramers PGN; Luytjes W; Rumke HC; Welte R; SB1; VTV; LVR; LVO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-20)
      A view is presented on the future vaccination policy in the Netherlands. The report addresses the following four subjects. (i) Improvement of the current national vaccination programme (RVP). Maintaining and improving the quality of the RVP requires efforts related to efficacy, safety and adverse effects, vaccination schemes, (re)vaccination of elderly people and the eradication of polio. (ii) Possible inclusion in the RVP of available vaccines or vaccines probably available before 2010. Twelve candidate vaccines were analysed with respect to disease-burden, cost-efectiveness and feasibility of inclusion in the current vaccination programme. The analysis resulted in the identification of vaccines deemed suitable and less suitable for incorporation in the RVP with a number of recommendations for further action. (iii) Vaccines in a stage of early development and possibly available between 2010 and 2020. Some of these vaccines (five) may be relevant for the Dutch public health. Progress in these fields should be monitored. In addition, active participation with respect to combination vaccines and alternative application routes (to parenteral immunisation) is paramount. (iv) Activities important for maintaining a successful RVP were identified.
    • Naar een versterking van de soa/hiv bestrijding van uit het CIb

      van der Sande MAB; Koornneef C; de Boer AS; BBA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-02)
    • Naar graadmeters voor natuurbalansen en natuurverkenningen

      Reiling R; Lammers GW; Latour JB; Brink RJ; MNV (1999-08-02)
      Abstract niet beschikbaar
    • Naar graadmeters voor natuurbalansen en natuurverkenningen

      Reiling R; Lammers GW; Latour JB; Brink RJ; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-02)
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; Putten EM van; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; VROM Inspectie regio Zuid-West; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      Container mit Guetern, die in die Niederlande eingefuehrt werden, sind oft mit einem Schaedlingsbekaempfungsmittel behandelt worden (sogenannte Begasung). Haeufig verwendete Schaedlingsbekaempfungsmittel sind Methylbromid und Chlorpikrin sowie Phosphin. Es besteht die Moeglichkeit, dass diese Gase in die Gueter gelangen und bei der Verwendung der Gueter durch die Verbraucher eine Ausdunstung (Restgasabgabe) erfolgt. Wie die vorliegende Untersuchung gezeigt hat, koennen Gueter wie zum Beispiel Matratzen, Schuhwerk, Taschen und kleine Figuren noch lange Zeit nach der Begasung Schaedlingsbekaempfungsmittel ausdunsten. Dadurch koennen die Verbraucher unbeabsichtigt diesen Restgasen ausgesetzt werden. Ausserdem hat sich herausgestellt, dass bei Nahrungs- oder Arzneimitteln die Begasung zu einer oralen Aufnahme von Schaedlingsbekaempfungsmitteln und moeglicherweise auch zur Veraenderung der chemischen Zusammensetzung des Nahrungs- oder Arzneimittels fuehren kann. Diese Untersuchung wurde im Auftrag der VROM-Inspektion des niederlaendischen Ministeriums fuer Wohnungswesen, Raumordnung und Umwelt durchgefuehrt.
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; van Putten EM; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVROM Inspectie regio Zuid-West, 2005-05-02)
      Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten. In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn.
    • Nachtwerk en gezondheidseffecten : Een inventarisatie van Nederlandse cohorten

      Proper KI; van Kranen H; Bueno de Mesquita HB; Rodenburg W; Eysink PED; van Steeg H; GBO ; PZO; vgc ; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-21)
      Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf medio 2012 starten met epidemiologische analyses in EPIC-NL voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en de drie genoemde gezondheidsproblemen; 2) Vanaf begin 2012 starten met epidemiologische analyses in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht; 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 2 langlopende cohorten (EPIC-NL en MCS) en drie recent gestarte cohorten (Nightingale, AMIGO en LRGP); 4) Inventariseer de mogelijkheden om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines en het Doetinchem cohort uit te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige briefrapport is een overzicht verstrekt van negen Nederlandse cohorten die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, HVZ en overgewicht. Er zijn vijf langlopende cohorten en vier recent gestarte cohorten geïdentificeerd. Op de korte termijn leent EPIC-NL zich voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en de betreffende gezondheidsaandoeningen, rekening houdend met mogelijke verstorende factoren. Tevens kan de jaarlijkse survey onder Nederlandse werknemers (NEA) gebruikt worden voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht. Het analyseren van de gegevens in EPIC-NL en NEA heeft als toegevoegde waarde om de gevonden resultaten in elk databestand te kunnen verifiëren. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra informatie beschikbaar komen vanuit de recent gestarte cohorten, waaronder Nightingale, AMIGO, LRGP en mogelijk Lifelines. Omdat informatie over nachtwerk momenteel bij Lifelines en de Doetinchem cohort studie ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling deze informatie alsnog te verzamelen.
    • Nachtwerk en Gezondheidseffecten : Een inventarisatie van Nederlandse cohorten; herziene versie

