• Prognose van luchtkwaliteit ; signalering van wintersmogepisoden

      van Rheineck Leyssius HJ; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      The EUROS model, a numerical grid model using simple linear chemistry, is applied routinely to predict winter smog episodes in the Netherlands. The required meteorological input consists of prognostic fields obtained from KNMI or ECMWF. The model calculated hourly concentration fields of SO2, SO4, NO2, NOx and NO3 for an area covering practically the whole of Europe. The effective prognosis period is +72 hours. From an operational-technical point of view, the model appears to function excellently ; it is only in exceptional cases that model results are not available before 9.00 am. It is not yet possible to provide a more detailed evaluation of the system ; on the one hand since the system has not yet been operational throughout a complete winter period, and on the other since there have been hardly any episodes with raised pollutant concentrations. Superficial analysis reveals that the model can lead to both over- and underestimates of concentration levels. Reasons for discrepancies between model predictions and measurement results were usually to be found in the (automatically generated) input parameters. Recommendations are made to improve the quality of the model's predictions.<br>
    • Prognose van luchtkwaliteit: signalering van fotochemische smogepisoden

      van Rheineck Leyssius HJ; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-05-31)
      A description of two procedures which are used at RIVM in forecasting photochemical smog episodes is presented. Both procedures lead to the estimation of daily average oxidant (O3 + NO2) concentrations. The procedure OXPRO provides prognoses for the concentrations of "today" and procedure ZOMEREPI for the concentrations of "today", "tomorrow" and "the day after tomorrow". The overall performance of both forecasting procedures is described for the summer of 1989 (May- October), as well as the performance of predicting exceedances of threshold values (exceedence of the pre-warnbing level, 63 ppb and of the warning level, 75 ppb daily average oxidant). Recommendations to improve both procedures are given. Changes in the procedures, necessary for the planned revision in the smog alarm system in The Nehterlands (from daily average oxidant concentrations to maximum hourly average O3 concentrations), are mentioned. The procedure versions which are operational in the summer of 1990 are described.<br>
    • Programma Klimaat en Gezondheid van ZonMw : Nut en noodzaak voor politiek Den Haag

      Schram-Bijkerk D; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-02-10)
      Bij beleidsmakers bestaat nog veel onduidelijkheid over de omvang van mogelijke gezondheidseffecten van klimaatverandering. Daarom kunnen zij de urgentie van het thema niet goed overzien en hebben zij het niet hoog op hun beleidsagenda staan. Het thema is wel opgepakt binnen het zogenoemde Deltaprogramma (bij het onderdeel Nieuwbouw & herstructurering), dat is ingesteld om Nederland voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan zijn de maatregelen om in steden extra sterfte tijdens hittegolven tegen te gaan. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM bij vier ministeries van wat zij doen om de gezondheidseffecten van klimaatverandering aan te pakken. Volgens het instituut is onderzoek nodig naar de omvang van dergelijke gezondheidseffecten om het thema op de beleidsagenda te krijgen en eventuele maatregelen om effecten tegen te gaan te kunnen motiveren. Daarnaast blijkt dat het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' dat ZonMw heeft ontwikkeld mogelijkheden biedt om de benodigde kennis te genereren voor interdepartementale beleidsontwikkeling, zoals het Deltaprogramma. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van ZonMw, om het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' beter aan te laten sluiten bij beleid. Hiervoor is gesproken met beleidsmakers van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Economie, Landbouw en Innovatie (ELI), en Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (OCW). De behoefte aan kennis kwam in grote lijnen overeen en raakte aan bestaande beleidsthema's als 'ruimtelijke ordening' en 'gezonde leefomgeving', welke ook terugkomen in het Deltaprogramma. In de nabije toekomst zal ZonMw beleidsmakers vragen een besluit te nemen over de inhoud en inrichting van het kennisprogramma.
    • Een programma voor de communicatie tussen de RIVM-computer (systeem 5) en de LCI-100 integrator van Perkin-Elmer

