• Prospectieve cohortstudie naar het optreden van gezondheidsklachten na deelname aan een zwemwedstrijd in oppervlaktewater in de zomer van 1994

      de Wit MAS; van Asperen IA; Colle C; Schijven JF; Sprenger MJW; CIE; LWL; Provincie Gelderland; Dienst Milieu en Water Arnhem (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-10-31)
      In de zomer van 1994 was er, met name in de provincie Gelderland, een zwemwatergerelateerde epidemie van otitis externa, veroorzaakt door aanwezigheid van Pseudomonas aeruginosa in de recreatieplassen. Teneinde een incidentieschatting van gezondheidsklachten, en in het bijzonder otitis externa, na zwemmen in oppervlaktewater te kunnen geven is in augustus 1994 een cohortstudie uitgevoerd onder deelnemers aan een zwemwedstrijd in recreatiegebied Bussloo (Gelderland) en een groep niet zwemmende controles. Van het zwemwater in Bussloo was bekend dat er daags voor de wedstrijd P. aeruginosa aanwezig was. De plas voldeed wel aan de richtlijnen van het Besluit Hygiene en Veiligheid Zwemwatergelegenheden (BHVZ). Tijdens de wedstrijd is de microbiele verontreiniging van het zwemwater gemeten en gedurende de twee weken na de wedstrijd hebben zwemmers en niet-zwemmers een vragenlijst ingevuld. De geometrisch gemiddelde P. aeruginosa-concentratie tijdens de wedstrijd was 8 kvp (kolonievormende partikels)/l (95%-b.i. 0-58 kvp/l). De faecale verontreiniging van het water was gering. Aan het onderzoek hebben 112 zwemmers deelgenomen, dit is 25% van de deelnemers aan de zwemwedstrijd. Van 46 niet-zwemmers is informatie ontvangen. De groepen zwemmers en niet-zwemmers bleken onderling niet goed vergelijkbaar te zijn: zwemmers waren jonger, beter getraind, hadden meer gezwommen in de periode rond de wedstrijd en hadden meer last van huidklachten (eczeem) en minder van algemene klachten (migraine) dan niet-zwemmers. Oorklachten in de twee weken na de wedstrijd kwamen alleen voor bij zwemmers ; luchtweg-, huid-, en oogklachten in de week na de wedstrijd kwamen relatief meer voor bij zwemmers; maag-darmklachten en algemene klachten kwamen meer voor bij niet-zwemmers. Geen van deze verschillen was significant. Zes personen raadpleegden voor de klachten de huisarts of gebruikten medicijnen. Hoewel de risicoschattingen niet significant zijn en de groepen niet goed vergelijkbaar waren, wijzen de resultaten mogelijk op een risico op oorklachten na deelname aan de wedstrijd in Bussloo en mogelijk ook op een risico op luchtweg-, huid- en oogklachten. Dit onderzoek laat zien dat voor het bestuderen van zwemwater-gerelateerde klachten een grote onderzoekspopulatie nodig is, omdat de incidentie van klachten laag is.<br>
    • Protocol aanpassing rekenmethodieken Externe Veiligheid

      Gooijer L; Laheij GMH; Wolting AG; CEV; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-29)
      Om de risico's te bepalen van activiteiten met gevaarlijke stoffen zijn in Nederland wettelijk bepaalde rekenmethodieken voorgeschreven. Als zich nieuwe inhoudelijke inzichten voordoen die de resultaten beïnvloeden, is het van belang deze in de rekenmethodieken te verwerken. Om de aanpassingen op een duidelijke en structurele wijze in de methodiek te kunnen verwerken heeft het RIVM met enkele andere partijen een protocol ontwikkeld. Op deze manier is voor de betrokken partijen (beoordelaars, beheerders, enzovoort) vastgelegd wie welke stappen moet doorlopen voor aanpassing van de rekenmethodiek. Een rekenmethodiek voor de externe veiligheid is uit vier kernpunten opgebouwd: Scenario's en modellering, Faalfrequenties, Maatregelen, en ten slotte Vervolgkansen. Het protocol bevat voor elk kernpunt de procedures om de aanpassingen aan te brengen. Voorbeelden van nieuwe inzichten zijn de situaties waarin een ongeval zich voordoet (ongevalscenario's), hoe groot de kans op een dergelijk ongeval is (faalkans), en welke effecten kunnen optreden. In het protocol zijn tevens de eisen en randvoorwaarden beschreven die gesteld worden aan de rapportage en onderbouwing van een voorstel om een rekenmethodiek aan te passen. Formele vaststelling van eventuele aanpassingen van de rekenmethodiek gebeurt door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
    • Protocol for the derivation of Harmonised Maximum Permissible Concentrations (MPCs)

