• De pT-methode voor het bepalen van milieutoxiciteit. Noodzaak en ontwikkelingsstatus

      de Zwart D; Roghair CJ; Struijs J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      De pT-methodiek beoogt een kwantitatieve maat te geven voor de toxiciteit van een milieumonster, rekening houdend met de veelheid en verscheidenheid aan contaminanten en de biologische beschikbaarheid van deze stoffen. De methodiek vormt een aanvulling op de huidige chemische monitoring en het biologisch onderzoek omdat het tegemoet komt aan enkele belangrijke bezwaren van de laatst genoemde methodieken. Dit rapport geeft de noodzaak van het hebben van de pT-methodiek aan evenals de ontwikkelingsstatus van het project waarin de methodiek wordt ontwikkeld. Het rapport dient als onderbouwing voor het besluit om al dan niet door te gaan met de ontwikkeling van de pT-methodiek.<br>
    • The pT-value as environmental policy indicator for the exposure to toxic substances

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-05-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods. The method requires less developmental research and could be incorporated into an integrated national environmental measuring network on a short notice. Finally the usefulness of the pT is indicated in relation to the identification of emission sources and hazardous chemical compounds, as well as in relation to ecodistrict differentiated AMOEBE- presentations.<br>
    • De pT-waarde als milieubeleidsindicator voor de verspreiding van toxische stoffen

      Slooff W; de Zwart D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      This report contains a proposal for an indicator to measure the effectivity of the environmental policy with regard to the theme "Verspreiding" of the Directorate-General for Environmental Protection. It is recommended to use a method which indicates the toxicity of organic pollutants as present in the environment. The method combines the advantages of both chemical and biological methods.<br>
    • Public health genomics : Wat zijn de kansen voor preventie?

      van den Berg M; van Kranen HJ; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-28)
      In Nederland wordt op het genoom gebaseerde kennis en technologie nog weinig toegepast in de publieke gezondheidszorg. De ontwikkelingen op dit vakgebied, dat public health genomics wordt genoemd, gaan ook in Nederland langzamer dan verwacht. Deskundigen hebben hier verschillende verklaringen voor, waaronder de biologische complexiteit van het genoom en de interacties met de omgeving, en de vaak lage voorspellende waarde van genetische variaties voor chronische ziekten. Daarnaast ervaren deskundigen de trage besluitvorming en maatschappelijke discussies over nieuwe mogelijkheden op het gebied van public health genomics als vertragend. Toch zijn er veelbelovende ontwikkelingen voor toekomstige toepassingen van public health genomics. Dit geldt met name voor ziektepreventie, bijvoorbeeld het gebruiken van genetische risicoprofielen bij kankerscreening, het toepassen van prenatale testen die meer zekerheid en minder risico's bieden dan de huidige testen, en het screenen van paren met een kinderwens op dragerschap van erfelijke aandoeningen. Van genomics-toepassingen bij gezondheidsbevordering zijn minder hoge verwachtingen. Zo lijkt het communiceren van genetische risicoinformatie over ziekten als diabetes of hart- en vaatziekten maar beperkte toegevoegde waarde te hebben bij leefstijlinterventies. In opdracht van ZonMw heeft het RIVM de stand van zaken van public health genomics in Nederland en de kansen voor preventie in kaart gebracht. Het onderzoek bestond uit literatuurinventarisatie, deskundigenconsultatie en een viertal casestudies. Voor de deskundigenconsultatie werden deskundigen in Nederland op het gebied van public health genomics, of een gerelateerd vakgebied, uitgenodigd om aan een online discussieplatform deel te nemen. Hierbij konden zij reageren op stellingen over huidige toepassingen en toekomstverwachtingen van public health genomics.
    • Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition

      Kramers PGN; ECHI (European Community Health Indicators) team; ECHI team; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-19)
      This ECHI-2 report (ECHI = European Community Health Indicators) presents a list of indicators in the field of public health. The indicators range from health status (e.g. cancer incidence) through health determinants (e.g. nutrition, air pollution) to preventive actions and health care systems. The list is intended to support public health policies, by providing increasing quality, consensus and uniformity of public health data collection within the 25 EU Member States. The results presented in the report include the following: (1) the ECHI 'long list', which is primarily an inventory of indicators proposed by many expert projects supported by DG Sanco, arranged according to a robust conceptual frame; (2) the concept of 'user-windows' which allows for the interest-oriented selection of subsets of indicators; (3) the ECHI shortlist, which is selected as a subset from the long list for first priority implementation; and (4) a web-based application (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) (www.healthindicators.org) in which the ECHI indicators are listed, along with the indicators used by Eurostat, WHO-Europe (the HFA database) and the OECD (OECD health data). The report is the result of six years work carried out by an expert team from 16 EU Member States and Norway, and representatives from international organisations. Especially the shortlist has been taken up by DG Sanco for stimulating further work in public health information. The data for the shortlist are being presented by DG Sanco on their Europa website. Several Member States use ECHI as a guideline for the development of national health information systems.
    • Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition

      Kramers PGN; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECHI (European Community Health Indicators) team, 2006-07-19)
      Het ECHI-2 rapport (ECHI = European Community Health Indicators) presenteert een lijst van indicatoren voor het gehele terrein van de volksgezondheid. De indicatoren betreffen de gezondheidstoestand (bijv. kankerincidentie), determinanten van gezondheid (zoals voeding, luchtverontreiniging), maar ook preventieve activiteiten en aspecten van het zorgsysteem. De lijst is opgesteld om volksgezondheidsbeleid te ondersteunen, door meer kwaliteit, consensus en uniformiteit te crekren in de gegevensverzameling door de 25 EU lidstaten. De resultaten omvatten de volgende onderdelen: (1) De ECHI lange lijst, vooral een inventaris van indicatoren die zijn voorgesteld door een groot aantal specialistische projecten die zijn gesubsidieerd door DG Sanco. De lijst is geordend in een robuust conceptueel raamwerk.(2) Het 'user-window' concept, voor de selectie van onderwerp-gerichte subsets van indicatoren. (3) De ECHI shortlist, geselecteerd als een subset van de lange lijst, bedoeld als een prioriteitenlijst voor het werk aan harmonisatie van gegevensverzameling en -presentatie. (4) Een web-applicatie (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) (www.healthindicators.org) waarin de ECHI indicatoren zijn opgenomen, naast de indicatoren gebruikt door Eurostat, WHO-Europa (de HFA database) en de OECD (OECD health data). Het rapport is het resultaat van zes jaar werk door een team van deskundigen uit 16 EU lidstaten en Noorwegen, aangevuld met vertegenwoordigers van internationale organisaties. Met name de 'shortlist' is opgepakt door DG Sanco als kader voor het stimuleren van verder werk in de informatievoorziening op het terrein van de volksgezondheid. De gegevens behorend bij de shortlist indicatoren worden door DG Sanco gepresenteerd op de Europa website. Diverse EU landen hebben de ECHI lijst al gebruikt als richtlijn bij het ontwikkelen van nationale gezondheidsinformatiesystemen.
    • Public Health Status and Forecasts for the European Union. Outline for a Report

