• Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) ; Jaarverslag 1995

      Blokstra A; Smit HA; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; Seidell JC; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") is een onderzoeksproject van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren worden gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. Dit verslag betreft de resultaten van het onderzoeksjaar 1995. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 20 tot 59-jarige mannen en vrouwen in Amsterdam en Maastricht. In Doetinchem werden de deelnemers van het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten in 1988, inmiddels 26 tot 65 jaar oud, opnieuw onderzocht.<br>
    • Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) Jaarverslag 1994

      Seidell JC; Smit HA; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; Blokstra A; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") is een onderzoeksproject van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren wordt gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. Dit verslag betreft de resultaten van het onderzoeksjaar 1994. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 20 tot 59-jarige mannen en vrouwen in Amsterdam en Maastricht. In Doetinchem werden de deelnemers van het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten in 1988, inmiddels 26 tot 65 jaar oud, opnieuw onderzocht.<br>
    • Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) Jaarverslag 1996

      Blokstra A; Smit HA; Seidell JC; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      In dit onderzoeksproject wordt de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. Dit verslag betreft de resultaten van het onderzoeksjaar 1996, waarin circa 4500 mannen en vrouwen in de leeftijd van 20-65 jaar zijn onderzocht op de GGD'en in Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. Bij deze personen werden onder meer bloeddruk, gewicht en lichaamsomtrek gemeten, bloed afgenomen (voor totaal en HDL-cholesterol en glucose) en de longfunctie bepaald. Tevens werden een aantal vragenlijsten afgenomen. De geschatte prevalentie van diabetes mellitus op grond van de nieuwe Amerikaanse richtlijnen is 4%. Hypertensie komt voor bij circa 9% van de mannen en 8% van de vrouwen. Ernstig overgewicht (obesitas) komt bij 9% van de mannen en 10% van de vrouwen voor. Een te hoog cholesterol gehalte kwam voor bij ruim 7% van de respondenten. Inactiviteit tijdens de vrije tijd werd gerapporteerd bij ruim 40% en de gemiddelde vet-inname was relatief hoog (35% energie-procenten). De stijging van het percentage volwassenen met overgewicht en hypertensie lijkt door te zetten terwijl ook de daling in het percentage volwassenen dat rookt en een te hoog cholesterol gehalte heeft, gecontinueerd lijkt.<br>
    • Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) Jaarverslag 1997

      Blokstra A; Seidell JC; Smit HA; Bueno de Mesquita HB; Verschuren WMM; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-12-17)
      In het onderzoeksproject Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") wordt de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. In het onderzoeksjaar 1997 zijn circa 3900 mannen en vrouwen in de leeftijd van 20-59 jaar onderzocht door de GGD'en in Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. Bij deze personen werden onder meer bloeddruk, gewicht en lichaamsomtrek gemeten, bloed afgenomen (voor totaal en HDL-cholesterol en glucose) en de longfunctie bepaald. Tevens werden een aantal vragen afgenomen. De geschatte prevalentie van diabetes mellitus op grond van de nieuwe Amerikaanse richtlijnen is 4%. Hypertensie komt voor bij circa 8% van de mannen en 6% van de vrouwen. Ernstig overgewicht (obesitas) komt bij 8% van de mannen en 10% van de vrouwen voor. Een te hoog cholesterolgehalte komt voor bij ruim 8% van de respondenten. Het percentage sigarettenrokers was 41% bij mannen en 35% bij vrouwen. Inactiviteit tijdens de vrije tijd werd gerapporteerd bij ruim 40%. Het percentage volwassenen met overgewicht, hypertensie of een te hoog cholesterol en het percentage volwassenen dat rookt is daarmee vergelijkbaar met de percentages van 1996.<br>
    • Het Project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project). Jaarverslag 1993