      Kalf DF; Mensink BJWG; Montforts MHMM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-03-01)
      A procedure is described here for deriving harmonised Maximum Permissible Concentrations (MPCs). This procedure was developed because different MPCs are operative in the frameworks "Setting of Integrated Environmental Quality Standards", and registration of plant protection products and biocides. It is also undesirable that 2 or 3 different MPCs for the same compound coexist. A search profile for literature is presented. Reliability criteria will be used to evaluate the studies (public literature and confidential reports) underlying the MPC derivation. The selection of ecotoxicological endpoints for MPC derivation depends on the amount, reliability and the kind of data. Two methods (direct and indirect )were used to derive harmonised MPCs from ecotoxicological studies. Direct methods are the refined effect assessment method and the preliminary effect assessment method TGD. Which of the methods is applied depends on the data availability. MPCs for soil and sediment can also be derived indirectly from the MPC water with the equilibrium partitioning method (Ep-method) if experimental data are lacking. The latter method will also be used to harmonise the MPCs for the individual environmental compartments. The possible potential risk for secondary poisoning will be assessed if compounds have a log Kow 5.0 and/or have low depuration or high accumulation rates. This means that MPCs in lower compartments will be adjusted on the basis of accumulation potential of a compound in top predators.
    • Protocol for the derivation of Harmonised Maximum Permissible Concentrations (MPCs)

      Kalf DF; Mensink BJWG; Montforts MHMM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-03-01)
      Een procedure voor het afleiden van geharmoniseerde Maximaal Toelaatbare Residuen (MTRs) wordt beschreven. Deze procedure is opgesteld omdat het in Nederland op dit moment mogelijk is dat in het kader van Integrale Normstelling (INS) een andere MTR waarde is afgeleid dan in het kader voor de toelating van bestrijdingsmiddelen en biociden voor eenzelfde stof. Een zoekprofiel voor literatuur is opgesteld. Voor de evaluatie van de studies die gebruikt worden voor afleiding van de MTRs worden betrouwbaarheidscriteria gebruikt. De genoemde evaluatie methoden zullen voor zowel de vertrouwelijke rapporten als de openbare literatuur worden toegepast. Uit de beschikbare gegevens worden ecotoxicologische eindpunten geselecteerd voor het afleiden van MTR waarden. Er worden twee methoden gebruikt voor afleiding van de MTR waarden: de statistische extrapolatie methode ("refined effect assessment") van Aldenberg en Slob (1993) en extrapolatie methode die gebruik maakt van extrapolatiefaktoren ("preliminary effect assessment") volgens de "Technical Guidance Documents" (ECB, 1996). De keuze welke methode wordt toegepast (statistisch of extrapolatiefaktoren), wordt bepaald door de hoeveelheid en de aard van de beschikbare ecotoxicologische gegevens. MTR waarden voor bodem en sediment kunnen ook afgeleid worden op indirecte wijze. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van de evenwichtspartitie methode (Ep methode). De Ep methode wordt ook gebruikt voor intercompartimentale afstemming. Dit is nodig omdat transport van de stof tussen de verschillende milieucompartimenten optreedt. Voor stoffen met een log Kow > 5.0, slechte uitscheiding of sterk accumulerende eigenschappen wordt er gekeken of er een potentieel risico voor doorvergiftiging is, en in voorkomende gevallen wordt daarmee rekening gehouden<br>
    • Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept

