• Orienterend onderzoek naar bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater bestemd voor de drinkwatervoorziening

      Hrubec J; Baumann RA; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      In de jaren 1991-1994 werd een orienterend onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de verontreiniging van twee innamepunten van Rijn- en Maaswater voor de drinkwatervoorziening door bestrijdingsmiddelen. Van de 35 geselecteerde bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten werd alleen Diuron in het Maaswater in concentraties boven de detectiegrens van 0.1 mug/l gevonden.<br>
    • Orienterend onderzoek naar de chemische samenstelling van ziekenhuisafvalwater

      Fonds AW; van den Eshof AJ; Wegman RCC; Reijnders HFR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-10-26)
      Dit onderzoek is gericht op zuurstofbindende stoffen, pH, enkele organisch-chemische stoffen en stofgroepen, zware metalen, arseen en cyaniden in 2 ziekenhuizen. Het hangt samen met een onderzoek naar het chemicalien- en geneesmiddelenverbruik door Bureau Haskoning. Enkele "zwarte lijst stoffen" (kwik, cadmium, pentachloorfenol) zijn in meetbare concentraties aangetoond, maar de geschatte jaarlijkse lozing is gering (minder dan 10 kg of 1 kg). Grotere hoeveelheden (enkele 10- tallen c.q. 100-tallen kg) worden geloosd van xyleenhoudende oplosmiddelen, bariumzouten, koper- en zinkverbindingen, vluchtige organische chloorverbindingen (VOCl).<br>
    • Een orienterend onderzoek naar de luchtkwaliteit in de Algemene Bibliotheek van de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht

      Velze K van; Schokkin GJH; Michel FJ; Schippers JT (1991-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Orienterend onderzoek naar de mutagene werking van butylhydroxyanisool (BHA) met voormaagepitheelhomogenaat (S9) van ratten en glutathiondepletie

      Voogd CE; Stel JJ van der; Bruchem MC van; Kroes R (1988-05-31)
      Er werd nagegaan of met tert-butylhydroxyanisool (BHA) een mutagene werking zou kunnen worden aangetoond met metabolische activering in aanwezigheid van rattelevermicrosomen en stoffen die glutathiondepletie kunnen veroorzaken (N-ethylmaleimide, diethylmaleaat, buthionine-sulfoximine en dimethylfumaraat). Voorts werd nagegaan of met S9 mix van voormaagepitheel en kliermaagepitheel van ratten een mutagene werking zou kunnen worden aangetoond. Dit was zowel met Salmonella thyphimurium als TA98 en TA100 niet het geval. Dit is in overeenstemming met naderhand verschenen gegevens in de literatuur. Dit onderzoek ondersteunt de veronderstelling dat de carcinogeniteit van BHA niet kan worden toegeschreven aan een genotoxische werking, hetgeen van belang is voor de risico-evaluatie van deze stof. Wel is er een probleem dat door gebruik van een nieuwe charge agar-agar er een verhoogde toxische werking van BHA op stam TA100 was.
    • Orienterend onderzoek naar de toepasbaarheid van de methode volgens Stubblefield voor de analyse van melkprodukten op het gehalte aan aflatoxine M1

      Egmond; H.P.van; Paulsch; W.E. (1986-03-15)
      Onderzocht werd in hoeverre de methode volgens Stubblefield die mogelijk wordt opgenomen als officiele methode van onderzoek voor het bepalen van aflatoxine M1 in melk in het Ontwerp-Algemeen Besluit (Warenwet), ook toepasbaar is voor melkprodukten. Het onderzoek heeft uitgewezen, dat de geteste methode van onderzoek - mits aangepast ten aanzien van de voorgeschreven monstergrootte, de monstervoorbewerking en de extractie - in principe zou kunnen worden toegepast voor de analyse van melkprodukten op het gehalte aan aflatoxine M1. De experimenten zijn echter van beperkte omvang geweest en het is gewenst de methode op uitgebreidere schaal te testen.
    • Orienterend onderzoek naar de tussenlaboratoriumspreiding bij de radioimmunochemische bepaling van prolactine in ratteserum

