• Protocol for the derivation of Harmonised Maximum Permissible Concentrations (MPCs)

      Kalf DF; Mensink BJWG; Montforts MHMM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-03-01)
      Een procedure voor het afleiden van geharmoniseerde Maximaal Toelaatbare Residuen (MTRs) wordt beschreven. Deze procedure is opgesteld omdat het in Nederland op dit moment mogelijk is dat in het kader van Integrale Normstelling (INS) een andere MTR waarde is afgeleid dan in het kader voor de toelating van bestrijdingsmiddelen en biociden voor eenzelfde stof. Een zoekprofiel voor literatuur is opgesteld. Voor de evaluatie van de studies die gebruikt worden voor afleiding van de MTRs worden betrouwbaarheidscriteria gebruikt. De genoemde evaluatie methoden zullen voor zowel de vertrouwelijke rapporten als de openbare literatuur worden toegepast. Uit de beschikbare gegevens worden ecotoxicologische eindpunten geselecteerd voor het afleiden van MTR waarden. Er worden twee methoden gebruikt voor afleiding van de MTR waarden: de statistische extrapolatie methode ("refined effect assessment") van Aldenberg en Slob (1993) en extrapolatie methode die gebruik maakt van extrapolatiefaktoren ("preliminary effect assessment") volgens de "Technical Guidance Documents" (ECB, 1996). De keuze welke methode wordt toegepast (statistisch of extrapolatiefaktoren), wordt bepaald door de hoeveelheid en de aard van de beschikbare ecotoxicologische gegevens. MTR waarden voor bodem en sediment kunnen ook afgeleid worden op indirecte wijze. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van de evenwichtspartitie methode (Ep methode). De Ep methode wordt ook gebruikt voor intercompartimentale afstemming. Dit is nodig omdat transport van de stof tussen de verschillende milieucompartimenten optreedt. Voor stoffen met een log Kow > 5.0, slechte uitscheiding of sterk accumulerende eigenschappen wordt er gekeken of er een potentieel risico voor doorvergiftiging is, en in voorkomende gevallen wordt daarmee rekening gehouden<br>
    • Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept

      Zijp MC; van Beelen P; Boumans LJM; de Nijs ACM; Verweij W; Wuijts S; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-22)
      Dit protocol is een voorschrift voor de grondwaterbeheerders in Nederland, waarmee op eenduidige wijze de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen kan worden uitgevoerd. Dit is niet het definitieve protocol. In 2008 zal dit theoretische concept worden getoetst aan de praktijk en de knelpunten die in dit protocol staan aangegeven zullen nader worden onderzocht en uitgewerkt.
    • Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples'

      Verweij W; Durand AM; Maas JL; van der Grinten E; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterschap Velt en VechtCentre for Water Management, 2010-09-28)
      Dit rapport bevat protocollen voor bioassays, oftewel de technische beschrijvingen hoe zij moeten worden uitgevoerd. Met deze informatie kunnen onderzoekers de methoden op exact dezelfde manier uitvoeren als het RIVM en de Waterdienst. Bioassays zijn methoden die in tegenstelling tot chemische methoden, met behulp van levende organismen inzicht geven in de waterkwaliteit. In een eerder rapport (RIVM-rapport 607013010 en Waterdienst-rapport 2009.003) is de bestaande informatie over bioassays samengevat, maar de protocollen ontbraken nog. Dit rapport voorziet in deze lacune.
    • Provinciale Milieukosten; model en resultaten

      Engelen RFJM; Feimann PFL; Oostenrijk CH; LAE (1998-05-31)
      Door modelaanpassingen aan het RIVM-instrument Reken- en Informatiesysteem Milieuhygiene (RIM+) is het mogelijk om kosten van milieumaatregelen te berekenen op provinciaal niveau. Deze provinciale berekening is consistent met de berekening op landelijk niveau: zowel de rekenmethode als de gebruikte gegevens zijn hetzelfde. In de berekening wordt gebruik gemaakt van zowel nationale als van provinciale gegevens. Veel provinciale gegevens met betrekking tot (kosten van) milieumaatregelen zijn verzameld door inspanningen van medewerkers van provincies en van het RIVM. Het voortzetten van de samenwerking tussen provincies en RIVM in de toekomst zal leiden tot verbetering van databestanden.
    • Provinciale Milieukosten; model en resultaten