      Sicherer-Roetman; A.* (1986-07-31)
      In dit rapport wordt de ontwikkeling van een programma besproken voor de communicatie tussen de RIVM-computer en de LCI-100 integrator voor chromatografie van Perkin-Elmer. Het programma werkt geheel menugestuurd. Verder is er gezorgd voor een uitgebreide bescherming tegen foutieve invoer. Het programma is geschreven in standaard Fortran 77. Het is modulair opgezet en kan daardoor gemakkelijk gewijzigd en uitgebreid worden. Gebruik van dit programma bespaart zeer veel van het speciale papier van de integrator. Het belangrijkste is echter dat de resultaten van analyses nu duurzaam kunnen worden opgeslagen en op ieder gewenst moment met andere programma's verder kunnen worden bewerkt. De programmatekst is aanwezig bij de afdeling Meetmethoden van het Laboratorium voor Luchtonderzoek.
    • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie. Kaders en inventarisatie meetsystemen

      Sahai, A; Hogenhuis, R; Heblij, S; Smetsers, R; Assink, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
    • Programmeringsstudie Alternatieven voor Dieproeven - Deel 2 : Samen vervangen, verminderen en verfijnen

      Deleu S; van Boxel MMF; NKA; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-21)
    • Programmeringsstudie Alternatieven voor Dierproeven - Deel 1 : Samen vervangen, verminderen en verfijnen

      Deleu SAM; van Boxel MMF; Lankveld DPK; Vandebriel RJ; Bessems JGM; NKA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-01)
    • Programmeringsstudie Veranderend Landgebruik ; Gedrag van geaccumuleerde stoffen in verband met veranderingen in landgebruik en herstelbaarheid van ecosystemen

      Meulen-Smidt GRB ter; Vries W de; Bril J; Ma W; LBG; AB-DLO; Haren; SC-DLO; Wageningen; IBN-DLO; et al. (Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO), 1996-12-31)
      Het doel van deze programmeringsstudie was vast te stellen welke kennis aanwezig is en welk type onderzoek op korte en (middel)lange termijn nodig is om tot een risico-inschatting te komen voor effecten van mobilisatie van nutrienten en contaminanten bij de omzetting van landbouwgrond naar andere functies, zoals bosbouw en natuur. De studie concludeert dat bij herbebossing verzuring en toename in opgelost organisch koolstof (DOC) tot een verhoogde mobiliteit van aluminium en zware metalen kan leiden ; bij vernatting kunnen afname van redoxpotentiaal en verzuring fosfaat en zware metalen mobiliseren. Aanwezigheid van sulfide kan bij vernatting tot verminderde mobiliteit van zware metalen leiden. Bij wisselende grondwaterstanden is het mogelijk dat verzuring tot extra mobilisatie van zware metalen leidt. Verhoogde contaminantmobiliteit kan onder andere leiden tot verminderde decompositie, verhoging van interne concentraties in bodemfauna en doorvergiftiging naar terrestrische fauna. Het risico van organische microverontreinigingen wordt lager ingeschat ; hiernaar is echter nog niet afdoende onderzoek verricht. Voor de voorspelling van de risico's bij natuurontwikkeling wordt koppeling van bestaande modellen noodzakelijk geacht. De studie geeft aanbevelingen voor 'quick and dirty' modelkoppelingen op korte termijn en voor nderzoek naar voorbeeldsystemen op middellange termijn. Voor de lange termijn wordt prioriteit gelegd bij monitoring, procesonderzoek en modelintegratie.
    • Programmeringsstudie Veranderend Landgebruik ; Gedrag van geaccumuleerde stoffen in verband met veranderingen in landgebruik en herstelbaarheid van ecosystemen

      Meulen-Smidt GRB ter; Vries W de; Bril J; Ma W; Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO); LBG; AB-DLO, Haren; SC-DLO, Wageningen; IBN-DLO, Arnhem (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-12-31)
      The aim of this Programming Study on 'Behaviour of Accumulated Contaminants in relation to Land Use Changes and Recoverability of Ecosystems' was to determine: 1) the available knowledge and 2) the short-, medium- and long-term research, needed to develop a risk assessment for the effects of mobilisation of nutrients and contaminants due to land-use changes from agriculture to nature or forest conservation. The most relevant changes in soil condition, which can take place after afforestation, are concluded to be acidification and increase in dissolved organic carbon. The development of wetlands can lead to decreases in redoxpotential and acidification. These changes in soil condition can result in mobilisation of phosphate and heavy metals. Risks from organic micropollutants are probably lower ; however, as yet not much is known about this. Increased contaminant mobility can lead to a decrease in decomposition, an increase in internal concentrations of toxicants in soil fauna and secondary poisoning of terrestrial fauna. The study also concludes that risk assessment for land-use changes will require integration of existing models. A 'quick-and-dirty' model integration is recommended as a 1 to 2-year research programme, along with research on existing nature-development projects to be used as model systems for medium-term research programmes. For long-term research priority will be given to monitoring, process research and model integration.
    • Programmeringsstudie voor de ecologische consequenties van normoverschrijding (ECN)

