• NPBats, Bayesiaans statistisch instrument voor trenddetectie en tijdreeksmodellering

      Dekkers ALM; Heisterkamp SH; IMP; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-19)
      Researchers in the environment and public health can analyse time series rapidly and efficiently using the computer program, NPBats. The annual CO2 emission or the total number of people confronted with overweight are examples. Using these analyses, researchers can 1) detect systematic changes in time (trends), 2) explain the relations between different time series and 3) obtain knowledge on the influence of governmental policy on humans and the environment. NPBats uses Bayesian statistical concepts to describe the correlation between subsequent observations in time, obtained through the so-called 'prior' models. The simplest prior model is the neighbour model. This model assumes that the difference between two subsequent observations has an expectation zero and a fixed, limited variation. Two other models used by NPBats are the linear and the quadratic models. These models enable NPBats to predict a future observation using 1, 2 or 3 of the preceding observations. Therefore NPBats is more flexible than the usual, classical models for analysing time series. NPBats can already be used for time series with at least 8-10 observations. Missing values can be estimated automatically and changes in the variation of the observations can be taken into account. Co-variables might be included in the model too. These variables augment the knowledge of the underlying process and improve the predictions. NPBats automatically generates confidence intervals for the predictions, thus clarifying the statistical significance of an increasing or decreasing trend. NPBats developed at the RIVM within the statistical package, S-PLUS, is easy to use and contains a comprehensive help function. At the RIVM NPBats is available to the S-PLUS user group and to other interested people on request.
    • NPBats, Bayesiaans statistisch instrument voor trenddetectie en tijdreeksmodellering