      Engelen RFJM; Feimann PFL; Oostenrijk CH; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      The, in connection with this project adapted, Environmental Information and Planning Model (Dutch acronym RIM+) enables the users to calculate environmental costs on a scale of regions (provinces). RIM+ is an instrument both for maintaining data on emissions, energy use, waste production and costs of environmental measures and using these data for calculations. The adaption of the model took place within the boundaries of consistency between national and provincial calculations. The calculation of the environmental costs became possible with data which already was known by the RIVM. Also provincial data about the allocation of social processes (industry, traffic, agriculture) and the implementation of environmental measures has been obtained. It is both the intention of IPO and RIVM to continue this cooperation to improve the quality of costs calculations in the future.
    • Provinciale milieukostenberekeningen met RIM+. Verslag van een pilot voor Limburg

      Quarles van Ufford CHA; Idenburg AM; Engelen RFJM; Laan WPM; van Lohuizen ZI; Oostenrijk CR; Peek C; Ubachs R; van Duyse P; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      De resultaten werden beschreven van een haalbaarheidsstudie met als doel om na te gaan of het RIM+ (Reken en informatiesysteem Milieuhygiene) dat nu door het RIVM wordt gebruikt voor het doorrekenen van nationale milieukosten, ook geschikt is voor het maken van provinciale milieukostenberekeningen. Hiertoe zijn voor een provincie (Limburg) de benodigde gegevens verzameld en ingevoerd in RIM+, waarna milieukosten met RIM+ zijn berekend. Resultaat van de pilot is dat het inderdaad mogelijk is provinciale milieukosten te berekenen met het RIM+. De uitkomsten zijn wat methodiek, soort resultaten en kwaliteit betreft vergelijkbaar met de kostenberekeningen die TME in 1994 voor de provincies heeft uitgevoerd. Tijdens de pilot is een aantal knelpunten onderkend, waarmee in een eventuele vervolgfase rekening moet worden gehouden. Behalve met het model RIM+ hebben deze knelpunten betrekking op de organisatie van provinciale kostenberekeningen en de methodiek en databehoefte van een provinciaal kostenmodel. Drie opties voor een provinciaal milieukostenmodel worden geevalueerd. Uiteindelijk wordt een voorstel gepresenteerd, dat zoveel mogelijk de positieve punten van de verschillende opties combineert.<br>
    • Provinciale milieuscenario&apos;s-evaluatie van een studie in Gelderland

      Tangena BH; Maas RJM; van Latesteijn HC; Udo de Haes HA; Murk AJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-12-31)
      Dit rapport geeft een evaluatie van een in 1983 uitgevoerd haalbaarheidsonderzoek naar de mogelijkheden om op provinciaal niveau een lange termijn milieuverkenning (milieuscenario) op te stellen. Aandacht is besteed aan: - maatschappelijke ontwikkelingen die op enigerlei wijze het milieu beinvloeden zoals economische groei, overheidsbeleid en regionale activiteiten ; - fysieke ingrepen in het milieu die veroorzaakt worden door regionale activiteiten; daartoe is een zgn. ecosysteem- en soortmethode verder ontwikkeld; - verontreiniging van het milieu, waarbij een selectieprocedure is ontwikkeld om tot een gewenst niveau van scenario-ontwikkeling te komen (emissie, belasting, concentratie, effecten) ; - effecten van ingrepen en verontreinigingen op doelstellingen van het milieubeleid (volksgezondheid, milieugebruiksfuncties en natuurbehoud).<br>
    • Prozon en Propart; statistische modellen voor smogprognose

      Noordijk H; NLB (2003-04-10)
      Het rapport beschrijft 2 statistische smogmodellen die begin jaren negentig zijn ontwikkeld ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Voor ozon is dit het model Prozon, in gebruik sinds 1992. Het model Propart, dat een verwachting geeft voor PM10 (fijn stof), is in de huidige vorm in gebruik sinds 1998. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Deze statistische modellen zijn vervaardigd met het softwarepakket Creamod, ontwikkeld op het RIVM (Noordijk 2003). Dit pakket bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. Een werkend model bestaat uit de rekenstructuur die Creamod en definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd en statistiekbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen.
    • Prozon en Propart; statistische modellen voor smogprognose