      Achterberg PW; Helder JC; Hollander AEM de; Kramers PGN; Kromhout D; Smit HA; VTV, ISC, CCM, SB2 (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      Article 129 of the Maastricht Treaty on the European Union (February 1992) has presented the Commission with new responsibilities in the field of Public Health. In several policy documents evaluating this new mandate the need to coordinate policy and programme development and stimulate collaboration between Member States has been stressed. The importance of consultation and participation mechanisms, using a variety of organisations and networks, is also seen as essential. The actions of the EU will focus on the harmonised collection, evaluation and dissemination of health information, on the mutual exchange of know-how and experience between Member States and, eventually, on the definition of common health policy objectives and strategies. To support these actions a European Public Health Status and Forecast (PHSF) report is proposed, comprising: - a comprehensive, explanatory and comparative analysis of health status in the EU - Public Health forecasts for major health issues, based on demographic extrapolation,trend analysis and dynamic system analysis. This document presents the outline for a such a policy-oriented, comprehensive PHSF report, which must be produced as a collaborative, European, effort. The backbone of the proposed PHSF report is a conceptual model that describes the various components of Public Health and their interrelationships. A systematic line of analysis is devised to arrive at a comparative assessment of major aspects of health status and their determinants in the EU and its Member States. This analysis will produce an appreciation of important trends in major health issues, an estimate of the changing impact of underlying causes and, finally, an appraisal of the future health gains that can be expected to result from a range of policy options. In this approach aggregated health measures, such as health expectancy will be assessed incorporating other data (e.g. on cause-specific mortality, on morbidity and quality of life) and, where possible, linked to determinants of health. The added value of a successful PHSF exercise will be the establishment of a comprehensive, uniform and consistent data structure containing health indicators tailored to the European situation. This will assist Member States in undertaking cooperative ventures in the field of Public Health. The report will expand on information collected previously in descriptive documents and contribute to regular reporting on Public Health in the EU, a necessity already recognized by the Commission. In a feasibility study following this outline a number of the issues addressed here will be elaborated in more detail. Key institutions and networks active in collecting, analysing and comparing international health data will be identified. Expert collaborators must be involved and data requirements and sources must be specified. The feasibility study should also include details related to the organisation, costs and planning of a PHSF report for the European Union.
    • Public Health Status and Forecasts for the European Union. Outline for a Report

      Achterberg PW; Helder JC; de Hollander AEM; Kramers PGN; Kromhout D; Smit HA; VTV; ISC; CCM; SB2 (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      Sinds het verdrag van Maastricht (februari 1992) heeft de Europese Commissie nieuwe verantwoordelijkheden ten aanzien van Public Health. In een aantal beleidsrapporten van de EU is de noodzaak gesignaleerd om de coordinatie van beleidsontwikkeling en programmering verder te ontwikkelen en samenwerking tussen lidstaten te stimuleren. Consultatie en participatie mechanismen via diverse organisaties en netwerken worden daarbij als belangrijk gezien. De activiteiten van de EU zullen zich richten op harmonisering van de data verzameling, op de evaluatie en verspreiding van informatie over gezondheid en op het uitwisselen van kennis en ervaring tussen de lidstaten en, uiteindelijk, op de formulering van een gezamenlijke strategie en doelstellingen voor het gezondheidsbeleid. Om deze activiteiten te ondersteunen wordt een Europese Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Public Health Status and Forecasts: PHSF) voorgesteld, waarin: - een brede, verklarende en vergelijkende analyse van de volksgezondheid in de EU ; - toekomstverkenningen voor belangrijke Public Health vraagstukken, gebaseerd op demografische extrapolaties, trend analyses and dynamische systeem analyse. Deze 'outline' bevat het ontwerp voor zo'n beleidsgericht, breed opgezet, PHSF-rapport, dat geproduceerd moet worden via een omvangrijk Europees samenwerkingsverband. De ruggegraat van het voorgestelde PHSF-rapport wordt een conceptueel model, dat relaties tussen de diverse elementen van Public Health beschrijft. Een systematische analyselijn wordt beschreven om tot een vergelijkende studie van belangrijke aspecten van de volksgezondheid en de achterliggende determinanten te komen voor de EU en haar lidstaten. Een dergelijke analyse zal de belangrijkste trends en ontwikkelingen en achterliggende oorzaken aangeven en daarnaast een indruk geven van in de toekomst mogelijk te behalen gezondheidswinst door specifieke beleidsmaatregelen. In deze benadering zullen geaggregeerde gezondheidsmaten, zoals gezonde levensverwachting, worden meegenomen, waarvoor andere gezondheidsgegevens (sterfte, ziekteprevalentie, kwaliteit van leven) nodig zijn en die waar mogelijk gekoppeld zullen worden aan gegevens over determinanten van gezondheid. De toegevoegde waarde van een geslaagd PHSF-rapport is het onstaan van een brede, uniforme en consistente gegevensset, die indicatoren bevat die relevant zijn voor de volksgezondheid in de Europese Unie. Dit kan de lidstaten ondersteunen bij het aangaan van samenwerkingsverbanden.Het rapport zal voortbouwen op de informatie die is gegeven in eerdere, meer beschrijvende, documenten en zo een aanzet geven tot een regelmatige rapportage over Public Health in de EU, een noodzaak die ook door de Commissie wordt onderschreven.In een haalbaarheidsstudie volgend op dit ontwerprapport moet de aanpak in meer detail worden uitgewerkt. Daarbij moeten instituten en netwerken worden ingeschakeld, die een belangrijke rol spelen bij het verzamelen, analyseren en vergelijken van internationale gezondheidsgegevens. De juiste experts moeten worden benaderd en databehoefte en bronnen moeten worden gespecificeerd. De haalbaarheidsstudie moet ook de verdere details uitwerken van de organisatie, kosten en planning van een PHSF-rapport voor de Europese Unie.<br>
    • Public Health Status and Forecasts. The health status of the Dutch population over the period 1950-2010