      Dekkers ALM; Heisterkamp SH; IMP; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-19)
      Onderzoekers van milieu en volksgezondheid kunnen met het computerprogramma NPBats snel en efficient gegevens in de tijd (tijdreeksen) analyseren. Voorbeelden zijn de jaarlijkse CO2-uitstoot of het aantal mensen met overgewicht in Nederland. Met de analyses kunnen ze a) systematische veranderingen in de tijd (trends) opsporen b) verklarende relaties tussen tijdreeksen leggen c) kennis vergaren over de invloed van overheidsbeleid op mens en milieu. NPBats maakt gebruik van Bayesiaanse statistiek om de samenhang tussen opeenvolgende waarnemingen te beschrijven. Dit gebeurt via zogeheten 'prior' modellen. Deze modellen maken het mogelijk om op basis van respectievelijk een, twee en drie direct voorafgaande waarnemingen de volgende waarneming te voorspellen. Hierdoor is NPBats flexibeler dan de klassieke tijdreeksmodellen en kan het al gebruikt worden bij 8-10 waarnemingen. Ontbrekende waarnemingen worden automatisch geschat. Extra verklarende variabelen kunnen aan het model worden toegevoegd. Dit vergroot de kennis over het proces in het verbetert de voorspellingen. Daarbij geeft NPBats automatisch de betrouwbaarheid van de voorspellingen aan. Hierdoor wordt duidelijk of een trend significant stijgt of daalt. NPBats is ontwikkeld door het RIVM in het statistische softwarepakket S-PLUS, heeft een gemakkelijke bediening en een uitvoerige helpfunctionaliteit. NPBats is binnen het RIVM beschikbaar via de S-PLUS gebruikersgroep en is voor overige belangstellenden op aanvraag te verkrijgen.
    • NRL Salmonella ringonderzoek I: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; in 't Veld PH; Nagelkerke N; van de Giessen AW; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-01-31)
      Het Nederlands Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella heeft een bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd. Het belangrijkste doel van dit ringonderzoek was het testen of de deelnemende laboratoria Salmonella konden detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Referentiematerialen met Salmonella Typhimurium moesten in combinatie met kippenfaeces getest worden. De laboratoria gebruikten de door hen normaal toegepaste methode voor de detectie van Salmonella in pluimveemonsters uit de praktijk. Twaalf van de 24 laboratoria isoleerden Salmonella uit alle 36 positieve capsules. Met het gebruik van Diasalm als selectief ophopingsmedium was het gemiddeld aantal positieve isolaties significant lager in vergelijking met het RV medium.<br>
    • NRL Salmonella ringonderzoek II: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; in &apos;t Veld PH; Nagelkerke N; van de Giessen AW; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-02)
      In april 1998 werd een bacteriologisch ringonderzoek voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella (RIVM, Bilthoven). Aan het ringonderzoek werd deelgenomen door 23 laboratoria in het kader van het Plan van Aanpak ter bestrijding van Salmonella (en Campylobacter) in de pluimveevleessector van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE). Het belangrijkste doel van dit ringonderzoek was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Referentiematerialen met Salmonella Typhimurium moesten met en zonder toevoeging van kippenfaeces onderzocht worden op de aanwezigheid van Salmonella. De deelnemende laboratoria voerden het ringonderzoek uit volgens de methode voorgeschreven door het PVE en in bepaalde gevallen met andere gangbare methodes voor de detectie van Salmonella in pluimveemonsters. Vijftien van de 23 laboratoria isoleerden Salmonella uit de 28 capsules getest in combinatie met kippenfaeces. De gebruikte semi-solid media, MSRV en DIASALM, scoorden significant beter in vergelijking met RV als selectief ophopingsmedium<br>
    • NRL Salmonella ringonderzoek IV en V (1999); Bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; Giessen A van de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-24)
      In 1999, two bacteriological collaborative studies were organized by the Dutch National Reference Laboratory (NRL) for Salmonella among 26 laboratories participating in the Dutch national programme for control of Salmonella in the poultry sector. The main objective of these studies was to test the capacity of these laboratories to detect Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Reference capsules containing sublethally injured Salmonella Typhimurium had to be tested for the presence of Salmonella with and without the addition of chicken faeces. In the first study the laboratories were allowed to use the method they usually apply to detect Salmonella in chicken faeces. In the second study, however, the method was prescribed by the Product Boards for Livestock, Meat and Eggs. They had to use MSRV as selective enrichment medium. As a result of previous collaborative studies laboratories had to test 50 or 15 capsules.
    • NRL Salmonella ringonderzoek IV en V (1999); Bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; van der Giessen A; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-24)
      In 1999 zijn door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) Salmonella 2 bacteriologische ringonderzoeken georganiseerd. Hieraan deden 26 laboratoria mee in het kader van het plan van aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveehouderij. Het belangrijkste doel van deze ringonderzoeken was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Referentiematerialen met Salmonella Typhimurium moesten getest worden op Salmonella met en zonder toevoeging van kippenfeces. In het eerste ringonderzoek mochten de laboratoria de laboratorium-eigen methode voor onderzoek van pluimveemestmonsters gebruiken. In het tweede ringonderzoek was de PVE branchemethode verplicht, hierin wordt alleen MSRV als selectief ophopingsmedium gebruikt. Afhankelijk van de resultaten in eerdere ringonderzoeken moesten laboratoria 15 of 50 capsules onderzoeken.<br>
    • NRL Salmonella ringonderzoek VI/VII (2000) voor bacteriologische detectie Salmonella en pilot ringonderzoeken I/II (2000) voor bacteriologische detectie Campylobacter