      Zijp MC; van Beelen P; Boumans LJM; de Nijs ACM; Verweij W; Wuijts S; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-22)
      Dit protocol is een voorschrift voor de grondwaterbeheerders in Nederland, waarmee op eenduidige wijze de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen kan worden uitgevoerd. Dit is niet het definitieve protocol. In 2008 zal dit theoretische concept worden getoetst aan de praktijk en de knelpunten die in dit protocol staan aangegeven zullen nader worden onderzocht en uitgewerkt.
    • Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples'

      Verweij W; Durand AM; Maas JL; van der Grinten E; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterschap Velt en VechtCentre for Water Management, 2010-09-28)
      Dit rapport bevat protocollen voor bioassays, oftewel de technische beschrijvingen hoe zij moeten worden uitgevoerd. Met deze informatie kunnen onderzoekers de methoden op exact dezelfde manier uitvoeren als het RIVM en de Waterdienst. Bioassays zijn methoden die in tegenstelling tot chemische methoden, met behulp van levende organismen inzicht geven in de waterkwaliteit. In een eerder rapport (RIVM-rapport 607013010 en Waterdienst-rapport 2009.003) is de bestaande informatie over bioassays samengevat, maar de protocollen ontbraken nog. Dit rapport voorziet in deze lacune.
    • Provinciale Milieukosten; model en resultaten

      Engelen RFJM; Feimann PFL; Oostenrijk CH; LAE (1998-05-31)
      Door modelaanpassingen aan het RIVM-instrument Reken- en Informatiesysteem Milieuhygiene (RIM+) is het mogelijk om kosten van milieumaatregelen te berekenen op provinciaal niveau. Deze provinciale berekening is consistent met de berekening op landelijk niveau: zowel de rekenmethode als de gebruikte gegevens zijn hetzelfde. In de berekening wordt gebruik gemaakt van zowel nationale als van provinciale gegevens. Veel provinciale gegevens met betrekking tot (kosten van) milieumaatregelen zijn verzameld door inspanningen van medewerkers van provincies en van het RIVM. Het voortzetten van de samenwerking tussen provincies en RIVM in de toekomst zal leiden tot verbetering van databestanden.
    • Provinciale Milieukosten; model en resultaten

      Engelen RFJM; Feimann PFL; Oostenrijk CH; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      The, in connection with this project adapted, Environmental Information and Planning Model (Dutch acronym RIM+) enables the users to calculate environmental costs on a scale of regions (provinces). RIM+ is an instrument both for maintaining data on emissions, energy use, waste production and costs of environmental measures and using these data for calculations. The adaption of the model took place within the boundaries of consistency between national and provincial calculations. The calculation of the environmental costs became possible with data which already was known by the RIVM. Also provincial data about the allocation of social processes (industry, traffic, agriculture) and the implementation of environmental measures has been obtained. It is both the intention of IPO and RIVM to continue this cooperation to improve the quality of costs calculations in the future.
    • Provinciale milieukostenberekeningen met RIM+. Verslag van een pilot voor Limburg