      Ruwaard D; Kramers PGN; van den Berg Jeths A; Achterberg PW; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDiverse onderzoeksinstituten, 1993-12-31)
      Dit document verschaft een overzicht van: 1) de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking ; 2) factoren (determinanten) welke bepalend zijn voor de huidige gezondheidstoestand ; 3) trends uit het verleden en mogelijke toekomstige ontwikkelingen ; 4) een evaluatie van de verzamelde informatie. De Volksgezondheid Toekomstverkenningen dient als basis voor het Nederlandse gezondheidsbeleid (zorgbeleid, preventiebeleid en facetbeleid). Hiertoe zijn verschillende soorten informatie middels een conceptueel model in hun onderling verband geplaatst. Indicatoren als sterfte, levensverwachting en voorkomen van ziekten zijn in de structuur van dit model opgenomen.<br>
    • Publieksperceptie van Stralingsrisico's: Betekenis voor Risicocommunicatie

      Staal YCM; Kerckhoffs T; MNS; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-26)
      Het algemene publiek oordeelt anders over de risico's van een ongeval waarbij straling vrijkomt dan experts. Beide groepen schatten de kans dat er een ernstig incident plaatsvindt in als heel klein. Echter, anders dan deskundigen verwachten burgers ten onrechte dat een kernongeval onder de bevolking veel sterfgevallen en misvormingen veroorzaakt, ook op grote afstand. Dit verschil bestaat doordat het publiek zijn mening op andere factoren baseert dan deskundigen, die zich vooral op technische informatie baseren. Voor effectieve communicatie over stralingsrisico's is het van belang om goed aan te sluiten bij wat mensen weten en denken. Vier factoren zijn belangrijk voor de manier waarop het publiek een risico beoordeelt. Als eerste is er de bekendheid met het risico. Wanneer mensen weinig bekend zijn met een risico, zullen ze deze als groot zien. Communicatie over risico's van straling dient zich dus juist te richten op het vergroten van kennis over bijvoorbeeld de werking van centrales. Ook persoonlijke omstandigheden en ervaringen zijn van invloed op de beleving van een risico. Mensen vormen een 'plaatje' (kennis, ideeën en beelden) over de gevolgen van een kernongeval. Door dit 'plaatje' naast dat van deskundigen te leggen, kan worden gezien waar de verschillen zitten. Dit kunnen dan speerpunten worden voor communicatie. Uit eerder onderzoek naar deze verschillen blijkt dat er vooral behoefte is aan informatie over welke maatregelen mensen kunnen nemen bij een ongeval en waar zich überhaupt kerncentrales bevinden. Als derde is er de houding tegenover een bepaalde activiteit. Die houding is positiever naarmate mensen er voordelen van ervaren en meer vertrouwen hebben in relevante regelgevende en toezichthoudende instanties. Om dit vertrouwen te behouden en te vergroten is het belangrijk dat communicatie vanuit deze instanties transparant en feitelijk juist is. Een uitdaging hierbij is dat wetenschappelijke informatie vaak op verschillende, alternatieve manieren kan worden uitgelegd. Dit is iets wat vertrouwen in instanties en hun interpretatie van deze informatie onder druk kan zetten. Ten slotte zijn er signalen uit de sociale omgeving aan de hand waarvan mensen een oordeel vormen over een risico, bijvoorbeeld van vrienden of de sociale media. Aangezien de sociale media steeds belangrijker worden, doen instanties er goed aan om ook via deze kanalen contact te hebben met burgers. Een goed opgezette sociale media strategie is hierbij belangrijk. Men moet rekening houden met wat mensen al weten en denken, maar ook met de uitdagingen van sociale media zoals de aanwezigheid van partijen die hun doelstellingen willen ondermijnen.
    • Puntprevalentieonderzoek naar antibioticaresistentie in verpleeghuizen

