• Ace Inhibitors and Angioedema

      Vleeming W; van Amsterdam JGC; de Wildt DJ; Stricker B; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-09-30)
      Dit rapport beschrijft de risico's die verbonden zijn aan het gebruik van angiotensine converting enzym (ACE) remmers. Hierbij staat de bijwerking angio-oedeem centraal. De benodigde literatuur is verzameld aan de hand van een zoekaktie middels MEDLINE. ACE-remmers zijn in gebruik ter behandeling van hoge bloeddruk en chronisch hartfalen. Het eerste deel richt zich op de farmacologie van de ACE-remmers, op de pathofysiologie en prevalentie van het fenomeen. Het tweede deel gaat in op mogelijke werkingsmechanismen betrokken bij door ACE-remmers geinduceerd angio-oedeem. De incidentie van angio-oedeem, een potentieel levensbedreigende bijwerking van ACE-remmers, is 0,1-0,2 %. Het kan bij alle bekende ACE-remmers voorkomen zowel na een eerste inname alsmede na langdurig gebruik. Onmiddellijk staken van de ACE-remmer therapie is vereist bij het optreden van angio-oedeem. Het openhouden van de luchtwegen, een behandeling met adrenaline, antihistaminica en corticosteroiden is soms noodzakelijk. ACE-remmers reduceren niet alleen de omzetting van angiotensine I naar angiotensine II maar verminderen ook de afbraak van bradykinine en substance P. In de beschikbare literatuur wordt verondersteld dat ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem is geassocieerd met een toename van de concentratie bradykinine in plasma en/of weefsels. Een exclusieve rol voor bradykinine is echter nooit aangetoond. Derhalve wordt daarnaast gedacht aan een rol voor andere onstekingsmediatoren zoals substance P, leukotrienen, prostaglandines, platelet activating factor (PAF), histamine, endothelium derived relaxing factor (EDRF). Bovendien lijken ook mechanische prikkels een rol te hebben in de pathogenese van angio-oedeem. ACE-gen polymorphisme en sommige enzymdeficienties worden aangegeven als mogelijke factoren betrokken bij door ACE-remmers geinduceerd angio-oedeem. Er zijn geen aanwijzigingen dat immunologische factoren een rol hebben in de pathogenese van angio-oedeem. Vooralsnog is angio-oedeem een onbegrepen fenomeen. Nieuwe inzichten in deze complexe materie zijn noodzakelijk om de pathogene rol van ophoping van kinines, van vorming van eicosanoiden en van de farmacogenetische aspecten in ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem te onderkennen. Epidemiologisch- in combinatie met farmacogenetisch-onderzoek, in patienten met ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem, en onderzoek naar de pathogene rol van mediatoren die mogelijk betrokken zijn in ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem zijn goede richtingen voor nader onderzoek.<br>
    • Achieving Food Security and Environmental Sustainability in Southeast Asia: A Policy Challenge

      Mahanani WR; MNV (2002-01-24)
      De studie gaat over de mogelijke situatie in Zuid-Oost Azie anno 2030 wat betreft voedsel en milieu, en over noodzakelijke beleidsmaatregelen. Vijf mondiale scenario's zijn voor deze regio vergeleken, namelijk: FAO Agriculture Towards 2015/2030; Policy Reform en Market Forces uit concepten voor de derde Global Environment Outlook (GEO-3); de IPCC-scenario's A1B en B1 maar dan geinterpreteerd en uitgewerkt met het IMAGE 2.2 model. De studie noemt op grond van deze vergelijking een aantal mogelijke beleidsmaatregelen om voedselzekerheid in de regio binnen milieugrenzen na te streven. De studie is gericht op gewasproduktie. Die zal in Zuid-Oost Azie vooral worden uitgebreid door intensivering. De analyse van beleidsmogelijkheden is gericht op ASEAN. De studie concludeert dat ASEAN inderdaad mogelijkheden heeft om milieu-overwegingen beter te integreren in het landbouwbeleid. Nauwere samenwerking tussen de landbouw- en milieu-eenheden van ASEAN is belangrijk. Wellicht moet ASEAN een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de regio formuleren. Mogelijke aspecten daarvan zijn: het ontwikkelen van regionaal toegesneden indicatoren voor landbouw en milieu; efficienter gebruik van kunstmest; beperken van het gebruik van bestrijdingsmiddelen; het beperken, als onderdeel van mondiaal klimaatbeleid, van de emissie van methaan uit de natte rijstbouw; planmatige uitbreiding van landbouwgrond; het tegengaan van landdegradatie; beheerste en nauwkeurig gecontroleerde toepassing van genetisch gemodificeerde gewassen; plattelandsontwikkeling; betere benutting van toekomstige handel in landbouwprodukten door gecoordineerde deelname in besprekingen.
    • Achtergrondconcentraties en kwaliteitscriteria grondwater; gegevens voor antimoon, arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink

      Verweiij W; Boumans L; Claessens JW; Lijzen JPA; DDB; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-11-28)
      Lichtvervuilde bagger kan worden gebruikt om diepe plassen ondieper te maken. Het is mogelijk dat metalen uit de grond of bagger in het oppervlaktewater van de plas terechtkomen, en in het grondwater. De concentraties van metalen in het grondwater nabij zulke plassen mogen op de lange termijn daarom niet te hoog worden. Onderzoek van het RIVM levert de achtergrondconcentraties in grondwater waarmee beheerders kunnen nagaan of risico's voor het nabijgelegen grondwater acceptabel zijn. Voor deze opdracht is onderzocht in welke mate twaalf metalen van nature in grondwater voorkomen (achtergrondwaarden) en bij welke concentratie een probleem ontstaat (risicogrenzen). De meeste van de twaalf metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) komen vaak van nature in relatief hoge concentraties in het grondwater voor. In de voorgestelde methodiek voor het afleiden van kwaliteitsnormen voor grond en bagger, zijn de risicogrenzen en achtergrondconcentraties gebruikt, zoals die ook worden gebruikt door het Rijk om drempelwaarden te bepalen. Deze drempelwaarden betreffen een specifiek type kwaliteitsnorm voor grondwater die voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en houdt rekening met de natuurlijke achtergrondconcentraties. Hier bestaat geen gangbare methode voor. Bij de gebruikte methodiek wordt gekeken naar risico's voor mens (drinkwaternorm) en organismen in het milieu (norm voor oppervlaktewater). De strengste norm wordt gebruikt. Een uitzondering wordt gemaakt als de achtergrondwaarde van nature een hogere concentratie heeft dan deze normen; in die gevallen is de achtergrondwaarde bepalend. Bij de meeste onderzochte metalen blijkt dat dat het geval te zijn.
    • Achtergrondconcentraties en relatie met bodemtype in de Nederlandse bodem

      Spijker J; Vlaardingen PLA van; Mol G; LER (Alterra, 2008-04-18)
      Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster. De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.
    • Achtergrondconcentraties van 17 sporenmetalen in het grondwater van Nederland

      Fraters B; Boumans LJM; Prins HP; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-05-16)
      Er worden achtergrondconcentraties gegeven van 17 sporenmetalen in het grondwater in Nederland. De drie typen achtergrondconcentraties die onderscheiden worden, zijn: natuurlijk, semi-natuurlijk en regionaal. De natuurlijke achtergrondconcentratie is de concentratie zoals die gemeten zou worden op locaties die geen enkele menselijke beinvloeding kennen. Omdat degelijke locaties in Nederland niet bestaan kan slechts een schatting gemaakt van de natuurlijke achtergrondconcentratie via het bepalen van de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval van de mediane concentraties op de bovengenoemde locaties met enkel diffuse belasting. De semi-natuurlijke achtergrondconcentratie is de concentratie in het grondwater onder locaties die niet beinvloed zijn door verontreiniging door puntbronnen. Er kan op dergelijke locaties wel sprake zijn van een diffuse verontreiniging op landelijke schaal. Deze achtergrondconcentratie is bepaald door de bovengrens te berekenen van het betrouwbaarheidsinterval van de 90-percentielwaarde van de concentraties gemeten op dergelijke locaties. Regionale achtergrondconcentraties zijn concentraties zoals die voorkomen op locaties met een verhoogde regionale atmosferische depositie, maar zonder locale puntbronnen, zoals bijvoorbeeld in de Kempen. Regionale achtergrondconcentraties zijn berekend door de bovengrens te berekenen van het betrouwbaarheidsinterval van de 90-percentielwaarde van de concentraties gemeten op dergelijke locaties. In het rapport worden verschillende achtergrondconcentraties gegeven voor drie grondsoorten drie diepte niveaus. De drie onderscheiden grondsoorten zijn: zand, klei en veen. De drie diepteniveaus zijn: het bovenste grondwater (< 5 m diepte), het ondiepe grondwater (ca. 10 m) en het middeldiepe grondwater (ca. 25 m). In het rapport is ook ingegaan op het gebruik van de achtergrondconcentratie ter bepaling van het Verwaarloosbaar Risico bij de Toegevoegd Risicomethode. Het Verwaarloosbaar Risico dient als basis voor het vaststellen van de streefwaarde. Geconcludeerd wordt dat het gebruik van de semi-natuurlijke achtergrondconcentratie bij het afleiden van het Verwaarloosbaar Risico, zoals onder andere toegepast in de notitie Integrale Normstelling Stoffen uit 1997 (INS97), onjuist is, en dat overeenkomstig een eerder TCB-advies de natuurlijke achtergrondconcentratie dient te worden gebruikt.
    • Achtergronddocument bij 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland'

