• Basisnotitie Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs

      Keizers P; Ohana D; van Aerts L; Broek I van den; Janssen R; PRS; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-15)
      In 1999 is een Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) opgericht. Het doel van het CAM is om indien nodig zo snel mogelijk een risicobeoordeling uit te voeren op nieuw verschenen drugs in het gebruikscircuit. Aan de hand van de risicobeoordeling kan het beleid ten aanzien van deze nieuwe drugs worden bepaald. Het CAM bestaat uit een voorzitter, een coördinator en een secretariaat en wordt ondersteund door een Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs waarin diverse deskundigen op het gebied van drugs en drugsgebruik zijn vertegenwoordigd. De coördinator en het secretariaat worden vanuit het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) geleverd. Er is een protocol voor de risicobeoordelingsprocedure dat is opgesteld door de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Het doel en de werkwijze van het CAM en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs staan beschreven in deze Basisnotitie. De Basisnotitie vervangt de vorige versie uit 2011 en is opgesteld vanwege wijzigingen in procedures en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Naast het uitvoeren van risicobeoordelingen, is het CAM voor de leden van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs ook een centraal punt waar informatie over nieuwe stoffen uitgewisseld wordt en voor de volksgezondheid relevante trends bijgehouden worden. Het CAM en de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs zijn formeel ingesteld via het Besluit Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs 2003. De leden van de Commissie en de onafhankelijke voorzitter worden door de Minister benoemd. Het CAM is sinds 1 januari 2006 ondergebracht bij het RIVM.
    • Basiswaarden voor spoorelementen in het grondwater van Nederland; gegevens uit landelijke en provinciale meetnetten (LMG; PMG; LMB; sprengen Veluwe)

      Meinardi CR; Groot; MSM; Prins HF; LDL (2003-06-24)
      Basiswaarden voor het zoete grondwater zijn gedefinieerd als de concentraties van stoffen in het grondwater die uitsluitend zijn ontstaan uit natuurlijke neerslag in het huidige landschap. Metingen aan grondwater met reistijden van meer dan 50 jaar in de bodem van gebieden met een natuurlijke vegetatie uit de Landelijke en Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (LMG, PMG) en uit de sprengen van de Veluwe zijn bewerkt om basiswaarden te bepalen voor 50 anorganische spoorelementen. De gegevens uit LMG en PMG waren onvoldoende consistent om ze in samenhang te beschouwen; de resultaten van PMG zijn niet gebruikt. Concentraties in natuurlijke neerslag kunnen uit de basiswaarden voor het grondwater worden afgeleid. Basiswaarden dienen in beschouwing genomen te worden bij de vaststelling van streef- en grenswaarden om ongewenste overschrijdingen te voorkomen. De basiswaarden voor Cd, Cu en Ni zijn vrijwel gelijk aan de thans geldende streefwaarden, zodat overschrijdingen veel voorkomen. De basiswaarden maken het mogelijk om veranderingen in de samenstelling van het grondwater door menselijke invloed te bepalen. Uit een vergelijking van de concentraties in grondwater met lange (meer dan 50 jaar) en korte (minder dan 25 jaar) reistijd in de bodem blijkt dat menselijke invloeden aantoonbaar zijn. Hoge concentraties van de metalen Al, Cd, Cu, Pb, Ni en Zn worden vooral als gevolg van verzuring gevonden in grondwater met korte reistijden onder natuurlijke vegetatie. Overschrijdingen van de streefwaarden zijn aanzienlijk in het zuidelijk zandgebied en iets minder groot in de overige. Andere stoffen hebben de hoogste concentraties in ondiep grondwater onder landbouw (bemesting). Recent in de bodem geinfiltreerd grondwater is bemonsterd in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Uit deze gegevens volgt dat een toegenomen atmosferische depositie van Cd, Cu en Ni merkbaar is in het grondwater van natuurgebieden. De verschillen in de concentraties van veel spoorelementen zijn relatief gering voor ondiep grondwater onder diverse vormen van landbouw.
    • Basiswaarden voor spoorelementen in het grondwater van Nederland; gegevens uit landelijke en provinciale meetnetten (LMG; PMG; LMB; sprengen Veluwe)

