• Nineteenth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2014) on typing of Salmonella spp.

      Jacobs-Reitsma WF; Maas HME; de Pinna E; Mensink ME; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-21)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2014 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Eén laboratorium had hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 96% van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2014 waren dat de kandidaat-lidstaten Macedonië, Servië en Turkije, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. EFTA staat voor European Free Trade Association. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidis-stammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 83% van de S. Typhimurium-stammen en eveneens 83% van de S. Enteritidis-stammen op de juiste wijze. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella), dat is ondergebracht bij het RIVM in Nederland. De organisatie van het faagtyperingsringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Public Health England in Londen.
    • Ninth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2004) on typing of Salmonella spp

      Korver H; Maas HME; Ward LR; Mevius DJ; Wannet WJB; Mooijman KA; MGB; LIS; HPA (London); CIDC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-04-26)
      The ninth interlaboratory comparison study on the typing of Salmonella was organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, the Netherlands) in collaboration with the Health Protection Agency (HPA, London, United Kingdom) and the Central Institute for Animal Disease Control (CIDC, Lelystad, the Netherlands) in spring 2004. Twenty-five National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs-Salmonella) including Norway and Candidate Country Romania and eighteen Enter-Net Laboratories (ENLs) participated in the study. In total, 20 strains of the species Salmonella enterica subspecies enterica were selected for serotyping. Ten strains of Salmonella Enteritidis (SE) and 10 strains of Salmonella Typhimurium (STM) were selected for phage typing. Ten strains of Salmonella spp. were selected for antimicrobial susceptibility testing. In general, no problems were encountered with the typing of the O-antigens. Some laboratories had problems with typing of the H-antigens. Many problems occurred with the distinction between S. Banana and S. California. Ninety-eight percent of all participating laboratories were able to correctly type the O-antigens. The H-antigens were typed correctly by 90 % of the NRLs and by 96 % of the ENLs. Ninety percent of the NRLs and 95 % of the ENLs indicated correct serovar names for the 20 serotyping strains. The phage typing of some of the Salmonella Enteritidis strains caused problems for the NRLs as well as for the ENLs. Most laboratories performed the antimicrobial susceptibility testingtowards a panel of fourteen antibiotics. Some problems occurred with the interpretation of the results obtained with antibiotics amoxicillin-clavanulate and trimethoprim/sulphamethoxazole. This study demonstrated that less deviating results were produced by Minimal Inhibition Concentration determinations than by disc diffusion.
    • Ninth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2004) on typing of Salmonella spp

      Korver H; Maas HME; Ward LR; Mevius DJ; Wannet WJB; Mooijman KA; MGB; LIS; HPA (London); CIDC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-04-26)
      Het negende ringonderzoek voor de typering van Salmonella werd in de lente van 2004 georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met Health Protection Agency (HPA, Londen, Verenigd Koninkrijk) en het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC, Lelystad, Nederland). Vijfentwintig Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) inclusief Noorwegen en Kandidaat lidstaat Roemenie en 18 Enter-Net Laboratoria (ENLs) namen deel aan de studie. Twintig stammen van species Salmonella enterica subspecies enterica werden geselecteerd voor de serotypering. Tien stammen van Salmonella Enteritidis (SE) en 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) werden geselecteerd voor faagtypering. Tien stammen van Salmonella spp. werden geselecteerd voor antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen. In het algemeen werden geen problemen gevonden met de typering van de O-antigenen. Enkele laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. Veel problemen traden op met de onderscheiding tussen S.Banana en S. California. Achtennegentig procent van alle deelnemende laboratoria typeerden de O-antigenen correct. De H-antigenen werden correct getypeerd door 90 % van de NRLs en door 96 % van de ENLs. Negentig procent van de NRLs en 95 % van de ENLs gaven de 20 serotyperingsstammen de goede serovar naam. De faagtypering van enkele van de Salmonella Enteritidis stammen zorgden voor problemen voor zowel de NRLs als de ENLs. De meeste laboratoria testten de antimicrobiele gevoeligheids bepalingen tegen een panel van veertien antibiotica. Sommige problemen deden zich voor met de interpretatie van de resultaten verkregen met de antibiotica amoxicillin-clavanulaat en trimethoprim/sulphamethoxazole. Deze studie toonde aan dat minder afwijkende resultaten werden verkregen met de Minimal Inhibition Concentration methode dan met de disk diffusie test.
    • The ninth workshop organised by CRL-Salmonella