      Quarles van Ufford CHA; Idenburg AM; Engelen RFJM; Laan WPM; van Lohuizen ZI; Oostenrijk CR; Peek C; Ubachs R; van Duyse P; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      De resultaten werden beschreven van een haalbaarheidsstudie met als doel om na te gaan of het RIM+ (Reken en informatiesysteem Milieuhygiene) dat nu door het RIVM wordt gebruikt voor het doorrekenen van nationale milieukosten, ook geschikt is voor het maken van provinciale milieukostenberekeningen. Hiertoe zijn voor een provincie (Limburg) de benodigde gegevens verzameld en ingevoerd in RIM+, waarna milieukosten met RIM+ zijn berekend. Resultaat van de pilot is dat het inderdaad mogelijk is provinciale milieukosten te berekenen met het RIM+. De uitkomsten zijn wat methodiek, soort resultaten en kwaliteit betreft vergelijkbaar met de kostenberekeningen die TME in 1994 voor de provincies heeft uitgevoerd. Tijdens de pilot is een aantal knelpunten onderkend, waarmee in een eventuele vervolgfase rekening moet worden gehouden. Behalve met het model RIM+ hebben deze knelpunten betrekking op de organisatie van provinciale kostenberekeningen en de methodiek en databehoefte van een provinciaal kostenmodel. Drie opties voor een provinciaal milieukostenmodel worden geevalueerd. Uiteindelijk wordt een voorstel gepresenteerd, dat zoveel mogelijk de positieve punten van de verschillende opties combineert.<br>
    • Provinciale milieuscenario&apos;s-evaluatie van een studie in Gelderland

      Tangena BH; Maas RJM; van Latesteijn HC; Udo de Haes HA; Murk AJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-12-31)
      Dit rapport geeft een evaluatie van een in 1983 uitgevoerd haalbaarheidsonderzoek naar de mogelijkheden om op provinciaal niveau een lange termijn milieuverkenning (milieuscenario) op te stellen. Aandacht is besteed aan: - maatschappelijke ontwikkelingen die op enigerlei wijze het milieu beinvloeden zoals economische groei, overheidsbeleid en regionale activiteiten ; - fysieke ingrepen in het milieu die veroorzaakt worden door regionale activiteiten; daartoe is een zgn. ecosysteem- en soortmethode verder ontwikkeld; - verontreiniging van het milieu, waarbij een selectieprocedure is ontwikkeld om tot een gewenst niveau van scenario-ontwikkeling te komen (emissie, belasting, concentratie, effecten) ; - effecten van ingrepen en verontreinigingen op doelstellingen van het milieubeleid (volksgezondheid, milieugebruiksfuncties en natuurbehoud).<br>
    • Prozon en Propart; statistische modellen voor smogprognose

      Noordijk H; NLB (2003-04-10)
      Het rapport beschrijft 2 statistische smogmodellen die begin jaren negentig zijn ontwikkeld ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Voor ozon is dit het model Prozon, in gebruik sinds 1992. Het model Propart, dat een verwachting geeft voor PM10 (fijn stof), is in de huidige vorm in gebruik sinds 1998. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Deze statistische modellen zijn vervaardigd met het softwarepakket Creamod, ontwikkeld op het RIVM (Noordijk 2003). Dit pakket bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. Een werkend model bestaat uit de rekenstructuur die Creamod en definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd en statistiekbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen.
    • Prozon en Propart; statistische modellen voor smogprognose

      Noordijk H; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-10)
      The report describes two statistical smogmodels which have been developed at the beginning of the Nineties for the daily smog outlook by RIVM. For ozone, the model Prozon is in use since 1992. The model Propart for PM10 is used in its present form since 1998. The prognosis is calculated on the basis of the present concentration. This concentration is multiplied by a correction factor, derived from past measurements. The correction factor depends on the circumstances such as the type of measurement location, the season and the expected changes in weather patterns. These statistical models are constructed with the software Creamod, developed at RIVM. This software package consists of a number of modules which are able to define, construct and evaluate statistical air quality models in fast and transparent way. A working model consists of the arithmetic structure offered by Creamod, a definition file in which the structure of the model is fixed and statistical files in which the correction factors are laid down.
    • Psychische (on)gezondheid; determinanten en de effecten van preventieve interventies

