• Opzet voor een leidraad bodembeoordeling bij natuurontwikkeling; raamwerk van een ecotoxicologische risicobeoordeling voor natuurontwikkeling binnen de Ecologische Hoofdstructuur

      Lijzen JPA; Meulen GRB ter; Vries W de; Dienst Landbouwkundig Onderzoek-Staring Centrum, Wageningen; LBG; ECO; SC-DLO, Wageningen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      This Guideline will be useful for limiting, constructing, managing or purchasing agricultural land on behalf of the Netherlands' National Ecological Network. The soils of agricultural areas are often slightly polluted, possibly even so polluted that objectives for development of natural areas can not be achieved. Therefore the Guideline should determine whether a location has enough potential for realizing the intended objectives, considering the soil pollution, and whether construction and management of the area could improve opportunities. This is done by means of an ecotoxicological risk assessment. This is based on 'bioavailable' fractions of the soil contaminants, since land-use changes can lead to changes in soil conditions (pH, redox, organic matter) which can change the bioavailable fractions. The framework of the Guideline consists of the following six modules: 1) actual conditions and basic data, 2) the desired development and corresponding scenarios, 3) prognosis of future soil conditions, 4) prognosis of future available fractions of the contaminants, 5) ecotoxicological risk assessments, and 6) the integration of the modules and other relevant factors, and final assessment.
    • Opzet voor een leidraad bodembeoordeling bij natuurontwikkeling; raamwerk van een ecotoxicologische risicobeoordeling voor natuurontwikkeling binnen de Ecologische Hoofdstructuur

      Lijzen JPA; ter Meulen GRB; de Vries W; LBG; ECO; SC-DLO; Wageningen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDienst Landbouwkundig Onderzoek-Staring CentrumWageningen, 1997-06-30)
      Deze Leidraad kan gebruikt worden bij begrenzing, inrichting, beheer en eventueel aankoop van landbouwgronden, bestemd voor natuurontwikkeling binnen de EHS. Deze gronden zijn vaak licht verontreinigd, mogelijk zodanig dat de nagestreefde natuurdoelen niet haalbaar zijn. Daarom beoogt de Leidraad op basis van een ecotoxicologische risico-inschatting een uitspraak te doen over of een locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging kansrijk genoeg is voor de ontwikkeling van een natuurdoeltype en of deze kansrijkdom zo nodig vergroot kan worden via inrichtings- of beheersmaatregelen. De kerngedachte binnen de Leidraad is dat de risicobeoordeling rekening houdt met 'beschikbare gehalten' in de bodem, aangezien de blootstelling van organismen kan veranderen bij veranderende bodemcondities (pH, redox, organische stof) welke op kunnen treden bij de overgang van landbouw naar natuur. Het raamwerk van de Leidraad bestaat uit de volgende modules: definitie van de huidige situatie en basisgegevens, gewenste natuurdoeltypen en scenario's, prognose van de toekomstige bodemcondities, prognose van de toekomstige (metaal)concentraties, beoordeling van ecotoxicologisch risico, integratie en eindbeoordeling. Er zijn aanbevelingen opgenomen om de modules concreet in te vullen tot een operationeel systeem.<br>
    • Oraal semi-chronisch toxiciteitsonderzoek van alfa-HCH bij de rat

      Kuiper HA; den Tonkelaar EM; van Leeuwen FXR; Franken MAM; Dormans JAMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-03-31)
      Zowel voor lindaan (gamma-HCH) als zijn isomeren alfa- en beta-HCH die in levensmiddelen kunnen voorkomen is nu de semi-chronische toxiciteit onderzocht. Uit het onderzoek met alfa-HCH blijkt dat hierbij de lever het belangrijkste doelwitorgaan is, met name de toename van het levergewicht, inductie van microsomale leverenzymen en histopathologische leverafwijkingen. Op grond van deze effecten kan een marginale "no effect level" van 10 mg/kg voer, overeenkomend met o,5 mg/kg lichaamsgewicht worden vastgesteld ofwel 30 mg/dag voor een persoon van 60 kg lichaamsgewicht. De dagelijkse opname van alfa-HCHC uit "total diet" studies is 2 ug/persoon (<1-17 ug/dag). Ten opzichte van de gemiddelde opname betekent dit een veiligheidhsmarge van 15.000 vergeleken met de marginale "no effect level". Op grond hiervan wordt het gezondheidsrisico voor de mens bij blootstelling aan alfa-HCH via levensmiddelen gering geacht.<br>
    • Oral bioavailability of heavy metals and organic compounds from soil ; too complicated to absorb? An inventarisation of factors affecting bioavailability of environmental contaminants from soil