      Korver H; Mooijman KA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-15)
      The ninth workshop organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella (CRL-Salmonella) was held on 13 and 14 May 2004 in Bilthoven, the Netherlands. The representatives of the National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs-Salmonella) of the Member States of the European Union (including the 10 new Member States) were present. Also representatives of the European Commmission (DG-Sanco) participated in the workshop. Presentations were given by representatives of DG-Sanco, of the NRLs and of CRL-Salmonella and by some guest speakers. Subjects which were discussed were: the new Zoonoses Directive and Regulation, tasks and duties of CRLs and NRLs, the Zoonoses report of 2002, methods (PCR confirmation, validation), antibiotic resistance, intercomparison studies organised by NRLs and by CRL (2003, 2004 and 2005), and the work programme of CRL-Salmonella for the coming year.
    • Nitraat en Nitriet in Urine, Maagsap, Speeksel en Bloedplasma - Bepaling met Hoge Prestatie Ion Chromatografie (HPIC) en UV-detectie

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Vliet JJH van; ARO (1994-08-31)
      Dit rapport beschrijft de methode-ontwikkeling en de prestatiekenmerken van een HPIC/UV-methode voor de bepaling van nitraat en nitriet in urine, maagsap, speeksel en bloedplasma van humane herkomst. Gedetecteerd wordt bij 208 nm waardoor voldoende selectiviteit voor nitriet en nitraat wordt verkregen t.o.v. chloride-, sulfaat- en fosfaat-ionen. Urine en maagsap worden op identieke wijze voorbewerkt door een deelportie van het monster te verdunnen met water en vervolgens chromatografisch te zuiveren over een SPE-kolomopstelling bestaande uit een C18-kolom die in serie geschakeld is met een IC/Ag+ kolom. De meetoplossing wordt onderzocht met HPIC/UV bij 208 nm. Nitriet blijkt in beide monstersoorten alleen kwalitatief te meten. De terugwinning voor nitraat in urine is gemiddeld 96% (N=25) voor het lage niveau van verrijken en gemiddeld 103% (N=8) voor het hoge verrijkingsniveau. Voor maagsap zijn deze resultaten respectievelijk gemiddeld 98% (N=12) voor het lage en gemiddeld 101% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken met nitraat. De monstervoorbewerking van speeksel is eenvoudig. Na certifugeren wordt het monster verdund met water, nogmaals gecentrifugeerd en het supernatant onderzocht op nitriet- en nitraatgehalte. Zowel nitriet als nitraat zijn goed kwantificeerbaar. De terugwinning voor nitriet toevoegingen bedraagt gemiddeld 103% (N=12) voor het lage en gemiddeld 102% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken. Voor nitraat is de terugwinning gemiddeld 102% (N=12) voor het lage en gemiddeld 103% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken. De monster-voorbewerking van bloedplasma was het moeilijkst. Verschillende manieren zijn onderzocht om dit monstermateriaal te onteiwitten. Hiervoor zijn ultrafiltratie- en precipitatie-technieken getest. Uiteindelijk is het gelukt om met methanol de aanwezige eiwitten neer te slaan en vervolgens, na zuiveren van een deelportie van het supernatant over een C18-IC/Ag+ kolomopstelling, beide analyten kwantitatief te bepalen met HPIC/UV bij 208 nm. De resultaten voor terugwinningsexperimenten zijn goed en bedragen voor nitriet gemiddeld 100% (N=19) en voor nitraat gemiddeld 98% (N=34). De verrijkingen zijn voor bloedplasma alleen op het lage niveau van toevoegen uitgevoerd. De ontwikkelde methode van onderzoek is beschreven in SOP nr. ARO/385.
    • Nitraat en sulfaat in het reine water van de Nederlandse grondwaterpompstations (1968-1985)

