• PAK in stedelijke omgeving, benzo[a]pyreen en mogelijke alternatieven als gidsstof voor PAK

      Velze K van; LLO (1996-10-31)
      Resultaten van metingen van PAK concentraties op negen dagen op drie typen lokaties (landelijke achtergrond, stadsachtergrond, drukke verkeersstraat) zijn statistisch geanalyseerd. Onderzocht is de bruikbaarheid van individuele PAK (22 componenten) als indicator voor de carcinogene potentie van het PAK-mengsel. Het best voldoen benzo[e]pyreen, chryseen en benzo[a]antraceen. Benzo[a]pyreen, de huidige PAK-gidsstof, voldoet eveneens. Voorts zijn de mogelijkheden onderzocht voor bewaking van de PAK-norm met behulp van andere luchtverontreinigende stoffen (zwarte rook, PM-10, CO, NOx, SO2). Zwarte rook en NOx toonden de beste resultaten.
    • PAK in stedelijke omgeving, benzo[a]pyreen en mogelijke alternatieven als gidsstof voor PAK

      Velze K van; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      PAH concentrations were measured in city areas on nine days with calm weather at three types of sites (rural backgound, city background, road with heavy traffic) were statistically analyzed. Twenty-two PAHs were examined individually to determine the utility of each as an indicator of the carcinogenic potency of a PAH mixture. Benzo[e]pyrene, chrysene and benzo[a]anthracene scored the highest, along with the current PAH indicator, benzo[a]pyrene. Furthermore, a survey on possibilities for maintaining the PAH standard with the aid of other compounds (black smoke, PM-10, CO, NOx, SO2) showed the best results with black smoke and NOx.
    • Papier- en kartonindustrie

      Huizinga K; Verburgh JJ; Matthuizen AJCM (1992-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Paralytic shellfish poisoning; A review

      Mons MP; Egmond HP van; Speijers GJA; CSR (1998-09-15)
      Paralytic shellfish poisoning (PSP) wordt veroorzaakt door consumptie van schelpdieren die PSP toxinen bevatten. Er zijn 18 verschillende PSP toxinen, waarvan saxitoxine de meest bekende en de meest toxische is. PSP toxinen kunnen worden aangetoond met de muis bioassay, waarbij de dood van het dier als toxiciteitscriterium geldt. Deze methode wordt op dit moment nog veel toegepast, maar de internationale druk die wordt uitgeoefend door o.a. de dierenbeschermingsorganisaties stimuleert het onderzoek naar chemische analysemethoden om de muis bioassay te vervangen. Hoewel er verschillende methoden voorhanden zijn, heeft elke methode wel zwakke punten. Het grootste probleem is dat er weinig analytische standaarden en gecertificeerde referentiematerialen voorhanden zijn, alhoewel er wel veelbelovende ontwikkelingen op dit gebied zijn. De PSP toxinen worden voornamelijk geproduceerd door zogeheten dinoflagellaten van het geslacht Alexandrium. Deze soort komt zowel in tropische gebieden als in de gematigde zones voor en wanneer schelpdieren zich voeden met deze algen, kunnen de toxinen accumuleren in de schelpdieren. De hoogste concentraties toxinen komen voor tijdens, of vlak na een algenbloei, maar zelf ondervinden de schelpdieren bijna geen effect van de toxinen. Wanneer mensen de verontreinigde schelpdieren opeten kunnen ze vergiftigd raken met de PSP toxinen. De effecten zijn aanvankelijk het waarnemen van tintelingen en gevoelloosheid maar uiteindelijk kan verlamming optreden en in ernstige gaveling an dit tot tot de dood leiden doordat ook de ademhalingsspieren verlamd raken. De laatste jaren lijkt het alsof er een toename in het aantal intoxicaties, veroorzaakt door PSP, plaatsvindt.Op dit moment zijn er 25 landen met wetgeving op het gebied van PSP. De meeste landen hebben wetgeving voor PSP in het algemeen, maar sommige landen hebben ook specifieke wetgevingen voor een of meer PSP toxinen.
    • Paralytic shellfish poisoning; A review