      Meinardi CR; Groot, MSM; Prins HF; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-24)
      Basic groundwater values are concentrations in natural aerial deposition, multiplied by condensation factors derived from evapotranspiration in the actual landscape. They can serve as reference values for limit values and also for determining anthropogenic influences on groundwater. Groundwater basic values and basic values for atmospheric deposition in the Netherlands were derived from groundwater with long travel times in the soil, sampled in the national (LMG) and provincial groundwater monitoring networks (PMG). Groundwater from areas with natural vegetation, having resided a large time in a sandy soil, is discharged by the Veluwe sprengen, where investigations included the analysis of 50 trace elements. Comparison of the concentrations of trace elements in groundwater with travel times of more than 50 years under natural vegetation and those in Veluwe sprengen water showed the effects of variations in evapotranspiration, leading to different condensation factors. Human activities (acidification) cause high concentrations of metals in groundwater with short travel times under natural vegetation. Other trace elements and most major compounds have the highest concentrations in recent groundwater under agriculture (fertiliser). The national target levels for groundwater in LMG and PMG are often exceeded for Cd, Cu, Ni, Pb and Zn and, notably, for groundwater with the shortest travel times in the soil of both agricultural grounds and areas with natural vegetation. Recently infiltrated groundwater was observed in the National Soil Monitoring Network (LMB). Results indicated an increased aerial deposition of metal elements on natural vegetation showing a south to north trend over the Netherlands. Areas with intensive husbandry, sampled in LMB, show increased values for As and total-P, the concentrations of the other elements being only slightly higher if compared to normal agricultural soils.
    • Baten van geluidmaatregelen

      Jabben J; Potma C; Lutter S; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-10-09)
      Vermindering van omgevingsgeluid door het weg- en railverkeer in stedelijke gebieden in Nederland levert forse maatschappelijke baten op. Hierdoor worden gebieden nabij deze bronnen aantrekkelijker om te wonen en te bouwen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Het RIVM inventariseerde de maatschappelijke baten van diverse geluidsmaatregelen, zoals stille banden, geluidsarm asfalt en geluidsschermen. Dit gebeurde aan de hand van Hedonic Pricing, een manier om de invloed van geluid op huizenprijzen te beoordelen. Ook is gekeken naar verschillen in grondprijzen voor gebieden die wel of niet geschikt zijn voor nieuwe woningbouw. Uit het onderzoek blijkt dat voor wegverkeer stille banden en geluidsarm asfalt het meest kosteneffectief zijn. Deze maatregelen pakken het geluid aan bij de bron. Geluidsschermen zijn minder kosteneffectief. Ook langs spoorwegen zullen bronmaatregelen forse baten opleveren. De totale omvang van de te realiseren baten bedraagt circa 7 miljard euro in de vorm van waardestijging van woningen en bouwgronden. De meeste van de gebieden grenzen aan stedelijke verkeerswegen en spoorwegen. Geluidsmaatregelen kunnen ook de waarde van natuur- en stiltegebieden verhogen. Deze waardetoename wordt geschat op ruim 60 miljoen euro, op grond van een hogere betalingsbereidheid bij bezoekers voor stiltekwaliteit. Het is echter meestal niet mogelijk om deze baten kosteneffectief te realiseren. Alleen in natuurgebieden die veel bezoekers trekken, zoals bijvoorbeeld het Nationaal Park 'Dwingelderveld' in Drenthe, kunnen de baten opwegen tegen de kosten.
    • Bedrijfsafvalstoffenonderzoek 1986

      Cornelissen AAJ (1987-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Bedrijfsgeneeskundige zorg door Defensie geboden aan (ex-)POMS-medewerkers : WP7 deelonderzoek 2

      Schulpen S; Zwart F de; Dam-Deisz WDC; MNS; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Bedrijfsresultaten 1989 van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