      Dijk-Looyaard; A.M. van; Fonds; A.W. (1987-01-31)
      In opdracht van de Hoofdinspectie van de Volksgezondheid worden door het RIVM jaarlijks alle drinikwaterpompstations bemonsterd. I.v.m. de stijgende nitraat- en sulfaatconcentraties van het grondwater en de problemen die dit oplevert voor de drinkwatervoorziening, zijn de gegevens van het meetnet betreffende deze parameters geinventariseerd vanaf 1968 tot 1986. Indien de stijging van de nitraat- en sulfaatconcentraties ongewijzigd blijft, dan zal voor het jaar 2000 bij 9 pompstations de nitraatnorm van 50 mg/l worden overschreden en bij 1 pompstation de sulfaatnorm van 150 mg/l. Voor het jaar 2080 zijn dat er 19 resp. 13. Aangezien bij 5 pompstations zowel de norm voor nitraat als sulfaat wordt bereikt voor 2080, bedraagt het totaal aantal "probleempompstations" 27. (ca. 12%).
    • Nitraat in het bovenste grondwater bij landbouwgewassen, bos en heideveld in de zandgebieden van Nederland

      Boumans LJM; van Drecht G; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-09-30)
      De nitraatconcentratie van het ondiepe grondwater in de zandgebieden is van invloed op de toekomstige nitraatconcentratie van het diepe grondwater dat wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening en op het oppervlaktewater. In de zandgebieden zijn nitraatconcentraties gemeten bij bos en heideveld in het winterhalfjaar 1989-1990 en bij landbouwgewassen in het voorjaar van 1992 en van 1993. Voor bos en heideveld en voor landbouwgewassen zijn regressiemodellen afgeleid die nitraatconcentraties relateren aan nationaal bekende variabelen die indicatief zijn voor de stikstoftoevoer aan het maaiveld en het bodemtype. Met deze regressiemodellen wordt geschat dat bij landbouwgewassen de nitraatconcentraties ongeveer 6 maal hoger zijn geweest dan bij bos en heideveld. Meer dan 94% van het oppervlak waar landbouwgewassen zijn en meer dan 23% bij bos en heideveld had een concentratie die de grondwaternorm overschrijdt. Bij landbouwgewassen kunnen lagere concentraties vooral in het noorden gevonden worden. Bij bos en heideveld vooral in de grote natuurgebieden (Veluwe).<br>
    • Nitraat in het bovenste grondwater in de zandgebieden van Nederland; een geografisch beeld op basis van monitoringgegevens en een vergelijking met de resultaten van procesmodellen

      Boumans LJM; Drecht G van; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Models relating nitrogen supply and nitrate leaching are based upon scientific knowledge and experiments. These deterministic models are used for scenario analysis to reduce nitrate leaching. The models also give a geographical view of nitrate in the uppermost groundwater. Because of the difference in scale between experimental fields and a geographical view, systematic differences between reality (measurements) and model calculations can occur. Our goal is to make a geographical view of the Netherlands for the occurence of nitrate in the uppermost groundwater of agricultural land and of forests, by statistical interpolation of measurements. Indications will be given of magnitude and origin of the differences between deterministic and statistical models.
    • Nitraat in het bovenste grondwater in de zandgebieden van Nederland; een geografisch beeld op basis van monitoringgegevens en een vergelijking met de resultaten van procesmodellen

      Boumans LJM; van Drecht G; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      In dit rapport wordt een geografisch beeld gegeven van normoverschrijding door nitraat in het bovenste grondwater bij landbouw, bos en heideveld in de zandgebieden onder omstandigheden van een gemiddeld neerslagoverschot. Het beeld is verkregen met behulp van een groot aantal metingen die het RIVM de afgelopen jaren heeft verzameld met diverse monitoringprogramma's , en die statistisch geinterpoleerd worden. Volgens het statistische model wordt de norm voor nitraat overschreden op 77-85% van de oppervlakte landbouw, bos en heideveld. Het statistische nationale beeld, dat is gebaseerd op metingen in de praktijk, is vergeleken met NLOAD, een procesmodel welke is gebaseerd op proefveldonderzoek. NLOAD is o.a. gebruikt voor de Milieubalans en Milieuverkenning. De nitraatconcentraties volgens NLOAD zijn lager dan volgens het statistische model. Volgens het statistische nationale beeld is minstens 94% van het landbouwoppervlak boven de norm. Volgens NLOAD is dit ongeveer 70%. Als mogelijke oorzaken voor de verschillen worden genoemd: 1- verouderde informatie over de grondwaterstand op de bodemkaart; 2- efficienter gebruik van stikstof op proefvelden dan in de praktijk; 3- stikstofgiften zijn te weinig gedetailleerd bekend om te gebruiken als invoer voor NLOAD. De geconstateerde verschillen indiceren dat het oppervlak aan landbouwgrond in de zandgebieden, waar de nitraatnorm in het bovenste grondwater wordt overschreden, in werkelijkheid enkele tientallen procenten hoger is dan gerapporteerd in de Milieuverkenningen.<br>
    • Nitraat in het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland

      Boumans LJM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Nitraatconcentraties van het ondiepe grondwater onder de natuurgebieden op zandgrond zijn van invloed op de kwaliteit van het toekomstige diepere grondwater en het oppervlaktewater. Nitraat in het ondiepe grondwater van oligotrofe natuurgebieden is indicatief voor het stikstofoverschot dat is veroorzaakt door atmosferische stikstofdepositie van NHx en NOx. Nitraatconcentraties in het ondiepe grondwater zijn gemakkelijker te meten dan in het bodemvocht van de onverzadigde zone. Het doel van het onderzoek is om de oorzaken en de geografie van de nitraatconcentraties aan te geven. Daarom is het grondwater onderzocht onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland. Het grondwater onder 155 ruiten (500 x 500 m2) met zandgrond, waarin zich 0,1 tot 25 ha bos en of heideveld bevindt, is eenmalig bemonsterd in de periode november 1989 tot en met april 1990. Per ruit zijn 10 grondwatermonsters genomen van de bovenste meter van het freatische grondwater van het natuurgebied. Natuurgebieden met een grondwaterstand dieper dan 5m beneden het maaiveld, zijn om technische redenen niet bemonsterd. Om organisatorische redenen zijn alleen natuurgebieden bemonsterd die in beheer zijn bij de overheid. In totaal zijn er 26467 ruiten met een oppervlak van 287000 hectares aan bos en heideveld op zandgrond. Uit de waarnemingen van de nitraatconcentraties blijkt dat de streefwaarde (5,6 mg/l aan nitraat-stikstof) en de drinkwaternorm (11,3 mg/l) in respectievelijk 37% en 20% van de 1526 waarnemingen wordt overschreden. De ruitgemiddelde nitraatconcentraties, die zijn berekend uit de afzonderlijke waarnemingen, overschrijden de streefwaarde en de drinkwaternorm in respectievelijk 50% en 19% van de 155 onderzochte ruiten. Mogelijke oorzaken voor hogere nitraatconcentraties zijn uitgedrukt in variabelen, die voorkomen in geografische gegevensbestanden over Nederland. Er is een relatie afgeleid tussen de gemeten nitraatconcentraties enerzijds en de variabelen anderzijds. Het is waarschijnlijk dat de ruitgemiddelde nitraatconcentraties worden beinvloed door: 1) het bodemtype. De nitraatconcentratie neemt toe in de volgorde: a -veenachtig (gooreerden, beekeerden en broekeerden), b -arm (humuspodzolen, vlakvaaggronden), c -droog en rijk (moderpodzolen, enkeerden). 2) de NHx-depositie en vegetatie. De nitraatconcentratie neemt toe bij meer NHx-depositie, hogere vegetatie en een groter aandeel naaldbomen in de vegetatie. 3) de oppervlakte van het natuurgebied ten opzichte van ander landgebruik. De nitraatconcentratie neemt toe naarmate de oppervlakte natuurgebied kleiner is. Dit wil zeggen dat dan lokale landbouwinvloeden en/of andere randeffecten groter zijn. Vervolgens is de relatie gebruikt om kansen op normoverschrijding te schatten voor nitraatconcentraties van niet bezochte lokaties en om een geografisch beeld te geven. Voor de nitraatconcentratie van het grondwater van bos en heide op zandgrond in Nederland, met uitzondering van de duinen, is geschat dat deze in ; - tenminste 48% en ten hoogste 58% van de 26467 ruiten hoger is dan de streefwaarde, - tenminste 46% en ten hoogste 56% van de 287000 hectares hoger is dan de streefwaarde, - tenminste 23% en ten hoogste 33% van de 26467 ruiten hoger is dan de drinkwaternorm, - tenminste 21% en ten hoogste 30% van de 287000 hectares hoger is dan de drinkwaternorm. Hoge concentraties komen vooral voor in het zuiden en oosten van het land en aan de randen van de Gelderse Vallei. Lage concentraties komen vooral voor in het noorden en midden van het land, met name op de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe.<br>
    • Nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van de zandregio en de invloed van het Mestbeleid : Visualisatie afname in de periode 1992 tot 2009