      Mons MP; Egmond HP van; Speijers GJA; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-09-15)
      Paralytic shellfish poisoning (PSP) is caused by ingestion of shellfish containing PSP toxins. The PSP toxins are a group of 18 closely related tetrahydropurines. The first PSP toxin chemically characterised was saxitoxin. The various PSP toxins significantly differ in toxicity, with saxitoxin being the most toxic. The presence of PSP toxins in shellfish can be demonstrated with the mouse bioassay, a non-selective testing procedure, with animal death as toxicity criterion. The test is currently used in many countries for checking the toxicity of shellfish but international pressure a.o. of animal welfare groups has led to stimulation of research to replace the mouse bioassay by chemical methods of analysis. It is expected, however, that several more years of intensive investigations will be needed, before a selective, sensitive and validated method of analysis becomes available and accepted. Although promising developments have been made, limited supplies of purified toxin standards are still delaying rapid progress. The PSP toxins are produced mainly by dinoflagellates belonging to the genus Alexandrium, which may occur both in the tropical and moderate climate zones. Shellfish grazing on these algae can accumulate the toxins , but most of them are rather resistent to the harmful effects of these toxins. The highest concentrations in shellfish are found during or directly after an algal bloom. People consuming the contaminated shellfish can become intoxicated. The primary mode of action of PSP toxins in mammals is their binding to sodium channels in nerve cell membranes, readily at nanomolar concentration. This leads to inhibition of impulses along the nerves, resulting in paralysis, respiratory depression and circulatory failure. Symptoms of human PSP intoxication vary from a slight tingling or numbness to complete respiratory paralysis. In fatal cases, respiratory paralysis occurs within 2-12 hours of consumption of the PSP containing food. During the last 20 years there seems to be an increase in intoxications, caused by PSP. Currently, some 25 countries have regulations for PSP. Most regulations are set for paralytic shellfish poisoning as a group, but some countries indicate specific regulations for one of the PSP toxins, mostly saxitoxin.
    • Parameters needed to estimate the global burden of peanut allergy : Systematic literature review

      Ezendam J; van Loveren H; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-23)
      Een pinda-allergie kan milde tot ernstige klachten veroorzaken, uiteenlopend van een dikke lip en benauwdheid tot een zogeheten anafylactische shock, die potentieel dodelijk is. Het RIVM heeft onderzocht welke factoren van invloed zijn op de zogeheten ziektelast die pinda-allergie veroorzaakt. De belangrijkste parameters daarvoor blijken het aantal personen met een pinda-allergie te zijn en de invloed van een pinda-allergie op de kwaliteit van leven. Ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekten te kwantificeren en is een combinatie van gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Deze literatuurstudie is uitgevoerd in het kader van de 'Foodborne Epidemiology Reference Group' van de Wereldgezondheidsorganisatie die de wereldwijde ziektelast van verschillende voedingsgerelateerde aandoeningen in kaart wil brengen. Voorbeelden zijn ziekteverwekkers als parasieten en bacteriën of schadelijke stoffen die mensen via voeding binnenkrijgen. Vanwege de ernstige klachten valt pinda-allergie daar ook onder. Aantal mensen met pinda-allergie: Tussen de 0,5 en 1,5 procent van de inwoners van westerse landen hebben een pinda-allergie. Er zijn bijna geen gegevens gepubliceerd over de mate waarin dit in niet-westerse landen voorkomt. Er lijkt sprake te zijn van geografische verschillen, omdat pinda-allergie bijvoorbeeld weinig tot niet in Turkije en Israël voorkomt. Pinda-allergie beperkt kwaliteit van leven: Mensen met een pinda-allergie krijgen alleen allergische klachten als ze een product eten dat pinda's bevat. Hoewel ze ernstig kunnen zijn, zijn ze doorgaans van korte duur. Daardoor hebben ze weinig invloed op de ziektelast. Het aantal mensen dat aan pinda-allergie overlijdt, is laag en heeft daardoor ook weinig invloed op de ziektelast. Leven met een pinda-allergie daarentegen beperkt de kwaliteit van leven, onder andere door de angst om per ongeluk een product dat pinda's bevat te eten. Deze beperking van hun kwaliteit van leven beïnvloedt wel de ziektelast.
    • Parametrization of NO2 photodissociation rate