      van Kleef, E; Wielders, L; Bijkerk, P; Beishuizen, B; Schouls, L; van der Lubben, M; de Greeff, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-26)
      In 2018 is in Nederland een landelijk onderzoek gestart naar dragerschap van antibioticaresistente bacteriën onder verpleeghuisbewoners. Als geheel staat de verpleeghuissector er goed voor. Door dit onderzoek is er een completer beeld van antibioticaresistentie in Nederland. Voor dit onderzoek zijn 4420 bewoners in 159 verpleeghuizen onderzocht. Er is naar twee soorten resistente darmbacteriën onderzoek gedaan (ESBL en CPE). Er werd geen CPE aangetroffen. Dat is gunstig, want er zijn nauwelijks antibiotica die infecties met deze bacterie kunnen behandelen. Het aandeel bewoners van verpleeghuizen dat een ESBL-bacterie bij zich droeg komt gemiddeld genomen overeen met het percentage in de Nederlandse bevolking. ESBL's zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica zoals penicillines kunnen afbreken waardoor de antibiotica niet meer werken. Bij een derde van de deelnemende verpleeghuizen, kwamen meer ESBL-bacteriën onder bewoners voor dan gemiddeld in Nederland. Bij hen is extra onderzoek gedaan om te bepalen of er sprake was van verspreiding onder de bewoners. Ook kregen ze advies over maatregelen om ervoor te zorgen dat de bacteriën zich niet verder verspreiden. Het onderzoek is onderdeel van de landelijke aanpak van antibioticaresistentie door de Nederlandse overheid. Het doel is om verdere resistentie te voorkomen en de gevolgen ervan zo veel mogelijk te beperken. Tot dit onderzoek werd uitgevoerd was er nog weinig zicht op de situatie in verpleeghuizen. De landelijke aanpak is opgezet omdat bacteriën wereldwijd steeds vaker ongevoelig worden voor antibiotica. Het RIVM coördineerde de studie, die is uitgevoerd door Regionale Zorgnetwerken Antibioticaresistentie (RZN), medisch microbiologische laboratoria, en verpleeghuizen. De RZN zijn opgezet om antibioticaresistentie regionaal te voorkomen en te bestrijden.
    • Pyridine: an overview of available data on mutagenicity and carcinogenicity