      Smit HA; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; Seidell JC; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") is een onderzoeksproject van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM), waarin de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren wordt gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. In 1993 werden 5154 mannen en vrouwen onderzocht. De prevalentiecijfers van de meest relevante risicofactoren (verhoogd cholesterolgehalte, hypertensie, obesitas) waren vergelijkbaar met die van het Peilstationsproject 1987-1991. Het percentage sigarettenrokers was ten opzichte van de periode 1987-1991 gedaald van 40% naar 37%. De zelf-gerapporteerde prevalentie van astma was 3%. Bijna de helft van degenen met astma gebruikte daarvoor regelmatig medicijnen. Lage rugpijn en nek- en schouderklachten in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek werd door bijna de helft van de deelnemers gerapporteerd. Ruim 10% had weleens 1 week of langer van het werk verzuimd ten gevolge van de klachten. Ongeveer 9% van de onderzoekspopulatie rapporteerde regelmatige hoofdpijn met verschijnselen van migraine. De prevalentie van zelf-gerapporteerde diabetes was ongeveer 1%. Op basis van hoge niet-nuchtere glucose waarden werd diabetes geconstateerd bij 0.8% van de mannen en 0.1% van de vrouwen die geen diabetes hadden gerapporteerd.<br>
    • Project Surveillance Ziekenhuisinfecties regio Utrecht ; een studie naar de haalbaarheid van surveillance van ziekenhuisinfecties in een netwerk van registrerende ziekenhuizen

      Severijnen AJ; Verbrugh HA; Mintjes-de Groot AJ; Vandenbroucke-Grauls CMJE; Klokman-Houweling R; Gruteke P; Schellekens JFP; van Pelt W; CIE; LBA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM(Streeklaboratorium voor de VolksgezondheidNieuwegein), 1995-04-30)
      In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties regio Utrecht (PSZU) is de haalbaarheid van surveillance van ziekenhuisinfecties (ZHI) in een netwerk van registrerende ziekenhuizen onderzocht. Doel van een netwerk van ziekenhuizen voor de registratie van ZHI is het bevorderen van de opsporing en bestrijding van ZHI in de deelnemende ziekenhuizen. Uit de terugrapportage van de eigen resultaten, gespiegeld aan de geaggregeerde gegevens van alle ziekenhuizen, komen verschillen naar voren die het individuele ziekenhuis op het spoor brengen van situaties waar verbeteringen mogelijk zijn. Het onderzoek richtte zich met name op logistieke aspecten: de standaardisatie van het verzamelen van ZHI-gegevens en de bruikbaarheid van ziekenhuisopnamegegevens uit een landelijkbestand. Hiertoe is een gestandaardiseerde vorm van surveillance van ZHI in 8 ziekenhuizen in de regio Utrecht opgezet. Ziekenhuishygienisten spoorden door actieve surveillance alle typen ZHI op bij gynaecologische en orthopedische patienten gedurende een periode van 9-16 maanden tussen maart 1992 en juni 1993. De gerapporteerde (geanonimiseerde) surveillance-gegevens werden op een centraal punt (het RIVM) verzameld