• Overgewicht bij jonge kinderen en volwassenen: kwantificeren van de kloof tussen energie-inneming en energieverbruik

      van den Berg SW; Scholtens S; Wijga AH; Verschuren WMM; Boer JMA; CVG; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-20)
      Voor het eerst is de kloof tussen calorie-inneming en -verbruik in Nederland gekwantificeerd. Kleine veranderingen in de energiebalans per dag (inneming versus verbruik) kunnen op lange termijn het verschil uitmaken tussen het wel of niet ontwikkelen van overgewicht. Tien procent van de kinderen heeft tussen 2- en 6-jarige leeftijd overgewicht ontwikkeld of behouden. Voor 90% van hen was dit te voorkomen geweest door dagelijks 75 kcal minder in te nemen dan te verbruiken. Dit komt overeen met bijvoorbeeld een glas limonade (150 ml) per dag. Voor jong volwassenen (20-30 jaar) is een overschot op de energiebalans van 60 kcal per dag verantwoordelijk geweest voor hun gewichtsstijging in 11 jaar tijd. Voor volwassenen van 31-59 jaar is het overschot iets kleiner. De energiekloof is berekend op basis van gewichtsstijging. Voor kinderen zijn de gegevens van de PIAMA-studie gebruikt. Voor volwassenen (20-59 jaar) komen de gegevens uit de Doetinchem Studie. Opvallend is dat bijna tweederde van de 2-jarigen met overgewicht weer een normaal gewicht heeft op 6-jarige leeftijd. Deze kinderen hadden vaker een hoogopgeleide moeder dan de kinderen die overgewicht behielden (47% versus 29%). Volwassenen met een lage sociaal-economische status (SES) hadden bij de beginmeting een hogere body mass index (BMI) dan de totale groep. De gewichtsstijging voor personen met een lage SES was echter gelijk aan die voor de totale groep. Verschillen in BMI komen dus waarschijnlijk voor het 20e levensjaar tot stand.
    • Overgewicht en psychische problemen. Hoe vaak komen ze samen voor? : Omvang beide aandoeningen in kaart gebracht

      Proper K; Bemelmans WJE; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-12-08)
      In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzoek gedaan naar de mate waarin overgewicht en psychische problemen tegelijkertijd voorkomen en de mate waarin mensen met overgewicht psychische problemen hebben. Hiertoe zijn statistische analyses uitgevoerd van verschillende Nederlandse gegevensbronnen. Het is gebleken dat overgewicht en psychische problemen zich tegelijkertijd kunnen voordoen. Bij kinderen komen deze gezondheidsproblemen minder vaak tegelijk voor (1 procent) dan bij volwassenen (5-9 procent). Bij kinderen is een duidelijk rechtlijnig verband te zien tussen lichaamsgewicht en psychische problemen: hoe zwaarder ze zijn, hoe vaker ze deze problemen ervaren. Ter illustratie, van de obese kinderen heeft 19 tot 29 procent psychische problemen ten opzichte van 6 tot 19 procent onder kinderen met matig overgewicht en 5-15 procent onder kinderen met een gezond gewicht. Bij volwassenen is er eerder sprake van een J- of U vormig verband; psychische problemen komen vooral voor bij volwassenen met obesitas (16 tot 17 procent) en volwassenen met ondergewicht (8 tot 23 procent). In het onderzoek is ook de aanwezigheid van overgewicht in combinatie met emotionele uitputting onder Nederlandse werknemers nagegaan. Van alle Nederlandse werknemers heeft 6 procent tegelijkertijd met deze gezondheidsaandoeningen te maken.
    • Overgewichtpreventie in het voortgezet onderwijs in 2010-2011 : Een landelijke vervolgstudie

