• Off-label gebruik van medische hulpmiddelen : een verkenning

      Pot JWGA; de Vries CGJCA; GMT; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-28)
      Het komt in Nederland voor dat medische technologie in ziekenhuizen bewust of onbewust voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waarvoor deze op de markt is gebracht. In welke mate dat gebeurt is niet bekend. Dit zogeheten off label-gebruik is in principe af te raden omdat het risico's met zich meebrengt. Het kan echter uitkomst bieden in crisissituaties als er geen alternatieve middelen voorhanden zijn en een patiënt bijvoorbeeld in levensgevaar verkeert. Off label-gebruik kan bovendien tot innovatie leiden op het gebied van medische hulpmiddelen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. In Nederland is er nog geen officieel standpunt over ingenomen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Hiervoor zijn 12 personen geïnterviewd die nauw zijn betrokken bij inkoop, gebruik en beheer van medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Zorgverleners, zoals medisch specialisten en verplegend personeel, zijn in deze verkenning nog niet aan het woord geweest. Nader onderzoek naar hun mening over off label-gebruik is aanbevolen. Om off-label gebruik te beperken is structurele aandacht nodig voor het juiste gebruik van medische hulpmiddelen in opleidingen voor en bijscholingen van zorgverleners. Hetzelfde geldt voor goede informatie over de beschikbare medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd via een toegankelijk assortimentsoverzicht met productgegevens en gegevens over ervaringen met medische hulpmiddelen. Daarnaast wordt aanbevolen om criteria op te stellen voor gerechtvaardigd off label-gebruik van medische technologie, in combinatie met handelingsprocedures. Met handelingsprocedures worden zaken bedoeld als risicobeoordeling met een multidisciplinair team voor off-label gebruik en publicatie van ervaringen daarna. Hiermee kunnen de risico's van off-label gebruik worden ingeperkt. Het is daarbij raadzaam om hierover met belanghebbende partijen - patiënten, zorgprofessionals, raden van bestuur van ziekenhuizen, fabrikanten en overheid - overeenstemming te bereiken.
    • Off-label use of coronary drug-eluting stents

      Roszek B; Water R de; Pot JWGA; Geertsma RE; BMT (2009-07-15)
      Abstract niet beschikbaar
    • Off-label use of coronary drug-eluting stents : Occurrence, safety, and effectiveness in 'real world' clinical practice

      Roszek BR; de Water R; Pot JWGA; van Domburg RT; Geertsma RE; BMT; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-05)
      Het gebruik van drug-eluting stents (DES) voor een ander doel dan het indicatiegebied (off-label gebruik), kan leiden tot een belasting van deze hulpmiddelen buiten de grenzen van het ontwerp en mogelijk tot verhoogde risico's. Anderzijds kan een dergelijke behandelmethode klinisch relevant zijn, een medisch erkende standaard worden en kan off-label gebruik belangrijk zijn voor verdere innovatie. Het gebruik van DES in patiënten met off-label kenmerken komt veelvuldig voor in de klinische praktijk. Gepubliceerde aantallen variëren wereldwijd tussen de 47% en 81% van alle patiënten die DES ontvangen. In één groot Nederlands cardiovasculair centrum werd off-label gebruik van DES geschat op 68% in 2002. Er werden geen gegevens op nationaal niveau in Nederland gevonden. De veelbelovende resultaten van DES voor on-label indicaties hebben geleid tot DES toepassingen in meer complexe situaties zoals meervoudige vaatafwijkingen, vaatafwijkingen bij een vertakking en diabetes. In sommige gevallen is het gebruik van DES de enige beschikbare optie voor behandeling. Voor onbeperkt gebruik van DES (dat zowel off-label als on-label indicaties omvat) geven individuele observationele studies geen sluitend beeld met betrekking tot veiligheidsaspecten in vergelijking met het gebruik van kale stents voor vergelijkbare indicaties. Er is echter ook een meta-analyse van observationele studies en gerandomiseerde klinische trials uitgevoerd door vooraanstaande onderzoekers. Hieruit lijkt onbeperkt gebruik van DES in vergelijking met kale stents niet te zijn geassocieerd met negatieve veiligheidsuitkomsten en wel met een hogere effectiviteit. Sommige nieuwe generatie DES zijn veiliger en hebben een hogere effectiviteit in vergelijking met de eerste generatie DES.
    • Off-labelgebruik van geneesmiddelen : Verkenning van de complexiteit en problematiek