en bewerkt. Gegevens van alle opgenomen gynaecologische en orthopedische patienten werden betrokken van de Landelijke Medische Registratie, Utrecht. De gegevens uit beide bestanden werden op persoonsniveau gekoppeld en na analyse werd gerapporteerd aan de deelnemende ziekenhuizen. Surveillance van ZHI op een gestandaardiseerde manier in een groep van samenwerkende ziekenhuizen bleek goed mogelijk: patienten met een ZHI werden correct geidentificeerd door de hygienisten, de ZHI-gegevens werden voldoende juist geregistreerd en met regelmaat naar het RIVM gezonden en konden daar correct aan de LMR-noemergegevens gekoppeld worden. Totaal werden bij 8992 patienten 526 ZHI opgespoord. De totale incidentie van ZHI was 5,9 per 100 patienten of 6,3 per 1000 verpleegdagen. De incidentie van postoperatieve wondinfecties en urineweginfecties was bij gynaecologische patienten significant hoger dan bij orthopedische patienten. Patienten met een ZHI waren ouder en verbleven veel langer in het ziekenhuis dan patienten zonder ZHI. De incidentie van het ZHI steeg naarmate de tijdsduur tussen opname en operatie toenam. Tussen de afzonderlijke ziekenhuizen bleek de incidentie van ZHI sterk te verschillen: zo liep de incidentie bij gynaecologische patienten uiteen van 1,0 tot 23,3 per 100 opnamen. Ook in andere opzichten (leeftijd, uitgevoerde operaties, antibioticumprofylaxe) bleken ziekenhuizen te verschillen, met consequenties voor het optreden van ZHI. Enkele knelpunten kwamen aan het licht. Niet in alle ziekenhuizen was bij de patienten dezelfde set van microbiologische onderzoeken beschikbaar. Ondanks het hanteren van dezelfde ZHI-inclusiecriteria verschilde daardoor tussen de ziekenhuizen de kans om bij eenzelfde patient een ZHI vast te stellen. De opnamegegevens van de LMR dekten de patienten die door de hygienisten gezien waren, niet goed: 8% van de volgens de LMR opgenomen patienten werden niet door de hygienist gezien. Dit kan leiden tot onderschatting van de incidentie van ZHI. Van de patienten die door de hygienist gezien waren kwamen 5% niet voor in het LMR-bestand, deels omdat deze patienten nog niet ontslagen waren bij de afsluiting van de registratie. De vertraging in de levering van LMR-gegevens, loopt uiteen van 3-12 maanden na ontslag van de patient. Dit is met name een probleem als de terugrapportage gebruikt wordt om het opsporings- en bestrijdingsbeleid voor ZHI bij te stellen. Geconcludeerd wordt, dat het mogelijk is om in een groep ziekenhuizen een gestandaardiseerde vorm van surveillance van ziekenhuisinfecties uit te voeren en de gegevens centraal te aggregeren en te analyseren. De LMR-ontslaggegevens bleken bruikbaar als noemergegevens. De resultaten van deze haalbaarheidsstudie geven aan dat ook een landelijk netwerk van peilstation-ziekenhuizen voor de registratie van ZHI realiseerbaar is. Het rapport sluit af met een aantal aanbevelingen voor continuering of uitbreiding van een netwerk van ziekenhuizen voor de registratie van ZHI.<br>
    • Projectbeschrijving Cadmium-informatiepunt (CIP)