      Mikolajczak J; van den Berg SW; Bemelmans WJE; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-29)
      Veel scholen in het voortgezet onderwijs ondernamen de afgelopen jaren actie om overgewicht bij leerlingen te voorkomen. Een gezonder voedingsaanbod en meer aandacht binnen de lesstof voor voeding, bewegen en overgewicht stonden daarbij centraal. Hierdoor zijn, in vergelijking met het schooljaar 2006-2007, dikmakende prikkels in de omgeving van de school wat afgenomen. Toch blijft er nog steeds veel ruimte voor verbetering. Dit blijkt uit een tweede landelijke studie naar de preventie van overgewicht onder alle scholen in het voortgezet onderwijs in 2010-2011. Voedingsaanbod iets gezonder, nog veel verbetering mogelijk: Het aanbod in de schoolkantine werd gezonder doordat meer scholen fruit, rauwkost en belegde broodjes aanbieden. Een negatieve ontwikkeling was een stijgend aanbod van pizzapunten. Het aanbod van dranken via kantine en automaten verbeterde door toegenomen aanbod van (bron)water. Daarentegen bleef het aanbod van light frisdranken gelijk en steeg ook het aanbod van suikerhoudende melkproducten. Het ministerie van VWS wil zich ervoor inzetten dat in 2015 in alle kantines in het voortgezet onderwijs gezond eten wordt aangeboden. Een verminderd aanbod van candybars, snoep en chips via de kantine betekent echter niet direct dat deze producten dan ook niet meer op de school verkrijgbaar zijn. In 2010-2011 stond namelijk op 80% van de locaties een snoepautomaat, net als in 2006-2007. Vooral meer aandacht binnen de reguliere lesstof: Een op de drie scholen zegt meer aandacht te hebben besteed aan overgewicht bij de vakken biologie en verzorging, en 40% rapporteert dit voor gezonde voeding. Ook voerden de meeste scholen projecten uit buiten de reguliere vakken. Het aantal locaties met richtlijnen rondom overgewichtsignalering, advisering en hulpverlening is met 14% vergelijkbaar met 2006-2007 (13%). Slechts 5% van de scholen heeft een gezondheidsbeleid rondom overgewicht schriftelijk vastgelegd. Scholen: preventie van overgewicht is gedeelde verantwoordelijkheid: Een gezondere schoolomgeving draagt eraan bij om overgewicht bij de jeugd te voorkomen. Scholen vinden dat zij hier niet als enige verantwoordelijk voor zijn: 37% rapporteert zich medeverantwoordelijk te voelen. De bereidheid van scholen om overgewicht meer aan de orde te stellen blijkt gedaald, van 59% in 2006-2007 naar 39% nu. Daar staat tegenover dat geen enkele school in de komende jaren minder aandacht wil gaan schenken aan het onderwerp.
    • Overgewichtpreventie in het voortgezet onderwijs: het landelijke en regionale beeld

      Middelbeek L; Blokdijk L; Schuit AJ; Buijs G; Rutz SI; Schilthuis HJ; Bemelmans WJE; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-10-17)
      With regard to the food and physical activity offered at secondary schools, improvements can be made that can contribute to the reduction of overweight among the youth. This was shown in the first national survey on the prevention of overweight at Dutch secondary schools. The survey cited canteens and/or soda vending machines in almost 90% of the schools, and candy dispensers in 77%. More than half the schools described the food assortment as being primarily rich in calories. In most cases the school board can influence the food supplied to the schools: 60% have an influence on food supplied in machines and 80% have an influence on what is offered in canteens. Only one-quarter of the locations expected a positive change in the following six months. The school environment can also be important: 75% of schools are located near a supermarket, snack bar or petrol station. Pupils at about half the schools have access to these food facilities, since they are allowed to leave the schoolyard during school hours. In the lower classes most schools offer 3-4 hours a week of physical education, but 25% of the capacity of the sport facilities is considered as being insufficient. The schoolyard itself offers possibilities for physical activity: pupils can walk in or around the schoolyard at 80% of the schools and 40% of the schools offer additional sport facilities on the schoolyard. Traffic circumstances around the school are considered to be average to very safe at 90% of the schools. There is still a lot of improvement possible. Only one-third of the schools focuses on overweight prevention outside the curriculum and 13% have specific guidelines for screening and follow-up monitoring of overweight pupils. Most schools expect to pay more attention to overweight prevention in the near future. Since prevalence of overweight among Dutch teenagers will probably rise further, RIVM recommends that schools put these good intentions into practice.
    • Overleving en verspreiding van een genetisch gemodificeerde Pseudomonas fluorescens stam tijdens een veldexperiment