      de Leeuw FAAM; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      De fotolysesnelheid van stikstof-dioxide, j(NO2), speelt een essentiele rol in de chemie van de atmosfeer. Het is een van de meest gevoelige parameters in fotochemische transportmodellen. Het is dus van groot belang om een zo goed mogelijke schatting van de fotolysesnelheid te geven. In de huidige praktijk zijn schattingen van deze fotolyse-snelheden veelal gebaseerd op (complexe) stralingsoverdrachtmodellen of op empirische regressies. In operationele luchtmodellen zal er een voorkeur zijn voor empirische relaties tussen fotolysesnelheid en routinematig beschikbare (meteorologische) gegevens, enerzijds omdat stralingsoverdrachtmodellen een groot beslag kunnen leggen op rekentijd, anderzijds omdat voor stralingsoverdrachtmodellen veelal invoergegevens vereist zijn die niet direct beschikbaar zijn (bijv. vertikale profielen van ozon en aerosol in troposfeer en stratosfeer). In dit rapport worden empirische verbanden tussen j(NO2) en routinematig beschikbare meteorologische waarnemingen (globale straling, bedekkingsgraad) beschreven. De fotolysesnelheid wordt geschat op basis van waargenomen uurgemiddelde concentraties van NO, NO2 en O3 waarbij verondersteld wordt dat aan het fotostationaire evenwicht is voldaan. Analyse van de gegevens laat zien dat de globale straling in sterkere mate verzwakt wordt bij toenemende bewolking dan de fotolysesnelheid. De empirische relatie tussen fotolysesnelheid en meteorologische parameters resulteert in een relatieve fout van ca. 25%.<br>
    • Parasitologisch en serologisch onderzoek naar het voorkomen van Trichinella spiralis bij Nederlandse slachtvarkens

      Knapen F van; Franchimont JH; Fenigsen-Narucka U (1987-12-31)
      Onderzoek werd verricht naar het voorkomen van Trichinella spiralis infecties in een at random steekproef van 10075 nederlandse slachtvarkens. Direct parasitologisch onderzoek met behulp van een artificiele digestie methode van 20 gram diafragma materiaal en serologisch onderzoek met de enzyme linked immunosorbent assay (ELISA) werden naast elkaar uitgevoerd. Er werden geen trichinen aangetroffen, terwijl bij 76 dieren serologische aanwijzingen werden gevonden voor contact met T.spiralis. De resultaten worden besproken in relatie met eerder uitgevoerde vergelijkbare onderzoekingen in Nederland in de afgelopen twintig jaar. Geconcludeerd werd dat er geen toename van het aantal varkens met trichinen infecties is opgetreden (zeer lage infectiegraad) en tevens dat een permanente surveillance met voldoende gevoelige methoden (serologische) blijft aangewezen om mogelijke risico's voor de volksgezondheid tijdig te signaleren.
    • Parasitologisch onderzoek bij vissen bestemd voor consumptie

      Franssen FFJ; van der Giessen JWB; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-02-16)
    • Part I. Feasibility Study for a Plan of Action to Investigate the Effects of Air Pollution on Health in PHARE Countries Part II. Air Pollution and Health. Country Descriptions for the PHARE countries. Bulgaria, Romania, Hungary, Czech Republic, Poland and Slovak Republic

      Lebret E; Wolters N; Elliott P; Fletcher T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-11-30)
      The feasibility study was carried out on behalf of CEC-DG-I(OPS) in the PHARE countries Bulgaria, Czech Republic, Hungary, Poland, Romania and the Slovak Republic. Two country visits to each of the countries were involved. On the basis of information supplied by experts met during these visits and a review of published sources, the Regional Programme EHAP was prepared. The overall aim of the Programme was to strengthen the capacity of the individual Central and Eastern European Countries to undertake high quality studies on EHAP, in order to better inform the scientific evaluation of policies for the protection of human health. The programme, which will be carried out during the period 1994-1996 on a budget of 2,8 million ECU, includes the following three projects: 1.A study on air pollution and respiratory disease in children. 2. A quality assurance activity. 3. A risk perception and communication study. The outline of the Programme has been reviewed by CEC DG-I and DG-12, representatives of the Ministry of Environment and the Ministry of Health of the countries involved and by consultants of RIVM/LSHTM on a one-day workshop on September 24 1993 at the RIVM, Bilthoven.<br>
    • Participation in a collaborative study of the proposed international standard for human pituitary luteinizing hormone