      Boumans LJM; Fraters B; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-19)
      De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen, van 150 tot 65 milligram per liter. Het stikstofoverschot is in deze periode met 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid, zoals de afname van het gebruik van dierlijke en kunstmest op de weilanden. De nitraatconcentratie is procentueel meer afgenomen dan het stikstofoverschot, waarschijnlijk doordat er minder koeien in de wei staan. Door beweiding met koeien komt er via hun mest meer nitraat in het grondwater dan wanneer deze mest in de stal wordt verzameld en daarna gelijkmatiger over de weide wordt verspreid. Dit blijkt uit een analyse van de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het LMM is een meetnet van het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen University and Research Centre, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt uitgevoerd. Met het mestbeleid wordt gestreefd naar een nitraatconcentratie van minder dan 50 milligram per liter in het grondwater. Een bijkomend resultaat van dit onderzoek is dat de methode is verbeterd om beleidseffecten op de nitraatconcentratie in beeld te brengen voor de Nederlandse en Europese overheid. Dit komt vooral doordat nieuwe inzichten in de methode zijn verwerkt. Behalve het mestbeleid hebben veranderingen in het weer (jaarlijks neerslagoverschot) invloed op de gemiddelde nitraatconcentratie van de zandregio, evenals veranderingen in de jaarlijkse samenstelling van de groep landbouwbedrijven waar is bemonsterd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse veranderingen van het areaal landbouwgrond per type landbouwbedrijf. Een statistische techniek, Residual Maximum Likelihood, houdt rekening met deze invloeden.
    • Nitraatgehalte en kwaliteit van het grondwater onder grasland in de zandgebieden

      Boumans LJM; Meinardi CR; Krajenbrink GJW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-06-30)
      De kwaliteit van het grondwater, vanaf het freatisch vlak tot +/- 13 m hieronder, is gekarteerd op 10 moderne melkveehouderijen. In totaal zijn ongeveer 1500 grondwatermonsters genomen. De nitraatgehalten zijn hoger dan verwacht kan worden op basis van (globaal-empirische) relaties tussen stikstoftoediening en -uitspoeling. Op ongeveer 90% van het zandgrasland zal de EG-drinkwaternorm worden overschreden. De stikstof, die door beweiding op het grasland komt, spoelt niet extra uit. Ondiepe grondwaterstanden verminderen de uitspoeling. De kaliumgehaltes overschrijden de norm ook. Sulfaat, chloride en elektrische geleidendheid zijn onder de norm, maar boven het EG-richtniveau.<br>
    • Nitrate contamination of European soils and groundwater