      Wernars K; Smit E; Leeflang P; MGB (1996-07-31)
      In april 1995 werd door onderzoekers van het Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO/DLO) een kleinschalig veldexperiment gestart waarbij eenmalig een genetisch gemodificeerde Pseudomonas fluorescens stam (RIWE8) werd aangebracht in de toplaag van een proefveldje. In opdracht van het Ministerie van VROM werd door onderzoekers van het RIVM onderzoek uitgevoerd naar de overleving en verspreiding van het geintroduceerde genetisch gemodificeerde micro-organisme (ggm). Gedurende het eerste half jaar na beenting werden op gezette tijdstippen grondmonsters genomen voor analyse met microbiologische technieken. Hierbij werd het aantal kolonievormende deeltjes (cfp) bepaald van P. fluorescens RIWE in deze monsters, evenals het aantal van de ongemodificeerde ouderstam die op een naastgelegen controleveldje op identieke wijze was aangebracht. In de be-ente toplaag van het proefveldje werd een afname geconstateerd van de aantallen kolonievormende deeltjes van de geintroduceerde micro-organismen ter grootte van 4 tot 5 log10-eenheden. Reeds op dag 2 na be-enting werd verspreiding vanuit de toplaag waargenomen, zowel in de diepte als lateraal. Aanzienlijke aantallen micro-organismen werden waargenomen op een diepte van 20 - 25 cm en ook laterale verspreiding kon worden geconstateerd, zij het in geringere hoeveelheden. Aan het einde van de waarnemingsperiode konden de verspreide micro-organismen nog slechts op enkele monsterpunten en in lage aantallen worden aangetoond. Wat betreft overleving en verspreiding zijn er in dit onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor verschillen tussen Pseudomonas fluorescens RIWE8 en de ongemodificeerde ouderstam.
    • Overlevingsduuranalyse en concurrerende doodsoorzaken. Een inleiding

      Hoogenveen RT; Jager JC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-06-30)
      The authors report on a literature search on survival analysis and competing risks. The subjects investigated are: (from survival analysis) survival functions, hazard functions and life tables, (total and partial) likelihood functions of the survival times, heterogenity and risk functions to explain differences in survival times, (from competing risks) concurrent risks described by the two- dimensional stochastic variable survival time and cause of death, described by several latent stochastic survival times, and the actuarial model. some of the subjects are illustrated with Dutch data.<br>
    • An overview of adverse health effects caused by mycotoxins and bioassays for their detection

      Wijnands LM; Leusden van FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      Exposure to moulds and their (toxic) metabolites (mycotoxins) is a menace to human and animal health. A risk analysis can shed light on the actual risk of adverse health effects. In a previously published RIVM report (nr. 257852 002) on hazard identification the genera, Aspergillus, Penicillium, Fusarium and Alternaria were designated as the most important genera with respect to contamination of cereals and cereal products. This report, forming part of a hazard characterisation, gives an overview of adverse health effects in humans and animals caused by mycotoxins of the previously mentioned genera. Referring to the most recent literature studies, it is obvious that Fusarium toxins, and especially fumonisins and trichothecenes, are being studied extensively at the moment, making their contribution relatively large. Most of the disorders occurring in animals that can be conclusively attributed to mycotoxins have been studied more-or-less extensively in experimental animals. Only a few disorders in humans can be attributed to mycotoxins, although proof is not conclusive. Much research is needed to further investigate the role of mycotoxins in human health. Bioassays can be helpful tools for researching health effects caused by mycotoxins, especially where human disorders are concerned. A (non-exhaustive) overview of bioassays in use in mycotoxin research is also given. Most bioassays, however, are meant for a general toxicity rating and are not suitable for investigating specific health effects. Therefore more specific assays will need to be designed.
    • An overview of adverse health effects caused by mycotoxins and bioassays for their detection

