• Naar een nieuw Nederlands voedingspeilingsysteem

      Ocke MC; Hulshof KFAM; Bakker MI; Stafleu A; Streppel MT; CVG; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2006-07-13)
      Dit rapport omvat een advies over de invulling van een nieuw voedingspeilingsysteem. De basis wordt gevormd door een (semi)continue gegevensverzameling onder de algemene bevolking van 4-69 jaar. Daarnaast worden aanvullende onderzoeken bij specifieke doelgroepen, naar specifieke producten, naar voedingsstatus en/of naar determinanten van voedselconsumptie aanbevolen. Een dergelijk nieuw systeem is essentieel voor een adequaat toekomstig beleid op het gebied van voeding en voedselveiligheid. De voedselconsumptiemethode voor de basisgegevensverzameling zal bestaan uit twee niet-aaneengesloten 24-uursvoedingsnavragen aangevuld met een schriftelijke vragenlijst; de deelnemers zullen geworven worden uit een consumentenpanel. Voor jonge kinderen, allochtonen, zwangere en lacterende vrouwen en (geinstitutioneerde) ouderen of voor specifieke belangrijke producten zijn aparte - aanvullende - voedselconsumptiepeilingen nodig. Om tijdtrendanalyses met het verleden mogelijk te maken wordt aanbevolen een ijkingsstudie uit te voeren. Bovendien is het belangrijk om inzicht in de validiteit van de voedselconsumptie-gegevens te krijgen. Wanneer uit de voedselconsumptiepeilingen indicaties van knelpunten in de voeding naar voren komen, kan gericht vervolgonderzoek naar bijvoorbeeld voedingsstatus of determinanten van voedingsgedrag belangrijk zijn. Geadviseerd wordt om ook dit vervolgonderzoek integraal onderdeel te laten uitmaken van het voedingspeilingsysteem. Het voorgestelde toekomstige voedingspeilingsysteem heeft een breed draagvlak. De hierboven beschreven opzet en inhoud van het systeem wordt onderschreven door vele ter zake kundigen.
    • Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE

      Rutgers M; Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Otte PF; Mesman M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-30)
      At present, the Remediation Urgency Method can be used in the Netherlands to determine the urgency of remediation for seriously contaminated sites. This methodology includes a site-specific ecological risk assessment based on the presence of contaminants, the sensitivity of the ecosystem with respect to land use, and the dimensions of the contaminated soil surface. A so-called TRIAD to improve ecological risk assessment of soil contamination has recently been developed and validated. Risk assessment with the TRIAD is based on three different angles: 1. the presence of contaminants (chemical angle), 2. results from bioassays using samples from the site (toxicological angle)and 3. ecological field observations (ecological angle). Integration of the results from the three TRIAD angles provides a multiple weight of evidence in the risk assessment, which strongly reduces uncertainties in the ecological risk assessment. The TRIAD, as explained here, is not solely based on chemical soil quality, which overcomes some of the drawbacks of the methodology for determining how urgent remediation is. A preliminary guideline for a simple TRIAD is also presented here. The costs of the assessment and the complexity of the guideline are of the same magnitude as the current methodology to determine the urgency of remediation.
    • Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE

      Rutgers M; Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Otte PF; Mesman M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-30)
      Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.
    • Naar een ruimtelijk beeld van de gevoeligheid van bodem en grondwater. Deel 1: De gevoeligheid voor belasting met zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniak-depositie