      Traas, TP; Posthuma L; Notenboom J; Zwart D de; Klepper O; Aldenberg T; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      This reports deals with the definition of a research program for ecological consequences of exceedance of quality objectives. Methods are available for estimating the Potentially Affected Fraction (PAF) of species, the 'thermometer' for toxic stress. Translating the PAF to ecologically relevant effects is illustrated by comparing NOEC exceedance with acute mortality in laboratory experiments. The calibration of potential effects on structure of the ecosystem, is illustrated by analysis of ecological effects at two contaminated sites. A research program is defined to underpin the calibration in terms of ecosystem processses and Life Support Functions.
    • Programmeringsstudie voor de ecologische consequenties van normoverschrijding (ECN)

      Traas TP; Posthuma L; Notenboom J; de Zwart D; Klepper O; Aldenberg T; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      Dit rapport is een programmeringsstudie naar de ecologische consequenties van normoverschrijding. Methoden zijn beschikbaar om de Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) van soorten te schatten, de 'thermometer' voor toxische stress. De vertaling van de PAF naar ecologisch relevante effecten is gedaan door NOEC overschrijding te vergelijken met acute toxiciteit in laboratoriumexperimenten. Potentiele effecten op ecosysteemsstructuur zijn gekalibreerd op effecten op twee vervuilde locaties. Een onderzoeksprogramma is gedefinieerd om de veldeffecten te onderbouwen in termen van ecosysteemprocessen en Life Support Functies.<br>
    • Progress in the Modelling of Critical Thresholds and Dynamic Modelling, including Impacts on Vegetation in Europe : CCE Status Report 2010

      Slootweg J; Posch M; Hettelingh JP; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-03-30)
      Wat weten we over de relatie tussen stikstofdepositie en biodiversiteit? Dit rapport laat zien hoe de huidige kennis het Europese luchtbeleid op dit terrein kan ondersteunen. In Europa staat de biodiversiteit onder druk door onder andere een te hoge stikstofdepositie. De opstellers gaan in op de invloed van stikstofdepositie op de bodem en relevante chemische bodemprocessen. De bodem heeft invloed op de diversiteit van plantensoorten. Het kwantificeren van het verlies aan biodiversiteit zoals dat in dit rapport staat ondersteunt het Europese milieubeleid. Voorts beschrijft het rapport de effecten van de verschillende scenario's die zijn opgesteld om emissies terug te brengen. Het gaat om het reduceren van emissies voor verzuring, vermesting en zware metalen. Deze emissies zijn destijds internationaal vastgelegd in protocollen (LRTAP Conventie Gotenburg, 1999, en Aarhus, 1998). De scenario's zijn gemaakt door het Coordination Centre for Effects (CCE) in samenwerking met haar internationale partners. Deze scenario's geven inzicht in de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid en het milieu. Inzichten die zowel door de verenigde naties als de Europese commissie worden gebruikt voor haar beleid.
    • Progress report on New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs)