      Noordijk H; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-10)
      The report describes two statistical smogmodels which have been developed at the beginning of the Nineties for the daily smog outlook by RIVM. For ozone, the model Prozon is in use since 1992. The model Propart for PM10 is used in its present form since 1998. The prognosis is calculated on the basis of the present concentration. This concentration is multiplied by a correction factor, derived from past measurements. The correction factor depends on the circumstances such as the type of measurement location, the season and the expected changes in weather patterns. These statistical models are constructed with the software Creamod, developed at RIVM. This software package consists of a number of modules which are able to define, construct and evaluate statistical air quality models in fast and transparent way. A working model consists of the arithmetic structure offered by Creamod, a definition file in which the structure of the model is fixed and statistical files in which the correction factors are laid down.
    • Psychische (on)gezondheid; determinanten en de effecten van preventieve interventies

      Maas IAM; Jansen J; VTV (TNO Leiden, 2000-10-25)
      Psychische stoornissen zijn verantwoordelijk voor ruim 23% van de (directe) kosten van de gezondheidszorg (inclusief zorg voor verstandelijke handicap en dementie). Voor een beter onderbouwde preventie binnen het geestelijk volksgezondheidsbeleid is meer kennis nodig over de determinanten van psychische stoornissen en over de mogelijkheden om die determinanten te beinvloeden. Deze state-of-the-art geeft aan dat persoonlijkheidskenmerken als (overmatige) geremdheid, neuroticisme, impulsiviteit en cognitieve en sociaal-communicatieve beperkingen meerdere psychische stoornissen beinvloeden. Dit geldt ook voor traumatische ervaringen in de jeugd, een lage SES, sterke verstedelijking en snelle sociale veranderingen. Theoretisch gezien valt de meeste gezondheidswinst op het terrein van de psychische (on)gezondheid dan ook te behalen door beinvloeding van (het leren omgaan met) deze zogenaamde generieke determinanten. Ten aanzien van de effecten van interventies op determinanten van de psychische gezondheid zijn nog geen definitieve conclusies mogelijk. Het lijkt echter aannemelijk dat met name die interventies veelbelovend zijn die op meerdere determinanten tegelijk aangrijpen. Dit sluit aan bij het gegeven dat interacties tussen determinanten een belangrijke rol spelen in de etiologie van stoornissen. Secundaire preventie van depressie bij ouderen en preventie van druggebruik via schoolprogramma's blijken voldoende doeltreffend om over te gaan tot landelijke implementatie. Interventies gericht op familieleden van psychiatrische patienten lijken doeltreffend in het voorkomen van overbelasting, stress en angst. Een intensivering van het onderzoek naar determinanten van psychische stoornissen is een noodzakelijke voorwaarde om een flinke stap vooruit te maken ten aanzien van de mogelijkheden voor preventie. Daarnaast is het van belang strategieen voor landelijke implementatie van doeltreffende programma's te ontwikkelen en onderzoek op dit terrein te stimuleren.
    • Psychische (on)gezondheid; determinanten en de effecten van preventieve interventies

      Maas IAM; Jansen J; TNO Leiden; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-25)
      Mental disorders constitute an important societal and public health problem, being responsible for over 23% of (direct) health care costs. The use of mental health care services is still growing at a substantial rate. This review illustrates that there is a growing body of knowledge on specific determinants in the etiology of several mental disorders. There is, however, little known about the interrelationships between determinants in the causal chain leading to disorders. Personality traits, traumatic events in childhood, a low socio-economic status, extensive urbanization and rapid social changes in society are related to more than one mental disorder. Interventions influencing these generic determinants, or training to cope with them, will have the greatest potential health benefits. No definite conclusions can be drawn about the effects of interventions, influencing the determinants of mental disorders. Interventions, targeting several determinants at the same time are assumed to be the most promising. The effectiveness of secondary prevention of depression in the elderly and prevention of substance abuse through programs at school has proven sufficient for national implementation. Interventions targeted at family members of psychiatric patients has been seen to prevent the occurrence of distress and anxiety disorders. Investing in research on determinants of mental disorders is a prerequisite for making progress in prevention. Effective programmes should be nationally implemented. As there is practically no information on strategies for implementation within the field of mental disorder prevention, investments in this field are required.
    • De pT-methode voor het bepalen van milieutoxiciteit. Noodzaak en ontwikkelingsstatus