      Wijnands LM; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      Blootstelling aan (toxische metabolieten van) schimmels vormt een bedreiging voor de gezondheid van mens en dier. Met een risico-analytische benadering kan een inschatting gemaakt worden van het werkelijke risico op negatieve gezondheids-effecten. In een eerder verschenen rapport (RIVM-rapport 257852 002) worden in het kader van een gevaren analyse de schimmel genera Aspergillus, Penicillium, Fusarium en Alternaria genoemd als de meest belangrijke genera in verband met besmetting van granen en graanproducten. Dit rapport bevat, als onderdeel van een karakterisering van het gevaar, een overzicht van negatieve gezondheids-effecten bij mens en dier veroorzaakt door mycotoxinen afkomstig van schimmels van eerder genoemde genera. Aangezien geen kwantitatieve toxicologische gegevens zijn opgenomen kan niet worden gesproken van een volledige karakterisering van het gevaar. De Fusarium toxinen fumonisinen en trichothecenen worden heden ten dage uitgebreid bestudeerd. Door de grote hoeveelheid experimentele gegevens is de aandacht voor deze twee groepen toxinen in dit rapport relatief groot. Het grootste deel van de aandoeningen die door mycotoxinen bij dieren veroorzaakt worden is min of meer uitgebreid bestudeerd in dier-experimenten. Bij de mens wordt slechts een klein aantal aandoeningen aan mycotoxinen toegeschreven, hoewel soms het bewijs daarvoor niet onomstotelijk geleverd is. Zodoende vergt het achterhalen van de invloed van mycotoxinen op humane gezondheid nog veel onderzoek. Biologische test systemen (bioassays) kunnen uitkomst brengen bij dergelijk onderzoek. In dit rapport wordt zodoende tevens een niet uitputtend overzicht gegeven van de voorhanden zijnde bioassays. De meeste van dergelijke assays zijn bedoeld om kwalitatief schadelijkheid van een chemische verbinding vast te stellen en niet om specifieke effecten te registreren. Daartoe zullen andere test systemen moeten worden ontwikkeld.<br>
    • An overview of environmental indicators ; state of the art and perspectives

      Bakkes JA; Born GJ van den; Helder JC; Swart RJ; Hope CW; Parker JDE; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM; University of Cambridge; ISC; MTV; Cambridge Universiteit Engeland (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      Work on indicators is critically reviewed, focusing on a number of key issues ; air and water pollution ; natural resources and biodiversity ; climate change ; ozone depletion ; public health; demography ; production ; consumption ; and technology ; waste ; and costs of environmental protection measures. Indicators have an added significance as compared to the underlying statistics and are tied to a specific purpose. For simplicity the number of indicators can be reduced by aggregating them into an index. A conceptual framework is proposed for the selection, development and analysis of indicators. This framework comprises three interrelated sub-systems: the human population ; production, consumption and technology ; and the environment. An integrated analyses of the state of the environment requires indicators that capture not only the quality of the environment, but also the forces that change the environment, and the responses to these changes by human society. These crucial interactions can be better understood if a conceptual or computational modelling framework is developed and used. The characteristics of indicator systems have been determined mainly by the producers of the information rather than by its users. Furthermore, the present sets of environmental indicators have been mainly selected by the industrialized countries, for their own needs. Indicators should be developed according to their envisaged applications. These applications include early warning and evaluation of policy performance. As countries develop, priorities shift over time, requiring adjustments of indicator systems. The reliability of indicators is mainly determined by the reliability of the underlying statistics and raw data. Harmonization of definitions and measurements methods and the development of standards should be further pursued.
    • Overview of international programmes on the assessment of existing chemicals

      Wezel AP van; CSR (1999-02-26)
      Een overzicht wordt gegeven van de belangrijke internationale kaders waarin risicobeoordeling van bestaande stoffen plaatsvindt. In de appendix is weergegeven welke chemicalien behandeld zijn in de verschillende programma's en wat de planning voor de komende jaren is. Daarnaast wordt de overlap met het nationale stoffenbeleid aangegeven.
    • Overview of international programmes on the assessment of existing chemicals

      Wezel AP van; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-26)
      This overview presents the major international programmes in which assessment of chemicals takes place. The appendix lists the chemicals assessed in the various programmes and sites the planning for the coming years. The overlap with the Dutch policy on chemicals is also overviewed.
    • Overview of legislation on sensitisers : with focus on consumer products