      Pruppers MJM; LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; LLO; TNO-MEP; TNO-PG; TNO-Voeding (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), 1996-07-31)
      Het project 'Cumulatie van milieurisico's' is gericht op het ontwikkelen en toepassen van methoden voor het in kaart brengen van die locaties waar risico's voor de mens als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen samenvallen. Daartoe zijn er kaarten van Nederland vervaardigd met risico's die zijn uitgedrukt in de kans op overlijden (externe veiligheid, straling en diverse stoffen), de kans op overige gezondheidseffecten (andere stoffen) en de kans op hinder (geluid). De kaarten zijn opgenomen in rapport 610127001, 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland'. In dit achtergronddocument is de nodige informatie opgenomen over ondermeer de methoden die zijn gevolgd bij de keuze van in kaart te brengen bronnen en stoffen en bij het maken van de kaarten. Dit achtergronddocument gaat achtereenvolgens in op de achtergrondinformatie betreffende het berekenen van externe-veiligheidsrisico's, het berekenen van doses en risico's als gevolg van blootstelling aan straling, het berekenen van concentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen op een schaal van 500 bij 500 m, de toxicologische gegevens van de beschouwde stoffen en het berekenen van de risico's als gevolg van blootstelling aan deze stoffen, een mogelijke methode voor het combineren van diverse typen effecten op de gezondheid van de mens, en tenslotte het berekenen van hinder als gevolg van geluid en geur. Het achtergronddocument heeft de vorm van een 'bundel' bijlagen, die elk zelfstandig kunnen worden gelezen.
    • Achtergronddocument landbouw bij de Nationale Milieuverkenning 3; uitgangspunten en berekeningen

      Egmond PM van; Hoek KW van der; Hoogervorst NJP; MTV; LAE (1989-11-30)
      Dit rapport bevat de achtergronden van het onderdeel landbouw in de Derde Nationale Milieuverkenning 1993-2015. Het basisjaar voor de scenarios is 1990. Op basis van het begin 1993 vastgestelde en voorgenomen milieubeleid wordt een vooruitblik gepresenteerd voor de jaren 1995, 2000 en 2010. De evaluatie richt zich hoofdzakelijk op fosfaat, stikstof en zware metalen. Deel I geeft de uitgangspunten van de modelberekeningen. Deel II bevat de resultaten van de modelberekeningen. Tevens worden de resultaten geanalyseerd en vergeleken met andere scenario-studies zoals de evaluatie van het mest- en ammoniakbeleid door TNO en Heidemij Advies en berekeningen in het kader van de Notitie Derde Fase mest- en ammoniakbeleid.
    • Achtergronddocument penetratie van milieutechnische maatregelen