      Elvers LH; Somers HHJ; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-10-31)
      Van de "voorgestelde" IS voor hypofysair LH werden twee batches, 80/552 en 81/535, geijkt in drie RIA-systemen en een in vivo biologische bepaling (OAAD). De RIA's zijn specifiek voor respectievelijk hLH (code 8383), de hLH-alfa-subunit (8082) en de hLH-beta-subunit (8095). De RIA-systemen werden gekarakteriseerd m.b.v. de volgende preparaten: hLH-alfa-78/554, hLH-beta 78/556, hFSH 83/575, hTSH 81/502 en twee sera X en Y. Bovendien werden de preparaten LH-A, B, C en D bepaald, als deel van een versnelde degradatiestudie. De sterkte verhouding (IU/ampul (95% CL ; df) voor 80/552 en 81/535 t.o.v. LH 68/40 was in de hLH RIA 40,7 (38.6 - 42.8 ; 27) respectievelijk 39.5 (37.5 - 41.6 ; 27). De sterkteverhouding voor 80/552 en 81/535 was in hLH-alfa-RIA (t.o.v. 78/554) 0,55 (0,52 - 0,59 ; 21) respectievleijk 0,52 (0,48 - 0,55; 21) en in de hLH-beta-RIA (t.o.v. 78/556) 0,83 (0,78 - 0,88 ; 25) respectievelijk 0,76 (0.71 - 0,82 ; 25). In de OAAD was de sterkteverhouding t.o.v. LH 68/40 ; 42,0 (25,2 - 70,0 ; 54) voor 80/552 en 35,0 (21,4 - 57,1 ; 60) voor 81/535.<br>
    • Participeren in onzekerheid: Literatuuronderzoek naar het inzetten van participatie in wetenschappelijke beleidsadvisering

      Turnhout E; Leroy P - Petersen AC (eds); IMP (Leerstoelgroep Milieu en BeleidRadboud Universiteit Nijmegen, 2005-02-21)
      Bij complexe beleidsproblemen, zoals milieu-, natuur- en duurzaamheidsvraagstukken, zijn politici, beleidsmakers, stakeholders, burgers en wetenschappers het er vaak niet over eens wat nu eigenlijk het probleem is. Ook als er wel een gedeelde probleemdefinitie is, kan er discussie blijven over de oplosssingen. Afhankelijk van hoe naar de verhouding tussen wetenschap en beleid wordt gekeken, kan gekozen worden voor het op een bepaalde wijze betrekken van stakeholders in de totstandkoming van wetenschappelijke beleidsadviezen. Uitgangspunt is dat het voor de besluitvorming wenselijk kan zijn dat grensorganisaties tussen wetenschap en beleid, zoals het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM, in hun advisering rekening houden met de pluraliteit in waarde-orientaties en wetenschappelijke inzichten. De in het MNP-RIVM ingevoerde Leidraad voor Omgaan met Onzekerheden biedt daar een eerste aanzet toe, mits deze vooral wordt gebruikt als instrument dat reflectie stimuleert. Een uitwerking van deze Leidraad op het onderwerp 'participatie van stakeholders' vereist een nadere bestudering van participatiestrategieen en -praktijken
    • Participeren in onzekerheid: Literatuuronderzoek naar het inzetten van participatie in wetenschappelijke beleidsadvisering