      Bollen MJS; Bekhuis FHWM; Reiling R; Scheper E; LBG (1995-03-31)
      In het kader van het meerjarenprogramma Gebiedsgerichte Integratie wordt de milieuproblematiek in het landelijk gebied geanalyseerd. Deze problematiek is specifiek per "gebied" en wordt bepaald door de mate van belasting, de (a)biotische gevoeligheid en de functie(s). De resultaten die in dit rapport beschreven zijn hebben betrekking op de gevoeligheid van de bodem en het grondwater voor een aantal milieubelastingen en ingrepen. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de abiotische aspecten van de regionale draagkracht van het milieu. De resultaten zijn het produkt van de koppeling van de 'best beschikbare ruimtelijke bestanden van relevante bodemkenmerken' aan de 'best beschikbare abiotische effectmodellen' met de meest geschikte techniek (GIS). De abiotische gevoeligheidskaarten van zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniakdepositie worden in dit rapport gepresenteerd. Voor het bepalen van de verschillende aspecten van 'abiotische gevoeligheid' waren in eerste instantie betere ruimtelijke basisgegevens nodig over de bepalende fysisch-chemische kenmerken van de bodem. Belangrijke fysisch-chemische parameters daarbij zijn o.a. organisch-stofgehalte, zuurgraad, textuur. In het kader van het project Gebiedsgerichte Integratie is de vereiste fysisch-chemische karakterisering uitgevoerd door het Staringcentrum-DLO voor de eenheden van de bodemkaarten schaal 1:250.000 en 1:50.000. Samenvattend zijn de zandgronden in het algemeen gevoelig voor uitspoeling van milieubelastende stoffen naar het grondwater, terwijl klei- en veengronden juist gevoelig zijn voor accumulatie van milieubelastende stoffen in de bovengrond. De voorlopige resultaten geven aan dat het veelal mogelijk is om de abiotische gevoeligheid ('regionale draagkracht') kwantitatief of semi-kwantitatief uit te drukken en met een zeker ruimtelijk detail te presenteren. Kanttekeningen daarbij zijn: - dat de resultaten slechts op nationale schaal toepasbaar zijn ; - dat de 'modellen' die gebruikt zijn om de abiotische gevoeligheid uit te drukken weliswaar kwantitatief zijn, maar conceptueel sterk divergeren, zodat de resulaten onderling niet vergelijkbaar zijn ; - dat de gevoeligheidskaarten slechts 'momentopnamen' vertegenwoordigen, omdat er geen rekening is gehouden met de dynamiek (buffers!) van sommige bodemparameters (zuurgraad, organische stof). Voor enkele vormen van milieubelasting (ammoniak en enkele bestrijdingsmiddelen) is bij wijze van illustratie een koppeling gemaakt tussen de abiotische gevoeligheidsgegevens met de belastingsgegevens. Hierdoor onstaat een eerste beeld van de ruimtelijke ligging van potentiele probleemgebieden voor wat betreft de grondwaterkwaliteit.
    • Naar een vaccinatieprogramma voor Nederland in de 21ste eeuw

      Zeijst BAM van der; Dijkman MI; Kramers PGN; Luytjes W; Rumke HC; Welte R; SB1; VTV; LVR; LVO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-20)
      A view is presented on the future vaccination policy in the Netherlands. The report addresses the following four subjects. (i) Improvement of the current national vaccination programme (RVP). Maintaining and improving the quality of the RVP requires efforts related to efficacy, safety and adverse effects, vaccination schemes, (re)vaccination of elderly people and the eradication of polio. (ii) Possible inclusion in the RVP of available vaccines or vaccines probably available before 2010. Twelve candidate vaccines were analysed with respect to disease-burden, cost-efectiveness and feasibility of inclusion in the current vaccination programme. The analysis resulted in the identification of vaccines deemed suitable and less suitable for incorporation in the RVP with a number of recommendations for further action. (iii) Vaccines in a stage of early development and possibly available between 2010 and 2020. Some of these vaccines (five) may be relevant for the Dutch public health. Progress in these fields should be monitored. In addition, active participation with respect to combination vaccines and alternative application routes (to parenteral immunisation) is paramount. (iv) Activities important for maintaining a successful RVP were identified.
    • Naar een versterking van de soa/hiv bestrijding van uit het CIb

      van der Sande MAB; Koornneef C; de Boer AS; BBA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-02)
    • Naar graadmeters voor natuurbalansen en natuurverkenningen

      Reiling R; Lammers GW; Latour JB; Brink RJ; MNV (1999-08-02)
      Abstract niet beschikbaar
    • Naar graadmeters voor natuurbalansen en natuurverkenningen