      Proper KI; van Kranen HJ; Rodenburg GCH; Bueno de Mesquita HB; Eysink P; van Steeg H; GBO ; CVG ; PZO ; VTV; vgc ; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-23)
      Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf 2012 starten met epidemiologische analyses in de cohorten EPIC-NL, Nightingale en AMIGO en LRGP van nachtwerk in relatie tot determinanten van borstkanker, HVZ en obesitas. 2) Start in 2012 met analyses in het NEA cohort voor de bepaling of nachtwerk leidt tot een verandering in lichaamsgewicht. 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 3 langlopende cohorten (EPIC-NL, MCS en LRGP) en twee recent gestarte cohorten (Nightingale en AMIGO), en inventariseer binnen de cohorten de haalbaarheid voor het verzamelen van meer gedetailleerde informatie van nachtwerk (zoals verzameld in Nightingale); 4) Inventariseer de mogelijkheden en meerwaarde om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Tevens wordt nader onderzocht of Lifelines of andere cohorten met longitudinaal biologisch materiaal in te zetten zijn als onafhankelijk verificatiecohort of voor verdiepende analyses; 5) Inventariseer de mogelijkheid om op een valide manier informatie over nachtwerk af te leiden uit gegevens over huidige baan en beroepshistorie; 6) Inventariseer de mogelijkheid tot mechanistisch onderzoek gebruik makend van verzameld of nieuw te verzamelen biologisch materiaal uit geschikte cohorten Nightingale, AMIGO, LRGP, MCS, EPIC-NL en Lifelines. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Gezien de hoeveelheid van voorgestelde aanbevelingen, zullen in overleg met de partners keuzes gemaakt worden. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige rapport wordt onderscheid gemaakt tussen langlopende en recent gestarte cohorten, waarbij de langlopende cohorten voor 2005 gestart zijn. Echter kan de dataverzameling van nachtwerk blootstelling wel later (bijvoorbeeld in 2011) gestart zijn. Er zijn zes langlopende cohorten en drie recent gestarte cohorten geïdentificeerd, die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht. Op de korte termijn lenen een aantal cohorten zich voor epidemiologische analyses naar de samenhang tussen nachtwerk en mogelijke risicofactoren voor borstkanker, HVZ en overgewicht. De EMV-cohorten, waaronder EPIC-NL, Nightingale en AMIGO bieden hiervoor mogelijkheden. Deze bestanden beschikken tevens vanaf circa medio 2012 over informatie voor het bepalen van de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, HVZ en overgewicht, maar door het retrospectieve karakter bestaat er kans op survival bias. Ook het omvangrijke NEA bestand beschikt reeds over voldoende informatie voor de bepaling van het verband van nachtwerk met HVZ en overgewicht, maar is cross-sectioneel van aard en heeft daarmee geen zeggingskracht over causaliteit. Wel zou het longitudinale NEA cohort ingezet kunnen worden om de relatie tussen nachtwerk en verandering in lichaamsgewicht te bepalen. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Tevens kan dan geïnventariseerd worden in hoeverre het haalbaar is om binnen de cohorten meer gedetailleerde informatie over nachtwerk te verzamelen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra relevante informatie beschikbaar komen vanuit EPIC-NL, LRGP, MCS en de recent gestarte cohorten Nightingale, AMIGO, en mogelijk Lifelines. Deze cohorten bieden dan uitstekende mogelijkheden de gezondheidseffecten van nachtwerk te analyseren, waarbij Nightingale nog aanvullende gegevens over nachtwerk heeft verzameld. Vanwege de hoeveelheid verzameld biologisch materiaal, en momenteel informatie over nachtwerk bij Lifelines ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling informatie over nachtwerk alsnog te verzamelen.
    • Nachtwerk en gezondheidseffecten : Een literatuur update

      Rodenburg W; van Dycke KCG; Eysink PED; van Amsterdam JGC; Proper KI; van Steeg H; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-30)
      Verband nachtwerk en gezondheidsschade onduidelijk: Er bestaat nog veel onduidelijkheid over een mogelijk verband tussen nachtwerk en het ontstaan van aandoeningen als (borst)kanker, hart- en vaatziekten en obesitas. De huidige epidemiologische studies, waarvoor bij een groep mensen die 's nachts werken is onderzocht hoe vaak deze aandoeningen voorkomen, geven inconsistente bevindingen en kennen beperkingen. Sommige van deze studies beschrijven een verband tussen nachtwerk en gezondheidseffecten, in andere studies is dat niet aangetroffen. Daarnaast is het onduidelijk of een dag-ennachtritmeverstoring als gevolg van nachtwerk de oorzaak is van gezondheidsschade of dat daarvoor andere factoren gerelateerd aan nachtwerk, zoals veranderde leefstijl, verantwoordelijk zijn. Ook is meer inzicht nodig in de mechanismen die eventuele effecten veroorzaken. 16 procent beroepsbevolking heeft nachtdienst: Het onduidelijke verband tussen nachtwerk en gezondheidsschade blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In deze literatuurstudie is een overzicht gemaakt van aandoeningen die vaak voorkomen in de Nederlandse (beroeps)bevolking en mogelijk een relatie hebben met werken in nachtdiensten. In Nederland werkt 16 procent van de beroepsbevolking soms of regelmatig in de nachtdienst. Meer inzicht in mogelijke effecten en de onderliggende mechanismen is nodig om te bepalen of het nodig is om maatregelen te ontwikkelen die gezondheidsrisico's van ploegendienstwerk kunnen beperken. Aanbevelingen voor onderzoek: Aanbevolen wordt om in studies naar de relatie tussen nachtwerk en gezondheid ook andere factoren te betrekken die gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn leefstijlfactoren zoals voeding, roken en alcoholgebruik. Ook is gedetailleerde informatie over roosterkenmerken nodig, omdat er aanwijzingen zijn dat bepaalde roosters schadelijker zijn voor de gezondheid dan andere. Een voorbeeld daarvan is hoeveel nachten achter elkaar er wordt gewerkt. Bovendien is onderzoek nodig naar de invloed van individuele gevoeligheid voor dag-en-nachtritmeverstoring.
    • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door blootstelling aan hexamethyleen di-isocyanaat (HDI) : Literatuuronderzoek en consultatie van deskundigen

      Ezendam, J; den Braver-Sewradj, SP; Heusinkveld, HJ; Hessel, EVS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-06)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM rapport 2020-0017