      Chen, W; Zijtveld, D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-18)
      De stof pyridine wordt gebruikt als oplosmiddel voor een breed scala aan producten. Het zit bijvoorbeeld in verf, rubber, waterafstotende textielstoffen, geneesmiddelen en vitaminen en smaakstoffen voor levensmiddelen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of pyridine kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt ze ook om een advies op te stellen voor classificatie van de stof. Dit gebeurt op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De uiteindelijke beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen van de Gezondheidsraad. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS). De GBBS richt zich op gezondheidsrisico’s door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
    • Pyrrolizidine alkaloïden in kruidenpreparaten

      de Wit L; Geraets L; Bokkers B; Jeurissen S; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-08)
      Pyrrolizidine alkaloïden (PA's) zijn stoffen die van nature in veel plantensoorten voorkomen, onder andere in kruiden. Deze stoffen zijn schadelijk als mensen ze in te grote hoeveelheden binnenkrijgen. Ze hebben kankerverwekkende eigenschappen en kunnen de lever ernstig beschadigen. Er bestaat een productnorm voor de maximaal toegestane hoeveelheid PA's in kruidenpreparaten (1 microgram per kilo). Het RIVM heeft onderzocht of de productnorm nog steeds overeenkomt met de huidige wetenschappelijke inzichten. Voor kruidenthee en voedingssupplementen met kruiden is dat het geval. Vanuit wetenschappelijk oogpunt zou voor deze productgroepen een iets minder strenge norm mogelijk zijn (5 microgram per kilo). Maar vanwege de kankerverwekkende eigenschappen van PA's is het wenselijk om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Behalve voor kruidenthee en voedingssupplementen met kruiden geldt de productnorm ook voor andere levensmiddelen waaraan kruiden(extracten) zijn toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn frisdranken of snoepjes met kruidenextracten. Over de samenstelling en consumptie van deze 'overige kruidenpreparaten' is te weinig bekend om conclusies over een aanpassing van de huidige productnorm te trekken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten een risicobeoordeling is opgesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
    • Q fever: the answer is blowing in the wind : Detection of Coxiella burnetii in aerosols

      de Bruin A; van der Plaats R; Janse I; van Rotterdam B; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-25)
      Coxiella burnetii is a bacterium that causes Q fever, a zoonosis that affects large numbers of both humans and animals. From 2007 to 2010, large outbreaks of Q fever were observed in a rural area in the Netherlands. In 2009, field studies were started to investigate if C. burnetii DNA can be detected in aerosols on and in the near vicinity of Q fever affected farms. In 2010, these studies were continued in two areas studied in 2009, in the provinces of Noord-Brabant and Zuid-Limburg, to investigate if C. burnetii DNA was still present in aerosols in these areas. In both areas, the C. burnetii DNA content in aerosols obtained in 2010 seemed to have declined in comparison to data of the same locations visited in 2009. These data are in agreement with the observed reduction in the number of reported Q fever cases in 2010 in comparison to 2009. Possible explanations for this decline could be the start of a mandatory vaccination campaign for small ruminants in 2009 and the culling of pregnant animals on Q fever affected farms that started at the end of 2009. This data will be used in future investigations, in which we will combine molecular detection and typing methods for C. burnetii in aerosols with mathematical modelling to get more insight in the transmission of C. burnetii via aerosols and track (individual) sources for C. burnetii infection.
    • (Q)SARs for human toxicological endpoints: a literature search

      Hulzebos E; Schielen P; Masilankiewicz L; CSR; NVIC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      The goal here was to describe human toxicological SARs (structure-activity relationships) available in the literature and used by the US EPA (Environmental Protection Agency). The CSR laboratory investigated implementation of SARs for the effect assessment. SARs correlate the molecular structure with biological-chemical or physico-chemical activity. These correlations are quantified in quantitative structure-activity relationships (QSARs). The (Q)SARs described are roughly divided into rule-based SARs and statistical SARs. The rule-based SAR uses similar chemicals (collected in chemical categories) having the same mechanism of action and descriptors for this mechanism was to predict the effect of other similar chemicals. The statistical SAR bases its prediction on statistical derived descriptors of more heterogeneous groups of chemicals. The development of SARs during the years has brought the two types of SARs together. The QSARs found need further validation before they can be used for the effect evaluation. QSAR methodology can be implemented. Predicting the effect of a chemical similar to an already assessed chemical or chemical category is used at RIVM/CSR on an ad-hoc basis for effect assessment. (Q)SAR methodology, chemical categories, and SAR features such as electronic effects should be implemented more systemically; this will increase the expertise of using SARs and the transparency of the effect assessment.
    • (Q)SARs for human toxicological endpoints: a literature search