      Groeneveld PH; Kemp RPM; Peek CJ; van Schijndel MW; Schot JW; Schipper M; Soczo ER; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      Dit rapport is een bundeling van de verschillende deelrapportages van een onderzoek naar de verdere ontwikkeling van het RIVM-instrumentarium voor de analyse van de penetratiegraad van milieutechnische maatregelen. Een analyse van de penetratiegraad houdt in dat diffusiepatronen van technische maatregelen vanuit het verleden worden beschreven en verklaard en naar de toekomst toe worden ingeschat. Het rapport is een achtergronddocument dat als basis heeft gediend voor het opstellen van een samenvattend rapport (van Schijndel et al., 1996, rapportnr. 776101007). In deelrapportage I is het vanuit de technologiedynamica aangereikte theoretische kader uiteengezet, op basis waarvan de diffusie van bestaande milieutechnische maatregelen geanalyseerd kan worden. In de deelrapportages II t/m VI zijn de resultaten van een aantal historische (pilot) case-studies weergegeven. Deze case-studies zijn door het RIVM uitgewerkt om ervaring op te doen met verschillende aspekten van de analyse van de penetratiegraad. De pilot case-studies II en III hebben betrekking op de penetratie van de 3-weg katalysator bij personenauto's en de penetratie van NOx-reducerende technische maatregelen bij industriele stookinstallaties. Op basis van de resultaten van de pilot case-studies is een stramien/aanpak ontwikkeld voor de uitwerking van een drietal andere case-studies. De case-studies IV en V hebben betrekking op de penetratie van technische maatregelen ter bestrijding van luchtemissies bij afvalverbranding en ter bestrijding van fijn stof emissies bij de ijzer- en staalproduktie. Case-studie VI is gericht op de penetratie van technische maatregelen in de PVC-keten, met name op technische maatregelen ter bestrijding van VC-emissies bij VC- en PVC-productie en op de productie van PVC-regranulaat uit PVC-afval ten behoeve van recycling.<br>
    • Achtergronden beleid bovengrondse hoogspanningslijnen

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-19)
      Magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen in nieuwe woningen, scholen en kinderdagverblijven niet sterker zijn dan 0,4 microtesla. De overheid adviseert daarom gemeenten, provincies en netbeheerders om rond die hoogspanningslijnen preventief een zone in te stellen die vrij blijft van dergelijke bebouwing. Dit geldt voor situaties waarin nieuwe woningen in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn worden gebouwd of nieuwe hoogspanningslijnen die bij bestaande woonwijken worden gerealiseerd. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ondersteund bij het ontwikkelen van dit beleid. Het beleid is ontwikkeld omdat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen mogelijk een hogere kans op leukemie hebben. Het magnetische veld zou daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn, al is een oorzakelijk verband niet bewezen. Met het voorzorgsbeleid wil de overheid voorkomen dat het potentiele risico toeneemt. De magneetveldzone rond de hoogspanningslijnen markeert een gebied waarin het magnetische veld, gemiddeld over een jaar genomen, sterker is dan 0,4 microtesla. De breedte van de zone wordt afgeleid uit de nominale stroom waarvoor de hoogspanningslijn is ontworpen. De keuze voor deze magneetveldzone sluit goed aan bij internationale epidemiologische onderzoeken. Het RIVM heeft de overheid bijgestaan door de beleidsmakers van actuele wetenschappelijke kennis te voorzien. Daarnaast heeft het instituut hulpmiddelen ontwikkeld om het beleid naar de praktijk te kunnen vertalen. De twee belangrijkste hulpmiddelen zijn: een methode om de magneetveldzone te berekenen en een digitale kaart van de Nederlandse bovengrondse hoogspanningslijnen met bijbehorende magneetveldzones. Deze hulpmiddelen zijn te vinden op een website die het RIVM voor gemeenten, provincies en netbeheerders heeft ontwikkeld, http://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen.
    • Achtergronden bij de berekening van vermesting van bodem en grondwater voor de 5e Milieuverkenning met het model STONE