      Reiling R; Lammers GW; Latour JB; Brink RJ; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-02)
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; Putten EM van; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; VROM Inspectie regio Zuid-West; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      Container mit Guetern, die in die Niederlande eingefuehrt werden, sind oft mit einem Schaedlingsbekaempfungsmittel behandelt worden (sogenannte Begasung). Haeufig verwendete Schaedlingsbekaempfungsmittel sind Methylbromid und Chlorpikrin sowie Phosphin. Es besteht die Moeglichkeit, dass diese Gase in die Gueter gelangen und bei der Verwendung der Gueter durch die Verbraucher eine Ausdunstung (Restgasabgabe) erfolgt. Wie die vorliegende Untersuchung gezeigt hat, koennen Gueter wie zum Beispiel Matratzen, Schuhwerk, Taschen und kleine Figuren noch lange Zeit nach der Begasung Schaedlingsbekaempfungsmittel ausdunsten. Dadurch koennen die Verbraucher unbeabsichtigt diesen Restgasen ausgesetzt werden. Ausserdem hat sich herausgestellt, dass bei Nahrungs- oder Arzneimitteln die Begasung zu einer oralen Aufnahme von Schaedlingsbekaempfungsmitteln und moeglicherweise auch zur Veraenderung der chemischen Zusammensetzung des Nahrungs- oder Arzneimittels fuehren kann. Diese Untersuchung wurde im Auftrag der VROM-Inspektion des niederlaendischen Ministeriums fuer Wohnungswesen, Raumordnung und Umwelt durchgefuehrt.
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; van Putten EM; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVROM Inspectie regio Zuid-West, 2005-05-02)
      Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten. In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn.
    • Nachtwerk en gezondheidseffecten : Een inventarisatie van Nederlandse cohorten

      Proper KI; van Kranen H; Bueno de Mesquita HB; Rodenburg W; Eysink PED; van Steeg H; GBO ; PZO; vgc ; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-21)
      Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf medio 2012 starten met epidemiologische analyses in EPIC-NL voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en de drie genoemde gezondheidsproblemen; 2) Vanaf begin 2012 starten met epidemiologische analyses in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht; 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 2 langlopende cohorten (EPIC-NL en MCS) en drie recent gestarte cohorten (Nightingale, AMIGO en LRGP); 4) Inventariseer de mogelijkheden om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines en het Doetinchem cohort uit te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige briefrapport is een overzicht verstrekt van negen Nederlandse cohorten die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, HVZ en overgewicht. Er zijn vijf langlopende cohorten en vier recent gestarte cohorten geïdentificeerd. Op de korte termijn leent EPIC-NL zich voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en de betreffende gezondheidsaandoeningen, rekening houdend met mogelijke verstorende factoren. Tevens kan de jaarlijkse survey onder Nederlandse werknemers (NEA) gebruikt worden voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht. Het analyseren van de gegevens in EPIC-NL en NEA heeft als toegevoegde waarde om de gevonden resultaten in elk databestand te kunnen verifiëren. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra informatie beschikbaar komen vanuit de recent gestarte cohorten, waaronder Nightingale, AMIGO, LRGP en mogelijk Lifelines. Omdat informatie over nachtwerk momenteel bij Lifelines en de Doetinchem cohort studie ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling deze informatie alsnog te verzamelen.
    • Nachtwerk en Gezondheidseffecten : Een inventarisatie van Nederlandse cohorten; herziene versie