      Meijer PJ (1989-12-31)
      To minimize the use of cadmium the Central Government has decided to perform the purchase of products and materials within the Central Government as much as possible within the Draft Cadmium Decree. The activities to achieve this are as far as could be seen at the start of the project in june 1989, mentioned in this report.
    • Projectbeschrijving Surveillance Ziekenhuisinfecties 1996-1999

      Berg JMJ van den; Boer AS de; Mintjes-de Groot AJ; Sprenger MJW; Cucic S; Pelt W van; Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO); CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      In the Project Surveillance Hospital Acquired Infections a surveillance system in a national network of hospitals is being developed and implemented. In the project surveillance of hospital acquired infections is implemented in components: surveillance of surgical wound infections, surveillance of infections in intensive care units and surveillance of a third component that still has to be defined.
    • Projectbeschrijving Surveillance Ziekenhuisinfecties 1996-1999

      van den Berg JMJ; de Boer AS; Mintjes-de Groot AJ; Sprenger MJW; Cucic S; van Pelt W; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCentraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO), 1996-03-31)
      Uit de literatuur is bekend dat ziekenhuisinfecties, infecties die ontstaan tijdens het verblijf van de patient in het ziekenhuis, optreden bij 5 tot 10% van de patientenpopulatie in Nederlandse ziekenhuizen. Ter onderbouwing van preventie en bestrijding van ziekenhuisinfecties dient surveillance uitgevoerd te worden. In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties wordt een surveillancesysteem voor ziekenhuisinfecties in een landelijk netwerk van ziekenhuizen ontwikkeld, geimplementeerd en geexploiteerd. Dit landelijk surveillancesysteem maakt het mogelijk te komen tot een continue en systematische verzameling, analyse, interpretatie en terugkoppeling van gegevens met betrekking tot het voorkomen van ziekenhuisinfecties. In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties wordt de surveillance van ziekenhuisinfecties in surveillancecomponenten geimplementeerd. Elke surveillancecomponent wordt gefaseerd uitgevoerd. Binnen de projectperiode, 1996-1999, komt de surveillance van postoperatieve wondinfecties in een permanente fase, de surveillance van infecties in intensive care units in een semi-permanente fase, en de surveillance van een derde, nader te definieren component zal in een pilotfase zijn.<br>
    • Projections of multi-gas emissions and carbon sinks, and marginal abatement cost functions modelling for land-use related sources

      Graveland C; Bouwman AF; Vries B de; Eickhout B; Strengers BJ; MNV (2003-01-29)
      Dit rapport presenteert de schatting van kosten voor de bestrijding van broeikasgasemissies. Het gaat daarbij om de emissies van methaan (CH4) bij vuilstortplaatsen en van methaan (CH4) en lachgas (N2O) bij afvalwaterbehandeling. Tevens worden de kosten geschat van koolstofvastlegging in bos- of koolstofplantages. Dit gebeurt met behulp van zogenaamde marginale kostencurves. Het potentieel van de emissiereductie is gebaseerd op het GECS basisscenario voor landbouw en landgebruik in de periode van 1995 - 2030 zoals dat is ontwikkeld met het IMAGE 2.2 model. De kostensoorten van de verschillende maatregelen voor emissiereductie zijn: investeringskosten, operationele kosten en ook eventuele opbrengsten. Deze kosten en opbrengsten varieren op basis van regionale schattingen van kosten voor investeringen en arbeid en besparingen en opbrengsten. In het GECS baseline scenario stijgen de emissies afkomstig van vuilstortplaatsen en afvalwater in vrijwel alle wereldregio's tussen 1995 en 2030 als gevolg van de snelle bevolkingsgroei en urbanisatie. Door de toenemende emissie stijgt ook het reductiepotentieel aanzienlijk. Voor het schatten van de graad van implementatie van maatregelen zijn er aannames gebruikt op basis van literatuur gegevens. De kostensoorten die worden onderscheiden bij de koolstofvastlegging in plantages zijn de kosten voor land, het kweken van de bomen, grondbewerking, plantkosten en de jaarlijks terugkerende onderhouds- en operationele kosten. Door het combineren van de berekende jaarkosten per hectare voor elke regio met de gemiddelde jaarlijkse koolstofvastlegging per hectare worden de kosten van de koolstofvastlegging verkregen. De kosten zijn berekend als een gemiddelde over een periode van 50 jaar. De voormalige Sovjet Unie heeft met afstand het grootste potentieel voor koolstofvastlegging, tegen ook nog lage kosten. De resultaten bij veronderstelling van 100% implementatie geven het volledige potentieel weer, terwijl resultaten bij de lagere implementatie graad aangeven wat het effect zou kunnen zijn van sociaal-economische en andere barri{res die realisatie van bosaanplant voor koolstofvastlegging verhinderen. De marginale kostencurves die zijn ontwikkeld, kunnen niet zomaar worden gebruikt in combinatie met andere dan het GECS baseline scenario, omdat zowel de potentiele emissiereductie als de graad van implementatie van maatregelen aangepast dienen te worden aan de specifieke scenariocontext. De marginale kostencurves ontwikkeld in deze studie en in andere zogenaamde 'bottum-up' kosten studies zijn discontinue omdat wordt aangenomen dat ze een voor een worden geimplementeerd op basis van hun kosteneffectiviteit.
    • Projections of multi-gas emissions and carbon sinks, and marginal abatement cost functions modelling for land-use related sources