      Weda M; Molto-Puigmarti CP; Vonk RAA; Hoebert JM; EVG; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-17)
      Medicijnen kunnen worden voorgeschreven voor andere ziekten of groepen patiënten dan waar ze voor zijn goedgekeurd. Dat noemen we 'off-labelgebruik' en is onder voorwaarden wettelijk toegestaan. Dit wordt meestal gedaan wanneer er geen andere geschikte behandelmogelijkheden zijn. Zo komt off-labelgebruik bijvoorbeeld vaak voor bij kinderen of bij ernstige ziekten waarvoor nog geen goedgekeurde therapie bestaat. De mate waarin dit voorkomt verschilt per aandoening maar kan omvangrijk zijn. Off-labelgebruik van medicijnen voorziet dus in een medische behoefte, maar kan nog op meerdere punten worden verbeterd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat artsen hun patiënten niet altijd informeren en om toestemming vragen wanneer zij geneesmiddelen off-label voorschrijven, ook al zijn ze daar wettelijk toe verplicht. Verder is het belangrijk de kennis over off-labeltoepassingen toegankelijker te maken voor artsen en apothekers; deze kennis is nu versnipperd en niet altijd volledig beschikbaar. Om kennis te vergroten is het ook van belang beter bij te houden wat de werking en eventuele bijwerkingen van off-labelgebruik zijn. Het heeft uiteraard de voorkeur om off-labelgebruik van een medicijn on-label te maken. Hiervoor moet de geneesmiddelfabrikant het initiatief nemen om het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van het gebruik bij de overheid aan te leveren. Als een fabrikant dit initiatief niet neemt, wordt het off-label-gebruik niet genoemd in de bijsluiter. Fabrikanten zouden meer kunnen worden aangespoord om het bewijs te leveren. Ook zou onderzocht kunnen worden of dit initiatief door anderen dan de fabrikant genomen kan worden.
    • OKZ binnen bereik? De toegankelijkheid van ouder- en kindzorg in geografisch perspectief

      Verheij RA; Boven PF van; Kosterman F; VTV (2001-11-22)
      In welke mate zijn er regionale verschillen in de aansluiting tussen vraag en aanbod in de ouder- en kindzorg? Dat is de centrale vraag van het rapport "OKZ binnen bereik?" Met behulp van geografische kaarten is gekeken naar regionale verschillen in de spreiding van consultatiebureaus, de inzet van menskracht en de toedeling van financiele middelen in de ouder- en kindzorg. Het onderzoek laat onder andere zien dat het aantal consultatiebureaus in Nederland in de periode 1998-2000 met 4% is gedaald, maar ons land kent nog steeds een dicht net van consultatiebureaus. Een belangrijke aanbeveling geldt de verbetering van de informatievoorziening in de ouder- en kindzorg in het algemeen. Bijvoorbeeld regionale verschillen in het feitelijk gebruik van ouder- en kindzorg zijn op dit moment niet na te gaan. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS.
    • OKZ binnen bereik? De toegankelijkheid van ouder- en kindzorg in geografisch perspectief

      Verheij RA; Boven PF van; Kosterman F; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-22)
      To what extent do regional variations in supply match regional variations in demand in mother and child care? That is the question addressed in this report. Regional differences in physical accessibility of mother and child care, manpower and financial resources are examined by means of geographic maps.
    • Omgaan met normen in de omgevingswet