      Elvers LH; Smit PJ; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-07-31)
      Ratteprolactine is een hormoon dat een belangrijke rol speelt bij toxicologisch, farmacologisch en reproduktie onderzoek. Een ringijking werd georganiseerd tussen vijf onderzoekslaboratoria in Nederland met tien monsters ratteserum voor de bepaling van prolactine. De monsters werden bereid binnen het RIVM. De gebruikte methoden waren door de deelnemende laboratoria zelf ontwikkeld, al dan niet met behulp van reagentia afkomstig van het Amerikaanse National Institute of Diabetes and Digestive and Kidney Diseases (NIDDK). De resultaten laten een grote tussenlaboratoriumspreiding zien die voor een belangrijk deel terug te voeren is op het gebruik van verschillende referentiepreparaten en antisera. Om te komen tot vergelijkbaarheid en uitwisselbaarheid van gegevens tussen laboratoria, maar ook voor het vaststellen en onderling vergelijken van referentiewaarden door laboratoria moet gestreefd worden naar de produktie en certificering van (inter-)nationale referentie/standaard preparaten en antisera voor prolactine en andere proefdierhormonen.<br>
    • Orienterend onderzoek naar de urinaire uitscheiding van nortestosteron en zijn metabolieten door twee jonge stieren behandeld met Laurabolin R

      Jansen EHJM; Both-Miedema R; van den Berg RH; van den Bosch D; Enkelaar-Willemsen C; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-09-17)
      De uitscheiding van 19-nortestosteron in de urine van jonge stieren behandeld met 19-nortestosteron-17-dodecanoaat in olie (Laurabolin R) is bepaald met de combinatie hoge druk vloeistofchromatografie- radioimmunoassay (HPLC-RIA) voor nortestosteron. Uit deze proef met 2 behandelde dieren bleek dat de urinaire concentraties aan 19- nortestosteron zelf zeer laag zijn tot maximaal 1 mu-g/l. Er zijn door middel van immunogrammen aanwijzingen gevonden voor het mogelijk vorkomen van metabolieten van 19-nortestosteron uit de 5beta-reductase route.<br>
    • Orienterend onderzoek naar het gebruik van lasers in de extramurale gezondheidszorg

      Plas M van der; Lembrechts J; LSO (2000-11-13)
      Naar aanleiding van de overweging of bepaalde medische lasertoepassingen moeten worden aangemerkt als voorbehouden handeling volgens de Wet BIG is een orienterende inventarisatie verricht van beroepen in de individuele gezondheidszorg waar lasers worden gebruikt en van de aard en omvang van de toepassing ervan. Hierbij is vooral aandacht besteed aan toepassingen buiten het ziekenhuis. Op basis van deze orienterende inventarisatie wordt geconcludeerd dat degenen die een beroep uitoefenen vermeld onder Art. 3 van de Wet BIG, zoals artsen en tandartsen, lasers uit de klassen 2, 3 en 4 gebruiken. Beoefenaars van niet geregistreerde beroepen in de individuele gezondheidszorg gebruiken relatief minder vaak lasers en gebruik van klasse 4-lasers is in deze beperkte inventarisatie niet vastgesteld. Dit zou betekenen dat de kans op nadelige effecten bij laatstgenoemde toepassers in principe kleiner zal zijn en de effecten minder ernstig. De drempel om klasse 4 lasers aan te schaffen verlaagt echter voortdurend, omdat lasers steeds meer mogelijkheden bieden en minder kostbaar worden. In het licht hiervan verdient het aanbeveling om ondeskundig gebruik van risicovolle klasse 4 (en eventueel klasse 3B) lasers te voorkomen. De observatie dat de laserveiligheid zowel intramuraal als extramuraal op kwalitatief uiteenlopende manieren wordt geregeld en ernstige incidenten niet zijn uitgesloten, ondersteunt dit standpunt. De evenwichtige onderbouwing van deze stelling en dus een geheel te rechtvaardigen antwoord op de vraagstelling uit dit onderzoek, vereist evenwel een meer diepgaande inventarisatie van extramurale toepassers en toepassingen.
    • Orienterend onderzoek naar het gebruik van lasers in de extramurale gezondheidszorg