      Sips AJAM; Eijkeren JCH van; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      Bioavailability plays an important role in risk assessment of environmental contaminants from soil. It is one of the determinants in the assessment of intervention values. In present risk assessment, bioavailability from soil is supposed to be 100% due to a paucity of reliable information. However, when it should appear that in this model bioavailability is overestimated by a factor 2 or more, this would imply that the present intervention values are 50% or more too low. This report gives an overview of the data available on bioavailability of the heavy metals lead (Pb), arsenic (As), cadmium (Cd), and toxic organic compounds like PCDDs/PCDFs and PCBs from soil. Beside background information on these compounds, attention is paid to the issue of defining the concept of 'bioavailability' properly, including methodologies for determining bioavailability and to factors influencing bioavailability. A critical survey of all these items leads to the conclusion that the soil matrix can reduce the bioavailability of environmental contaminants with factors up to 10, compared to administration in a solution. However, scarcity of data hampers straightforward application such as the calculation of levels that would necessitate intervention. To our opinion, future research is required. It should focus on: 1) defining the concept of bioavailability, 2) obtaining information about the extraction process of contaminants from the soil matrix by digestion juices, and on 3) absorption processes out of digestion juices into systemic blood, in which especially attention should be paid to speciation of heavy metals in these juices.
    • Oral bioavailability of heavy metals and organic compounds from soil ; too complicated to absorb? An inventarisation of factors affecting bioavailability of environmental contaminants from soil

      Sips AJAM; van Eijkeren JCH; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      Biologische beschikbaarheid is een belangrijke factor in de risicobepaling van milieucontaminanten uit de bodem. Het is een van de determinanten in de bepaling van interventiewaarden. Tot op heden wordt door gebrek aan betrouwbare informatie in PBPK-modellen de biologische beschikbaarheid uit bodem op 100% gesteld. Als blijkt dat de biologische beschikbaarheid in deze benadering met een factor 2 of meer wordt overschat, betekent dit dat de huidige interventiewaarden 50% of meer te laag zijn gesteld. Gevolg hiervan is dat te snel tot het advies bodemsanering wordt overgegaan. In dit rapport is een overzicht gegeven van de literatuurgegevens over de biologische beschikbaarheid van zware metalen (lood, arseen, cadmium) en organische verbindingen (TCDD's, TCDF's en PCB's) uit bodem. Naast algemene achtergrondinformatie over de verbindingen, is ook aandacht besteed aan de problematiek rondom het definieren van het begrip 'biologische beschikbaarheid', inclusief bepalingsmethoden en factoren die de biologische beschikbaarheid uit bodem kunnen beinvloeden. Op basis van de literatuur lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de biologische beschikbaarheid van milieucontaminanten vanuit een bodemmatrix inderdaad een factor 2 tot 10 lager kan zijn dan 100%. Het rapport toont echter aan dat de in de literatuur beschreven data te beperkt zijn voor directe toepassing in de berekening van interventiewaarden. Aanvullend onderzoek lijkt vereist, waarbij de aandacht met name gericht zou moeten worden op: 1) het definieren van het begrip 'biologische beschikbaarheid', 2) het verkrijgen van informatie over extractie van contaminanten uit de bodemmatrix door digestiesappen, en 3) het verkrijgen van informatie over absorptie van contaminanten vanuit de 'digestiesappen-matrix', waarbij vooral aandacht aan de speciatie van zware metalen in die matrix moet worden besteed.<br>
    • The oral bioavailability of nitrate from vegetables investigated in healthy volunteers