      Roels JM; Maas RJM; Beijk R; Knol AB; van der Ree J; Borgers HC; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAT Osborne Legal, 2013-07-05)
      Met de Omgevingswet wil het kabinet op effectieve wijze ruimte voor ontwikkeling creëren en tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving waarborgen. Procesmatig wordt ermee beoogd de regelgeving te vereenvoudigen, te bundelen en meer in samenhang te brengen en tevens de besluitvorming over projecten in de leefomgeving te versnellen en verbeteren. In aanloop naar de wet heeft het RIVM geïnventariseerd welke knelpunten er in de huidige wetgeving bestaan bij het gebruik van normen. Vervolgens is geanalyseerd hoe die knelpunten zijn te verhelpen om de Omgevingswet daadwerkelijk effectief en doelmatig te laten zijn. Hiertoe heeft het RIVM een denkraam ontwikkeld voor de wetgever en de bestuursorganen die bij de uitvoering van de Omgevingswet zijn betrokken. Het denkraam helpt om de benodigde keuzes te maken over de wijze waarop de normen het beste kunnen worden gecombineerd met de kerninstrumenten die in de wet zijn opgenomen (omgevingsvisie, programmatische aanpak, algemene rijksregels, decentrale regelgeving, projectbesluit en omgevingsvergunning). Om de samenvoeging van de huidige wetten effectief te maken, is het nodig om het gebruik van de normen te harmoniseren en te differentiëren. Om de veelheid aan normen te kunnen harmoniseren, is een onderscheid gemaakt in zeven typen normen. Dit maakt het mogelijk om voor de diverse sectoren te verduidelijken waar de normen voor zijn bedoeld. Op die manier is de keuze voor een bepaalde norm te vereenvoudigen. Daarnaast is het van belang om de normen, afhankelijk van de situatie, gedifferentieerd in te zetten. Bij kleinere en relatief routinematige beslissingen kan bijvoorbeeld gewerkt worden met uniforme prestatie-eisen, gestandaardiseerde vergunningaanvragen en eenvoudige procedures. Bij complexere gevallen zijn maatwerk en bestuurlijke afwegingen van kansen en risico's en van kosten en baten nodig. Verder is het passend om normen in te zetten voor innovatie, bijvoorbeeld door te stimuleren om steeds de schoonste en veiligste technieken te gebruiken. Op die manier is de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren of wordt het mogelijk dat in de toekomst meer activiteiten binnen een beperkte ruimte plaatsvinden. Ook is het van belang de oplossingen die verschillende sectoren gaandeweg in de praktijk hebben gevonden voor knelpunten in de bestaande wetgeving, breder in te zetten. Ten slotte is de doelmatigheid van normen in de omgevingswet onlosmakelijk verbonden met de bevoegdheidsverdeling tussen overheden. Het is daarbij wenselijk de bestuurlijke verantwoordelijkheden te koppelen aan het niveau (van lokaal tot Europees) waarop de effecten zich manifesteren en waarbij het overheidshandelen het meest effectief is.
    • Omgevingswet: Aanbevelingen voor verdere concretisering kwaliteitscriteria (3 B's) : Kwaliteitseisen in het digitaal stelsel omgevingswet

      Berkhout H; van Langen M; LKG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-04)
      De overheid wil met de Omgevingswet de regels voor ruimtelijke projecten vereenvoudigen en samenvoegen. Hiervoor worden de gegevens over de leefomgeving samengevoegd in één centraal systeem, het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Binnen het DSO brengen overheden informatie voor vergunningverlening en ruimtelijke planvorming samen in zogenoemde informatiehuizen (lucht, water, geluid, natuur, externe veiligheid, ruimte, bouw, cultureel erfgoed, bodem en afval). De informatiehuizen leveren de informatie die de aanvrager nodig heeft over wet- en regelgeving, plannen en initiatieven en het milieu. Dit wordt weergegeven in 'informatieproducten', zoals gestructureerde data, kaarten, foto's of teksten. De informatieproducten mogen alleen worden gebruikt als ze beschikbaar, bruikbaar en juridisch bestendig zijn (3B's). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat moeilijk is om in algemene zin voor alle domeinen dezelfde kwaliteitseisen voor informatieproducten te gebruiken. In de praktijk zullen de kwaliteitseisen per informatieproduct verschillen, bijvoorbeeld omdat verschillende onzekerheidsmarges worden geaccepteerd of de wet bepaalde eisen stelt. Om de drie B's toch verder te kunnen concretiseren, moet duidelijk zijn voor welk doel de gebruiker/aanvrager de informatie nodig heeft, bijvoorbeeld voor planvorming, vergunningverlening of toezicht en handhaving. Vandaaruit kunnen de experts van de informatiehuizen bepalen welke gegevens nodig zijn en kunnen kwaliteitseisen voor de informatieproducten worden opgesteld. Aanbevolen is om de informatiehuizen te betrekken bij het opstellen van de gebruikerseisen voor de informatieproducten en de bijbehorende kwaliteitseisen. Er zijn grote overeenkomsten tussen de informatiehuizen en verwante gegevensstelsels wat betreft de aard, complexiteit en speelveld. Het is raadzaam om verder te onderzoeken hoe deze stelsels omgaan met kwaliteitseisen en daar waar mogelijk bij aan te sluiten. Er wordt hierbij vooral aan het stelsel van basisregistraties gedacht. Het RIVM onderzocht wat nodig is om de kwaliteitseisen van informatieproducten verder te concretiseren en geeft hiervoor een aantal aanbevelingen. Een aantal van deze aanbevelingen zijn inmiddels geïmplementeerd
    • Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer

      van Kempen EEMM; Houthuijs DJM; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-16)
      Naar schatting krijgen in Nederland 21 tot 150 mensen per jaar een acuut hartinfarct doordat zij langdurig aan geluid van wegverkeer zijn blootgesteld. De meest waarschijnlijke omvang is 84 gevallen per jaar. Dit aantal is circa 0,3 procent van het aantal acute hartinfarcten dat jaarlijks in Nederland optreedt. Het percentage is aanmerkelijk lager dan voor Europa is geschat (3 procent), mede doordat in Nederland minder mensen aan hoge geluidniveaus zijn blootgesteld. Uitgangspunt van dit onderzoek is dat een blootstelling aan geluid van gemiddeld meer dan 60 decibel gedurende de dag en avond het risico op een acuut hartinfarct verhoogt. Het aantal ernstig gehinderden door wegverkeer bedraagt 480.000 tot 830.000 personen, met als meest waarschijnlijke omvang 640.000. Het aantal ernstig slaapverstoorden is 180.000 tot 450.000, met 290.000 als meest waarschijnlijke aantal. Dit blijkt uit een studie naar de invloed van geluid van weg- en railverkeer op de omvang van de gezondheideffecten en op welbevinden van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP). Voor deze studie is een nieuwe meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. De belangrijkste onzekerheid hierin is vanaf welk geluidsniveau het risico hierop verhoogd is. Voor hinder en slaapverstoring is gebruik-gemaakt van in de literatuur beschreven relaties.
    • On health risks of ambient PM in the Netherlands

      Buringh E; Opperhuizen A; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO; Energieonderzoek Centrum Nederland ECN; Institute of Risk Assessment Studies IRAS; Department of Biological Sciences, Pace University, Pleasantville, NY, USA; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-14)
      Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.
    • On health risks of ambient PM in the Netherlands

      Buringh E; Opperhuizen A; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNOEnergieonderzoek Centrum Nederland ECNInstitute of Risk Assessment Studies IRASDepartment of Biological SciencesPace UniversityPleasantvilleNYUSA, 2003-01-14)
      Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.<br>
    • On health risks of ambient PM in the Netherlands. Executive summary.

      Buringh E; Opperhuizen A (eds); MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNOEnergieonderzoek Centrum Nederland ECNInstitute of Risk Assessment Studies IRASDepartment of Biological SciencesPace UniversityPleasantvilleNYUSA, 2002-12-06)
      Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.
    • On health risks of ambient PM in the Netherlands. Executive summary.

      Buringh E; Opperhuizen A; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO; Energieonderzoek Centrum Nederland ECN; Institute of Risk Assessment Studies IRAS; Department of Biological Sciences, Pace University, Pleasantville, NY, USA; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-12-06)
      Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.
    • On the etiology of nitrite-induced hypertrophy of the zona glomerulosa of rats: I The possible role of nitrate