      Plas M van der; Lembrechts J; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-11-13)
      A limited inventory was taken among Dutch health-care practitioners on the use of lasers, including the type and extent of their applications. This inventory arose from the consideration on whether certain medical laser applications should be reserved for treatment according to the Act on Occupations in individual health care (BIG Act). Here, the focus was on applications used outside hospitals. On the basis of this inventory it can be concluded that practitioners, like physicians and dentists, who are registered according to the BIG Act, use class 2, 3 and 4 lasers. Practitioners from non-registered occupations in individual health care use lasers relatively less frequently. Since the use of class 4 lasers was not recorded in this inventory, the chance of harmful effects from the non-registered use will, in principle, be smaller and the effects less serious. The threshhold for using class 4 lasers is, however, being constantly lowered since lasers are becoming more versatile and less costly. In view of this development it would be wise to avoid incompetent use of the high-risk class 4 lasers (and possibly class 3B). The observation that laser safety heterogeneously, both in intramural and extramural use, is regulated and that their use is not insensitive to serious consequences, was found to support this standpoint. The balanced support given to this standpoint, leading to a completely justifiable solution to the research problem will, nevertheless, require a more extensive inventory on the extramural use and applications of lasers.
    • Orienterend onderzoek naar het voorkomen van agaritine in Nederlandse champignons

      Egmond; H.P. van; Paulsch; W.E. (1987-02-28)
      Beperkt orienterend onderzoek is verricht naar het voorkomen van agaritine in Nederlandse champignons. Onderzocht werden 15 monsters van verschillend ras en ontwikkelingsstadium. Agaritine werd semi kwantitatief bepaald in verse champignons, daags na de oogst, terwijl enkele monsters na twee dagen bewaren bij + 2 graden C. nogmaals werden geanalyseerd. Een gedeelte van deze bewaarde monsters werd bovendien geblancheerd waarna het agaritinegehalte in de geblancheerde champignons en het blancheerwater werd bepaald. Agaritine was in alle onderzochte monsters champignons aanwezig in gehalten varierend van 200-800 mg/kg, zowel in verse als in enkele dagen bewaarde champignons. Doorgaans liggen de gehalten in gesloten champignons hoger dan die in open champignons. De gevonden gehalten stemmen overeen met gegevens uit de literatuur. Er werden geen aanwijzigingen verkregen dat blancheren gedurende 5 minuten bij 100 graden C leidt tot afbraak
    • Orienterend onderzoek naar het voorkomen van carbadox resistentie bij E.coli bacterien in varkensfaeces bij een varkensfokkerij

      Voogd CE; van Klingeren B; van Leeuwen WJ; Schot CS; Pruys D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-01-31)
      In samenwerking met het Centraal Diergeneeskundig Instituut in Lelystad (CDI) werd in varkensfaeces afkomstig van een grote varkensfokkerij nagegaan of in diverse fasen van het opfokken carbadox-resistente Escherichia coli bacterien voorkwamen. De volgende conclusies kunnen worden getrokken: 1. Er werden in alle opfokfasen carbadox-resistente E.coli bacterien gevonden. 2. Deze carbadox-resistente bacterien waren veelal ook resistent tegen ampicilline, tetracycline, streptomycine, sulfonamiden en incidenteel ook tegen trimethoprim en chlooramfenicol. 3. Binnen een opfokfase werden grote verschillen in het percentage carbadox-resistente bacterien gevonden. Ook voor de andere antimicrobiele stoffen was dit het geval. 4. Onderzoek naar de indicatie van carbadox-resistente Gramnegatieve bacterien in de humane darmflora is nodig om de mogelijke gevolgen van het voorkomen van carbadox ongevoelige E.coli stammen bij varkens voor de volksgezondheid in te schatten.<br>
    • Orienterend onderzoek naar het voorkomen van enige bacteriesoorten in het afvalwater van twee ziekenhuizen en hun resistentie tegen antimicrobiele middelen