      Meinardi CR; Beusen AHW; Klepper O; Willems WJ; LBG; CWM (1994-12-31)
      De aanwezigheid van stikstofverbindingen in bodem en grondwater van Europa (van de Oeral tot de Atlantische Oceaan) wordt veroorzaakt door bemesting in de landbouw en door atmosferische depositie. De per gebied varierende hoeveelheden kunstmest en dierlijke mest kunnen voor de huidige situatie worden afgeleid uit verschillende bronnen. De atmosferische depositie volgt uit een bewerking met het TREND-model. Een deel van de op het landoppervlak gebrachte hoeveelheid stikstofverbindingen verdwijnt tijdens de passage van de toplaag van de bodem als gevolg van verschillende factoren. De rest zal vooral in de vorm van nitraat uitspoelen naar het grondwater of met een oppervlakkige stroming worden afgevoerd. De uitspoeling naar een niveau van 1 m onder de oppervlakte kan worden geschat met behulp van empirische relaties die zijn afgeleid voor de situatie in Noordwest-Europa. Ze zijn gebaseerd op landgebruik, textuur van de toplaag, diepte van het freatisch niveau en aanvulling van het grondwater. Een verdere uitwerking is mogelijk met behulp van GIS-methoden. Het gedrag van nitraat tijdens het verdere transport met het grondwater is afhankelijk van de aard van de watervoerende lagen. Doordat de belasting met stikstof sterk is toegenomen in de tijd, is ook de ouderdom van het grondwater belangrijk. De ouderdom van het grondwater kan worden geschat op grond van de aanvulling, de porositeit en de dikte van de watervoerende pakketten. De relevante relaties kunnen worden uitgewerkt met behulp van GIS-methoden. De resultaten kunnen worden weergegeven in de vorm van kaarten van de uitspoeling op een niveau van 1 m onder landoppervlak en van de gemiddelde concentraties aan nitraat in het grondwater.
    • Nitrate Transport Modeling in Deep Aquifers. Comparison between Model Results and Data from the Groundwater Monitoring Network

      Uffink GJM; Romkens PFAM; LBG (2001-05-09)
      Nitraatmetingen uit het Landelijk Meetnet Grondwater worden vergeleken met modelberekeningen. Het model (LGMCAD) beschrijft het advectief en dispersief transport van opgeloste stoffen in grondwater en hanteert een eerste orde afbraak proces als vereenvoudiging voor denitrificatie. Het onderzoeksgebied (40 x 30 km2) is gelegen in het oostelijk deel van Nederland. Op grond van een serie verkennende berekeningen worden verschillende wijzigingen aan het model voorgesteld. Na een tweede serie model runs worden de wijzingen nader beoordeeld en besproken. Een belangrijk punt blijkt de verticale verdeling van het nitraatgehalte te zijn en de processen die hierop van invloed zijn, zoals de verticale menging door dispersie en de verdeling van de neerwaartse snelheidscomponent. Wat betreft de denitrificatie-parameter worden de beste resultaten verkregen met een halfwaardetijd tussen 3 en 5 jaar en een locale verfijning onder de beek- en rivierdalen en in een zone boven en onder de kleilagen. Deze verfijning bestaat uit een verder verlaging van de halfwaardetijd, gebaseerd op het feit dat het hier aanwezige organisch materiaal de denitrificatiecapaciteit verhoogt. Het rapport bespreekt verder de ruimtelijke representativiteit van meetgegevens en rekenresultaten.
    • Nitrate Transport Modeling in Deep Aquifers. Comparison between Model Results and Data from the Groundwater Monitoring Network

      Uffink GJM; Romkens PFAM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-09)
      Nitrate measurements from the Netherlands Groundwater Monitoring Network and model simulations were compared for deep aquifers in the eastern part of the Netherlands. The area studied measured 40 x 30 km2. The model describes advective-dispersive solute transport in groundwater and utilizes a first-order decay process in a simplified approach to denitrification. On the basis of preliminary model runs several modifications of the solute transport model were proposed; the model was evaluated and discussed after a second series of runs. A major factor in the results appears to be the vertical distribution of the nitrate content and the processes that affect it, such as the vertical mixing by dispersion and the distribution of the downward groundwater velocity. With respect to the denitrification parameter, the best results were obtained with a half-lifetime (T50) between 3 - 5 years and a local refinement underneath the river valleys and brooks, and in a zone above and below the clay layers. The refinement consisted of a further reduction of the half-lifetime based on the presence of organic matter increasing the denitrification capacity. The report further discusses the representativeness in space of the monitoring data and the simulation results.
    • Nitriet en nitraat in bloedplasma ; methode ontwikkeling, validatie en uitvoering