      Bakker J; Bruinen de Bruin Y; Hogendoorn E; Kooi M; Palmen N; Salverda J; Traas T; Sijm D; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-26)
      Nationale en internationale wetgeving is erop gericht dat chemische stoffen veilig worden geproduceerd, verwerkt en gebruikt. Zo is in de Europese wetgeving REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) vastgelegd dat de industrie verantwoordelijk is dat de chemische stoffen die ze op de markt brengen, veilig kunnen worden geproduceerd en gebruikt. Toch kunnen er op korte of lange termijn nieuwe risico's van stoffen voor mens of milieu ontstaan. Van stoffen die al langer worden gebruikt, kunnen ongewenste effecten aan het licht komen als de stof via een andere blootstellingsroute (bijvoorbeeld inhalatie) bij de mens binnenkomt. Ook nieuw op de markt gebrachte stoffen die bijvoorbeeld niet voldoende zijn getest, kunnen de gezondheid van mens en milieu schaden. Voor zowel bestaande als nieuwe stoffen geldt bovendien dat een screening vooraf nooit alle mogelijke schadelijke effecten kan onderkennen. Sinds 2012 doet het RIVM onderzoek naar methoden om dergelijke nieuwe risico's van stoffen, ook wel New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs) genoemd op te sporen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Het gaat hierbij om de blootstelling en nadelige effecten van stoffen voor werkers, consumenten en het milieu. Daarbij kan het gaan om onbekende risico's van bestaande stoffen of risico's van nieuwe stoffen. Dit rapport is een voortgangsrapportage van de onderzoeksresultaten die tot nu toe voor de drie beschermingsgroepen verkregen zijn. In dit onderzoek zijn methodieken ontwikkeld voor het vinden van potentiële NERCs. Een voorbeeld hiervan is de signalering van diacetyl als nieuw risico voor Werkers. Blootstelling van werkers via de lucht aan smaakstoffen die diacetyl bevatten kan zeer ernstige luchtwegaandoeningen veroorzaken en kan bijvoorbeeld vrijkomen bij de productie van popcorn. Als maatregel hiervoor wordt aanbevolen om een veilig blootstellingsniveau op te stellen, en beschermingsmaatregelen te treffen, zoals het gebruik van luchtfilters, om de gevolgen te beperken. Een strategie is in ontwikkeling waarbij de methodieken geïntegreerd worden om na te gaan in hoeverre een gesignaleerde NERC ook voor de andere beschermingsgroepen schadelijk kan zijn.
    • Progress report on PM toxicity using concentrated ambient particulate matter (CAPs)

      Cassee FR; Boere AJF; Fokkens PHB; Buringh E; Bree L van; Opperhuizen A; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-16)
      This progress report has been compiled within the framework of project M/650010, 'Risks in relation to air pollution', to outline recent developments and progress within the project. It does not have a scientific status. A significant part of the RIVM toxicology research programme on "the relationship between particulate matter (PM) and health effects" is devoted to the use of an Ambient Fine Particle Concentrator (AFPC) situated in a mobile laboratory. The aim of this laboratory is to facilitate performance of inhalation toxicity studies with (concentrated) ambient PM (< 2.5 m) in experimental animals. In the future, also studies with human volunteers will take place in locations that differ in air quality and sources of PM emission. The AFPC allows us to enrich (by 15-60 times the ambient levels) the test atmosphere with particles having a diameter of less than 2.5 um. These are generally referred to as concentrated ambient particles (CAPs). Exposure levels up to 3000 ug/m3 can be achieved. The research has been focused on acute health effects of PM in rodents with a cardiopulmonary disease (asthma, pulmonary hypertension), which are likely to reflect human risk groups. The studies performed in 1999 and 2000 showed that CAPs can provoke health effects, even though they were marked as mild and reversible. Sound conclusions on the causal relationship between PM and health effects cannot yet be drawn.
    • Progress report on PM toxicity using concentrated ambient particulate matter (CAPs)