      Smit K; Schuur AG; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-12)
      Veel consumentenproducten bevatten stoffen die een allergische reactie kunnen veroorzaken (sensibiliserende stoffen). Dat kan door contact met de huid of als de stoffen worden ingeademd. De sensibiliserende stoffen kunnen in consumentenproducten voorkomen, zoals speelgoed, cosmetica, schoonmaakmiddelen, textiel en sieraden. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het RIVM geïnventariseerd hoe de productie en het gebruik van allergene stoffen in consumentenproducten in wettelijke kaders is gereguleerd. Bedrijven die chemische stoffen en mengsels in de handel brengen, zijn verplicht om deze in te delen, te etiketteren en verpakken volgens de criteria van de Verordening Indeling Etikettering en Verpakking (CLP). Dit geldt ook voor stoffen waar mensen allergisch op kunnen reageren. Daarnaast hebben producenten en importeurs van chemische stoffen de verplichting om deze, afhankelijk van de hoeveelheid waarin ze worden geproduceerd, te registreren in verband met de Europese verordening voor de productie en handel van chemische stoffen REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen). Bij de registratie van een chemische stof moeten mogelijke gevaren worden beoordeeld en moet worden aangetoond dat het gebruik van de stof veilig is. Ook biedt REACH overheden de mogelijkheid om zeer gevaarlijke of risicovolle stoffen of toepassingen Europees te beperken of te verbieden. Daarnaast bestaan er wettelijke kaders voor specifieke productcategorieën, zoals cosmetica, schoonmaakmiddelen en speelgoed. Deze richtlijnen bevatten lijsten met onder andere sensibiliserende stoffen (veelal geurstoffen), die niet aan deze producten mogen worden toegevoegd, of verplicht op het etiket moeten worden vermeld. Het kan ook zijn dat een sensibiliserende stof eerst moet worden beoordeeld voordat het op de markt mag worden toegelaten, zoals bij biociden.
    • Overview of methodologies for the derivation of Occupational Exposure Limits for non-threshold carcinogens in the EU

      Pronk M; C&P; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-02)
      Werknemers kunnen op hun werkplek blootgesteld worden aan chemische stoffen. Om ervoor te zorgen dat deze blootstelling niet schadelijk is voor de gezondheid, worden zogeheten grenswaarden bepaald. Dit betekent een veilig blootstellingsniveau voor stoffen die mensen op de werkplek kunnen inademen, zodanig dat deze blootstelling, zelfs als deze herhaaldelijk voorkomt gedurende het gehele beroepsleven, niet schadelijke is voor de blootgestelde personen én hun nageslacht. Voor de groep kankerverwekkende stoffen die directe schade aan het DNA veroorzaakt is echter een andere methodiek nodig dan voor stoffen die een drempel kennen voor het schadelijke effect. Elke blootstelling aan deze zogeheten niet-drempelwaarde kankerverwekkende stoffen, hoe laag ook, brengt namelijk een mogelijk risico met zich mee. Voor deze groep stoffen worden grenswaarden bepaald op basis van een 'risiconiveau': het aantal extra kankergevallen als gevolg van een blootstelling aan een dergelijke stof. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke methodieken in de Europese Unie voor dit type stoffen gebruikt worden. De inventarisatie is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gemaakt vanwege diens wens om de methodieken Europees te harmoniseren. Er blijken veel overeenkomsten maar ook enkele verschillen te zijn. Een van de overeenkomsten is dat de methodieken op dezelfde uitgangspunten zijn gebaseerd. Zo worden vergelijkbare criteria gebruikt voor de kwaliteit en geschiktheid van de geselecteerde data waarmee de grenswaarden worden bepaald. Ook wordt bij alle methodieken de voorkeur gegeven aan data verkregen uit mensen na blootstelling op de werkplek, boven het gebruik van data uit dierproeven. Hierbij wordt erkend dat deze 'humane data' in veel gevallen niet beschikbaar of ontoereikend zijn. De voornaamste oorzaak van verschillen in grenswaarden voor deze categorie kankerverwekkende stoffen zijn beleidsmatige keuzes over de hoogte van het risiconiveau. Andere oorzaken zijn de keuze bij dierstudies voor het blootstellingsniveau dat het schadelijk effect veroorzaakt, en factoren zoals de onzekerheidsmarge die wordt gehanteerd bij de vertaalslag van dierproefresultaten naar de mens. Ten slotte zijn overwegingen als sociaaleconomische of technisch haalbare van invloed op de uiteindelijke grenswaarden.
    • Overview of Occupational Exposure Limits within Europe