      Lambers AC; Kortboyer JM; Schothorst RC; Sips AJAM; Cleven RFMJ; Meulenbelt J; VIC; LBM; ARO; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-19)
      The major source of human nitrate exposure comes from vegetables. Several studies were performed to estimate the total daily dietary nitrate intake based on the nitrate contents of food and drinking water. However, only nitrate that is absorbed from the gastro-intestinal tract may contribute to the toxicity of nitrate in the body. At present no data are available on the bioavailability of nitrate from vegetables. Therefore the present study was performed to evaluate the oral bioavailability of nitrate from frequently consumed nitrate-rich vegetables. In a crossover design 12 participants were administered 365 mg nitrate intravenously and 300 grams of spinach, lettuce and beetroot with, respectively, 564 mg, 1013 mg and 643 mg nitrate. Plasma samples were collected to determine the nitrate concentration so as to calculate the bioavailability of nitrate from the vegetables. Correcting for the endogenous nitrate production, the oral bioavailability of nitrate (mean plusminus 15%) was revealed to be 98% (plusminus 12%) for spinach, 113% (plusminus 14%) for lettuce and 106% (plusminus 15% for beetroot. When the endogenous nitrate production was not taken into account, the bioavailability was 91% (plusmunis 10%) for spinach, 89% (plusminus 13%) for lettuce and 93% (plusminus 12%) for beetroot. From these results, the oral bioavailability of nitrate from spinach, lettuce and beetroot is concluded to be very high.
    • The oral bioavailability of nitrate from vegetables investigated in healthy volunteers

      Lambers AC; Kortboyer JM; Schothorst RC; Sips AJAM; Cleven RFMJ; Meulenbelt J; VIC; LBM; ARO; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-19)
      De grootste bron van nitraatblootstelling is groente. In verschillende onderzoeken is de totale dagelijkse nitraatinname geschat op basis van het nitraatgehalte in voedsel en drinkwater. Echter alleen het nitraat dat door het maagdarmkanaal wordt geabsorbeerd zou kunnen bijdragen aan de toxiciteit van nitraat. Op dit moment zijn er geen gegevens beschikbaar over de biobeschikbaarheid van nitraat uit groente. Daarom is dit onderzoek uitgevoerd om de biobeschikbaarheid van nitraat uit frequent geconsumeerde nitraatrijke groenten te evalueren. In een crossover design kregen 12 vrijwilligers toegediend: 365 mg nitraat intraveneus en 300 gram spinazie, sla en rode bieten met respectievelijk 564 mg, 1013 mg en 643 mg nitraat toegediend. Plasmamonsters om nitraatconcentraties te bepalen, werden afgenomen om de biobeschikbaarheid van nitraat uit groenten te berekenen. De biobeschikbaarheid met correctie voor de endogene nitraatproductie was voor spinazie 98% plus minus 12%, voor sla 113% plus minus 14% en voor bieten 106% 4 15%. De biobeschikbaarheid zonder correctie voor de endogene nitraatproductie was voor spinazie 91% plus minus 10%, voor sla 89% plus minus 13% en voor bieten 93% plus minus 12%. Er kan worden geconcludeerd, dat de biobeschikbaarheid van nitraat uit de onderzochte groenten zeer hoog is.<br>
    • The oral bioavailability of sodium nitrite investigated in healthy adult volunteers