      Havelaar AH; van Leeuwen WJ; Groothuis DG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-08-08)
      Onderzoek werd uitgevoerd naar het voorkomen van enterobacteriaceae, groep D streptococcen, Pseudomonas aeruginosa en Staphylococcus aureus in het afvalwater van een academisch ziekenhuis (St.Radboudziekenhuis te Nijmegen) en een algemeen ziekenhuis (St.Elisabethziekenhuis te Tilburg). Tevens werden reincultures hieruit geisoleerd en onderzocht op resistentie tegen antimicrobiele middelen. Enterobacterien en groep D streptococcen werden aangetroffen in aantallen die in dezelfde orde van grootte waren als in huishoudelijk afvalwater. Resistentie werd in relatief hoge percentages stammen aangetoond. P.aeruginosa werd met name in het afvalwater van het Radboudziekenhuis in relatief hoge aantallen aangetroffen. Ook deze kiem bleek veelvuldig resistent te zijn tegen verscheidene antibiotica w.o. gentamicine en carbenicilline. S.aureus werd in lage aantallen aangetroffen. Bijna alle isolaten waren resistent tegen penicilline en gevoelig voor de overige onderzochte antibiotica.
    • Orienterend onderzoek naar Polonium-210 en andere natuurlijke radionucliden in Nederlandse aquatische ecosystemen

      Koster HW; Marwitz PA; Berger GW; Weers AW van; Hagel P; Niewenhuize J (1990-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Orienterend onderzoek naar zware metalen in verpakkingen. Onderzoek ten behoeve van de handhaving van de Regeling verpakkingen

      Mennen MG; Putten EM van; Fortezza F; Beek ACW van de; Veen RPM van; Dijk J van; IEM (2003-01-07)
      Ten behoeve van de handhaving van de Regeling verpakking en verpakkingsafval is een onderzoek verricht naar gehalten aan zware metalen, in het bijzonder cadmium, lood, kwik en zeswaardig chroom, in verpakkingen. Het totaalgehalte aan deze metalen in verpakkingen mag niet meer dan 100 mg/kg bedragen. Het onderzoek omvatte een literatuurstudie, gericht op het in kaart brengen van de verpakkingsketen, de hoeveelheden in omloop zijnde verpakkingsmaterialen en de gehalten aan zware metalen in verschillende soorten verpakkingsmaterialen. Daarnaast is een orienterende pilot studie uitgevoerd, waarbij bij een klein aantal bedrijven uit de keten kunststof verpakkingen zijn geselecteerd en geanalyseerd op zware metalen. Kunststof verpakkingen blijken de meest relevante groep te vormen wat betreft het voorkomen van zware metalen en de milieubelasting die ontstaat door emissies uit afgedankte verpakkingen. Van de onderzochte monsters, in totaal 357 stuks, voldeed 7-8% niet aan de eis uit de Regeling. De gehanteerde strategie, waarbij verdachte monsters bij de bedrijven werden geselecteerd op grond van een screening met een draagbare XRF analyser gevolgd door analyse van de verdachte monsters in het laboratorium, bleek goed te werken. Mits aan enkele voorwaarden wordt voldaan, zijn XRF en ICP-MS in principe beide geschikt als analysemethode voor handhaving van de Regeling. Vanwege de grotere efficientie verdient XRF de voorkeur.
    • Orienterend onderzoek naar zware metalen in verpakkingen. Onderzoek ten behoeve van de handhaving van de Regeling verpakkingen