      de Zwart D; Roghair CJ; Struijs J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      De pT-methodiek beoogt een kwantitatieve maat te geven voor de toxiciteit van een milieumonster, rekening houdend met de veelheid en verscheidenheid aan contaminanten en de biologische beschikbaarheid van deze stoffen. De methodiek vormt een aanvulling op de huidige chemische monitoring en het biologisch onderzoek omdat het tegemoet komt aan enkele belangrijke bezwaren van de laatst genoemde methodieken. Dit rapport geeft de noodzaak van het hebben van de pT-methodiek aan evenals de ontwikkelingsstatus van het project waarin de methodiek wordt ontwikkeld. Het rapport dient als onderbouwing voor het besluit om al dan niet door te gaan met de ontwikkeling van de pT-methodiek.<br>
    • The pT-value as environmental policy indicator for the exposure to toxic substances

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-05-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods. The method requires less developmental research and could be incorporated into an integrated national environmental measuring network on a short notice. Finally the usefulness of the pT is indicated in relation to the identification of emission sources and hazardous chemical compounds, as well as in relation to ecodistrict differentiated AMOEBE- presentations.<br>
    • De pT-waarde als milieubeleidsindicator voor de verspreiding van toxische stoffen

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods.<br>
    • Public health genomics : Wat zijn de kansen voor preventie?

      van den Berg M; van Kranen HJ; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-28)
      In Nederland wordt op het genoom gebaseerde kennis en technologie nog weinig toegepast in de publieke gezondheidszorg. De ontwikkelingen op dit vakgebied, dat public health genomics wordt genoemd, gaan ook in Nederland langzamer dan verwacht. Deskundigen hebben hier verschillende verklaringen voor, waaronder de biologische complexiteit van het genoom en de interacties met de omgeving, en de vaak lage voorspellende waarde van genetische variaties voor chronische ziekten. Daarnaast ervaren deskundigen de trage besluitvorming en maatschappelijke discussies over nieuwe mogelijkheden op het gebied van public health genomics als vertragend. Toch zijn er veelbelovende ontwikkelingen voor toekomstige toepassingen van public health genomics. Dit geldt met name voor ziektepreventie, bijvoorbeeld het gebruiken van genetische risicoprofielen bij kankerscreening, het toepassen van prenatale testen die meer zekerheid en minder risico's bieden dan de huidige testen, en het screenen van paren met een kinderwens op dragerschap van erfelijke aandoeningen. Van genomics-toepassingen bij gezondheidsbevordering zijn minder hoge verwachtingen. Zo lijkt het communiceren van genetische risicoinformatie over ziekten als diabetes of hart- en vaatziekten maar beperkte toegevoegde waarde te hebben bij leefstijlinterventies. In opdracht van ZonMw heeft het RIVM de stand van zaken van public health genomics in Nederland en de kansen voor preventie in kaart gebracht. Het onderzoek bestond uit literatuurinventarisatie, deskundigenconsultatie en een viertal casestudies. Voor de deskundigenconsultatie werden deskundigen in Nederland op het gebied van public health genomics, of een gerelateerd vakgebied, uitgenodigd om aan een online discussieplatform deel te nemen. Hierbij konden zij reageren op stellingen over huidige toepassingen en toekomstverwachtingen van public health genomics.
    • Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition

      Kramers PGN; ECHI (European Community Health Indicators) team; ECHI team; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-19)
      This ECHI-2 report (ECHI = European Community Health Indicators) presents a list of indicators in the field of public health. The indicators range from health status (e.g. cancer incidence) through health determinants (e.g. nutrition, air pollution) to preventive actions and health care systems. The list is intended to support public health policies, by providing increasing quality, consensus and uniformity of public health data collection within the 25 EU Member States. The results presented in the report include the following: (1) the ECHI 'long list', which is primarily an inventory of indicators proposed by many expert projects supported by DG Sanco, arranged according to a robust conceptual frame; (2) the concept of 'user-windows' which allows for the interest-oriented selection of subsets of indicators; (3) the ECHI shortlist, which is selected as a subset from the long list for first priority implementation; and (4) a web-based application (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) (www.healthindicators.org) in which the ECHI indicators are listed, along with the indicators used by Eurostat, WHO-Europe (the HFA database) and the OECD (OECD health data). The report is the result of six years work carried out by an expert team from 16 EU Member States and Norway, and representatives from international organisations. Especially the shortlist has been taken up by DG Sanco for stimulating further work in public health information. The data for the shortlist are being presented by DG Sanco on their Europa website. Several Member States use ECHI as a guideline for the development of national health information systems.
    • Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition

      Kramers PGN; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECHI (European Community Health Indicators) team, 2006-07-19)
      Het ECHI-2 rapport (ECHI = European Community Health Indicators) presenteert een lijst van indicatoren voor het gehele terrein van de volksgezondheid. De indicatoren betreffen de gezondheidstoestand (bijv. kankerincidentie), determinanten van gezondheid (zoals voeding, luchtverontreiniging), maar ook preventieve activiteiten en aspecten van het zorgsysteem. De lijst is opgesteld om volksgezondheidsbeleid te ondersteunen, door meer kwaliteit, consensus en uniformiteit te crekren in de gegevensverzameling door de 25 EU lidstaten. De resultaten omvatten de volgende onderdelen: (1) De ECHI lange lijst, vooral een inventaris van indicatoren die zijn voorgesteld door een groot aantal specialistische projecten die zijn gesubsidieerd door DG Sanco. De lijst is geordend in een robuust conceptueel raamwerk.(2) Het 'user-window' concept, voor de selectie van onderwerp-gerichte subsets van indicatoren. (3) De ECHI shortlist, geselecteerd als een subset van de lange lijst, bedoeld als een prioriteitenlijst voor het werk aan harmonisatie van gegevensverzameling en -presentatie. (4) Een web-applicatie (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) (www.healthindicators.org) waarin de ECHI indicatoren zijn opgenomen, naast de indicatoren gebruikt door Eurostat, WHO-Europa (de HFA database) en de OECD (OECD health data). Het rapport is het resultaat van zes jaar werk door een team van deskundigen uit 16 EU lidstaten en Noorwegen, aangevuld met vertegenwoordigers van internationale organisaties. Met name de 'shortlist' is opgepakt door DG Sanco als kader voor het stimuleren van verder werk in de informatievoorziening op het terrein van de volksgezondheid. De gegevens behorend bij de shortlist indicatoren worden door DG Sanco gepresenteerd op de Europa website. Diverse EU landen hebben de ECHI lijst al gebruikt als richtlijn bij het ontwikkelen van nationale gezondheidsinformatiesystemen.
    • Public Health Status and Forecasts for the European Union. Outline for a Report

      Achterberg PW; Helder JC; Hollander AEM de; Kramers PGN; Kromhout D; Smit HA; VTV, ISC, CCM, SB2 (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      Article 129 of the Maastricht Treaty on the European Union (February 1992) has presented the Commission with new responsibilities in the field of Public Health. In several policy documents evaluating this new mandate the need to coordinate policy and programme development and stimulate collaboration between Member States has been stressed. The importance of consultation and participation mechanisms, using a variety of organisations and networks, is also seen as essential. The actions of the EU will focus on the harmonised collection, evaluation and dissemination of health information, on the mutual exchange of know-how and experience between Member States and, eventually, on the definition of common health policy objectives and strategies. To support these actions a European Public Health Status and Forecast (PHSF) report is proposed, comprising: - a comprehensive, explanatory and comparative analysis of health status in the EU - Public Health forecasts for major health issues, based on demographic extrapolation,trend analysis and dynamic system analysis. This document presents the outline for a such a policy-oriented, comprehensive PHSF report, which must be produced as a collaborative, European, effort. The backbone of the proposed PHSF report is a conceptual model that describes the various components of Public Health and their interrelationships. A systematic line of analysis is devised to arrive at a comparative assessment of major aspects of health status and their determinants in the EU and its Member States. This analysis will produce an appreciation of important trends in major health issues, an estimate of the changing impact of underlying causes and, finally, an appraisal of the future health gains that can be expected to result from a range of policy options. In this approach aggregated health measures, such as health expectancy will be assessed incorporating other data (e.g. on cause-specific mortality, on morbidity and quality of life) and, where possible, linked to determinants of health. The added value of a successful PHSF exercise will be the establishment of a comprehensive, uniform and consistent data structure containing health indicators tailored to the European situation. This will assist Member States in undertaking cooperative ventures in the field of Public Health. The report will expand on information collected previously in descriptive documents and contribute to regular reporting on Public Health in the EU, a necessity already recognized by the Commission. In a feasibility study following this outline a number of the issues addressed here will be elaborated in more detail. Key institutions and networks active in collecting, analysing and comparing international health data will be identified. Expert collaborators must be involved and data requirements and sources must be specified. The feasibility study should also include details related to the organisation, costs and planning of a PHSF report for the European Union.
    • Public Health Status and Forecasts for the European Union. Outline for a Report