      Maas IAM; Jansen J; VTV (TNO Leiden, 2000-10-25)
      Psychische stoornissen zijn verantwoordelijk voor ruim 23% van de (directe) kosten van de gezondheidszorg (inclusief zorg voor verstandelijke handicap en dementie). Voor een beter onderbouwde preventie binnen het geestelijk volksgezondheidsbeleid is meer kennis nodig over de determinanten van psychische stoornissen en over de mogelijkheden om die determinanten te beinvloeden. Deze state-of-the-art geeft aan dat persoonlijkheidskenmerken als (overmatige) geremdheid, neuroticisme, impulsiviteit en cognitieve en sociaal-communicatieve beperkingen meerdere psychische stoornissen beinvloeden. Dit geldt ook voor traumatische ervaringen in de jeugd, een lage SES, sterke verstedelijking en snelle sociale veranderingen. Theoretisch gezien valt de meeste gezondheidswinst op het terrein van de psychische (on)gezondheid dan ook te behalen door beinvloeding van (het leren omgaan met) deze zogenaamde generieke determinanten. Ten aanzien van de effecten van interventies op determinanten van de psychische gezondheid zijn nog geen definitieve conclusies mogelijk. Het lijkt echter aannemelijk dat met name die interventies veelbelovend zijn die op meerdere determinanten tegelijk aangrijpen. Dit sluit aan bij het gegeven dat interacties tussen determinanten een belangrijke rol spelen in de etiologie van stoornissen. Secundaire preventie van depressie bij ouderen en preventie van druggebruik via schoolprogramma's blijken voldoende doeltreffend om over te gaan tot landelijke implementatie. Interventies gericht op familieleden van psychiatrische patienten lijken doeltreffend in het voorkomen van overbelasting, stress en angst. Een intensivering van het onderzoek naar determinanten van psychische stoornissen is een noodzakelijke voorwaarde om een flinke stap vooruit te maken ten aanzien van de mogelijkheden voor preventie. Daarnaast is het van belang strategieen voor landelijke implementatie van doeltreffende programma's te ontwikkelen en onderzoek op dit terrein te stimuleren.
    • Psychische (on)gezondheid; determinanten en de effecten van preventieve interventies

      Maas IAM; Jansen J; TNO Leiden; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-25)
      Mental disorders constitute an important societal and public health problem, being responsible for over 23% of (direct) health care costs. The use of mental health care services is still growing at a substantial rate. This review illustrates that there is a growing body of knowledge on specific determinants in the etiology of several mental disorders. There is, however, little known about the interrelationships between determinants in the causal chain leading to disorders. Personality traits, traumatic events in childhood, a low socio-economic status, extensive urbanization and rapid social changes in society are related to more than one mental disorder. Interventions influencing these generic determinants, or training to cope with them, will have the greatest potential health benefits. No definite conclusions can be drawn about the effects of interventions, influencing the determinants of mental disorders. Interventions, targeting several determinants at the same time are assumed to be the most promising. The effectiveness of secondary prevention of depression in the elderly and prevention of substance abuse through programs at school has proven sufficient for national implementation. Interventions targeted at family members of psychiatric patients has been seen to prevent the occurrence of distress and anxiety disorders. Investing in research on determinants of mental disorders is a prerequisite for making progress in prevention. Effective programmes should be nationally implemented. As there is practically no information on strategies for implementation within the field of mental disorder prevention, investments in this field are required.
    • De pT-methode voor het bepalen van milieutoxiciteit. Noodzaak en ontwikkelingsstatus

      de Zwart D; Roghair CJ; Struijs J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      De pT-methodiek beoogt een kwantitatieve maat te geven voor de toxiciteit van een milieumonster, rekening houdend met de veelheid en verscheidenheid aan contaminanten en de biologische beschikbaarheid van deze stoffen. De methodiek vormt een aanvulling op de huidige chemische monitoring en het biologisch onderzoek omdat het tegemoet komt aan enkele belangrijke bezwaren van de laatst genoemde methodieken. Dit rapport geeft de noodzaak van het hebben van de pT-methodiek aan evenals de ontwikkelingsstatus van het project waarin de methodiek wordt ontwikkeld. Het rapport dient als onderbouwing voor het besluit om al dan niet door te gaan met de ontwikkeling van de pT-methodiek.<br>
    • The pT-value as environmental policy indicator for the exposure to toxic substances