      Turnhout E; Leroy P; Petersen AC; Leerstoelgroep Milieu en Beleid, Radboud Universiteit Nijmegen; IMP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-02-21)
      When politicians, policy makers, stakeholders, citizens and scientists are confronted with complex policy problems, such as environmental, nature and sustainability issues, they do not always agree on the real problem. Furthermore, once a shared problem definition has been agreed on, discussion on solutions may remain. Depending on how the relationship between science and policy is viewed, ways can be determined to involve stakeholders in the process of delivering scientific policy advice. Here, the basic assumption is that it may well be desirable in decision-making to have 'boundary organisations' between science and policy, such as the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP) - RIVM, which would take into account the plurality in value orientations and scientific insights in delivering their advice. A Guidance for Uncertainty Assessment and Communication has been introduced at the MNP-RIVM to facilitate this function, but in order for the process to be sustained, the Guidance should be considered, in particular, as an instrument to stimulate reflection. Participatory strategies and practices need to be studied more closely if the Guidance is to be elaborated with respect to 'participation of stakeholders'.
    • Particulate Matter: a closer look

      Buijsman E; Beck JP; van Bree L; Cassee FR; Koelemeijer RBA; Matthijsen J; Thomas R; Wieringa K; LED; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-11-10)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
    • Particulate Matter: a closer look

      Buijsman E; Beck JP; Bree L van; Cassee FR; Koelemeijer RBA; Matthijsen J; Thomas R; Wieringa K; LED; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-11-10)
      The summary in booklet form 'Fijn stof nader bekeken' (Particulate Matter: a closer look) , published in Dutch by the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP) and the Environment and Safety Division of the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), has been designed to present the facts on particulate matter in a coherent framework. Current knowledge on particulate matter is conveyed here under the headings: What is known? What is unknown? What are the uncertainties? The background to this publication is the current social and political debate on the consequences of the Netherlands air quality legislation, which, in turn, is based on European legislation. The fact that new spatial developments and infrastructural projects are at risk of not being realized due to the large-scale exceedances of limit values for particulate matter occurring in the Netherlands is leading to serious social effects. Moreover, airborne particulate matter poses serious risks to human health. The particulate matter subject is complicated and accompanied by administrative dilemmas, legally binding limit values, concerns of citizens, scientific uncertainties and spatial-economic consequences. Many questions and current discussions have provided reasons enough to compose this scientific summary on particulate matter. Although this booklet does not present new information, it has succeeded in bringing together all the published information on particulate matter referring to the situation in the Netherlands.
    • Particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

      Komen, CMD; Wezenbeek, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-01)
      Particulieren gebruiken de laatste jaren meer bestrijdingsmiddelen in hun tuin. Deze middelen worden gewasbeschermingsmiddelen genoemd. Tuinbezitters gebruiken vooral steeds meer middelen tegen insecten. De hoeveelheid gebruikte middelen tegen onkruid blijft gelijk. Tegen onkruid gebruikt men wel steeds meer bestrijdingsmiddelen op basis van organische zuren en minder op basis van glyfosaat. Het Europese en Nederlandse beleid streeft naar vermindering van het particuliere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het doel is er voor te zorgen dat particulieren ziekten, plagen en onkruiden niet aanpakken met gewasbeschermingsmiddelen, maar door gebruik te maken van bijvoorbeeld gronddoek, schoffels en andere niet-chemische methoden. Er is een Green Deal gesloten tussen de overheid en brancheorganisaties, waarin maatregelen zijn afgesproken om dit doel dichterbij te brengen. Het RIVM heeft een analyse gemaakt van de verkoopgegevens van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren en hoe particulieren onkruid bestrijden. De gegevens gaan over de jaren 2014-2019. Uit de resultaten blijkt dat de maatregelen in de Green Deal niet hebben geleid tot een verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door particulieren. Gewasbeschermingsmiddelen die particulieren gebruiken zijn bestrijdingsmiddelen tegen onder andere onkruid, insecten, slakken en schimmels. Chemische middelen zoals (natuur)azijn en schoonmaakazijn behoren niet tot de groep van gewasbeschermingsmiddelen. De verkoop van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren is in de periode 2014-2019 gestegen. Dit is mede het gevolg van de verkoop van deze producten in discountwinkels. Die bieden hun producten tegen een lagere prijs aan. Particulieren kochten vooral onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen. Opvallend hierbij is dat zij meer onkruidbestrijdingsmiddelen zonder glyfosaat kochten. Mogelijk is dit deels het gevolg van discussies in de media over de schadelijke effecten van glyfosaat op het milieu en onze gezondheid. Wat de toename veroorzaakt van de verkoop van insectenbestrijdingsmiddelen aan particulieren is niet duidelijk en dit verdient nader onderzoek. Uit consumentenonderzoek blijkt dat twee van de vijf Nederlanders met een tuin geen onkruidbestrijdingsmiddelen gebruiken. Zij trekken het er met de hand uit of doen er niets tegen. Het aantal tuinbezitters dat wel onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt, is iets minder geworden. Maar zij gebruiken in plaats daarvan wel steeds meer azijn. Dit kan schadelijk zijn voor mens en milieu.
    • Particulier gebruik van rodenticiden en middelen tegen groene aanslag

