• Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 3 Zeeland

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 4 Zuid-Holland

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 5 Noord-Holland

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 6 Utrecht

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 7 Gelderland

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 8 Overijssel

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van meetresultaten van het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging april 1985 - april 1986. Regio 9 Noord-Nederland

      Blom; W.F.; Onderdelinden; D. (1986-07-31)
      In verband met moderniseringswerkzaamheden aan het meetnet voor luchtverontreiniging is het aantal operationele stations in de rapportageperiode beperkt. Uit de tabellen blijkt geen overschrijding van de (interim) grens- en richtwaarden voor SO2, NO2, CO en O3 gedurende de rapportageperiode. De richtwaarden voor SO2 worden op bijna alle stations in de zuidelijke helft van Nederland overschreden. Voor de richtwaarden van NO2 en O3 geldt dit voor respectievelijk bijna alle en alle stations in het gehele land.
    • Overzicht van methoden voor het kwantificeren van blauwwieren

      Burger-Wiersma T (1993-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Overzicht van mogelijke metabolieten en toedieningsvormen van nortestosteron (=nandrolon) inclusief CAS reg-nummers ten behoeve van een toxicologische evaluatie in het kader van project 627915

      Stephany; R.W.; (1986-10-31)
      Overzicht van mogelijke metabolieten en toedieningsvormen van nortestosteron (=nandrolon) inclusief CAS reg-nummers ten behoeve van een toxicologische evaluatie in het kader van project 627915.
    • Overzicht van onderzoek naar automatische meetmethoden voor het vaststellen van fijn stof

      Arkel FT van; Kummu PJ; Loon JPL van; Meulen A van der; Severijnen M; Visser JH; LVM (DCMR Milieudienst RijnmondGGD Amsterdam Medische MilieukundeLuchtonderzoekProvincie Noord-BrabantProvincie Limburg, 2007-08-16)
      Dit rapport beschrijft de 'stand der techniek' van meetmethoden voor het vaststellen van de concentratie zwevende deeltjes in de troposfeer, gericht op de fijne fractie, de zogenaamde PM2,5-fractie. De beschrijving van de prestaties van de meetmethoden volgens de huidige stand van de techniek is gebaseerd op een literatuurstudie en op eigen ervaringen van de deelnemende instituten. De studie richt zich op de vergelijkbaarheid van de automatische meetmethoden met de standaardmethode (referentie). Het is de wens van de betrokken meetinstanties om de ervaringen met PM2,5-meetmethoden te inventariseren en om onderling de meetstrategie af te stemmen. Een zorgvuldige selectie van een PM2,5-meetmethode is daarbij van belang. Doel van het rapport is de betrokken meetinstanties te ondersteunen met een overzicht van de prestaties van verschillende meetmethoden. Daarnaast draagt het rapport bij tot het proces van normaliseren en/of harmoniseren van meetmethoden.
    • Overzicht van onderzoek naar correctiefactoren voor automatische PM10 metingen in Nederland

      Jonge D de; Meulen A van der; Elshout S van den; Laan J van der; Kummu P; Visser J; Weijers E; Loon J van; Severijnen M; DCMR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-01-31)
      PM10 measurements are complicated. The automated monitors, which are used to measure the PM10 concentration in ambient air, show an underestimation in relation to the reference method.This report contains an overview of research on the correction factors for automated PM10 measurements by DCMR, GGD Amsterdam, Provincie Noord-Brabant, Provincie Limburg and RIVM.To improve the quality and comparability of the various factors, it is of main concern to further harmonise the research in the Netherlands on this area. This report is the beginning of this process. Continuation of this research is needed.
    • Overzicht van onderzoek naar correctiefactoren voor automatische PM10 metingen in Nederland