      Boink ABTJ; Beekhof PK; Dormans JAMA; Speijers GJA; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      Het is gebleken dat toediening van lage doses nitriet aan de rat gedurende 90 dagen hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren veroorzaakt. In bloed wordt nitriet snel omgezet in nitraat. Nitraat zou dus verantwoordelijk kunnen zijn voor deze afwijking in de bijnieren. Daarom werd in deze studie een vergelijking gemaakt van het effect van nitriet en nitraat op de zona glomerulosa. Drie groepen mannelijke Wistar ratten (elk bestaande uit 10 ratten) werden gedurende 90 dagen via het drinkwater blootgesteld aan respectievelijk kaliumchloride (controlegroep), kaliumnitriet en kaliumnitraat. De concentratie was steeds 36 mmol/l. De toename van het lichaamsgewicht van de ratten die aan nitriet of nitraat waren blootgesteld bleef iets achter bij de toename van het lichaamsgewicht van de controlegroep. De voeropname per kg lichaamsgewicht vertoonde geen verschillen tussen de drie behandelingsgroepen. De vloeistofconsumptie per kg lichaamsgewicht van de nitrietgroep was statistisch significant lager dan die van de controlegroep en van de nitraatgroep. Gedurende de eerste maand, maar niet daarna, waren de ratten van de nitrietgroep cyanotisch. Het voorbijgaand karakter van deze cyanose is mogelijk veroorzaakt door de grotere vloeistofinname (en bijgevolg ook een hogere belasting met nitriet) per kg lichaamsgewicht gedurende de eerste weken in vergelijking met de vloeistofinname gedurende de laatste weken. Aan het eind van de observatieperiode waren de methaemoglobineconcentratie in bloed en de nitrietconcentratie in plasma van de nitrietgroep statistisch significant hoger dan in de chloridegroep en in de nitraatgroep. De nitraatconcentraties in plasma van de nitriet- en nitraatgroep vertoonden onderling geen verschil maar waren duidelijk verhoogd ten opzichte van de controlegroep. Behandeling met nitriet of nitraat veroorzaakte geen eenduidig effect op de concentraties van T4, vrij T4, TSH, ACTH, corticosteron, en aldosteron in bloed. Bij de microscopische beoordeling werd in alle ratten van de nitrietgroep milde hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren waargenomen. In de ratten van de nitraatgroep daarentegen werd slechts incidenteel (2/10) minimale hypertrofie van de zona glomerulosa gezien. De morfometrische analyse van de bijnieren bevestigden de resultaten van de microscopishe beoordeling. De fractie van het oppervlak van de zona glomerulosa ten opzichte van de gehele bijnier in een mediane doorsnede van de bijnier was in de nitrietgroep statistisch significant groter dan die bij de controle- en nitraatgroep. De minimale hypertrofie van de zona glomerulosa die af en toe door de microscoop werd waargenomen bij de ratten die aan nitraat werden blootgesteld kon nauwelijks worden gedetecteerd door middel van morfometrie. Geconludeerd kan worden dat het nitraat ion geen rol speelt in het ontstaansproces van de hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren van de rat.<br>
    • On the etiology of nitrite-induced hypertrophy of the zona glomerulosa of rats: II The possible role of feed

      Boink ABTJ; Beekhof PK; Dormans JAMA; Speijers GJA; LEO; LPI; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      Door Til en medewerkers is gerapporteerd dat toediening van lage doses nitriet via het drinkwater (KNO2: 1.2 mmol/l) aan de rat gedurende 90 dagen hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren veroorzaakt. Bij het RIVM is een confirmatiestudie uitgevoerd waaruit bleek dat dit effect alleen werd waargenomen bij een concentratie van 36 mmol/l KNO2 in het drinkwater. Mogelijke oorzaken voor dit verschil zijn de afstamming van de ratten of de samenstelling van het voer. In beide studies werd alleen aan het eind van de blootstellingsperiode histopathologisch onderzoek uitgevoerd. De doelstellingen van de thans gepresenteerde studie waren om te onderzoeken i) of het type voer invloed heeft op het ontstaan en de intensiteit van de door nitriet geinduceerde gaan hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren, ii) hoe snel deze hypertrofie zich ontwikkelt, iii) of en hoe snel herstel optreedt. In aanvulling op het onderzoek naar de effecten van nitriet op de zona glomerulosa van de bijnieren werden de klassieke parameters voor nitriettoxiciteit, namelijk lichaamsgewicht en de methaemoglobineconcentratie in bloed gemeten. Aangetoond werd dat de door nitriet geinduceerde lichte hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren snel optrad (binnen 4 weken). Tevens bleek dat de hypertrofie geen ernstigere vormen aannam bij voortdurende blootstelling, en maar langzaam verdween na stopzetten van de blootstelling. Met deze bevindingen dient rekening gehouden te worden bij de beoordeling van de gezondheidsrisico's van nitriet (en van nitraat). De toename van de concentratie methaemoglobine in bloed, welke het klassieke beeld vormt van het toxisch effect van nitriet, was afhankelijk van het type voer. Aangezien voedsel de belangrijkste bron van nitraat (en indirect van nitriet) is voor de mens, zijn nadere onderzoeken naar dit modulerend effect van belang voor de risicoschatting.<br>
    • On the etiology of nitrite-induced hypertrophy of the zona glomerulosa of rats: III The effect of combined administration of nitrite and an ACE inhibitor