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-05-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods. The method requires less developmental research and could be incorporated into an integrated national environmental measuring network on a short notice. Finally the usefulness of the pT is indicated in relation to the identification of emission sources and hazardous chemical compounds, as well as in relation to ecodistrict differentiated AMOEBE- presentations.<br>
    • De pT-waarde als milieubeleidsindicator voor de verspreiding van toxische stoffen

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods.<br>
    • Public health genomics : Wat zijn de kansen voor preventie?

      van den Berg M; van Kranen HJ; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-28)
      In Nederland wordt op het genoom gebaseerde kennis en technologie nog weinig toegepast in de publieke gezondheidszorg. De ontwikkelingen op dit vakgebied, dat public health genomics wordt genoemd, gaan ook in Nederland langzamer dan verwacht. Deskundigen hebben hier verschillende verklaringen voor, waaronder de biologische complexiteit van het genoom en de interacties met de omgeving, en de vaak lage voorspellende waarde van genetische variaties voor chronische ziekten. Daarnaast ervaren deskundigen de trage besluitvorming en maatschappelijke discussies over nieuwe mogelijkheden op het gebied van public health genomics als vertragend. Toch zijn er veelbelovende ontwikkelingen voor toekomstige toepassingen van public health genomics. Dit geldt met name voor ziektepreventie, bijvoorbeeld het gebruiken van genetische risicoprofielen bij kankerscreening, het toepassen van prenatale testen die meer zekerheid en minder risico's bieden dan de huidige testen, en het screenen van paren met een kinderwens op dragerschap van erfelijke aandoeningen. Van genomics-toepassingen bij gezondheidsbevordering zijn minder hoge verwachtingen. Zo lijkt het communiceren van genetische risicoinformatie over ziekten als diabetes of hart- en vaatziekten maar beperkte toegevoegde waarde te hebben bij leefstijlinterventies. In opdracht van ZonMw heeft het RIVM de stand van zaken van public health genomics in Nederland en de kansen voor preventie in kaart gebracht. Het onderzoek bestond uit literatuurinventarisatie, deskundigenconsultatie en een viertal casestudies. Voor de deskundigenconsultatie werden deskundigen in Nederland op het gebied van public health genomics, of een gerelateerd vakgebied, uitgenodigd om aan een online discussieplatform deel te nemen. Hierbij konden zij reageren op stellingen over huidige toepassingen en toekomstverwachtingen van public health genomics.
    • Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition

      Kramers PGN; ECHI (European Community Health Indicators) team; ECHI team; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-19)
      This ECHI-2 report (ECHI = European Community Health Indicators) presents a list of indicators in the field of public health. The indicators range from health status (e.g. cancer incidence) through health determinants (e.g. nutrition, air pollution) to preventive actions and health care systems. The list is intended to support public health policies, by providing increasing quality, consensus and uniformity of public health data collection within the 25 EU Member States. The results presented in the report include the following: (1) the ECHI 'long list', which is primarily an inventory of indicators proposed by many expert projects supported by DG Sanco, arranged according to a robust conceptual frame; (2) the concept of 'user-windows' which allows for the interest-oriented selection of subsets of indicators; (3) the ECHI shortlist, which is selected as a subset from the long list for first priority implementation; and (4) a web-based application (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) (www.healthindicators.org) in which the ECHI indicators are listed, along with the indicators used by Eurostat, WHO-Europe (the HFA database) and the OECD (OECD health data). The report is the result of six years work carried out by an expert team from 16 EU Member States and Norway, and representatives from international organisations. Especially the shortlist has been taken up by DG Sanco for stimulating further work in public health information. The data for the shortlist are being presented by DG Sanco on their Europa website. Several Member States use ECHI as a guideline for the development of national health information systems.