      Visser MJ; de Wit-Bos L; Palmen NGM; Bos PMJ; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Het RIVM heeft van 47 (groepen van) stoffen een overzicht gemaakt van de in de EU beschikbare grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en de classificatie die er op basis van mogelijke kankerverwekkende eigenschappen aan wordt gegeven. De overzichten maken het mogelijk om de bestaande grenswaarden en classificaties direct te vergelijken. Om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren voor werknemers die met gevaarlijke stoffen werken, is het belangrijk dat de blootstelling zoveel mogelijk wordt beperkt. Hiervoor is het nodig te bepalen welke concentratie van een stof maximaal in de lucht mag zitten die nog veilig wordt geacht. Deze grenswaarden kunnen worden vastgelegd op Europees niveau, op nationaal niveau of door bedrijven. De regelgeving hiervoor kan echter verschillen, waardoor er voor één stof binnen Europa meerdere grenswaarden kunnen bestaan. Naast de grenswaarden kunnen stoffen worden ingedeeld in categorieën op basis van hun mogelijk kankerverwekkende eigenschappen. Ook voor deze zogeheten classificatie bestaan er binnen Europa verschillende systemen en verschillende criteria. De gegevens over grenswaarden zijn overgenomen van de beoordelingen van het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (SCOEL), de Europese wetgeving voor chemische stoffen (REACH)- registratiedossiers, en gepubliceerde grenswaarden in Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Finland. Daarnaast zijn gegevens over classificatie op basis van kankerverwekkende eigenschappen overgenomen van de Europese Commissie en het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC).
    • Overwegingen bij nader onderzoek naar hart- en vaatziekten in de regio Schiphol

      Schram HE; Houthuijs DJM; Franssen EAM; Lebret E; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-06)
      This report describes the feasibility of a new studyon cardiovascular diseases related to aircraft noise from Amsterdam Airport Schiphol. The scientific literature and the results of studies of the Health Impact Assessment Schiphol on this topic were reviewed. Based on this review, the (additional) number of people with cardiovascular diseases in the Schiphol area was estimated. Several suggestions for new studies are presented by study-design (semi-ecological, cross-sectional, panel, follow-up, case-control, semi-experimental). The added value of additional information (against which costs) from new studies is discussed. Studies with a panel, follow-up or case-control design are considered as the most appropriate to collect information on current cardiovascular diseases around Schiphol and the exposure-response relationship between aircraft noise and cardiovascular disease. A cross-sectional study with objective endpoints, like blood pressure measurements, is also useful to collect more information on this topic.
    • Overwegingen bij nader onderzoek naar hart- en vaatziekten in de regio Schiphol

      Schram HE; Houthuijs DJM; Franssen EAM; Lebret E; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-01-29)
      De resultaten zijn beschreven van een haalbaarheidsonderzoek naar de relatie tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en het optreden van hart- en vaataandoeningen in de regio Schiphol. De wetenschappelijke literatuur en de resultaten van onderzoeken uitgevoerd in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol werden hiertoe gereviewed. Op basis van deze review is het (extra) aantal personen met een cardiovasculaire aandoening in regio Schiphol geschat. Verschillende mogelijkheden voor nieuw onderzoek worden in het rapport genoemd, uitgesplitst naar epidemiologisch onderzoeksopzet. De meerwaarde van een nieuwe studie is beschreven en tevens wordt geschetst welke informatie, tegen welke kosten, een nieuwe studie kan opleveren. Panel-, cohort- en patient-controle onderzoek worden als het meest geschikt gezien om het optreden van cardiovasculaire aandoeningen in de regio Schiophol te onderzoeken en om de blootstelling-respons relatie tussen geluid afkomstig van vliegverkeer en cardiovasculaire aandoeningen te beschrijven. Dwarsdoorsnede onderzoek waarin objectieve gezondheidseindpunten zoals bloeddruk worden verzameld, wordt eveneens als zinvol aangemerkt.<br>
    • Overzicht afvalverwijdering 1976-1985 een inventarisatie van de geregistreerde hoeveelheden huishoudelijk-, en hiermee verwerkt afval bij de afvalverwerkingsbedrijven in Nederland