      Kortboyer JM; Olling M; Zeilmaker MJ; Slob W; Boink ABTJ; Schothorst RC; Sips AJAM; Meulenbelt J; NVIC; LBO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      Het nitraat-gehalte in drinkwater en voedingsmiddelen dreigt steeds verder toe te nemen in West-Europese landen. De toxiciteit van nitraat is laag. In het eerste deel van het maag-darmkanaal wordt echter een deel van het nitraat omgezet in nitriet, dat meer toxisch is. Het nitriet dat gevormd wordt kan alleen aanleiding geven tot systemische toxiciteit als het wordt geabsorbeerd uit het maag-darmkanaal. De orale biobeschikbaarheid van natriumnitriet werd daarom onderzocht in gezonde proefpersonen. De studie had een open, 3-weg gekruisde en gerandomiseerde proefopzet. Aan 9 proefpersonen werden 2 enkelvoudige, orale doseringen en een enkelvoudige, intraveneuze dosering van natriumnitriet toegediend. Gedurende 24 uur na doseren werden, op regelmatige tijdstippen, plasma monsters verzameld voor nitraat/nitriet analyse. Deze studie toont aan dat, onder nuchtere omstandigheden 90-95% van het nitriet wordt geabsorbeerd uit het maag-darmkanaal. Nitriet wordt snel uit het plasma geklaard met een terminale halfwaarde-tijd van ongeveer 30 minuten.<br>
    • Oral exposure of children to chemicals via hand-to-mouth contact

      ter Burg W; Bremmer HJ; van Engelen JGM; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-02-14)
      Het RIVM stelt nieuwe waarden voor om in te schatten in welke mate kinderen blootstaan aan bepaalde chemische stoffen wanneer zij hun handen in hun mond steken (dus bij hand-mondcontact). Voorbeelden zijn blootstelling aan chemische stoffen die in bestrijdings- of schoonmaakmiddelen in en rond het huis worden gebruikt. Vooral jonge kinderen komen op deze manier in aanraking met chemische stoffen, omdat zij hun handen vaak in hun mond stoppen. De nieuwe waarden zijn wetenschappelijk onderbouwd; de oude waren veelal gebaseerd op beperkte gegevens en veronderstellingen. Het RIVM adviseert de nieuwe waarden als standaard op te nemen in reguliere beleidskaders om chemische stoffen te beoordelen op risico's. Momenteel ontbreekt een uniforme beoordeling, omdat verschillende beleidskaders eigen methoden gebruiken om de blootstelling door hand-mondcontact te berekenen.
    • Orale blootstelling van proefdieren aan Coxiella burnetii : Literatuuronderzoek

      Geenen PL; van Rotterdam B; van de Giessen AW; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-03-30)
    • Ordering birds and mammals by their sensitivity to chemical compounds: a principal component analysis of acute toxicity data

      Wal JT van der; Luttik R; Vaal MA; Hoekstra JA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      In this study the variation in sensitivity of birds and mammals for pesticides is analyzed. It is part of a project aimed at the development of Quantitative Species-Sensitivity Relationships (QSSRs). A statistical technique is used to detect sensitivity patterns in sets of acute toxicity data of birds and mammals. As in previous studies, patterns in compound toxicity are less complex than patterns in species sensitivity. Ranking of compounds by their over all species averaged toxicity explains most of the variation in the data set. Sensitivity differences within the birds and mammals are limited. For risk assessment purposes this indicates that testing of more than one bird or mammal will have little influence on the outcome of the final assessment, due to other sources of uncertainty in the assessment procedures.
    • Ordering birds and mammals by their sensitivity to chemical compounds: a principal component analysis of acute toxicity data