      Voogt N; Dam-Deisz C; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-14)
      In 2000, two bacteriological collaborative studies were organized by the Dutch National Reference Laboratory (NRL) for Salmonella among 23 laboratories participating in the Dutch national programme for control of Salmonella in the poultry sector. The main objective of these studies was to test the capacity of these laboratories to detect Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Reference capsules containing sublethally injured Salmonella Typhimurium had to be tested for the presence of Salmonella with and without the addition of chicken faeces. The method used in the studies was prescribed by the Product Boards for Livestock, Meat and Eggs. In this method the semi-solid medium MSRV had to be used as the selective enrichment medium. Depending on the results from previous collaborative studies, laboratories had to test 50 or 15 capsules. Only in the first study (study VI) one laboratory tested 50 capsules and this laboratory detected Salmonella from all Salmonella positive capsules. In this study VI 22 (of the 23) and in study VII 18 (of the 21) participating laboratores isolated Salmonella from all 10 Salmonella positive capsules. Additionally two pilot bacteriological collaborative studies on the detection methods of Campylobacter were organized. The main goal of these two pilot studies was that the participating laboratories could get experience with the detection of Campylobacter.
    • NRL Salmonella ringonderzoek VI/VII (2000) voor bacteriologische detectie Salmonella en pilot ringonderzoeken I/II (2000) voor bacteriologische detectie Campylobacter

      Voogt N; Dam-Deisz C; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-14)
      In 2000 werden er twee bacteriologische ringonderzoeken voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella, waaraan werd deelgenomen door 23 laboratoria die betrokken zijn bij het plan van aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveehouderij. Het belangrijkste doel van deze ringonderzoeken was te testen of de deelnemende laboratoria in staat waren om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Daarvoor werden referentiematerialen met Salmonella Typhimurium gebruikt die dienden te worden onderzocht met en zonder toevoeging van kippenfeces. De gebruikte methode was voorgeschreven door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE). In deze methode moet het semi-solid medium MSRV gebruikt worden als selectief ophopingsmedium. Naar aanleiding van de resultaten die de deelnemende laboratoria in eerdere ringonderzoeken behaalden moesten 50 of 15 capsules onderzocht worden. Alleen in ringonderzoek VI (roz VI) moesten door een laboratorium 50 capsules worden onderzocht en dit laboratorium isoleerde Salmonella uit alle Salmonella positieve monsters. In roz VI isoleerden 22 (van de 23) en in roz VII 18 (van de 21) deelnemende laboratoria Salmonella uit alle 10 Salmonella positieve capsules. Daarnaast werden er voor de eerste keer pilot ringonderzoeken voor de bacteriologische detectie van Campylobacter georganiseerd met als doel laboratoria ervaring te laten opdoen met de detectie van Campylobacter.<br>
    • Nuchter omgaan met risico&apos;s

      Hollander AEM de; Hanemaaijer AH (eds); MNP; VTV; MEV (Milieu- en Natuurplanbureau MNP, 2003-10-01)
      Bij het beheersen van milieurisico's zal de politiek regelmatig een afweging moeten maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid (doelmatigheid). Hiervoor heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM een systematiek ontwikkeld. Dit staat in het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' dat op verzoek van staatssecretaris Van Geel is geschreven. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier tot beschermingsniveaus te komen, afhankelijk van de beleving van risico's door de burger en de kosten van risicovermindering. De aanvaarde risico's zouden bij zo'n 'nuchtere' aanpak niet perse overal even groot hoeven te zijn, maar in bepaalde situaties kunnen afwijken van de huidige risiconorm. Het huidige risicobeleid van de overheid voor het milieu gaat uit van het recht op bescherming van iedere inwoner van Nederland. Niemand in Nederland mag blootgesteld worden aan een kans op sterfte van meer dan 1 op de miljoen (de zogenaamde miljoen norm) door grote ongevallen, giftige stoffen en straling. Deze norm voldoet in de praktijk niet voor alle risicovolle situaties. Het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' bespreekt de mogelijkheid het huidige beleid uit te breiden met drie stappen. Er kan dan bewust gekozen worden voor een andere strategie voor de beheersing van risico's, wanneer:1. het oplossen van de knelpunten te duur is; 2. de berekende sterfte risico's geen goede maat zijn voor de maatschappelijke onrust; 3. de complexiteit en de wetenschappelijke onzekerheid groot is. Centraal in de gepresenteerde aanpak staat een zogenaamde 'risicoladder' om verschillende soorten risico's te typeren. Hiermee kan de overheid bewuste keuzen maken tussen de kosten van een mogelijke ingreep (doelmatigheid) en het oorspronkelijke uitgangspunt van het recht op risicobescherming voor iedereen
    • Nuchter omgaan met risico's