      Boelhouwer HC; Swaan Rn; Vos PW de (1990-07-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Bedrijfsterreinen weg van de snelweg? Een historische analyse van de ruimtelijke veranderingen van bedrijfsterreinen in de periode 1981 - 1993, op het ruimtelijk schaalniveau van 500 meter gridcellen

      Wagtendonk AJ; Schotten CGJ; LBG; Afdeling Regionale Economie (Vrije Universiteit AmsterdamFaculteit der Economische wetenschappen en Econometrie, 2001-02-05)
      In dit onderzoek zijn de ontwikkelingen in het ruimtegebruik van bedrijfsterreinen in de periode 1981 - 1993 zowel visueel als cijfermatig in beeld gebracht en gerelateerd aan een aantal vooraf geselecteerde (ruimtelijke) drijvende factoren. Tevens is een doorkijk naar de toekomst genomen aan de hand van de Nieuwe Kaart van Nederland 2005. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van gedetailleerd digitaal kaartmateriaal van het CBS en met de ruimtelijke analyse mogelijkheden van een Geografisch Informatie Systeem (GIS). Uit het onderzoek blijkt ondermeer dat in het verleden met name rond knooppunten van infrastructuur relatief de grootste groei heeft plaatsgevonden maar dat de recente ontwikkelingen duiden op een verplaatsing van de groei-accenten naar de gehele als stadsrand gedefineerde zone. Tenslotte zijn de resultaten van het onderzoek gebruikt om het mede door het RIVM ontwikkelde simulatie Model Ruimtescanner verder te testen en te verbeteren. Hiervoor zijn een aantal aanbevelingen gegeven.
    • Bedrijfsterreinen weg van de snelweg? Een historische analyse van de ruimtelijke veranderingen van bedrijfsterreinen in de periode 1981 - 1993, op het ruimtelijk schaalniveau van 500 meter gridcellen

      Wagtendonk AJ; Schotten CGJ; Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Economische wetenschappen en Econometrie; LBG; Afdeling Regionale Economie (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-02-05)
      In the recent Dutch spatial planning policy, much attention is given to the problems associated with the spatial pressure generated by different -still expanding- types of land use. One of the problems is the increasing amount of space claimed by business parcs, leading to a further dispersion of the limited amount of open space in the Netherlands. In this investigation the growth rates of the business areas are estimated and compared for different spatial units, in relation to the driving forces behind these developments. For this research the spatial analytical capabilities of a geographical information system (GIS) was used to analyse the different detailed digital land use maps of the Dutch statistical agency (CBS). It appears that the fastest growth rates of business areas are found in the direct surroundings of nodes of infrastructure. In the future period till 2005 however, it seems that the accent of growth is shifting to the total zone of the city-edges. Finally the results of this research were used to test and further improve the land use simulation model 'Land-Use Scanner'.
    • Bedrijfsverplaatsingen naar het spoor en de effecten op verkeer en vervoer

      Wee GP van; LAE (1996-12-31)
      Deze scenariostudie heeft tot doel vast te stellen in welke mate de verplaatsing van werkgelegenheid van slecht naar beter per openbaar vervoer bereikbare locaties kan bijdragen aan de beperking van (de milieuschade door) de personenmobiliteit. Er is een ruimtelijk scenario opgesteld, waarin is verondersteld dat de helft van de werkgelegenheid wordt verplaatst van slecht naar goed per openbaar vervoer bereikbare locaties. Als maximale verplaatsingsafstand is 20 km hemelsbreed verondersteld. Teneinde expliciet met reacties van werkenden op bedrijfsverplaatsingen rekening te houden (wel/niet verhuizen ; wel/niet van werkgever veranderen), zijn modellen ontwikkeld voor deze reacties. Deze modellen zijn toegepast in de scenariostudie. De belangrijkste conclusies zijn: (1) De berekende effecten op het woon-werkverkeer hangen sterk af van de vraag of expliciet rekening is gehouden met de reacties van werkenden op bedrijfsverplaatsingen. Het autogebruik (uitgedrukt in kilometers) van de werkenden die geconfronteerd worden met bedrijfsverplaatsingen, neemt met circa 10% af indien expliciet rekening wordt gehouden met genoemde reacties, en met circa 30% indien van de lange termijn evenwichtssituatie wordt uitgegaan. (2) Het additionele effect van het verplaatsen van werkgelegenheid van slecht naar goed per openbaar vervoer bereikbare locaties is lager als de snelheid van het autosysteem 10% lager is en als de kosten van mobiliteit dubbel zo hoog zijn. (3) Het additionele effect van het genoemde ruimtelijke scenario is min of meer onafhankelijk van een eventuele wijziging in de voorkeur van werkenden van auto naar openbaar vervoer.
    • Bedrijfsverplaatsingen naar het spoor en de effecten op verkeer en vervoer