      van der Wal JT; Luttik R; Vaal MA; Hoekstra JA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Dit rapport maakt deel uit van een project om Quantitative Species-Sensitivity Relationships (QSSRs) te ontwikkelen. QSSRs kunnen de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen voorspellen. Daarvoor wordt de variatie in de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen bestudeerd. Voor deze studie zijn acute toxiciteitsgegevens van stoffen (pesticiden) voor vogels en zoogdieren gebruikt. Een statistische patroonherkenningstechniek, Principale Componenten Analyse, is gebruikt om patronen in de gegevens te vinden. De volgende conclusies kunnen worden getrokken. Net als in voorgaande studies kunnen de patronen in de toxiciteit van stoffen eenvoudig worden beschreven. Een ordening van stoffen van lage naar hoge toxiciteit verklaart ongeveer 65% van de totale variatie in de dataset. Voor de vogels waren fensulfothion en fenitrothion respectievelijk de meest en de minst toxische verbinding. Voor de zoogdieren waren dat respectievelijk isobenzan en carbaryl. Patronen in de gevoeligheid van soorten zijn complexer. Meerdere componenten zijn nodig om meer dan 60% van de totale variatie te verklaren. De patronen laten zien dat soorten uit dezelfde taxonomische groep, klasse of orde, meer op elkaar te lijken, dan soorten uit verschillende groepen van hetzelfde taxonomische niveau. In het algemeen zijn vogels gevoeliger dan zoogdieren. Dit is het duidelijkst voor pesticiden die acetylcholine-esterase remmen (organofosfaten en carbamaten). Het verschil tussen vogels en zoogdieren is het kleinst voor neurotoxische stoffen. Om vogels en zoogdieren veilig te stellen voor pesticiden in het milieu, op basis van acute toxiciteitsgegevens, kan in principe volstaan worden met toetsresultaten van vogels. Als de stof neurotoxisch is, is het raadzaam tevens gebruik te maken van gegevens van zoogdieren. De meest gevoelige soort bestaat niet. Voor vogelsoorten zijn de Californische kwartel (Callipepla californica) en de roodsnavel-quelea (Quelea quelea) representatieve toetsorganismen. Voor de zoogdieren blijven de uitspraken speculatief, omdat slechts enkele soorten vertegenwoordigd waren in de dataset. De hond (Canis domesticus) en de cavia (Cavia dorcella) lijken gevoeligheidspatronen te hebben die als typisch voor zoogdieren beschouwd kunnen worden. De spreiding in soortgevoeligheid per stof was zowel bij de vogels als bij de zoogdieren klein. De Sensitivity Ratio 95:5 zijn kleiner dan 100. De gevoeligheid van een andere soort vogel of zoogdier ligt naar verwachting binnen een factor 10. Voor risico-beoordelingsdoeleinden is het testen van meer dan een soort vogel of zoogdier niet nodig. Door andere bronnen van onzekerheid in de beoordelingsprocedures zal een nauwkeuriger bepaalde gevoeligheid van een soort, slechts een zeer kleine invloed op de uiteindelijke beoordeling hebben.<br>
    • Ordering chemical compounds by their chronic toxicity to aquatic species. A principal component analysis

      Wal JT van der; Vaal MA; Hoekstra JA; Hermens JLM; ECO; RITOX (1995-04-30)
      Dit onderzoek maakt deel uit van een project dat inzicht wil verschaffen in de variatie in de gevoeligheid van soorten voor toxicanten. Patronen in de chronische toxiciteit van chemische stoffen voor aquatische soorten worden daartoe onderzocht met een multivariate statistische techniek, principale componenten analyse. Het is een vervolg op een vergelijkbare studie met acute toxiciteitsgegevens. In deze studie is een gegevensset geanalyseerd met chronische toxiciteitsgegevens (NOECs) voor groei voor 15 aquatische soorten en 22 chemische stoffen. De soorten behoren tot verschillende taxonomische klassen: algen, vaatplanten, protozoen, kreeftachtigen, vissen en amfibieen. De organische verbindingen zijn in te delen in verschillende toxicologische groepen: niet-polair narcotische, polair narcotische of reactieve verbindingen en verbindingen met een specifiek werkingsmechanisme. Drie zware metalen, een halogeen en een detergent zijn ook in de gegevensset opgenomen. De toxiciteitsgegevens zijn verzameld uit de Aquire-database van de EPA en uit aanvullend literatuuronderzoek. Principale componenten analyse is toegepast om patronen te onderkennen in de variatie van toxiciteit voor soorten. De ratio van acute over chronische toxiciteit is berekend voor elke toxicant. Ook wordt een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde toxiciteit van een stof en de octanol-water partitie-coefficient. De belangrijkste conclusies van deze studie zijn: 1. Het grootste gedeelte van de variatie in soortgevoeligheid wordt veroorzaakt door de toxiciteit van de verbindingen en niet door intrinsieke verschillen tussen de soorten. 2. De stoffen kunnen op eenduidige wijze geordend worden naar hun chronische toxiciteit. Deze ordening is hetzelfde voor bijna alle soorten in de analyse en vergelijkbaar met de ordening gebaseerd op acute toxiciteit. 3. Er zijn geen duidelijke patronen in de soortgevoeligheid gevonden. 4. De ratio van LC50 over NOECgroei is vergelijkbaar voor alle verbindingen. Deze acuut/chronisch-ratio heeft een gemiddelde waarde van 4. Voor deze ratio is een 95% betrouwbaarheidsinterval berekend dat loopt van 1 tot 50 voor de 13 stoffen in deze studie waarvoor zowel acute als chronische toxiciteitsgegevens beschikbaar waren. 5. De gemiddelde toxiciteit van verbindingen met een niet-specifiek werkingsmechanisme vertoont een sterke relatie met de octanol-water partitie-coefficient (Kow) en, zoals verwacht, zijn verbindingen met meer specifieke werkingsmechanismen toxischer dan voorspeld op basis van hun Kow.
    • Ordering chemical compounds by their chronic toxicity to aquatic species. A principal component analysis