      Proper KI; van Kranen HJ; Rodenburg GCH; Bueno de Mesquita HB; Eysink P; van Steeg H; GBO ; CVG ; PZO ; VTV; vgc ; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-23)
      Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf 2012 starten met epidemiologische analyses in de cohorten EPIC-NL, Nightingale en AMIGO en LRGP van nachtwerk in relatie tot determinanten van borstkanker, HVZ en obesitas. 2) Start in 2012 met analyses in het NEA cohort voor de bepaling of nachtwerk leidt tot een verandering in lichaamsgewicht. 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 3 langlopende cohorten (EPIC-NL, MCS en LRGP) en twee recent gestarte cohorten (Nightingale en AMIGO), en inventariseer binnen de cohorten de haalbaarheid voor het verzamelen van meer gedetailleerde informatie van nachtwerk (zoals verzameld in Nightingale); 4) Inventariseer de mogelijkheden en meerwaarde om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Tevens wordt nader onderzocht of Lifelines of andere cohorten met longitudinaal biologisch materiaal in te zetten zijn als onafhankelijk verificatiecohort of voor verdiepende analyses; 5) Inventariseer de mogelijkheid om op een valide manier informatie over nachtwerk af te leiden uit gegevens over huidige baan en beroepshistorie; 6) Inventariseer de mogelijkheid tot mechanistisch onderzoek gebruik makend van verzameld of nieuw te verzamelen biologisch materiaal uit geschikte cohorten Nightingale, AMIGO, LRGP, MCS, EPIC-NL en Lifelines. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Gezien de hoeveelheid van voorgestelde aanbevelingen, zullen in overleg met de partners keuzes gemaakt worden. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige rapport wordt onderscheid gemaakt tussen langlopende en recent gestarte cohorten, waarbij de langlopende cohorten voor 2005 gestart zijn. Echter kan de dataverzameling van nachtwerk blootstelling wel later (bijvoorbeeld in 2011) gestart zijn. Er zijn zes langlopende cohorten en drie recent gestarte cohorten geïdentificeerd, die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht. Op de korte termijn lenen een aantal cohorten zich voor epidemiologische analyses naar de samenhang tussen nachtwerk en mogelijke risicofactoren voor borstkanker, HVZ en overgewicht. De EMV-cohorten, waaronder EPIC-NL, Nightingale en AMIGO bieden hiervoor mogelijkheden. Deze bestanden beschikken tevens vanaf circa medio 2012 over informatie voor het bepalen van de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, HVZ en overgewicht, maar door het retrospectieve karakter bestaat er kans op survival bias. Ook het omvangrijke NEA bestand beschikt reeds over voldoende informatie voor de bepaling van het verband van nachtwerk met HVZ en overgewicht, maar is cross-sectioneel van aard en heeft daarmee geen zeggingskracht over causaliteit. Wel zou het longitudinale NEA cohort ingezet kunnen worden om de relatie tussen nachtwerk en verandering in lichaamsgewicht te bepalen. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Tevens kan dan geïnventariseerd worden in hoeverre het haalbaar is om binnen de cohorten meer gedetailleerde informatie over nachtwerk te verzamelen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra relevante informatie beschikbaar komen vanuit EPIC-NL, LRGP, MCS en de recent gestarte cohorten Nightingale, AMIGO, en mogelijk Lifelines. Deze cohorten bieden dan uitstekende mogelijkheden de gezondheidseffecten van nachtwerk te analyseren, waarbij Nightingale nog aanvullende gegevens over nachtwerk heeft verzameld. Vanwege de hoeveelheid verzameld biologisch materiaal, en momenteel informatie over nachtwerk bij Lifelines ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling informatie over nachtwerk alsnog te verzamelen.
    • Nachtwerk en gezondheidseffecten : Een literatuur update