      Graveland C; Bouwman AF; Vries B de; Eickhout B; Strengers BJ; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-29)
      This report presents estimates of the costs of abatement of greenhouse gas emissions associated with landfills as a source of methane (CH4), sewage as a source of methane and nitrous oxide (CH4 and N2O, respectively) and carbon (C) sequestration in forest plantations. This is done in the form of so-called Marginal Abatement Cost (MAC) curves. The potential for emission abatement is based on the GECS baseline scenario for the period 1995-2030 for agriculture, and land use developed with the IMAGE 2.2 model framework. The cost categories distinguished for the different emission reduction measures (ERM) include investment costs, and operation and maintenance costs, and possible revenues. These costs and revenues vary on the basis of regional estimates of costs for investments and labour, and savings and revenues. In the GECS baseline scenario the CH4 emissions from landfills and sewage strongly increase in most world regions between 1995 and 2030 as a result of fast population growth and urbanization. As a consequence, the potential emission reduction also increases. For the estimation of the implementation degree of ERMs, assumptions are used on the basis of literature data. Costs of C plantations include those for land, forest establishment, land preparation, plant material, planting, and operation and maintenance of the plantation. The costs of C sequestration are obtained by combining the annuitized costs per hectare for each region with the per hectare average annual C sequestration rate; These costs are calculated as the mean during a 50-year period. The former Soviet Union has by far the highest potential for C sequestration at relatively low costs. Results for full implementation indicate the C sequestration potential, while results for lower implementation degrees illustrate the effect of socio-economic and other barriers that prevent realization of carbon plantations. The MAC curves developed cannot be directly used in combination with other than the GECS scenario, since both the potential emission abatement and the degree of implementation of ERMs need to be adjusted to the different scenario context. The MAC curves developed in this study and in other bottom-up costing studies are discontinuous, because ERMs are assumed to be implemented one-by-one on the basis of their cost-effectiveness.
    • PROMISE een scenariomodel voor de prognoseberekening van emissies naar het oppervlaktewater

      Elzenga JG; Quarles van Ufford CHA; Slootweg J; Dijk RPM van; Roovaart JC van den; Verstappen GGC; Rijksinstituut voor integraal zoetwaterbeheer en afvalwaterbehandeling (RIZA), Lelystad; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-03-31)
      PROMISE is an acronym for PROgnosis Model of Inputs to Surface water and Emission reductions. It is a co-operation project of RIZA and RIVM and is operational for toxic priority pollutants, like heavy metals and polycycli aromatic hydrocarbons. PROMISE will be used to evaluate Dutch environmental policy (especially in scenario studies like the Water System Analyses and the National Environmental Outlook). Special attention has been paid to the relations of PROMISE with other models like water quality models, soil run-off models and air pollution distribution models. With PROMISE the user generates long-term scenario's of the surface water load. Point and diffuse sources, reduction measures and all important routes to the surface water are taken into account. It shows if and in what year a policy target can be reached. To be able to make a connection between RIM+/PROMISE and Dutch water quality models for the input to surface water the so called PAWN schematisation is used. This schematisation divides the Netherlands in districts (small surface waters) and junctions (main rivers and lakes). RIZA and RIVM have agreed to maintain and update PROMISE together. RIZA is primarily responsible for the data that are related to water emissions and the discharge situation of processes. RIVM is responsible for data related to air emissions and scenarios. By using one model with one central database RIZA and RIVM have taken an important step towards consistent and coherent prognoses of emissions and surface water loadings.
    • PROMISE een scenariomodel voor de prognoseberekening van emissies naar het oppervlaktewater