      de Jonge D; van der Meulen A; van den Elshout S; van der Laan J; Kummu P; Visser J; Weijers E; van Loon J; Severijnen M; MEV-LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDCMRGGD AmsterdamProvincie Noord-BrabantProvincie Limburg, 2006-01-31)
      PM10 metingen zijn niet eenvoudig. De automatische meetapparatuur die wordt toegepast om de concentratie PM10 in de buitenlucht te bepalen, geeft een onderschatting ten opzichte van de gravimetrische referentiemethode volgens NEN EN 12341. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van vluchtige componenten in fijn stof. Dit rapport bevat een overzicht van de onderzoeken naar de correctiefactoren voor automatische PM10 metingen door DCMR, GGD Amsterdam, Provincie Noord-Brabant, Provincie Limburg en het RIVM in de afgelopen jaren.Om de kwaliteit, en vergelijkbaarheid, van de verschillende factoren te verbeteren is het van belang de verschillende onderzoeken die op dit gebied binnen Nederland worden uitgevoerd verder te harmoniseren.
    • Overzicht van veiligheidsafstanden voor de opslag van vuurwerk in Nederland en enkele andere landen

      Matthijsen AJCM; LSO (2001-07-18)
      Voor de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland en Engeland wordt voor vuurwerk een overzicht gegeven van de indeling in vuurwerkklassen en de afstandseisen voor opslag, om na te kunnen gaan in hoeverre Nederlandse wetgeving op het gebied van vuurwerk spoort met wetgeving in deze landen. De aanpak in de verschillende landen vertoont op hoofdlijnen grote gelijkenissen. De meer gedetailleerde invulling van de vuurwerkwetgeving vertoont grotere verschillen per land. Het blijkt dat voor kleine opslagen in Nederland relatief kleine veiligheidsafstanden worden aangehouden. Voor de grote opslagen zijn de in Nederland voorgeschreven veiligheidsafstanden groter dan in Duitsland en vergelijkbaar met die in de V.S. en Engeland.
    • Overzicht van veiligheidsafstanden voor de opslag van vuurwerk in Nederland en enkele andere landen

      Matthijsen AJCM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-18)
      A survey of the literature on the classification of fireworks and requirements on safe-distance storage of fireworks in the USA, Germany, France and the UK was conducted to allow a comparison of legislation among these countries. Although the definitions and systems of measurement used (e.g. gross or net weight) were not always clear in the consulted references, the following observations could be made. The approach to this subject by the countries surveyed does not differ much on main issues. When it comes to more detailed legislation, however, differences are greater. The table below compares the safe distances (m) of fireworks (according to gross weight) in the least dangerous firework class (subclass 1.4), both with and without a sprinkler system. It can be concluded that the safe distances for a small storage facility in the Netherlands are comparatively small. For a larger storage facility, the safe distances are greater than in Germany and similar to those in the USA and the UK.
    • Overzicht van voor de voortplanting giftige stoffen en werkplekken - een eerste aanzet

      Pieters MN; Janssen PJCM; Piersma AH; Klaus M; SIR; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-20)
      Not every employer and employee is aware of possible exposure to compounds classified for reproductive toxicity in their working environment. To facilitate employers and employees in their understanding of work-related exposure to reprotoxic compounds, RIVM set up a database in which 183 (groups of) compounds are coupled to their use at workplaces. The information on their use was obtained from international websites. Information from the database can be obtained by selecting a branche or selecting a compound. In both cases actions that are performed using the compound are indicated. Exposure levels are not available in the database. The database forms a first start. Adjustment and extension of the database should be performed in close cooperation with the branches.
    • Overzicht van voor de voortplanting giftige stoffen en werkplekken - een eerste aanzet

      Pieters MN; Janssen PJCM; Piersma AH; Klaus M; SIR; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-05)
      Niet elke werknemer en werkgever is zich bewust van het eventueel vrijkomen van voor de voortplanting giftige stoffen op zijn/haar werkplek. Om werkgevers, werknemers en arbo-professionals op mogelijke blootstelling te attenderen heeft het RIVM een database aangelegd. Hierin zijn stoffen waarvan bekend is dat ze giftig zijn voor de voortplanting gekoppeld aan branches en werkgerelateerde handelingen in deze branches. De database vormt een eerste aanzet. Aanpassingen en uitbreidingen van de database kunnen worden uitgevoerd in samenwerking met de branches.
    • Overzichtskaarten luchtkwaliteit NO2 en PM10