      Boink ABTJ; Beekhof PK; te Biesebeek JD; Timmerman A; Elvers LH; Dormans JAMA; Vleeming W; LEO; NVIC; LPI; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-01)
      Toediening van lage doses nitriet veroorzaakte bij ratten hypertrofie van de zona glomerulosa van de bijnieren. Het mechanisme achter het ontstaan van deze hypertrofie was onduidelijk. Er is gesuggereerd dat deze hypertrofie het gevolg was van het bloeddrukverlagend effect van nitriet en de daarmee gepaarde activatie van het renine-angiotensine systeem. Daarom werd het effect van gelijktijdige blootstelling gedurende 4 weken aan nitriet en een remmer van het angiotensine converting enzym (ramipril, 1 mg/kg lichaamsgewicht/dag) op de morfologie van de bijnier onderzocht. Bloeddruk en hartslag werden continu geregistreerd. De plasma renine activiteit (PRA) en de concentraties van angiotensine I (AI) en aldosteron in plasma werden bepaald vlak voor en twee weken na begin van de blootstelling aan nitriet en ramipril. Blootstelling van de ratten aan ramipril veroorzaakte een permanente daling van de bloeddruk en ophoping van AI. Blootstelling aan nitriet leidde tot herhaalde, kortdurende perioden van licht verlaagde bloeddruk en een kleine stijging van de concentraties PRA en AI in plasma. Gelijktijdige blootstelling aan ramipril en nitriet leidde tot de hoogste AI concentratie hetgeen suggereerde dat het effekt van beide stoffen additief was. De aldosteron-concentratiebepaling liet geen statistisch significante verschillen tussen de groepen zien. De resultaten van de histopathologische beoordeling van de bijnieren en van de morfometrie lieten duidelijk zien dat ramipril de hypertrofie onder invloed van nitriet van de zona glomerulosa van de bijnieren onderdrukte. Deze hypertrofie was dus niet het gevolg van een direkt effect van nitriet op de bijnieren maar werd gemedieerd door het renine-angiotensine systeem dat was geactiveerd door de bloeddrukdaling als gevolg van nitriet. De hypertrofie - onder invloed van nitriet - van de zona glomerulosa van de bijnieren kan worden beschouwd als een normale fysiologische aanpassing aan herhaalde perioden van lichte bloeddrukdaling<br>
    • On-line derivatization of peptides for improved sequence analysis by micro column LC-ESI-tandem mass spectrometry