      Rodenburg W; van Dycke KCG; Eysink PED; van Amsterdam JGC; Proper KI; van Steeg H; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-30)
      Verband nachtwerk en gezondheidsschade onduidelijk: Er bestaat nog veel onduidelijkheid over een mogelijk verband tussen nachtwerk en het ontstaan van aandoeningen als (borst)kanker, hart- en vaatziekten en obesitas. De huidige epidemiologische studies, waarvoor bij een groep mensen die 's nachts werken is onderzocht hoe vaak deze aandoeningen voorkomen, geven inconsistente bevindingen en kennen beperkingen. Sommige van deze studies beschrijven een verband tussen nachtwerk en gezondheidseffecten, in andere studies is dat niet aangetroffen. Daarnaast is het onduidelijk of een dag-ennachtritmeverstoring als gevolg van nachtwerk de oorzaak is van gezondheidsschade of dat daarvoor andere factoren gerelateerd aan nachtwerk, zoals veranderde leefstijl, verantwoordelijk zijn. Ook is meer inzicht nodig in de mechanismen die eventuele effecten veroorzaken. 16 procent beroepsbevolking heeft nachtdienst: Het onduidelijke verband tussen nachtwerk en gezondheidsschade blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In deze literatuurstudie is een overzicht gemaakt van aandoeningen die vaak voorkomen in de Nederlandse (beroeps)bevolking en mogelijk een relatie hebben met werken in nachtdiensten. In Nederland werkt 16 procent van de beroepsbevolking soms of regelmatig in de nachtdienst. Meer inzicht in mogelijke effecten en de onderliggende mechanismen is nodig om te bepalen of het nodig is om maatregelen te ontwikkelen die gezondheidsrisico's van ploegendienstwerk kunnen beperken. Aanbevelingen voor onderzoek: Aanbevolen wordt om in studies naar de relatie tussen nachtwerk en gezondheid ook andere factoren te betrekken die gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn leefstijlfactoren zoals voeding, roken en alcoholgebruik. Ook is gedetailleerde informatie over roosterkenmerken nodig, omdat er aanwijzingen zijn dat bepaalde roosters schadelijker zijn voor de gezondheid dan andere. Een voorbeeld daarvan is hoeveel nachten achter elkaar er wordt gewerkt. Bovendien is onderzoek nodig naar de invloed van individuele gevoeligheid voor dag-en-nachtritmeverstoring.
    • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door blootstelling aan hexamethyleen di-isocyanaat (HDI) : Literatuuronderzoek en consultatie van deskundigen

      Ezendam, J; den Braver-Sewradj, SP; Heusinkveld, HJ; Hessel, EVS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-06)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM rapport 2020-0017
    • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur en de risicobeoordeling voor strottenhoofdkanker bij de POMS-locaties

      Hessel, EVS; den Braver, S; Ezendam, J; Staal, YCM; Piersma, AH; Palmen, NGM; van de Weijgert, V; ter Burg, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-06)
      Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (POMS: Prepositioned Organizational Materiel Storage) Amerikaans materieel onderhouden. Hierbij kon chroom-6 vrijkomen, dat vooral in de grondverf van het materieel zat. In 2018 bracht het RIVM een overzicht uit van gezondheidseffecten en ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt. Ook is toen onderzocht of blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden op de POMS-locaties kan hebben geleid tot deze ziekten. Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. Hieruit blijkt dat chroom-6 er ook van wordt verdacht strottenhoofdkanker te kunnen veroorzaken. Het RIVM heeft daarom beoordeeld wat dat betekent voor oud-werknemers die op de POMS-locaties in contact zijn gekomen met chroom-6. Het blijkt dat zij hierdoor strottenhoofdkanker kunnen hebben gekregen of nog krijgen. In 2018 is al geconcludeerd dat directe en indirecte blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties longkanker, neus- en neusbijholtekanker, maagkanker, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis en allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren kan hebben veroorzaakt. Directe blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties kan tot chronische longziekten leiden. De kans op een ziekte is groter naarmate zij er meer, vaker en/of langer aan zijn blootgesteld. Ook hangt het af van de manier waarop blootstelling aan chroom-6 plaatsvond. Dat kon door inademing, contact met de huid en inslikken. Naast de aard van de blootstelling op de POMS-locaties, bepalen andere zaken of werknemers ziek worden. Dat kan ander werk zijn, een blootstelling aan andere stoffen, de leefstijl en persoonlijke gevoeligheid om na een blootstelling een ziekte te krijgen. Het RIVM blijft volgen of er nieuwe wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor een verband tussen chroom-6 en ziekten.
    • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur en de risicobeoordeling voor strottenhoofdkanker bij tROM