      Siemons JAEM (1987-09-30)
      Er wordt een overzicht gegeven van de verwerkte hoeveelheden afval gedurende de periode 1976-1985, voor de verschillende afvalverwerkingsmethoden in Nederland. Deze zijn: verbranding, kompostering storten, en scheiden van afval. Het betreft vnl. huishoudelijk afval, grof afval, tesamen met dit afval verwerkt bedrijfsafval, en een deel van bouw- en sloopafval (gering). Verder is een verdeling over het gebruik van afvalverwerkingsmethoden gegeven. Tevens de ontwikkelingen gedurende de periode 1976-1985 in het gebruik van deze methoden. Tenslotte worden gegevens verstrekt over de hergebruikprodukten en de afzet hiervan. Aanvullende informatie over de afvalverwerkingsbedrijven is opgenomen in de bijlagen.
    • Overzicht kwaliteitsindicatoren regionale laboratoria voor Down syndroom screening - 2015 RIVM

      Bom E; Rodenburg W; PNB; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-07)
      Het screeningslaboratorium van het RIVM is een van de zeven laboratoria in Nederland die de zogeheten combinatietest uitvoert voor zwangere vrouwen op de syndromen van Down, Edwards en Patau. Dit rapport beschrijft de kwaliteitsindicatoren van de analyses die het laboratorium uitvoert voor de combinatietest. In 2015 voldeden de analyses aan de gestelde kwaliteitseisen. Op basis van deze conclusie zijn er geen aanbevelingen voor verbeteringen nodig. De combinatietest bepaalt de kans op de syndromen door een hormoon en een eiwit te meten, in combinatie met een echoscopische nekplooimeting en de leeftijd van de moeder. In 2015 zijn 12.258 combinatietesten uitgevoerd bij het RIVM. Het percentage 'hoog risico'-uitslagen was iets lager dan in 2014. De percentages 'hoog risico' uitslagen voor het Edwards- en Patausyndroom zijn vrijwel gelijk gebleven aan het voorgaande jaar. Naast de jaarlijkse kwaliteitsindicatoren is dit keer de prestatie van de combinatietest beschreven op basis van RIVM-analyses voor de regio Utrecht en Leiden van 2013 tot en met 2015. Het screeningslaboratorium van het RIVM, voert de analyses uit voor de Stichting Prenatale Screening Regio Utrecht (SPSRU) en het Regionaal Centrum Prenatale Screening noordelijk Zuid Holland (RCNZH)
    • Overzicht ontwikkeling bodembeschermingstechnieken. Stand van zaken, knelpunten en nieuwe ontwikkelingen m.b.t. preventieve en curatieve bodembeschermingstechnieken

      Meeder TA; Raijmakers WMF (eds.); Bosch H van den; Ruardi PA; Soczo ER; Versluijs CW (1992-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Overzicht resultaten controlemetingen aan stralingsmeetapparatuur van de afdeling Stralingsbeschermingsdienst

      Swart A; Bader FJM (1987-10-31)
      Door de afdeling Standaarddosimetrie zijn controlemetingen verricht aan 26 stralingsniveaumonitoren die in beheer zijn bij de stralingsbeschermingsdienst (SBD) van het RIVM. Deze controlemetingen zijn uitgevoerd in gecollimeerde bundels Cs-137 en Co-60 gammastraling. Voor de ter controle aangeboden monitoren wordt geeist dat de aanwijzing binnen 20% in overeenstemming moet zijn met de gegeven exposie. Voor de 23 monitoren van het type FH40F2 werd een overeenstemming gevonden van 5% of beter. Voor 3 monitoren van het type PW4544/26 werd een afwijking gevonden van ca. 24%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat door de fabrikant voor dit type monitor een nauwkeurigheid wordt gespecificeerd van +/- 25% op de instrumentele aanwijzing. De resultaten van de controlemetingen zijn per monitor vastgelegd in de vorm van een certificaat.