      Hulzebos E; Schielen P; Masilankiewicz L; CSR; NVIC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      Het doel van dit rapport is het beschrijven van humaan toxicologische SARs (structuur-activiteitsrelaties) die beschikbaar zijn in de literatuur alsmede de SARs die gebruikt worden door de US EPA (Environmental Protection Agency). De implementatie van het gebruik van SARs voor de effect assessment bij CSR is onderzocht. Structuur-activiteitsrelaties (SARs) correleren de moleculaire structuur met biologisch-chemische of fysisch-chemische activiteit. In kwantitatieve structuur-activiteitsrelaties (QSARs) zijn deze correlaties gekwantificeerd. De (Q)SARs worden grofweg verdeeld in "rule-based" SARs en statistische SARs. "Rule-based" SAR gebruikt vergelijkbare stoffen (verzameld in chemische klassen) die hetzelfde werkingsmechanisme hebben. Tevens worden beschrijvers (descriptoren) afgeleid voor dit werkingsmechanisme om het effect van andere vergelijkbare stoffen te voorspellen. De statistische SAR baseert zijn voorspelling op statistisch verkregen beschrijvers van meer heterogene groepen stoffen. De ontwikkeling van de SARs gedurende de jaren hebben beide typen SAR nader tot elkaar gebracht. De gevonden (Q)SARs hebben verder validatie nodig voordat ze gebruikt kunnen worden voor de effect assessment. De onderliggende QSAR methodologie kan geimplementeerd worden. Het voorspellen van het effect van een stof vergelijkbaar met een al eerder gevalueerde stof of een chemische klasse wordt gebruikt op een ad-hoc basis bij CSR. (Q)SAR methodologie, chemische klassen, SAR kenmerken zoals electronische effecten, zouden geimplementeerd moeten worden op een meer systematische manier om de expertise over SARs en om de helderheid van de effect assessment te vergroten.<br>
    • Q-koorts - ruimingen van besmette bedrijven : Evaluatieonderzoek onder geitenhouders

      van der Velden PG; Dusseldorp A; Drogendijk A; van Overveld A; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMInstituut voor Psychotrauma, 2011-06-20)
      Geitenhouders van wie het bedrijf is geruimd tijdens de Q-koortscrisis, maken zich grote zorgen over de toekomst van hun bedrijf. Net als hun partners en kinderen hebben ze veel stress ondervonden van de ruimingen, het fokverbod en de gevolgen ervan. Veel vaker dan de nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders kampen zij met matig ernstige tot ernstige depressieve klachten. De zorgen over de toekomst blijken sterk samen te hangen met depressieve klachten. Wel is het merendeel tevreden over de informatievoorziening over de ruimingen, over de manier waarop de ruimingen zijn verlopen en hoe ze daarbij zijn bejegend Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM en het IVP. Het is in opdracht van het ministerie van VWS en EL&I uitgevoerd om te inventariseren welke behoefte aan steun nog bestaat onder de getroffen geitenhouders. Het tweede doel is om lessen trekken voor toekomstige dierziektecrises. De ondervraagde veehouders hebben na de ruimingen de meeste steun ervaren van mensen in de directe omgeving (familie, collega's). Eén op de vijf getroffenen heeft behoefte aan aanvullende ondersteuning. In overleg met de doelgroep zou een aantal punten kunnen worden besproken die nog verbetering behoeven. Dat betreft de voornamelijk ondersteuning voor bedrijfsmatige kwesties en de barrieres om professionele hulp te vragen als daar behoefte aan is. Voor het onderzoek zijn onder 63 getroffen geitenhouders en 122 nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders telefonische interviews afgenomen. Hierbij zijn vragen beantwoord over het verloop van de ruimingen, de financiele situatie, sociale steun en (psychische) gezondheid.
    • QA/QC of outside agencies in the Greenhouse Gas Emission Inventory. Update of the background information in the Netherlands National System