      Elzenga JG; Quarles van Ufford CHA; Slootweg J; van Dijk RPM; van den Roovaart JC; Verstappen GGC; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijksinstituut voor integraal zoetwaterbeheer en afvalwaterbehandeling (RIZA)Lelystad, 1998-03-31)
      Om inzicht te krijgen in de belasting van het oppervlaktewater ten gevolge van de veranderende maatschappelijke activiteiten hebben RIZA en RIVM het model PROMISE (PROgnosis Model for Inputs to Surface water and Emission reductions) ontwikkeld. Dit model beoogt de omvang van de emissies naar het oppervlaktewater te bepalen evenals de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen en effecten van ingrepen en maatregelen daarop. In 1992 werd door het RIZA het project Watersysteemverkenningen (WSV) gestart om een volgende Nota Waterhuishouding kwantitatief beter te kunnen onderbouwen. Dit is de aanleiding geweest om binnen de WSV een reken- en scenariomodel te ontwikkelen waarmee meting en toetsing mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast was bij het RIVM de behoefte ontstaan aan een goed prognose-instrument bij de voorbereidingen van de Milieuverkenningen (MV) en het nationaal Milieubeleidsplan (NMP). De activiteiten van RIZA en RIVM voor het ontwikkelen van een scenariomodel vertoonden inhoudelijk zoveel overeenkomsten dat werd besloten gezamenlijk een scenariomodel te ontwikkelen waarmee voor prioritaire stoffen de emissies naar water, lucht en bodem kan worden berekend. Samengevat levert PROMISE de volgende gegevens: 1) per prioritaire of milieubelastende stof een overzicht van de daardoor veroorzaakte emissies naar oppervlaktewater voor een bepaald uitgangs- en een prognosejaar. De berekening voor een prognosejaar is gebaseerd op een autonome economische, een sociaal-demografische en/of een technologische ontwikkeling. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met ingezet milieubeleid; 2) de netto emissies naar oppervlaktewater, regionaal over Nederland opgesplitst volgens het Pawn districten model.<br>
    • A Proposal for a Consumer Product Categorization

      Veen MP van; LBO (1996-03-31)
      Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product standaard blootstellingsmodellen en standaard parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Wel kunnen een beperkt aantal productcategorien vastgesteld worden en voor elke categorie standaardmodellen en standaardparameterwaarden. Gebaseerd op stof- en productindelingen die door de Europese Unie, de US-EPA, de Zweedse KEMI en de OECD gehanteerd worden, wordt een consumenten-productindeling voorgesteld. Deze indeling bestaat uit 28 categorien. Van deze categorien zijn er 22 direct gebaseerd op de HEDSET categorien zoals die door de Europese Unie worden gebruikt. Dit vergemakkelijkt beoordeling in het kader van de nieuwe en bestaande stoffenrichtlijnen van de Europese Unie. Elke categorie bevat een overzicht van gegevens over het gebruik van producten uit die categorie. Gebaseerd op dit overzicht worden standaard-blootstellingsmodellen en standaard-parameterwaarden voorgesteld. Het is de bedoeling deze standaarden te gebruiken bij beoordelingen als er geen product-specifieke gegevens voorhanden zijn. De opdeling in categorien zal een integraal onderdeel gaan vormen van het CONSEXPO computer programma, dat de blootstellingsmodellen bevat en voor blootstellingsschattingen gebruikt wordt. De categorieen en de bijbehorende standaarden zullen beschikbaar gemaakt worden door middel van een database, die door CONSEXPO direct benaderd zal kunnen worden.
    • Proposal for Intervention Values soil and groundwater for the 2nd, 3rd and 4th series of compounds