      Komen, CMD; Wezenbeek, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-04)
      De overheid wil dat mensen thuis minder vaak chemische middelen gebruiken, zoals biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Niet-chemische bestrijdingsmethoden zijn vaak beter voor het milieu. Het ministerie van IenW wil daarom weten of de genomen maatregelen, zoals voorlichting als mensen deze producten kopen, effect hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel verpakkingen van twee soorten biociden tussen 2014 en 2019 zijn verkocht. Het gaat om biociden tegen ratten en muizen (rodenticiden) en tegen groene aanslag. Particulieren kochten tussen 2014 en 2018 ongeveer evenveel rodenticiden, rond de 230.000 verpakkingen per jaar. In 2019 steeg dat aantal naar 330.000 per jaar. Het is niet duidelijk of dit betekent dat mensen dit middel ook vaker hebben gebruikt. Dat is op basis van deze verkoopcijfers niet te zeggen. Deze stijging kan komen doordat in 2019 de verpakkingen kleiner zijn geworden. Mensen hebben daardoor mogelijk meer stuks gekocht om dezelfde hoeveelheid in huis te hebben. Uit een peiling onder consumenten blijkt dat zij vaker meerdere maatregelen tegelijk nemen om muizen te bestrijden. Ze kozen daarbij vaker voor rodenticiden (van 36 procent in 2017 naar 44 procent in 2019). De populairste maatregel is het gebruik van muizenvallen. Uit de peiling blijkt dat ongeveer evenveel consumenten muizenvallen gebruiken (66 à 69 procent). Wel zijn er meer muizenvallen verkocht. Het kan dus zijn dat deze consumenten in 2019 meer vallen gebruikten dan in 2017. Er zijn minder chemische middelen tegen groene aanslag verkocht. De verkoop daalde van 1.350.000 in 2017 naar ongeveer 1.000.000 verpakkingen in 2019. We denken dat deze middelen minder vaak zijn gebruikt – de verpakkingen zijn even groot gebleven. De populairste manier om groene aanslag weg te halen is de hogedrukspuit, zo blijkt uit het consumentenonderzoek. Meer dan de helft van de consumenten gebruikt hiervoor geen biociden of andere chemische middelen. Ongeveer 30 procent van de mensen die een chemisch middel gebruiken, doen dat onder andere met een biocide. De andere 70 procent gebruikt alleen een schoonmaakmiddel of een huismiddel zoals azijn.
    • Partnerwaarschuwing bij SOA/HIV in Nederland : Stand van zaken bij soa-centra en aanbevelingen