      Achterberg PW; Helder JC; de Hollander AEM; Kramers PGN; Kromhout D; Smit HA; VTV; ISC; CCM; SB2 (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      Sinds het verdrag van Maastricht (februari 1992) heeft de Europese Commissie nieuwe verantwoordelijkheden ten aanzien van Public Health. In een aantal beleidsrapporten van de EU is de noodzaak gesignaleerd om de coordinatie van beleidsontwikkeling en programmering verder te ontwikkelen en samenwerking tussen lidstaten te stimuleren. Consultatie en participatie mechanismen via diverse organisaties en netwerken worden daarbij als belangrijk gezien. De activiteiten van de EU zullen zich richten op harmonisering van de data verzameling, op de evaluatie en verspreiding van informatie over gezondheid en op het uitwisselen van kennis en ervaring tussen de lidstaten en, uiteindelijk, op de formulering van een gezamenlijke strategie en doelstellingen voor het gezondheidsbeleid. Om deze activiteiten te ondersteunen wordt een Europese Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Public Health Status and Forecasts: PHSF) voorgesteld, waarin: - een brede, verklarende en vergelijkende analyse van de volksgezondheid in de EU ; - toekomstverkenningen voor belangrijke Public Health vraagstukken, gebaseerd op demografische extrapolaties, trend analyses and dynamische systeem analyse. Deze 'outline' bevat het ontwerp voor zo'n beleidsgericht, breed opgezet, PHSF-rapport, dat geproduceerd moet worden via een omvangrijk Europees samenwerkingsverband. De ruggegraat van het voorgestelde PHSF-rapport wordt een conceptueel model, dat relaties tussen de diverse elementen van Public Health beschrijft. Een systematische analyselijn wordt beschreven om tot een vergelijkende studie van belangrijke aspecten van de volksgezondheid en de achterliggende determinanten te komen voor de EU en haar lidstaten. Een dergelijke analyse zal de belangrijkste trends en ontwikkelingen en achterliggende oorzaken aangeven en daarnaast een indruk geven van in de toekomst mogelijk te behalen gezondheidswinst door specifieke beleidsmaatregelen. In deze benadering zullen geaggregeerde gezondheidsmaten, zoals gezonde levensverwachting, worden meegenomen, waarvoor andere gezondheidsgegevens (sterfte, ziekteprevalentie, kwaliteit van leven) nodig zijn en die waar mogelijk gekoppeld zullen worden aan gegevens over determinanten van gezondheid. De toegevoegde waarde van een geslaagd PHSF-rapport is het onstaan van een brede, uniforme en consistente gegevensset, die indicatoren bevat die relevant zijn voor de volksgezondheid in de Europese Unie. Dit kan de lidstaten ondersteunen bij het aangaan van samenwerkingsverbanden.Het rapport zal voortbouwen op de informatie die is gegeven in eerdere, meer beschrijvende, documenten en zo een aanzet geven tot een regelmatige rapportage over Public Health in de EU, een noodzaak die ook door de Commissie wordt onderschreven.In een haalbaarheidsstudie volgend op dit ontwerprapport moet de aanpak in meer detail worden uitgewerkt. Daarbij moeten instituten en netwerken worden ingeschakeld, die een belangrijke rol spelen bij het verzamelen, analyseren en vergelijken van internationale gezondheidsgegevens. De juiste experts moeten worden benaderd en databehoefte en bronnen moeten worden gespecificeerd. De haalbaarheidsstudie moet ook de verdere details uitwerken van de organisatie, kosten en planning van een PHSF-rapport voor de Europese Unie.<br>