      Burg G van den; Vliet JJH van; Schothorst RC; ARO (1997-07-31)
      Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en de prestatiekenmerken van de HPIC/UV methode die voor het bepalen van nitriet en nitraat concentraties in bloedplasma is ontwikkeld en gevalideerd. Bij de ontwikkelde methode wordt het monster bloedplasma onteiwit met methanol. Na centrifugeren wordt het supernatant verdund met water en chromatografisch gezuiverd over een SPE C18-kolom. Vervolgens wordt het nitriet- en nitraatgehalte bepaald met behulp van HPIC en UV-detectie bij 208 nm. De terugwinning voor nitriet is gemiddeld 97% (N=25) en voor nitraat gemiddeld 100% (N=25). De bepaalbaarheidsgrens voor nitriet is 0,3 mg/kg bloedplasma en voor nitraat 2 mg/kg bloedplasma.
    • Nitrogen pollution on the local and regional scale: the present state of knowledge and research needs

      Erisman JW; Bobbink R; Eerden LJ van der (eds.); LLO; AB-DLO; KUN; SC-DLO; IKC; IMAG-DLO (1996-01-31)
      Uit onderzoek van de afgelopen tien jaar is gebleken dat stikstof- en zuurdepositie de stressgevoeligheid en biodiversiteit van bossen en natuurlijke vegetaties sterk negatief kunnen beinvloeden. De eutrofierende werking van stikstof-depositie speelt daarbij een hoofdrol. De kennis over de ruimtelijke verdeling en kwantiteit van de depositie zijn zodanig verbeterd dat op regionale en nationale schaal redelijk betrouwbare schattingen gemaakt kunnen worden. Ook over de grondwaterverontreiniging kunnen op deze schaal kwantitatieve conclusies getrokken worden. Over de aard en grootte van ecologische effecten is behoorlijk inzicht verkregen, het onderzoek is echter tot nu toe gericht geweest is op een beter begrip van werkingsmechanismen van stikstof. Andere stressfaktoren zoals droogte, vorst, ziekten en plagen zijn in mindere mate in het onderzoek betrokken. Op dit moment is voldoende kennis beschikbaar over stikstof-depositie en -effecten voor onderbouwing van het landelijke (generieke) en regionale beleid. Voor meer specifieke emissie beperkende maatregelen op lokale schaal is het inzicht in de processen en effecten op deze schaal echter beperkt. Dit laat zich vertalen in behoefte aan informatie over temporele en ruimtelijke variatie in emissie, depositie, en gevoeligheid van ecosystemen op lokale schaal. Ook is het van belang betere mogelijkheden te hebben dan nu het geval is om beleidsmaatregelen tegen elkaar af te wegen, zoals bijvoorbeeld bepaling van de noodzaak tot het nemen van lokale maatregelen (wegnemen van piekbelastingen) ten opzichte van regionale of landelijke maatregelen (wegnemen van de achtergrondbelasting) ; of bepaling van maatregelen ten aanzien van verkeer of industrie (NOx) ten opzichte van de landbouw (NH3). Daarvoor is het nodig te beschikken over blootstelling/respons relaties voor de invloed van stikstof-deposities op verschillende natuur-doeltypen, informatie over de mate en snelheid waarmee ecosystemen herstellen bij vermindering van N-depositie, kortom informatie waarmee de baten van emissie-redukties van gereduceerd en geoxideerd N met elkaar vergeleken kunnen worden. In dit rapport worden bovengenoemde vragen gerelateerd aan beschikbare informatie en aan de resultaten die van lopend onderzoek verwacht worden, en wordt beschreven welk onderzoek adequaat is om de kennishiaten op te vullen. Ook wordt een prioritering in het onderzoek aangegeven met als uitgangspunten dat er een directe relatie met de bovengenoemde beleidsvragen moet zijn, en dat er relevante resultaten geboekt moeten kunnen worden binnen een enkele jaren durend onderzoeksprogramma van een bescheiden omvang.
    • Nitrosaminen uit rubbergranulaat