      Hollander AEM de; Hanemaaijer AH; Milieu- en Natuurplanbureau MNP; MNP; VTV; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-10-01)
      Bij het beheersen van milieurisico's zal de politiek regelmatig een afweging moeten maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid (doelmatigheid). Hiervoor heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM een systematiek ontwikkeld. Dit staat in het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' dat op verzoek van staatssecretaris Van Geel is geschreven. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier tot beschermingsniveaus te komen, afhankelijk van de beleving van risico's door de burger en de kosten van risicovermindering. De aanvaarde risico's zouden bij zo'n 'nuchtere' aanpak niet perse overal even groot hoeven te zijn, maar in bepaalde situaties kunnen afwijken van de huidige risiconorm. Het huidige risicobeleid van de overheid voor het milieu gaat uit van het recht op bescherming van iedere inwoner van Nederland. Niemand in Nederland mag blootgesteld worden aan een kans op sterfte van meer dan 1 op de miljoen (de zogenaamde miljoen norm) door grote ongevallen, giftige stoffen en straling. Deze norm voldoet in de praktijk niet voor alle risicovolle situaties. Het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' bespreekt de mogelijkheid het huidige beleid uit te breiden met drie stappen. Er kan dan bewust gekozen worden voor een andere strategie voor de beheersing van risico's, wanneer:1. het oplossen van de knelpunten te duur is; 2. de berekende sterfte risico's geen goede maat zijn voor de maatschappelijke onrust; 3. de complexiteit en de wetenschappelijke onzekerheid groot is. Centraal in de gepresenteerde aanpak staat een zogenaamde 'risicoladder' om verschillende soorten risico's te typeren. Hiermee kan de overheid bewuste keuzen maken tussen de kosten van een mogelijke ingreep (doelmatigheid) en het oorspronkelijke uitgangspunt van het recht op risicobescherming voor iedereen
    • Nucleair-geneeskundige therapieën: potentiële blootstelling voor derden. Dosisberekeningen als basisinformatie voor de herziening van maatregelen en leefregels

      van de Reijden, A; Laheij, GMH; Kok-Palma, Y (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2018-12-20)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 12-03-2019 op pagina 87 en 88 Voor de behandeling van bepaalde ziekten, zoals schildklierkanker, botkanker en prostaatkanker, worden radioactieve stoffen gebruikt. Jaarlijks krijgen in Nederland ongeveer drieduizend patiënten tijdens therapeutische behandelingen radioactief materiaal toegediend. Patiënten die een behandeling ondergaan, kunnen daardoor zelf een bron van straling worden waaraan mogelijk mensen in hun omgeving worden blootgesteld: niet alleen directe familieleden, maar ook verzorgers, vervoerders, mensen in een vliegtuig, enzovoort. Om te voorkomen dat omstanders aan een te hoge dosis worden blootgesteld, kunnen patiënten langer in het ziekenhuis worden opgenomen dan voor de behandeling strikt noodzakelijk is. Ook kunnen ze 'leefregels' mee naar huis krijgen over de duur van het contact en de afstand tot personen in hun omgeving. Om voorschriften voor deze behandelingen tot stand te kunnen brengen, zodat de behandeling veilig is voor de patiënt, werknemers en de naaste omgeving, moeten de risico's van deze behandelingen bekend zijn. Het RIVM heeft in dit onderzoek specifiek naar de risico's voor de naaste omgeving gekeken. In het onderzoek is berekend aan hoeveel radioactiviteit de naaste omgeving bij veelgebruikte therapieën worden blootgesteld als de patiënt het ziekenhuis direct na de behandeling mag verlaten en zich niet aan leefregels hoeft te houden. De resultaten van dit onderzoek geven hiermee een beeld van de maximale doses die de naaste omgeving kan ontvangen na de behandeling van een patiënt en kunnen nu als basisinformatie dienen om de richtlijn uit 2004 'Aanbevelingen: Het werken met therapeutische doses radionucliden' te herzien en om bestaande leefregels en maatregelen nog eens tegen het licht te houden. De huidige leefregels die patiënten mee naar huis krijgen, zijn nog niet toegespitst op nieuwere therapieën. In het onderzoek zijn diverse scenario's voor alledaagse situaties doorgerekend voor bijvoorbeeld de partner, kinderen, baby's in het bijzonder, en verzorgers. Hierbij is ook ingegaan op specifieke situaties waarin naasten aan de straling van de patiënt worden blootgesteld, zoals de hand van een verzorger die de patiënt voedt. Een ander voorbeeld waarbij naasten in contact kunnen komen met radioactief materiaal, is via druppels gemorste urine op het toilet.
    • Nucleaire geneeskunde bij kinderen in Nederland : Doseringen en stand van zaken in 2010