      Overbeek GBJ; Grinsven JJM; Roelsma J; Groenendijk P; Egmond PM van; Beusen AHW; Alterra; LBG; LAE; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-19)
      In the year 2000 the 5th National Environmental Outlook was published. For this purpose the environmental effects of the proposed 'Integrated Approach of the manure Problem' on soil, groundwater and regional surface waters were analysed for the period between 1986 en 2030. The specific data resulting from this analysis should be considered with some caution because the proposed mineral policy is still under discussion and because a provisional version of the effect model STONE was used. Nonetheless the main policy conclusions about amending the national eutrophication problem in the periode 2016-2030 as compared to 1986-2000 are considered robust.
    • Achtergronden bij de berekening van vermesting van bodem en grondwater voor de 5e Milieuverkenning met het model STONE

      Overbeek GBJ; Grinsven JJM; Roelsma J; Groenendijk P; Egmond PM van; Beusen AHW; LBG; LAE; CIM (Alterra, 2001-07-19)
      Ten behoeve van de vijfde milieuverkenning is de voorgenomen Integrale Aanpak van de Mestproblematiek van de Nederlandse regering doorgerekend met het model STONE naar landsdekkende milieueffecten op bodem, bovenste grondwater en belasting van het regionale oppervlaktewater voor de periode 1986 tot 2030. De resultaten van deze berekeningen moeten als indicatief worden aangemerkt omdat het mestbeleid nog niet definitief is vastgelegd en omdat met een voorlopige versie van het model STONE is gerekend. Met name de volgende elementen van STONE hadden een voorlopig karakter: de ruimtelijke schematisering van Nederland, de gewasafvoer en toetsing aan waarnemingen. De milieu-effecten van het mestbeleid zijn in beeld gebracht via de volgende indicatoren: 1- De Stikstof balans van de Nederlandse bodem en uitsneden hiervan naar gewasgroep en bodemtype. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitspoeling naar het grondwater en de afspoeling naar oppervlaktewater. 2- De Fosforbalans van de Nederlandse bodem en uitsneden hiervan naar gewasgroep en bodemtype. Hierbij wordt met name gekeken naar de accumulatie in de bodem en de afspoeling naar oppervlaktewater. 3- De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater en ontwikkeling van het areaal waarin deze concentratie voldoet aan de kwaliteitsdoelstelling voor nitraat. 4- De fosfaatverzadiging van de bodem ontwikkeling van areaal zandgronden dat fosfaatverzadigd is volgens het Protocol Fosfaatverzadigde Gronden.
    • Achtergronden bij de herziene risicogrenzen voor bodem, sediment en grondwater in het kader van de "Evaluatie interventiewaarden bodemsanering"

      Lijzen JPA; Baars AJ; Otte PF; Verbruggen EMJ; van Wezel AP; LBG; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-08-12)
      In 2001 zijn herziene risicogrenzen gepubliceerd die de basis vormen voor de interventiewaarden bodemsanering in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is het resultaat van de technisch-inhoudelijke evaluatie van de interventiewaarden bodem en grondwater voor de eerste tranche. In dit rapport wordt ten behoeve van de beleidsmatige implementatie hiervan ingegaan op de oorzaken van verschillen tussen de risicogrenzen en de vigerende interventiewaarden voor bodem en grondwater, de robuustheid van de voorstellen en ontwikkelingen die in de toekomst tot aanpassingen zouden kunnen leiden. Voor de ecotoxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn de belangrijkste oorzaken van een herziene waarde: beschikbaarheid van meer ecotoxicologische data; gebruik van evenwichtspartitie bij weinig bodemdata; andere gegevensevaluatie; afleiden van een individuele waarde per stof (in plaats van een groepswaarde); en een onbekende herkomst van de huidige HC50-waarde. Voor de humaan-toxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn belangrijke oorzaken van een herziene waarde: een aangepaste MTR-humaan; aanpassing van de concepten voor humane blootstelling in CSOIL; en aanpassing van de inputparameters. Voor de risicogrens voor grondwater zijn de belangrijkste oorzaken van de vaak hogere waarden: niet meer toepassen van een factor 10 tussen de berekende concentratie in het (porie)water en het grondwater; het directe gebruik van aquatische toxiciteitsgegevens; het afleiden van waarden voor individuele stoffen; en wijziging van humane toxiciteit en blootstelling. De robuustheid van de ecotoxicologische onderbouwde risicogrenzen is vooral afhankelijk van het aantal reeds beschikbare toxiciteitsdata, of mogelijk veel nieuwe data binnen korte tijd beschikbaar komen en resultaten van lopende ontwikkelingen. De verwachting is dat nieuwe data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. De robuustheid van de humaan-toxicologische risicogrenzen is afhankelijk van het beschikbaar komen van nieuwe humaan-toxicologische data, het beschikbaar komen van nieuwe inzichten over modellering van humane blootstelling en de spreiding in de (fysisch-chemische) stof parameters. Verwacht wordt dat nieuwe toxicologische data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. Met name de Koc blijkt voor de SRC voor bodem voor veel stoffen een belangrijke factor. De verschillen tussen de afleiding van de herziene risicogrenzen en de inhoud van de TCB adviezen over de afleiding zijn zeer beperkt en voor zover aanwezig in een apart hoofdstuk toegelicht. Voor de ecotoxicologische risicobeoordeling worden geen op korte termijn toepasbare resultaten van genoemde nieuwe ontwikkelingen verwacht. Ter verhoging van de betrouwbaarheid van de risicobeoordeling wordt aanbevolen gericht nieuwe data te genereren en ontwikkelingen om biobeschikbaarheid in de normstelling op te gaan nemen te stimuleren. Voor de humaan-toxicologische risicobeoordeling kan met name aanvullende informatie over opname van stoffen in gewassen en biobeschikbaarheid van stoffen in grond in het menselijk lichaam mogelijk tot verbeteringen leiden.
    • Achtergronden bij vervanging van de zoneringafstanden hoge druk aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie

      Laheij GMH; van Vliet AAC; Kooi ES; CEV; EMI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGasunie, 2008-11-13)
      In Nederland ligt ongeveer 12.000 kilometer aan aardgasleidingen waardoor de Nederlandse Gasunie onder hoge druk aardgas transporteert. Naar aanleiding van nieuwe inzichten is een nieuwe methodiek voor deze transportleidingen ontwikkeld om de risico's ervan te analyseren. Hierbij is zowel de kans dat een leiding beschadigd raakt en breekt, als het effectmodel herzien. Het RIVM heeft het onderzoek in samenwerking met de Gasunie uitgevoerd. Onderwerpen van onderzoek waren de mate waarin bebouwde omgeving bijdraagt aan de ontstekingskans en de gevolgen van de zogeheten grondroerdersregeling. Deze wetgeving, die 1 juli 2008 in werking is getreden, stelt gravers verplicht de graafwerkzaamheden te melden en zorgvuldig te graven. Daarnaast stelt zij eisen aan de wijze waarop de leidingbeheerder de melding afhandelt. De wet moet de kans dat een leiding wordt geraakt, terugbrengen. Een van de consequenties van de nieuwe rekenmethode is dat de zoneringafstanden rondom de buisleidingen veranderen. Hierdoor zullen op circa honderd locaties woningen te dicht op een leiding staan. Er bestaan evenwel maatregelen die in zulke situaties toch kleinere zoneringafstanden toestaan. Voorbeelden zijn afspraken met grondeigenaren over het grondgebruik en het plaatsen van fysieke barrieres boven de leiding, zoals een hekwerk of paaltjes die de leiding beschermen. In het rapport wordt de effectiviteit van deze maatregelen geschat. Ook is gekeken hoe de invloed van corrosie op de kans op een ramp met meer dan tien slachtoffers kan worden beperkt.
    • Achtergronden bij: Milieubalans 96