      van Bruggen M; van Putten EM; Janssen PJCM; IMD; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMHulpverleningsdienst Gelderland MiddenArnhem, 2007-01-09)
      Het RIVM heeft op verzoek van en in samenwerking met de Hulpverleningsdienst Gelderland Midden (HGM) luchtmetingen gedaan boven vier kunstgrasvoetbalvelden in Arnhem. Deze kunstgrasvelden zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Het doel van de metingen was om na te gaan of uit de rubberkorrels kankerverwekkende nitrosaminen kunnen vrijkomen, die een gezondheidsrisico zouden kunnen zijn voor sporters. Het RIVM heeft op twee hoogten boven verschillende sportvelden luchtmetingen verricht. In geen van deze metingen konden nitrosaminen in de lucht boven het veld worden aangetoond. Uit aanvullend materiaalonderzoek onder laboratoriumomstandigheden bleek dat nitrosaminen slechts in geringe mate uit rubbergranulaat zijn vrij te maken. Op basis van deze bevindingen concludeert het RIVM dat nitrosaminen geen gezondheidsrisico's vormen voor de gebruikers van de sportvelden.
    • Nitrosamines released from rubber crumb

      van Bruggen M; van Putten EM; Janssen PJCM; IMD; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMHulpverleningsdienst Gelderland MiddenArnhem, 2008-02-01)
      Het RIVM heeft op verzoek van en in samenwerking met de Hulpverleningsdienst Gelderland Midden (HGM) luchtmetingen gedaan boven vier kunstgrasvoetbalvelden in Arnhem. Deze kunstgrasvelden zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Het doel van de metingen was om na te gaan of uit de rubberkorrels kankerverwekkende nitrosaminen kunnen vrijkomen, die een gezondheidsrisico zouden kunnen zijn voor sporters. Het RIVM heeft op twee hoogten boven verschillende sportvelden luchtmetingen verricht. In geen van deze metingen konden nitrosaminen in de lucht boven het veld worden aangetoond. Uit aanvullend materiaalonderzoek onder laboratoriumomstandigheden bleek dat nitrosaminen slechts in geringe mate uit rubbergranulaat zijn vrij te maken. Op basis van deze bevindingen concludeert het RIVM dat nitrosaminen geen gezondheidsrisico's vormen voor de gebruikers van de sportvelden.
    • Nitrous oxide (N2O). Emission inventory and options for control in the Netherlands

      Kroeze C; LAE (1994-11-30)
      Dit rapport geeft een overzicht van de huidige kennis over het gedrag van lachgas (N2O) in de atmosfeer, wereldwijde bronnen en putten van N2O, Nederlandse N2O emissie in 1990, opties om N2O emissies te reduceren en projecties. Ondanks een aantal onzekerheden is het mogelijk de waargenomen trend in atmosferisch N2O te verklaren met bekende bronnen. Schattingen van mondiale emissies zijn minder onzeker dan die van nationale, omdat de wereldwijde emissie afgeleid kan worden van een massabalans van de atmosfeer. Ondanks de onzekerheden is het waarschijnlijk dat de Nederlandse N2O emissie zal blijven stijgen in de toekomst, tenzij aanvullend beleid wordt ingezet. Verschillende bestaande beleidsmaatregelen beinvloeden de uitstoot van N2O, bij voorbeeld die ter bestrijding van verzuring en vermesting. Een aantal van deze maatregelen kan de N2O uitstoot doen toenemen, terwijl andere kunnen resulteren in een reductie van de N2O emissie. De beschreven technische opties kunnen de Nederlandse emissie met 25% reduceren ten opzichte van 1990 door onder andere (1) katalytische N2O reductie bij de produktie van salpeterzuur, (2) efficienter gebruik van stikstof meststoffen, bijvoorbeeld door gebruik van slow release fertilizers, (3) aanpassingen in de verbranding van afval en (4) optimalisatie van de verbranding van fossiele brandstoffen, met name in oudere centrales en katalytische N2O reductie in wervelbedverbranding. De grootste reductie kan worden gerealiseerd bij industriele produktie van salpeterzuur, maar de aanname dat een katalysator geimplementeerd kan worden in 2000 lijkt optimistich. De onzekerheden in schattingen van de Nederlandse N2O emissie zouden verminderd kunnen worden door (1) meten van N2O vorming tijdens salpeterzuurproduktie, (2) voortzetting van onderzoek naar N2O produktie door voertuigen, (3) meten van N2O produktie in Nederlandse bodems, (4) onderzoek naar N2O produktie in grond- en oppervlaktewater in Nederland, (5) onderzoek naar N2O vorming in de atmosfeer en (6) onderzoek naar de effecten van klimaatverandering op N2O emissies.