      de Waard I; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-18)
      De stralingsbelasting van kinderen bij wie nucleair geneeskundig onderzoek wordt gedaan, kan in veel gevallen lager. Dit kan door over te schakelen op de nieuwe doseringsmethodiek van de European Association of Nuclear Medicine (EANM). De reductie is het grootst bij de hogere doseringen en kan dan oplopen tot 30 procent. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de indicaties en de dosis bij nucleair geneeskundig onderzoek van kinderen. Bij nucleair geneeskundig onderzoek krijgt een patiënt een radioactieve stof toegediend. Deze stof hoopt zich op in een orgaan of in tumoren. De straling die de stof uitzendt, wordt met een gammacamera in beeld gebracht. Hiermee kan de werking van nieren, schildklier of andere organen worden onderzocht of kunnen tumoren worden gelokaliseerd. Bij kinderen gaat het vaak om onderzoek van de urinewegen. Aandacht voor de stralingsdosis bij kinderen is belangrijk. Kinderen zijn namelijk gevoeliger voor de schadelijke effecten van straling op lange termijn dan volwassenen. De in Nederland nog algemeen toegepaste doseringsmethodiek is gebaseerd op de oude berekeningswijze van de EANM. De nieuwe doseringsmethodiek is verfijnder dan de oude. Het RIVM heeft de uitkomsten van de twee methoden voor kinderen van verscheidene gewichtsklassen vergeleken. Hieruit blijkt dat de nieuwe methode in de meeste gevallen een lagere stralingsbelasting geeft.
    • Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma : Analyse van de uitgangssituatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

      Wesseling J; Beijk R; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-31)
      Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide zal voldoen. Bij het NSL is ook een monitoringsprogramma opgezet om het bereiken van dit doel te waarborgen. Belangrijk onderdeel hiervan is een informatie- en rekensysteem (Monitoringtool) dat met een jaarlijks actualisatieproces het halen van de grenswaarden inzichtelijk moet maken. Voorafgaand aan de start van de monitoring heeft het RIVM een analyse (nulmeting) van dit systeem uitgevoerd. Vooral vanwege de consistente aanpak heeft de Monitoringtool veel potentie. Desondanks liggen er nog belangrijke verbeterpunten om het daadwerkelijk een robuust systeem te maken. Ondanks de consistente aanpak hebben de berekeningen voor toekomstige jaren een relatief grote onzekerheid, vooral doordat de kwaliteit van de invoergegevens niet bekend is. De kwaliteit van deze locatiespecifieke invoergegevens is primair de verantwoordelijkheid van lokale overheden die deze aanleveren. Thans zijn niet alle relevante onderbouwingen van deze gegevens in het monitoringstraject beschikbaar. Hierdoor is het moeilijk om de kwaliteit van deze gegevens en de daarop gebaseerde rekenresultaten te beoordelen. Met de nu voorliggende combinatie van de Monitoringstool en de bijbehorende invoergegevens kan het RIVM de kwaliteit van de monitoringsresultaten niet objectief vaststellen. Als gevolg hiervan kunnen in de monitoring van het NSL geen conclusies aan deze resultaten worden verbonden. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de invoergegevens te vergroten en daarmee de onzekerheid van het eindresultaat te verkleinen. Bij het opstellen van de eerste Monitoringrapportage wordt in meer detail naar de kwaliteit van de resultaten van de Monitoring worden gekeken. De Monitoringtool vormt een belangrijke invulling van het Aarhus protocol waarin toegang van burgers tot milieugegevens wordt geregeld. Het rekeninstrument dat de kern vormt van het monitoringsprogramma is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen en is deels nog in ontwikkeling. Het RIVM kan daardoor op dit moment alleen concluderen dat de gebruikte rekenmethoden voldoen aan de technisch-inhoudelijk en wettelijke regels om de luchtkwaliteit te berekenen. Het goed werken van het gehele rekeninstrument (inclusief volledige database en website) kon slechts beperkt worden getest. Een algemene uitspraak hierover, en dus ook over de kwaliteit van de monitoringsresultaten, is in deze nulmeting dan ook niet mogelijk.
    • Numerical Advection Schemes: the Second Moment Method