      Wanders, J; van Aar, M; Bongers, B; ten Cate, B; Denneman, A; Dröge, R; van Huet, B; Wever, D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-11)
      Pursuant to the United Nations Framework Convention on Climate Change, the Kyoto Protocol and EU legislation, the Netherlands is required to monitor the quantities of greenhouse gases emitted and to report on this annually. This obligation entails a series of reports, known collectively as the National Greenhouse Gas Inventory System, which comprises the annual report on actual emissions, reports on the method and descriptions of the quality monitoring and management. The latter include the description of quality assurance and control (QA/QC) at organisations that emit greenhouse gases but do not fall under the direct influence of the quality assurance and control of the Netherlands Pollutant Emission Register. These organisations are termed outside agencies and this description is updated periodically. Outside agencies are different in that they carry out their activities under the certified NEN-EN-ISO 9001 quality system. This system lays down the requirements for quality assurance and control. An independent and accredited institution is responsible for certifying these quality systems and ensures that the stipulated requirements are complied with. The agencies that did not fall under this ISO system in the past had to submit a separate process description, but this is no longer necessary. The outside agencies for the Netherlands are: divisions of Statistics Netherlands (CBS), the Netherlands Organisation for Applied Scientific Research (TNO), Rijkswaterstaat (Directorate-General for Public Works and Water Management) Waste Management, Wageningen Environmental Research (WEnR/WOT unit) and Wageningen Livestock Research.
    • QMRAspot: a tool for quantitative microbial risk assessment for drinking water : Manual QMRAspot version 2.0

      Schijven J; Rutjes S; Smeets P; Teunis P; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-18)
      Het RIVM heeft een gebruiksvriendelijk computerprogramma (QMRAspot) ontwikkeld dat de kans berekent op infecties door ziekteverwekkende microorganismen in drinkwater. Het onderhavige rapport is een handleiding, waarin wordt uitgelegd hoe QMRAspot (Quantitative Microbial Risk Assessment from surface water to potable drinking water) gebruikt kan worden en wat de onderliggende rekenmodellen zijn. Het model is voornamelijk bedoeld voor ziekteverwekkende micro-organismen in drinkwater dat uit oppervlaktewater wordt gewonnen. De handleiding is van toepassing op de meest recente modelversie (2.0, september 2014). De Nederlandse drinkwaterbedrijven, die drinkwater produceren uit oppervlaktewater en grondwater, zijn wettelijk verplicht om aan te tonen dat minder dan één op tienduizend personen per jaar een infectie oploopt door de consumptie van ongekookt drinkwater. QRMAspot is oorspronkelijk ontwikkeld voor Nederland, maar kan wereldwijd worden toegepast door drinkwaterbedrijven, onderzoekers en beleidsmakers. In deze handleiding wordt in detail beschreven hoe gegevens voor de risicoschattingen kunnen worden aangeleverd, hoe deze gegevens statistisch worden geanalyseerd en hoe de risicoschatting op consistente en transparante wijze kan worden uitgevoerd. Ook worden twee veel voorkomende toepassingen van QMRAspot besproken. De eerste toont het effect op het infectierisico van een hoge besmettingsgraad op locaties waar de drinkwaterbedrijven het oppervlaktewater onttrekken. De tweede toepassing demonstreert in welke mate één enkel monster waarin micro-organismen zijn aangetoond, bijdraagt aan het infectierisico.