      Op de Coul ELM; SOA; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-01)
      Het is van belang dat mensen die besmet zijn met hiv of een andere seksueel overdraagbare aandoening (soa) hun partner(s) waarschuwen om te voorkomen dat de ziekte zich verder verspreid. Bij de Nederlandse soa-centra wordt ruim een derde van de soa's via deze 'route' opgespoord. Partners worden gewaarschuwd door degene die een soa heeft opgelopen of door een soa-verpleegkundige van de soa-centra waar de soa is geconstateerd. De laatste jaren is er meer aandacht voor partnerwaarschuwing, maar is er nog veel verbetering mogelijk. Het RIVM heeft daarom de resultaten en knelpunten van partnerwaarschuwing bij soa-centra in kaart gebracht, op basis waarvan aanbevelingen voor verbeteringen zijn geformuleerd. De soa-centra bieden hoogrisicogroepen, zoals mannen die seks hebben met mannen (MSM) of mensen die veel partners hebben, een laagdrempelige mogelijkheid om zich te laten testen. Knelpunten en resultaten Een belangrijk knelpunt van partnerwaarschuwing bij MSM zijn de vele en vaak anonieme contacten die niet of moeilijk te achterhalen zijn. Van de MSM met een soa was 46 procent van alle partners te achterhalen. Van de heteroseksuele vrouwen wist 87 procent de contacten te achterhalen; bij heteromannen was dit 63 procent. De partners die de MSM kunnen achterhalen, worden vervolgens bijna altijd gewaarschuwd (92 procent). Dit percentage was lager bij heteroseksuele mannen (76 procent) en vrouwen (83 procent).Bij 33 tot 50 procent van de gewaarschuwde partners, afhankelijk van de risicogroep, werd een soa opgespoord. Een ander belangrijk knelpunt is tijdgebrek bij de verpleegkundigen van soa-centra. Tijdens het consult blijft in de praktijk weinig tijd over om met de cliënt met een soa de partnerwaarschuwing in te vullen. Daarnaast is er soms weerstand bij cliënten om partners te waarschuwen, of heeft de verpleegkundige onvoldoende tijd om dit te doen. Bij een hiv-besmetting wordt dit onderwerp nog eens bemoeilijkt door de lading van de diagnose: de cliënt heeft dan mentaal geen ruimte om aan een (voormalige) partner(s) te denken. Maatregelen Om het onderwerp niet te laten ondersneeuwen zijn er vragen over partnerwaarschuwing toegevoegd aan het elektronisch soa-dossier. Daarnaast is een specifieke training ontwikkeld voor de verpleegkundigen die erop is gericht om de cliënt het belang te laten inzien van partnerwaarschuwing en dit op effectieve wijze te kunnen uitvoeren.
    • PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018

      Marra, W; van Pul, A; Wichink Kruit, R; Lagerwerf, L; Berkhout, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      Het RIVM rapporteert over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit is onderdeel van de monitoring van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De doelen van het PAS zijn: minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling. De uitstoot van stikstof is de basis om te berekenen hoeveel ervan neerslaat op de bodem en de planten (stikstofdepositie). Uit deze monitoringsrapportage blijkt dat van 2014 tot en met 2017 de jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden met 13 kiloton is gedaald (4 procent). Stikstofoxide is de vorm van stikstof die vooral van verkeer en industrie afkomt. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak, waarvan landbouw de belangrijkste bron is, is met 4 kiloton gestegen (3 procent). Het RIVM maakt voor het PAS ook prognoses van de hoeveelheid stikstof die in 2020 en 2030 op de bodem van Natura 2000-gebieden neerslaat. In de huidige prognose daalt de depositie. Hierbij is ervan uitgegaan dat de uitstoot van stikstofoxiden stijgt, en van ammoniak daalt. Als de ontwikkelingen in de gerapporteerde uitstoot tot 2017 echter doorzetten, is de hoeveelheid stikstofoxiden in de prognoses te hoog ingeschat en die van ammoniak te laag. Vanwege deze ontwikkelingen is het onzeker of de verwachte depositiedaling overal gaat worden gehaald. De afgelopen jaren is een verschil te zien tussen de uitstoot en de gemeten concentratie van ammoniak in de lucht. Dit komt grotendeels doordat er minder vervuilende stoffen in de lucht zitten. Ammoniak verbindt zich daardoor minder met deze stoffen en blijft langer in de lucht achter. Door dit inzicht is het verschil beter te begrijpen, maar het is geen reden om depositiecijfers aan te passen. Verder wordt de feitelijke uitstoot uit de landbouw nader onderzocht. Dit kan nauwkeurigere gegevens over de uitstoot en prognoses opleveren. Het aantal nieuwe aanvragen voor economische activiteiten die binnen het PAS kunnen plaatsvinden, neemt af. Dat komt doordat op diverse plekken de beschikbare ruimte voor economische ontwikkeling al is benut. Deze rapportage is opgesteld voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan over het PAS.