      Mennen MG; Putten EM van; Fortezza F; Beek ACW van de; Veen RPM van; Dijk J van; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-07)
      To support enforcement of the 'Regulation on packaging and packaging waste' in the Netherlands a pilot study has been performed on heavy metals, particularly cadmium, lead, mercury and hexavalent chromium, in packaging materials. Packaging may not contain more than 100 mg/kg of these four metals. The study consisted of a literature search focused on the packaging chain, the amount of packaging in circulation and the levels of heavy metals in different types of packaging materials. In addition, a number of synthetic packaging samples in the chain were selected from few companies for analysis of heavy metal content. Synthetic packaging was found to be the most critical group when it came to amounts of heavy metals in the packaging and the emissions to the environment from packaging waste. Approximately 7-8% of the analysed samples failed to meet the criteria in the Regulation. Screening samples in the field with the use of a portable XRF analyser, followed by a selection of suspected samples for laboratory analysis with advanced XRF and ICP-MS, turned out to be an efficient strategy. Provided that a few conditions are fulfilled, both XRF and ICP-MS will be suitable methods of analysis for enforcing the Regulation. XRF is preferred because of its greater efficiency level.
    • Orienterend semi-chronisch onderzoek naar de invloed van gekookte koffie op het cholesterol metabolisme van de Wistar rat

      Janssen GB; Speijers GJA; van Loenen HA; Verschuren WMM; van Soolingen J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-02-28)
      The effects of brewed coffee on the cholesterol metabolism of the Wistar rat were investigated. Male rats were housed for 12 weeks in three groups of 8 animals and were giving drinking water or drinking water containing diluted brewed coffee. Dosis brewed coffee were such that the total intake of brewed coffee was equal to resp. 0, 10 - 15 and 20 - 30 cups of coffee per day for a man weighing 60 kg. Parameters studied comprised growth, food intake, water intake and cholesterol metabolism (total cholesterol, HDL-cholesterol, ratio HDL-cholesterol/total cholesterol, triglycerides, fosfolipids and the percentages lipoprotein). No effects of brewed coffee were seen on growth, food intake, water intake and cholesterol metabolism. Different causes may have had their influence on this insusceptibility. Most likely however is the insusceptibility of the rat for components which influence the cholesterol metabolism. Recommendations for future investigaitons twords the cholesterol increasing effects of brewed coffee are: 1) Investigaitons with a susceptible species such as rabbits and preferably with the AX/JU rabbit. 2) Divide the animals according to a good balanced experimental design that is in such a manner that the mean cholesterol concentrations and the standard deviation of the groups are equal. 3) The brewed coffee may be supplied by two oral routes by way of drinking and by way of consuming food in which lyphilized brewed coffee is mixed.<br>
    • Orienterend toxiciteitsonderzoek van propiopromazine bij de rat

      de Vries T; Franken MAM; van Leeuwen FXR; van Velsen FL; Olling M; Rauws AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      Propiopromazine is een fenothiazine-neurolepticum, dat ondermeer wordt gebruikt bij slachtvarkens om transportschade te voorkomen of te verminderen (sterfte, kwaliteitsverlies). Daar het in de weefsels en in de injectieplaats residuen geeft, is het in een orienterende toxiciteitsstudie bij de rat onderzocht (4 weken). De resultaten bleken gerelateerd aan het reeds bekende werkingspatroon (doelwitorganen, centraal zenuwstelstel en endocrien systeem) en leverden geen aanwijzingen voor onvermoede effecten.<br>
    • Orienterende Evaluatie Gezondheidsrisico door Metalen in Tatoeages

      Janssen PJCM; Baars AJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-13)
      Recent investigations by the Dutch Health Inspectorate have revealed that tattoo colours frequently contain metals. We conducted a preliminary evaluation of the health risks to which consumers may be exposed and conclude that the presence of the metals is not very likely to cause long-term toxic reactions in internal organs of those with tattoos. An exception is made, however, for chromium which, when present in the valence state of +6, can produce such toxic effects. In addition, an increased cancer risk is expected when tattoos contain chromium+6. The possible local effects (on the treated skin site) produced by metals in tattoos can be assessed to a limited degree only based on present knowledge. Nevertheless it can be concluded that the probability of local effects will be high where chromium (+6) or nickel are present in tattoos. Further, it is known from dermatological practice that cadmium, cobalt and mercury in tattoos may produce adverse skin reactions.