      Braat LC (eds); S-V (AVVCBSDWWECNHIMHIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZASC-DLO; SCP, 1996-10-01)
      Volgens de Wet Milieubeheer, waarin de Milieuplanbureaufunctie van het RIVM is geformaliseerd, wordt jaarlijks een Milieubalans opgesteld waarin de kwaliteit van het milieu wordt beschreven in relatie tot eerder gerealiseerd milieubeleid. In deze Milieubalans worden voor doelgroepen zoals landbouw, industrie, energievoorziening etc. de ontwikkelingen geanalyseerd in relatie tot veranderingen van emissieniveaus voor verschillende stoffen. De stand van zaken rond milieuthema's zoals klimaatverandering, verzuring, verspreiding etc. worden geanalyseerd en verder worden de effecten van de milieudruk op mens en ecosystemen aangegeven. Uit de resultaten blijkt dat voor de meeste stoffen ondanks de economische groei sprake is van een absolute daling in emissieniveau in de periode 1985-1995. Het beleid gericht op het treffen van technische maatregelen bij bedrijven was succesvol. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. De energie-intensiteit van de economie nam in 1995 toe. De energiebesparingen zijn voor een deel teniet gedaan door de ontwikkeling van het productievolume en de verschuiving naar meer energie-intensieve vormen van productie en consumptie. Door de groei van het energiegebruik is de CO2-emissie in 1995 toegenomen. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. Het huidige niveau van luchtverontreiniging in Nederland (stofdeeltjes en zomersmog) gaat gepaard met aantoonbare gezondheidseffecten. In steden nemen hinder en gezondheidseffecten toe, door een cumulatie van stressfactoren zoals geluid en stank, lokale luchtverontreiniging en het gebrek aan ruimte. Dit wetenschappelijk achtergronddocument waarin de conclusies uit de Milieubalans 96 nader uitgewerkt worden, is vooral bedoeld voor deskundigen en wetenschappelijk geinteresseerde lezers.
    • Achtergronden bij: Milieubalans 97

      S-V (AVVCBSDWWECNHIMHIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZASC-DLO; SCP, 1997-04-16)
      Volgens de Wet Milieubeheer, waarin de Milieuplanbureaufunctie van het RIVM is geformaliseerd, wordt jaarlijks een Milieubalans opgesteld waarin de kwaliteit van het milieu wordt beschreven in relatie tot eerder gerealiseerd milieubeleid.
    • Achtergronden bij: Milieubalans 95

      Kohsiek LHM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAVVCBSECNHIMHIKC-NLEI-DLORIKZRIZASC-DLOSCP, 1995-12-31)
      Volgens de wet Milieubeheer is de Milieubalans bedoeld om jaarlijks de actuele ontwikkeling van de milieukwaliteit te beschrijven in relatie tot het gevoerde milieubeleid en de ontwikkeling van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Met deze rapportage wordt een eventuele bijsturing van het milieubeleid in de richting van de geformuleerde doelstellingen mogelijk gemaakt. Als onderdeel van de Milieubalans brengt het RIVM deze achtergronddocumentatie uit. Hierin wordt de wetenschappelijke onderbouwing gegeven van de conclusies uit de Milieubalans 95.<br>
    • Achtergrondgehalten van dioxinen in de Nederlandse bodem

      van den Berg R; Hoogerbrugge R; Groenemeijer GS; Gast LFL; Liem AKD; LBG; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      Thirty-two grassland sites, distributed over the Netherlands, were sampled to determine 'background" concentrations of dioxins. The sites were chosen on the basis of calculations using a model for a large-scale distribution and deposition of dioxins from especially waste incinerators. Sampling procedure, sample processing and physico chemical analyses are described. Special attention is given to the analytical procedure, the recoveries and the repeatability. 'Background' concentrations from 1.8 to 16.4 ng I-TEQ kg-1 were determined for the layer 0-5 cm below surface level. These concentrations reflect the concentrations to be expected as 'background' concentrations in Dutch soils. It appeared appropriate to predict the concentrations in the soil from the deposition data, not only for 'background' sites but also for sites in the vicinity of waste incinerators. From the viewpoint of policy-making further research was not recommended. Additional studies may be undertaken for scientific reasons, increase in knowledge on the behaviour of dioxins.
    • Achtergrondinformatie over chroom-6: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam

      Heringa, MB; Janssen, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
    • Achtergrondinformatie over chroom-6: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam

      Broek I van den; Janssen P; NAT; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061 Het voorliggende rapport is bedoeld als wetenschappelijke rapportage met soms ingewikkelde termen. Specifiek voor dit rapport geldt dat na de samenvatting een hoofdstuk te vinden is met de specifieke antwoorden op de onderzoeksvragen in begrijpelijke taal. Daarnaast is er een brochure uitgebracht waarin de inhoud van dit rapport op begrijpelijke en verkorte wijze wordt verwoord. Deze brochure is te vinden op http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Algemeen_Actueel/Brochures/Milieu_Leefomgeving/Informatiebrochure_Wat_is_chroom_6.