      Hessel, EVS; den Braver, S; Ezendam, J; Staal, YCM; Piersma, AH; Palmen, NGM; van de Weijgert, V; ter Burg, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-06)
      Tussen 2004 en 2012 hebben ongeveer achthonderd mensen zonder werk deelgenomen aan het re-integratieproject tROM van de gemeente Tilburg. Zij waren wettelijk verplicht op deze manier werkervaring op te doen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. De deelnemers voerden restauratiewerkzaamheden uit aan museumtreinen in een werkplaats van NedTrain in Tilburg. Daar hebben ze oude verflagen van de treinen verwijderd. In 2015 kwamen er signalen dat er in de verflagen chroom-6 had gezeten, een schadelijke stof. In januari 2019 bracht het RIVM een overzicht uit van gezondheidseffecten en ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt. Ook is toen onderzocht of blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden op de tROM-locatie kan hebben geleid tot deze ziekten. Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. Hieruit blijkt dat chroom-6 er ook van wordt verdacht strottenhoofdkanker te kunnen veroorzaken. Het RIVM heeft daarom beoordeeld wat dat betekent voor deelnemers aan het tROM-project en hun trajectbegeleiders van de gemeente Tilburg die tijdens hun werkzaamheden in contact zijn gekomen met chroom-6. Het blijkt dat zij hierdoor strottenhoofdkanker kunnen hebben gekregen of nog kunnen krijgen. In januari 2019 is al geconcludeerd dat directe en indirecte blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie longkanker, neus- en neusbijholtekanker, maagkanker, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis, allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren kan hebben veroorzaakt. Langdurige directe blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie kan tot chronische longziekten leiden. De kans op een ziekte is groter naarmate zij er meer, vaker en/of langer aan zijn blootgesteld. Ook hangt het af van de manier waarop blootstelling aan chroom-6 plaatsvond. Dat kon door inademing, contact met de huid en inslikken. Naast de aard van de blootstelling op de tROM-locatie, bepalen andere zaken of werknemers ziek worden. Dat kan ander werk zijn, een blootstelling aan andere stoffen, de leefstijl en persoonlijke gevoeligheid om na een blootstelling een ziekte te krijgen. Het RIVM blijft volgen of er nieuwe wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor een verband tussen chroom-6 en ziekten.
    • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Indeling in categorieën van causaliteit in relatie tot chroom-6-blootstelling

      Hessel, EVS; Staal, YCM; Piersma, AH; Ezendam, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
    • Nader onderzoek met sera van Trichinella-spiralis vrije varkens afkomstig uit 10 verschillende Europese landen en Canada naar de detectiegrens van de Enzyme Linked Immunosorbent Assay (ELISA)

      Knapen; F.van; Franchimont; J.H. (1985-01-31)
      Bij vroeger onderzoek werd gevonden dat aanzienlijke verschillen bestaan tussen varkenspopulaties in verschillende Europese landen met betrekking tot zogenaamde achtergrondruis in de ELISA bepaling voor antistoffen tegen T.spiralis. In het huidige rapport zijn de resultaten vermeld van nader onderzoek naar dit fenomeen, waarbij opnieuw uit 10 Europese landen en Canada materiaal werd verzameld voor onderzoek. Gebleken is dat door het gebruik van gezuiverd antigeen wel een reductie van de achtergrond werd verkregen, maar dat de verschillen tussen de varkenspopulaties onderling blijven bestaan. Overigens werd met beide antigenen geen verschil aangetoond bij de individuele beoordeling van varkens. Een discussie werd gevoerd over mogelijk andere oorzaken van de waargenomen verschillen. Mogelijk is dat een hoge achtergrondruis veroorzaakt wordt door het optreden van subklinische infecties.
    • Nader verkennend onderzoek ultrafijnstof rond Schiphol