      Wal JT van der; Vaal MA; Hoekstra JA; Hermens JLM; ECO; RITOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      This report is part of a project studying the variation in the sensitivity of species to toxicant's. Patterns in the chronic toxicity of compounds to aquatic species are studied using a multivariate statistical technique called principal componant analysis. The matrix consists of 15 aquatic species and 22 compounds. The species belong to different taxonomic classes: algae, plants, protozoans, crustaceans, fishes and amphibians. The organic chemicals belong to several toxicological classes: nonpolar narcotics, polar narcotics, reactive compounds and compounds with a specific mode of action. Three heavy metals, a halogen and a detergent are also included. The data was obtained from the EPA-database Aquire and additional literature surveys. The results show that: The major part of matrix variation is determined by the overall toxicity of compounds and not by differences between species. The compounds can be ordered unambiguously by their average chronic toxicity. This is valid for all species considered and similar to results found earlier for acute toxicity data. No clear patterns in the sensitivity of the species are observed. Comparison with acute toxicity data shows that the ratio of acute to chronic toxicity is similar for all compounds and has a mean value of 4. For the acute to chronic ratio a 95% confidence interval stretching from 1 to 50 has been calculated for the 13 compounds in this study where both acute and chronic toxicity data were available. Mean toxicities of chemicals with a nonspecific mode of action show a strong relation with their octanol-water partition coefficient (Kow) and chemicals with more specific modes of action are more toxic than predicted by their (Kow).
    • Ordination of the integrated monitoring data gathered under auspices of ICP-IM, UN-ECE Convention on Long-Range Transboundary Air Pollution: 1989-1994

      de Zwart D; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      Dit rapport bevat een aantal exploratieve multi-variaat statistische analyses van milieugradienten, waarmee is geprobeerd oorzaak-gevolgrelaties aan te tonen in de gegevens die zijn verzameld in het kader van het internationale integrale monitoringprogramma naar de omvang en gevolgen voor ecosystemen van grootschalige grensoverschrijdende luchtverontreiniging (ICP-IM). Dit meetprogramma wordt uitgevoerd onder auspicien van de UN-ECE, Convention on Long Range Transboundary Air Pollution. De resultaten van een zestal ordinatie analyses geven aan dat dergelijke technieken inderdaad in staat zijn om structuur en informatie te onttrekken aan complexe verzamelingen chemische en biologische waarnemingen. De afgeleide oorzaak-gevolgrelaties maken het in combinatie met de resultaten van verspreidingsmodellen waarschijnlijk mogelijk om de effecten van verschillende milieuscenario's te voorspellen. Hiertoe moeten de geanalyseerde gradienten echter wel van voldoende omvang zijn, zodat de voorkomende variatie op grote schaal kan worden geinterpoleerd. Helaas bleken de bestudeerde gegevens geheel onverwacht niet te voldoen aan de vereiste omvang van gradienten. Hierdoor dienen de eventueel waargenomen oorzaak-effectrelaties met de nodige voorzichtigheid te worden geinterpreteerd.<br>
    • De organisatie van zorggroepen anno 2010 : Huidige stand van zaken en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren

      van Til JT; de Wildt JE; Struijs JN; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-16)
      Als gevolg van de experimentele invoering van integrale bekostiging gedurende de jaren 2007 tot en met 2009 zijn er in Nederland diverse zorggroepen opgericht. Dit rapport geeft inzicht in de huidige stand van zaken van de organisatie van zorggroepen en in de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Daarnaast geeft het rapport inzicht in de uitrol van de zorgprogramma's voor diabetes, vasculair risicomanagement (VRM) en chronic obstructive pulmonary disease (COPD). Dit onderzoek is een vervolg op de 0-meting zorggroepen die in 2008 is uitgevoerd. Een zorggroep is een organisatie met rechtspersoonlijkheid waarin zorgaanbieders zijn verenigd. De zorggroep is verantwoordelijk voor de coOrdinatie en levering van de gecontracteerde zorg in een bepaalde regio. Met de term 'zorggroep' wordt de hoofdcontractant van het ketendiagnosebehandelcombinatie (keten-dbc) contract bedoeld; niet het team van zorgverleners dat de feitelijke zorg verleent. In Nederland zijn tot maart 2010 in totaal 97 zorggroepen opgericht met minimaal een operationeel zorgprogramma. Momenteel participeert ruim driekwart van alle huisartsen in een zorggroep. Binnen een zorggroep nemen gemiddeld 76 huisartsen deel. In vergelijking met 2008 zijn er vrijwel geen veranderingen in het aantal deelnemende huisartsen en aantal patienten per zorggroep. Ook zijn de huisartsen nog steeds de belangrijk(st)e spelers in zorggroepen. De zorggroepen ervaren knelpunten op het terrein van de ICT wat het geïntegreerd leveren van zorg belemmert. Dit is niet veranderd sinds de 0-meting in 2008. Een derde van de zorggroepen heeft een keteninformatiesysteem (KIS) geimplementeerd. Vooralsnog lijkt het er op dat ook een KIS nog niet voldoet aan de informatiebehoefte van zorggroepen. De rol van de patiënt in de zorggroep is nog onderontwikkeld. Veel zorggroepen hebben nog geen of onvoldoende aandacht voor zelfmanagement. Bij acht van de deelnemende zorggroepen heeft de patient zonder tussenkomst van zorgverleners via internet toegang tot zijn eigen zorgdossier, waardoor de patiënt beter bij het zorgproces betrokken wordt. Alle zorggroepen hebben een keten-dbc contract voor het diabetes zorgprogramma en daarmee is een landelijke uitrol nagenoeg gerealiseerd. Slechts een aantal zorggroepen hebben een keten-dbc contract voor de VRM en COPD zorgprogramma's. Oorzaak hiervan is ondermeer een moeizame onderhandeling met de zorgverzekeraars. De zorggroepen met meerdere zorgprogramma's hebben vaak een complexere juridische structuur en kunnen meerdere rechtsvormen hebben. Daardoor zijn multimorbide patienten voor hun chronische zorg bij meerdere zorggroepen 'in zorg'. Wat dit betekent voor de (kwaliteit van de) feitelijke zorgverlening van mensen met multimorbiditeit is vooralsnog onduidelijk.
    • De organisatie van zorggroepen anno 2011 : Huidige stand van zaken en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren

      de Jong-van Til JT; Lemmens LC; Baan CA; Struijs JN; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-26)
      De invoering van integrale bekostiging heeft mede geleid tot het ontstaan van zorggroepen. Deze zorggroepen zijn verantwoordelijk voor de organisatie, coördinatie en levering van de door hen gecontracteerde zorgprogramma's. Om de ontwikkeling van deze relatief nieuwe organisaties en de uitrol van de zorgprogramma's te volgen is in 2008 (0-meting) en in 2010 (1-meting) een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder zorggroepen. Het huidige onderzoek is een vervolg hierop en geeft inzicht in de ontwikkelingen in de organisatie van zorggroepen en de uitrol van de zorgprogramma's voor diabetes, COPD en vasculair risicomanagement (VRM) in de periode 2008 tot en met 2011. Sinds de 1-meting zijn weinig nieuwe zorggroepen opgericht. Zorggroepen hebben zich verder ontwikkeld op organisatorisch vlak. Echter er bestaan nog wel grote verschillen tussen zorggroepen. Alle responderende zorggroepen (n=65) hebben een zorgprogramma voor diabetes gecontracteerd. Daarnaast heeft de helft van de zorggroepen in 2011 een zorgprogramma voor COPD gecontracteerd en een kwart voor VRM. Ook hebben zorggroepen meer ondersteunend personeel in dienst en wordt door meer zorggroepen ingezet op het inzichtelijk maken en verbeteren van de kwaliteit van zorg. Net als in de voorgaande metingen zijn vooral huisartsen eigenaar van zorggroepen. Daarnaast zijn een aantal knelpunten nog steeds actueel. Zo bestaan er nog knelpunten op het gebied van de onderhandelingen rondom het contracteren van zorgprogramma's. Ook vormt ICT nog steeds een knelpunt waardoor het lastig is voor zorggroepen om gegevens onderling uit te wisselen en spiegelinformatie te genereren. Een aandachtspunt blijft de rol van de patiënt in de zorggroep zowel op spreekkamer als organisatorisch niveau. Patiënten worden wel meer betrokken bij zorggroepen, maar hun rol blijft toch vaak beperkt. Een ander punt van aandacht is hoe zorggroepen het geïntegreerd leveren van zorg waarborgen als er meer ziektespecifieke zorgprogramma's gecontracteerd worden. Een derde van de zorggroepen beschouwt dit niet als hun verantwoordelijkheid.
    • Organische microverontreinigingen bij secundaire aluminiumsmelterijen

      Bremmer; H.J. (1987-05-31)
      Deze studie handelt over mogelijke emissies van N-nitrosoamines, polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen bij secundaire aluminiumsmelterijen in het bijzonder bij Aluminium Hardenberg B.V. te Hardenberg. N-nitrosoamines kunnen mogelijk aanwezig zijn in snijvloeistoffen uit het aluminiumschroot en gevormd worden uit componenten die aanwezig zijn in snijvloeistoffen. Met betrekking tot mogelijk aanwezige hoeveelheden N-nitrosoamines kan geen schatting worden gemaakt. PCDD's en PCDF's kunnen mogelijk voorkomen in snijvloeistoffen uit het aluminiumschroot en gevormd worden uit componenten uit snijvloeistoffen en de kunststoffen/verfstoffenfractie. Als PCDD's en/of PCDF's voorkomen zal de totale hoeveelheid die per gewichtseenheid (filterstof) of per volume-eenheid (vliegstof) vrijkomt bij secundaire aluminiumsmelterijen waarschijnlijk beduidend lager zijn dan de hoeveelheid die vrijkomt bij afvalverbrandingsinstallaties. Daarbij zij aangetekend dat voor de afschatting van een en ander vooral gekeken moet worden naar de 15 meest toxich geachte PCDD/PCDF verbindingen. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen zullen waarschijnlijk in zeer lage concentraties of in het geheel niet aanwezig zijn.
    • Organische microverontreinigingen in gft-compost

      Rood GA; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-07-31)
      The current investigation represented an initial survey on the presence of organic contaminants in Bio-waste compost (garden, fruit and vegetable wast). This report provides an indicative comparison between the pollution levels in compost and the target value for soil (H=20%). Partly based on this research, however, standards for organic contaminants will be developed. It was found that all compost samples contained organic contaminants. The PAH levels in the compost samples were shown to be relatively high when compared to the target value for soil. It was found that for most PAH no relation between the levels in the compost and the compost production plant existed. The amount of HCB and phthalates was also found to be higher than the target values. In some samples, the content of chlorinated phenols, PCB, endrin and/or mineral oil turned out to be higher than the target value. All compost samples were shown to contain amounts of dioxins far below the provisional value for soil in urban areas. With reference to the results of this investigation it is recommended to set up extensive research into organic contaminants in compost to get a representative picture of the contaminant levels in compost.