      van Eijkeren JCH; van Stijn TL; Praagman N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-02-29)
      Dit rapport introduceert de Second Moment Methode van Egan en Mahoney voor de numerieke simulatie van advectief transport. De methode is semi-Lagrangiaans en kan rechthoekige blokvormige concentratieprofielen exact advecteren in een constant, uniform windveld. Daartoe moet, behalve de massa die in een blok bevat wordt, ook het massacentrum (1e moment) en de blokwijdte (2e moment) bekend zijn. Na de Lagrangiaanse tijdstap wordt een nieuwe distributie uitgerekend met betrekking tot het Euleriaanse grid gebaseerd op de statistische interpretaties van de momenten.<br>
    • Numerical solution of ordinary differential equations arising from chemical kinetics

      de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-10-31)
      Twee numerieke methoden voor het oplossen van een stijf stelsel van differentiaal vergelijkingen dat de kinetiek van chemische reacties beschrijft, worden vergeleken. De eerste methode is gebaseerd op het werk van Gear (Comm ACM, 14, 185-190, 1971). De tweede methode, QSSA, wordt in dit rapport beschreven. Voor korte simulatietijden, tot enkele uren vereist de QSSA-methode aanzienlijk minder rekentijd zonder dat dit ten koste gaat van de nauwkeurigheid van de berekeningen. Aanbevolen wordt om deze methode toe te passen in atmosferische transportmodellen. Echter, indien de aandacht volledig ligt op de evaluatie van chemische mechanismen en fysische processen zoals depositie, emissie en transport niet worden meegenomen, dan is de nauwkeuriger Gear-methode aan te raden. Dit geldt des te meer wanneer simulaties uitgevoerd worden voor een periode van een of meer dagcycli.<br>
    • Numerieke verspreidingsmodellen voor de interpretatie van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging; ontwikkeling 1982-1985

      de Leeuw FAAM; Kesseboom H; van Egmond ND (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-04-30)
      Ter ondersteuning van de interpretatie van de meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging zijn een aantal modellen voor verspreiding en transport over middelgrote afstanden verder ontwikkeld. Met behulp van deze modellen kan het transport en de omzetting van SO2 en NOx over de 400 x 400 km2 omgeving van Nederland gesimuleerd worden. Als resultaat geven de modellen de concentratie- en depositievelden van de primaire componenten SO2 en NO en van de secundaire componenten NO2, sulfaat en nitraat. Met behulp van de modellen kunnen bijdrage-schattingen van landen, broncategorieen, of zelfs een enkele puntbron aan de concentratie en droge/natte depositie bepaald worden.<br>
    • Het nut van een vervolgonderzoek aan non-responders