      Bezemer A; Wesseling J; Cassee F; Fischer P; Fokkens P; Houthuijs D; Jimmink B; de Leeuw F; Kos G; Weijers E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNTNOESC, 2015-09-24)
      Rond Schiphol zijn de concentraties ultrafijnstof verhoogd als gevolg van de luchtvaart. Direct buiten het luchthaventerrein is de gemiddelde bijdrage van luchtvaartactiviteiten vergelijkbaar met de bijdrage van wegverkeer in straten in binnenstedelijk gebied. Naarmate de afstand tot het luchthaventerrein toeneemt, neemt de concentratie ultrafijnstof af: op zo'n vijftien kilometer van de luchthaven is de bijdrage van de luchtvaart nog circa 20 procent van de bijdrage direct naast het luchthaventerrein. Ultrafijnstof is het bestanddeel van fijnstof met de allerkleinste afmeting: kleiner dan 0,1 micrometer. In het algemeen wordt aangenomen dat ultrafijnstof schadelijk is. De wetenschappelijke kennis hierover is nog beperkt. Of, en zo ja in welke mate, in de omgeving van Schiphol sprake is van extra gezondheidseffecten als gevolg van de blootstelling aan ultrafijnstof kan op basis van de huidige inzichten niet worden bepaald. Dit blijkt uit verkennend onderzoek dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd. Ultrafijnstof komt zowel van nature in de lucht als door menselijk handelen voor. Vooral door het stoken van hout, verbranden van afval en het gebruik van fossiele brandstoffen in voertuigen voegt de mens ultrafijnstof toe. In het voorjaar van 2015 is voor dit onderzoek de hoeveelheid ultrafijnstof in de omgeving van Schiphol gemeten door een samenwerkingsverband van vier kennisorganisaties. Ultrafijnstof is in dat gebied voornamelijk afkomstig van wegverkeer, vliegtuigen en overige voertuigen op en rond het luchthaventerrein. Uit de beperkte gegevens die in de wetenschappelijke literatuur beschikbaar zijn, blijken de hoeveelheden ultrafijnstof rond Schiphol vergelijkbaar met die bij andere internationale luchthavens. De meetresultaten zijn met behulp van modelberekeningen vertaald naar een kaart van een groter gebied om Schiphol heen (circa twintig bij dertig kilometer). In het grootste deel van dit gebied zijn andere bronnen van fijnstof dan de luchtvaart, vooral wegverkeer, bepalend voor de totale hoeveelheid ultrafijnstof in de lucht. De meetgegevens laten zien dat er een extra bijdrage is, afkomstig van het vliegverkeer rond Schiphol en de activiteiten op de luchthaven.
    • Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij : Effect op emissie(-reductie) van ammoniak

      Vonk J; van Pul WAJ; Schols E; de Groot GM; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-11-02)
      In de intensieve veehouderij worden in toenemende mate luchtwassers ingezet om ammoniakemissies uit stallen te verminderen. Uit onderzoeken van twee inspectiediensten in 2009 en 2011 bleek dat een deel van de luchtwassers ontbreekt, uit staat of niet goed functioneert. Het RIVM heeft vervolgens berekend wat de effecten van deze bevindingen zijn op de totale ammoniakemissie uit de Nederlandse landbouw. In 2010 werd mogelijk 2,5 kiloton meer ammoniak uitgestoten dan de tot nu toe vastgestelde 107 kiloton. De berekeningen zijn uitgevoerd in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Met goed functionerende luchtwassers kan de ammoniakemissie uit stallen met 70 tot 95 procent verminderd worden. De wasser wordt voorgeschreven in de vergunning; in 2010 was ongeveer 20 procent van de varkensstallen ermee uitgerust. Handhavingsamenwerking Noord-Brabant constateerde in 2009 dat 40 procent van de voorgeschreven wassers niet aanwezig was of uit stond. Bij nog eens 45 procent werden andere tekortkomingen geconstateerd. De Inspectie Leefomgeving en Transport constateerde in 2011 bij 72 procent van de luchtwassers tekortkomingen, zonder deze nader te specificeren. Daarnaast werd bij een deel van de wassers geen (32 procent), of maar beperkt (39 procent) toezicht gehouden door de gemeenten. Gebaseerd op gegevens zoals die in de Emissieregistratie worden gebruikt, is tot op heden verondersteld dat in 2010 met luchtwassers 23 procent van de emissie uit varkensstallen zou worden voorkomen. Op de totale ammoniakemissie uit de landbouw vertaalt zich dit in een reductie met 4,5 procent. Uit de berekeningen blijkt echter dat in de praktijk naar schatting ongeveer de helft hiervan daadwerkelijk is gerealiseerd.