      Brand E; Bogte J; Baars BJ; Janssen P; Tiesjema G; van Herwijnen R; van Vlaardingen P; Verbruggen E; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-25)
      Het RIVM heeft de zogeheten interventiewaarden voor bodem en grondwater geëvalueerd. Dit is noodzakelijk om nieuwe wetenschappelijke kennis en modelverbeteringen in de afleiding van deze getallen te verwerken, en daarmee de kwaliteit van de normen te handhaven. Interventiewaarden zijn landelijke bodemnormen die gebruikt worden om aan te geven dat bodems die in het verleden verontreinigd zijn geraakt, volgens de Wet Bodemkwaliteit moeten worden gesaneerd. De interventiewaarden zijn zowel voor de bodem als voor het grondwater bepaald. Voor beide is bekeken bij welke concentraties risico's voor het ecosysteem en voor de mens ontstaan. De strengste waarde bepaalt de hoogte van de interventiewaarde. Aanvullend is onderzocht wanneer ecosystemen aan te hoge concentraties blootstaan doordat een stof in de voedselketen ophoopt, de zogenoemde doorvergiftiging. In de jaren negentig zijn voor het eerst de interventiewaarden van vier groepen stoffen in delen (zogeheten tranches) afgeleid. Van 66 stoffen uit de 2e, 3e, en 4e tranche moeten de interventiewaarden worden geëvalueerd. Vanwege een beperkt tijdbestek zijn hieruit alleen de 16 meest urgente stoffen geselecteerd, bijvoorbeeld omdat ze in de praktijk vaak worden aangetroffen. De 16 stoffen zijn: antimoon, barium, boor, selenium, thallium, tin (anorganisch), vanadium, een drietal orgaotins, cis- en trans-dichlooretheen, vrije cyaniden, thiocyanaat, chloride en sulfaat. Voor drie van deze stoffen is de in deze rapportage voorgestelde interventiewaarde strenger geworden en voor vier stoffen is de voorgestelde interventiewaarde minder streng geworden. Voor enkele stoffen zijn de voorgestelde interventiewaarden niet veranderd. Voor de overige stoffen waarvoor nog geen interventiewaarde was afgeleid, is nu een eerste voorstel gedaan.
    • A proposal for revised Intervention Values for petroleum hydrocarbons ('minerale olie') on base of fractions of petroleum hydrocarbons

      Franken ROG; Baars AJ; Crommentuijn GH; Otte P; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-12-30)
      The present Dutch intervention values for mineral oil (i.e. 'Total Petroleum Hydrocarbons') have been reviewed with respect to fractions of TPH and using ecotoxicological and human toxicological data. It is found that review of TPH-fractions is significant with respect to both human and ecological risks, since risks by exposure to TPH-fractions could be more pronounced. It is concluded that the present method could underestimate the (non-carcinogenic) human-toxicological risk of TPH in light fuels (=C12) like petrol. Replacing this method by a method to distinguish aliphatic and aromatic fractions and to adopt the 10 indicative levels presented for TPH fractions is recommended. Especially aliphatic fractions (to EC12) and aromatic fractions (to EC16) are relevant with respect to the (non-carcinogenic) human risk. Since there are insufficient reliable ecotoxicological data to calculate ecotoxicological risk-levels, it is recommended to first identify relevant TPH fractions to describe terrestrial exotoxicological effects of petroleum hydrocarbons and then to generate the necessary ecotoxicological data to derive HC50 values (ecotoxicological-based serious soil concentrations).
    • A proposal for revised Intervention Values for petroleum hydrocarbons (&apos;minerale olie&apos;) on base of fractions of petroleum hydrocarbons