      Cassee FR; Boere AJF; Fokkens PHB; Buringh E; van Bree L; Opperhuizen A; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-16)
      Dit voorgangsrapport is samengesteld in het kader van project M/650010, 'Risico's in relatie tot luchtverontreiniging', met als doel de recente ontwikkelingen en voortgang binnen dit project te schetsen. Een belangrijk deel van het RIVM toxicologisch research programma omtrent 'the relationship between particulate matter (PM) and health effects' is gewijd aan het gebruik van een Ambient Fine Particle Concentrator (AFPC) in een mobiel laboratorium. Het doel van dit laboratorium is het faciliteren van inhalatie toxiciteitsstudies met (geconcentreerd) buitenluchtstof (PM) in proefdieren. In de toekomst zullen ook studies in vrijwilligers worden uitgevoerd op locaties die verschillen in luchtkwaliteit en bronnen van PM emissies. De AFPC maakt het mogelijk om verhoogde concentraties (15-60 keer de buitenluchtniveaus) te genereren waarbij 50% van de deeltjes op massabasis kleiner of gelijk is dan 2.5 um (CAPs). Er kunnen hierdoor blootstellingsconcentraties tot 3000 ug/m3 worden bereikt. Het onderzoek heeft zich gericht op de acute gezondheidseffecten van PM in knaagdieren met een cardiopulmonarre aandoening (astma, pulmonaire hypertensie), waarvan wordt aangenomen dat deze humane risicogroepen representeren. De studies die in 1999 en 2000 zijn uitgevoerd laten zien dat CAPs gezondheidseffecten kan veroorzaken, hoewel deze als mild en reversibel zijn aan te merken. Eenduidige conclusies over de causale relatie tussen PM en gezondheidseffecten zijn echter nog niet te trekken.<br>
    • Project Bodemexpertisenetwerk. Eindrapport

      Ruardi PA (1990-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Project Ecologische Inpasbaarheid Stoffen 5, ecosysteemkennis voor nationaal stoffenbeleid: Literatuurstudie en voorstel voor een programma van onderzoek

      Ruyter van Steveninck ED de (1989-11-30)
      Dit rapport komt voort uit de vaststelling dat de huidige beoordelingssystemen voor stoffen te weinig rekening houden met de samenstelling en het functioneren van de te beschermen ecosystemen en heeft tot doel a) een overzicht te geven van ecosysteemkenmerken die gebruikt kunnen worden voor het vaststellen van de effecten van stoffen op ecosystemen en b) te komen tot een voorstel voor een onderzoeksprogramma dat gericht is enerzijds op het beschikbaar maken van systeem-ecologische kennis voor de ontwikkeling van criteria ten behoeve van het stoffenbeleid en anderzijds op het op korte termijn kwantificeren van het ecologisch rendement van het stoffenbeleid. Als eerste stap hiertoe is er een literatuurverkenning uitgevoerd door RIVM en RIN en is er aanzet gegeven voor een onderzoeksprogramma (Deel I) Literatuurstudie en onderzoeksvoorstel zijn vervolgens ter discussie gesteld tijdens een studiedag onder voorzitterschap van de RMNO. Het verslag van deze bijeenkomst is bijgevoegd (Deel II). Op grond van de resultaten van deze workshop is een voorstel geformuleerd voor een programma van onderzoek waarin de nadruk wordt gelegd op een koppeling tussen enerzijds het stoffenbeleid ten aanzien van ecosystemen en anderzijds stofgerichte analyses van ecosystemen (Deel III). Dit voorstel, tenslotte, is besproken door vertegenwoordigers van BEON, NMF, NRLO, RIN, RIVM, Rijkswaterstaat/DGW, VROM/SR en VU, onder voorzitterschap van de RMNO. Het verslag van dit overleg is bijgevoegd (Deel IV). Het rapport is aangeboden aan de RMNO met het verzoek over het voorgestelde onderzoeksprogramma te adviseren. Een advies wordt in het eerste kwartaal van 1990 verwacht.
    • Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) ; Jaarverslag 1995

      Blokstra A; Smit HA; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; Seidell JC; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") is een onderzoeksproject van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren worden gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. Dit verslag betreft de resultaten van het onderzoeksjaar 1995. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 20 tot 59-jarige mannen en vrouwen in Amsterdam en Maastricht. In Doetinchem werden de deelnemers van het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten in 1988, inmiddels 26 tot 65 jaar oud, opnieuw onderzocht.<br>
    • Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid Nederland (MORGEN-project) Jaarverslag 1994

      Seidell JC; Smit HA; Verschuren WMM; Bueno de Mesquita HB; Blokstra A; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Het project Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") is een onderzoeksproject van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren wordt gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. Dit verslag betreft de resultaten van het onderzoeksjaar 1994. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 20 tot 59-jarige mannen en vrouwen in Amsterdam en Maastricht. In Doetinchem werden de deelnemers van het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten in 1988, inmiddels 26 tot 65 jaar oud, opnieuw onderzocht.<br>