      Wee GP van; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-12-31)
      This report describes a scenario study into the mobility effects of office relocations. A land-use scenario was developed, assuming that half the non-agricultural and non-retail employment at locations with poor access to public transport are relocated to sites with good public transport accessibility. Based on the results of empirical research, models have been developed describing how employees react to the relocation of their offices (change / no change in home or job location). These models were combined with the Dutch National Model System. Model simulations show that if half the non-agricultural and non-retail employment at locations with poor access to public transport are relocated to sites with good public transport accessibility, calculated use of cars for driving from home to work, assuming the long-term equilibrium, will be reduced by 4% in 2015. However, If (delayed) reactions of employees to relocations are explicitly incorporated, the (medium-term) reduction is only 1.3% Reductions in the distance driven from home to work of employees confronted with relocations vary from 31% (long-term equilibrium) to 10% (taking explicit account of reactions to relocations). Calculated effects of relocations on the mobility of employees are highly dependent on whether or not reactions of employees are explicitly taken into account. Contrary to the expectations, if mobility costs are doubled or if average speeds of car trips are reduced by 10%, the effects of the assumed employment relocations are lower than without these changes. The most important reason for these lower effects is the difference in increase in commuting distances due to the employment relocations. Before the employment relocations the firms are located more or less in the centre of their workers. After the employment relocations the employment is sited more excentric, resulting in an increase in average commuting distances. The shorter the commuting distances, the stronger the (relative) increase in commuting distances. Because higher costs and lower speeds result in lower commuting distances, the increase due to the employment relocations is higher. Changes in behaviour (taste variations) (with as a result a shift from car driver to public transport) do not influence the effects of the assumed employment relocations.
    • Behandeling met methadon bij de rat tijdens abruptie morfine onthouding

      Jansen van 't Land C; van der Laan JW; de Groot G; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-01-31)
      De daling van de nachtelijke activiteit, het gewicht en de voedselinname zijn duidelijke onthoudingssymptomen in een rattemodel voor abrubte morfine onthouding. In dit onderzoek werd getracht deze onthoudingsverschijnselen geheel of gedeeltelijk te niet te doen door de dieren tijdens de onthouding te behandelen met de opiaat-agonist methadon. Toevoeging van methadon in verschillende concentraties in het drinkwater leidde er echter toe dat de dieren steeds minder gingen drinken. Wanneer methadon in verschillende concentraties door het voer werd gemengd, werd een extra daling van de voedselinname waargenomen. Deze daling bleef ook bestaan als een drie maal lagere concentratie methadon werd gebruikt. Wanneer methadon subcutaan werd toegediend door middel van osmotische minipompjes werd alleen in de eerste nacht een minder sterke daling van het gewicht gezien, maar daarentegen werd in de daarop volgende nachten een extra daling van het gewicht geinduceerd. Ook de voedselinname was extra verlaagd onder invloed van methadon. Geconcludeerd werd dat de gemeten onthoudingssymptomen zoals de daling van de nachtelijke activiteit, het gewicht en de voedselinname in de gebruikte rattestam (Crl:(WI)BR) niet verminderd konden worden, eerder werden versterkt, door de behandeling met methadon.<br>
    • De behandeling van loodintoxicaties