      Hoogenveen RT; Hoekstra JA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-09-30)
      The authors report about a study on the use and possibilities of a non-response study in retrospect. A non-response study is meant to control for systematic differences between responders and non-responders in having some property. If so there is selection bias. The problem investigated is: Which kinds of non-response studies in retrospect are possible and useful and how important are time trends? Three scenarios for non-response studies are investigated. These scenarios lead to three estimators of the fraction of the population having the property. The first scenario is not to perform a non-response study. The first estimator uses only the original information from the responders and doesn't control for selection bias. The second scenario is to perform a study in retrospect on non-responders only. The second estimator controls for selection bias but not for time trends. The third scenario is to perform a study in retrospect on both responders and non-responders. The third estimator controls for selection bias and time trends. It is concluded that a non-response study being performed in the same period as the main study is prefered to a study in retrospect, and that control for selection bias isn't useful in case of an extreme ratio between the numbers of responders and those of re-examined non-responders. Because of this last conclusion it was decided not to perform a non-response study in case of the 1991 gastro-intestinal diseases population study in the Netherlands.<br>
    • Nutrienten in bodem en grondwater: Kwaliteitsdoelstellingen en kwaliteit 1984-2000

      Willems WJ; Fraters B; Meinardi CR; Reijnders HFR; Beek CGEM van; KIWA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-15)
      This report is one of the background reports of the evaluation report "MINAS en Milieu" It deals with the impact of fertiliser- and manure application in agriculture on the quality of soil (phosphrus) en groundwater (phosphorus/nitrogen). It is based on monitoring data carried out in the period 1984-2000. The report describes the actual status of quality standards with respect to nutrients. The agricultural soils in the Netherlands are in general phosphorus-rich. Nitrate concentrations in groundwater are high in shallow groundwater (in 2000 in sandy areas ca 125 mg/l: more than twice the standard value) but show a decrease since 1995, due to lower N-surpluses in dairy farming. At greater depths, concentrations are lower due to a combination of slow travel time, hydrology and decay (denitrification). In certain areas the abstracted groundwater for public water supply shows an increase of co-products of denitrifiaction e.g. sulphate, metals (nickel) and hardness.
    • Nutrienten in bodem en grondwater: Kwaliteitsdoelstellingen en kwaliteit 1984-2000

      Willems WJ; Fraters B; Meinardi CR; Reijnders HFR; van Beek CGEM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKiwa, 2003-01-15)
      Dit rapport is een van de achtergrondrapporten van het MNP-RIVM rapport MINAS en Milieu, Balans en Verkenning en bevat een overzicht en analyse van monitoringgegevens over nutrienten in bodem en grondwater in de periode 1984-2000. Het accent ligt op de effecten van bemesting in de landbouw. Ook de huidige stand van zaken over normstelling wordt in dit achtergrondrapport beschreven. De fosfaatgehalten van de landbouwgronden in Nederland zijn landbouwkundig gezien in zeker 40% van het areaal onnodig hoog. Hier zou voor een reeks van jaren bemesting geheel achterwege kunnen blijven. De kwaliteit van het grondwater die op verschillende diepten wordt gemeten wordt besproken. Aan de nitraatconcentraties is de invloed van bemesting met name in de zandgebieden tot ca 10m diepte merkbaar. In het bovenste grondwater is de gemiddelde concentratie 125 mg/l (ruim 2 maal de norm). Nitraatconcentraties in de zandgebieden zijn sinds 1995 afgenomen als gevolg van dalende N-overschotten bij melkveehouderijbedrijven. Uit gegevens van o.a. (drink)waterbedrijven blijkt dat vanwege de lange verblijftijd van het grondwater de invloed van bemesting op grotere diepte nog maar ten dele aantoonbaar is. Het verloop van de nitraatconcentratie met de diepte wordt ook door nitraatafbraak (denitrificatie) bepaald. In bepaalde gebieden blijkt denitrificatie gepaard te gaan met stijging van sulfaat en metaalconcentraties (o.a. nikkel). Ook neemt de hardheid van het opgepompte water hier toe.<br>