      Mooij M; Dik H; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-02)
    • Oxydatieve stress, antioxydanten en gezondheid: biologische relevantie en metingen in het lichaam

      Hertog MGL; CCM (1995-03-31)
      Reactieve zuurstofverbindingen (RZS) worden ervan verdacht betrokken te zijn bij de ontwikkeling van o.a. kanker, cardiovasculaire ziekten, chronische a-specifieke respiratoire aandoeningen (CARA) en algemene verouderingsverschijnselen zoals bijvoorbeeld dementie. Deze ziekten leveren een belangrijke bijdrage aan de morbiditeit en mortaliteit in Nederland en leggen daarmee een zware belasting op de medische en sociale zorg. Het lichaam wordt beschermd tegen de schadelijke effecten van RZS door een complex antioxydatief afweersysteem waaronder de enzymen glutathion peroxidase, superoxide dismutase en antioxydanten uit de voeding zoals vitamine E, vitamine C, beta-caroteen, en flavonoiden. Aanwijzingen voor een oorzakelijke rol van RZS in de etiologie van bovengenoemde aandoeningen komt voornamelijk uit in vitro onderzoek en enkele onderzoeken bij dieren. Tot op heden is over de daadwerkelijke rol van vrije radicalen en de mogelijkheden van antioxydante preventie bij de mens weinig bekend. Voorlopig wijst epidemiologisch onderzoek vooral op een beschermende rol van de consumptie van antioxydant-rijke voedingsmiddelen zoals groenten en fruit tegen de ontwikkeling van kanker, en wijzen enkele onderzoeken op een beschermend effect van voedingsantioxydanten op hart- en vaatziekten. Voor de meeste andere aandoeningen ontbreekt deze informatie. Tot op heden zijn de onderzoeken hiernaar vooral cross-sectioneel van aard geweest waardoor geen duidelijke oorzaak-gevolg relatie aangetoond kon worden. In de toekomst zijn daarom vooral prospectieve epidemiologische onderzoeken nodig naar de relatie tussen RZS, antioxydanten en chronische ziekten. Hierbij dient vooral veel aandacht besteed te worden aan de ontwikkeling en validering van biomerkers voor oxidatieve stress, antioxydanten inname en oxydatieve schade.
    • Oxydatieve stress, antioxydanten en gezondheid: biologische relevantie en metingen in het lichaam

      Hertog MGL; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      Reactive oxygen species (ROS) are believed to be involved in the etiology of a large number of chronic diseases such as cancer, cardiovascular diseases, lung diseases, and other diseases associated with ageing such as dementia. These diseases are important causes of illness and death in the Netherlands and other Western countries and are therefore a heavy burden on social and medical care services. The human body has developed a number of defence systems against ROS which include the antioxidant enzymes such as superoxide dismutase and glutathion peroxidase, and dietary antioxidants such as the vitamins C, E, beta-carotene, and flavonoids. Evidence for an important role of ROS in the pathogenesis of diseases is mainly provided from in vitro studies and a small number of animal experiments. Not much is known about the true role of ROS in the etiology of human disease and about the potential protective effect of (dietary) antioxidants. Epidemiological evidence suggests that the consumption of antioxidant-rich foods such as fruits and vegetables protects against various types of cancer and that the intake of (dietary) antioxydants may prevent cardiovascular diseases. However, for most other diseases this information is lacking. Most studies conducted so far were cross-sectional in which no clear cause-and effect relation can be investigated. More prospective epidemiological studies on the relation between oxidative stress, antioxidants and disease occurrence are therefore needed. An important aspect of future research in this area will be the development and validation of biomarkers of oxidative stress, antioxidant intake, and oxidative damage.