      Spaans E; Vries I de; Dijk A van; Savelkoul TJF; VIC (1996-01-31)
      Regelmatig worden het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de polikliniek Medische Toxicologie van het Academisch Ziekenhuis Utrecht geconfronteerd met vragen van artsen die te maken hebben met personen met een verhoogde blootstelling aan lood. Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk inzicht te hebben in de kinetiek van lood in het menselijk lichaam. In deze studie is een model ontwikkeld dat als hulpmiddel gebruikt kan worden bij het tot stand brengen van dit inzicht. Vervolgens wordt aan de hand van computersimulaties het verloop van een chronisch verhoogde loodbelasting en het nut van chelatietherapie beschreven.
    • De behandeling van loodintoxicaties

      Spaans E; de Vries I; van Dijk A; Savelkoul TJF;; VIC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Although lead pollution, and thus lead intoxication, should be a decreasing problem in Western society, the Dutch Poison Control Centre and the medical toxicology outpatient Department of the Utrecht University Hospital are still often faced with patients with worrisome blood lead concentrations. Understanding the behaviour of lead in the human body is essential in dealing with these problems. Therefore a kinetic model which can explain this behaviour has been developed. Furthermore, the situation of a high lead burden is considered and an insight into the events surrounding treatment of these patients is presented.
    • A behavioral analysis of private car use by households

      Rouwendal J; PB-NOP (1997-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Behaviour of Clostridium perfringens in simulated gastrointestinal conditions. An interim report

      Wijnands LM; van der Meij-Florijn A; Mensink ME; de Jonge R; van Leusden FM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-12)
      Het RIVM onderzoekt hoe mensen ziek worden als zij voedsel eten dat besmet is met de bacterie Clostridium perfringens. Dit wordt gedaan met experimenten die de omstandigheden in maag en darmen nabootsen. Doel van het onderzoek is om een schatting te maken van het aantal ziektegevallen in Nederland per jaar. Momenteel is dat moeilijk omdat de klachten (voornamelijk waterige diarree) kortdurend en mild zijn. Daardoor gaan patienten niet snel naar een arts en worden gevallen van de ziekte niet snel geregistreerd. Voor een gedegen schatting van het aantal ziektegevallen is kennis nodig over de manier waarop de ziekte ontstaat en hoe vaak en in welke mate de bacterie in voedsel voorkomt. Voor veel bacterien vormt de maag een moeilijk te nemen obstakel, maar C. perfringens lijkt de maag gemakkelijk te passeren. Dit rapport is een tussenrapportage. Het onderzoek wordt bemoeilijkt doordat de productie van de gifstof, die de klachten veroorzaakt, een proces is dat moeilijk is na te bootsen en door veel factoren wordt beinvloed. Ook bestaan er veel stammen van deze bacterie die op verschillende manieren reageren. Daarnaast moet nog worden onderzocht hoe vaak en in welke mate de bacterie in voedsel voorkomt. Nader onderzoek is daarom nodig.
    • Behaviour of ETU in soil from two Dutch fields. I: Laboratory experiments ; II. Field experiment

      Cornelese AA; Jong PGH de; Linden AMA van der; Baumann RA; LBG; LOC (1995-01-05)
      Ter ondersteuning van een monitoring programma naar het voorkomen van ETU in het ondiepe grondwater in Nederland, zijn een aantal laboratoriumexperimenten uitgevoerd naar het gedrag van ETU in grond ; alsook een veldexperiment. Deel I beschrijft de experimenten die zijn uitgevoerd om een extractie methode voor ETU uit grond te ontwikkelen, alsmede experimenten om de sorptieconstante en de omzettingssnelheid te bepalen. Deel II beschrijft het veldexperiment en de problemen die optraden bij de uitvoering ervan.
    • Behaviour of pesticides in aquifer materials: interpretation of an in situ experiment

      Weerd H van der; Linden AMA van der (1991-03-31)
      Abstract niet beschikbaar