      Cardenas MS; van der Heeft E; Meiring MD; ten Hove GJ; Herberts C; van Els CACM; de Jong APJM; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      Een on-line methode is ontwikkeld voor een gecombineerde derivatisering en analyse met behulp van LC-ESI/MS van peptides op femto-mol niveau. Peptides werden na belading op een trapkolom in een microkolom schakelsysteem gederivatiseerd met N-succinimidyl-2(3-pyridyl)acetate (SPA) in gebufferd aqueous medium by pH 7. Het gemakkelijk hydrolyseerbare reagens was opgelost in droge methanol en werd vervolgens in het HPLC systeem gemengd in een 3% volume ratio met de buffer en vervolgens over het monster op de trapkolom geleid. Na de reactie en het wassen van de voorkolom met water werden de reactieproducten (derivaten) met behulp van een gradientelutie van de trapkolom overgebracht naar de analytische kolom voor scheiding en ESI tandam MS analyse. Een vrijwel kwantitatieve reactie vond plaats met N-terminale en lysine amino groepen. De reactie met de lysine aminogroep verschaft een doeltreffende chemische methode voor differentiatie tussen de isobare residuen glutamine en lysine. In een aantal gevallen vond een geringe reactie plaats met de phenolische OH groep van tyrosine. De pyridylacetyl groep op de N-terminale aminogroep kan leiden tot een verandering van het fragmentatiepatroon in MS/MS ten gunste van de vorming van zogenaamde, hetgeen aanvullende informatie levert in MS/MS spectra in sequentie-analyses.<br>
    • On-site natural gas piping : Scenarios and failure frequencies

      van Vliet AAC; Gooijer L; Laheij GMH; CEV; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-20)
      Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu ongevalskansen van scenario's bepaald voor bovengrondse aardgasleidingen op aardgasinrichtingen. Dit zijn onderdelen van de aardgasinfrastructuur waarbij apart is gekeken naar 'flensverbindingen', die leidingdelen met elkaar verbinden. De scenario's en ongevalskansen kunnen worden gebruikt om de risico's voor de omgeving in kaart te brengen. Dit gebeurt met de rekenmethodiek voor aardgasinrichtingen die momenteel wordt ontwikkeld. Deze methodiek zal deel uitmaken van de Handleiding risicoberekeningen bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het onderzoek is uitgevoerd omdat aardgasinrichtingen onder dit Besluit komen te vallen, maar de bijbehorende Handleiding nog niet specifiek op deze inrichtingen ingaat. Er zijn twee standaardscenario's onderzocht: lekken en breuken. De ongevalskansen van de leidingen zijn afgeleid uit Europese gegevens van transportleidingen. Hiervoor is gekozen omdat er geen bruikbare specifieke gegevens voor de bovengrondse hogedruk aardgasleidingen in literatuur of databanken aanwezig zijn. Bovendien bevatten de gegevens van de Nederlandse gasindustrie geen relevante lekken of breuken. Voor flenslekkages is de ongevalskans gebaseerd op de statistieken van de Nederlandse gasindustrie. Flensverbindingen zelf kunnen niet breken. Wel kan een lekkage van een flensverbinding tot een breuk van een leiding leiden, waardoor wordt aanbevolen dit domino-effect mee te nemen in een risicoberekening. Verder blijkt uit dit onderzoek dat de bijdrage van externe gebeurtenissen, zoals aanrijdingen en hijswerkzaamheden, moet worden meegenomen in de ongevalskansen en scenario's. Hier vloeit de aanbeveling uit voort om de huidige modellen voor deze gebeurtenissen te valideren. Een andere aanbeveling is om de Nederlandse ongevalsdatabanken zo te verbeteren dat ze ook geschikt zijn om incidenten gedetailleerder te analyseren, en om ongevalskansen te bepalen.
    • Een onafhankelijke tool voor stedelijke luchtkwaliteitsberekeningen : Vergelijking met CAR-II, Monitoringstool en metingen

      Nguyen PL; Wesseling J; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-09-15)
      Het RIVM heeft een eigen tool ontwikkeld om stedelijke luchtkwaliteitberekeningen uit te voeren. De rekenregels in deze tool zijn exact ontleend aan de wettelijke voorschriften voor standaardrekenmethode-1 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Bestaande berekeningen van de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) monitoringstool en web-based CAR (Calculation of Air pollution from Road traffic), twee tools die de uitstoot van verkeer in steden monitoren, zijn met de nieuwe tool gecontroleerd en in orde bevonden. De met de tool berekende concentraties stikstofdioxide en fijn stof PM10 zijn ook vergeleken met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit voor 2008 en 2009. De resultaten blijven binnen de marge tussen berekeningen en metingen die volgens de Europese richtlijn 2008/50/EG is toegestaan (respectievelijk 30 en 50 procent). Hiermee voldoet de nauwkeurigheid van de berekeningen aan de kwaliteitsdoelstellingen van deze Europese richtlijn.