      Franken ROG; Baars AJ; Crommentuijn GH; Otte P; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-12-30)
      De interventiewaarde voor minerale olie is geevalueerd. Literatuuronderzoek is verricht naar exotoxicologische en humaan-toxicologische data gericht op oliefracties, hier 'PH-fracties' genoemd (Total Petroleum Hydrocarbons). Vastgesteld is dat het beschouwen van TPH-fracties zowel van belang is het vaststellen van humane - als voor ecologische risico's; risico's bij blootstelling aan TPH kunnen genuanceerder geschat worden. Geconcludeerd is dat de huidige methode het (niet-carcinogene) humane risico van lichte olie fracties (>_C12), als benzines, onvoldoende belicht. Aanbevolen wordt om de huidige analyse methoden voor het vaststellen van minerale olie (som C10-C40 verbindingen) te vervangen door een analysemethode welke TPH-fracties onderscheidt, om vervolgens de voorgestelde indicatieve niveaus (humane EBVC's) voor 10 TPH-fracties over te nemen. Vooral alifatische fracties (tot en met EC12) en aromatische fracties (tot en met EC16) zijn relevant voor het (niet-carcinogene) humane risico. Er zijn onvoldoende betrouwbare data om ecotoxicologische risico-grenzen te berekenen. Aanbevolen is om TPH fracties te onderscheiden welke relevant zijn voor het beschrijven van terrestrische ecologische effecten van oliefracties, om vervolgens de benodigde ecotoxicologische data te genereren om HC50 waarden voor minerale-oliefracties vast te kunnen stellen.<br>
    • Proposal for the development of Emission Scenario Documents on the Chemical Industry

      Poel P van der; Bakker J; MEV; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-09-06)
      ESDs are documents describing industrial processes in order to be able to estimate releases to the environment. Such documents are lacking for the chemical industry. For this complex branch of industry, sectors have been prioritised for which ESDs are most urgently needed. Subsequently, key concepts and tools are discussed which are instrumental in the production of ESDs for the chemical industry such as life cycle stages, factors influencing emissions and release quantification methods. As such, this will be a starting point for the development of ESDs for the chemical industry as, among others, coordinated by the Environmental Exposure Task Force of the OECD.
    • Proposal for the development of Emission Scenario Documents on the Chemical Industry

      Poel P van der; Bakker J; MEV; SEC (2005-09-06)
      Emissiescenariodocumenten zijn documenten waarin industriele processen worden beschreven die het mogelijk maken om de uitstoot naar het milieu te schatten. Dergelijke documenten ontbreken nog voor de chemische industrie. Voor deze complexe tak van de industrie worden de sectoren geidentificeerd en geprioriteerd waarvoor emissiescenariodocumenten het dringendst gewenst zijn. Diverse handvatten en concepten die bij de ontwikkeling van dergelijke documenten van groot nut kunnen zijn, zoals de verschillende stadia van de levenscyclus, factoren die de uitstoot bepalen en methoden voor het kwantificeren van emissies, worden gepresenteerd. Als zodanig, zullen deze het startpunt vormen voor de ontwikkeling van ESD'en voor de chemische industrie, gecoordineerd door onder andere de taakgroep 'Environmental Exposure' van de OESO.
    • Proposals for Intervention Values for soil and groundwater, including the calculation of the human-toxicological serious soil contamination concentrations: Fourth series of compounds

      Kreule P; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      Proposals for Intervention Values for soil and groundwater have been derived for the fourth series of compounds. This fourth series consists of the following 15 additional compounds and compound groups: 1) metals: um, selenium, tellurium, thallium, tin; 2) aromatic hydrocarbons: monochloroanilines to pentachloroanilines, 4-chloro-methylphenol; 3) chlorinated hydrocarbons: 1,1,2-trichloroethane, dichloropropanes, 1,1-dichloroethene; 4) pesticides: MCPA and 5) other contaminants: tribromomethane, isopropanol, ethylacetate, 1,2-butylacetate. Intervention Values were derived by integrating the ecotoxicological and human-toxicological serious soil contamination concentration (ECOTOX SCC and HUM-TOX SCC, respectively). The HUM-TOX SCC is subject of this report and was derived using the CSOIL exposure model, the standard potential exposure data set, selected contaminant specific physicochemical input parameters and the Maximal Permissable Risk levels for human intake (MPRhuman). In general, the proposals for Intervention Values for groundwater and to a lesser extent the Intervention Values for soil are characterised by a limited accuracy.