• Quality Assurance by CRL-Salmonella of the serotyping of isolates obtained from the 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs in the EU Member States' (2006-2007)

      Mooijman KA; Veenman C; Maas HME; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-31)
      From October 2006 up to October 2007 a 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs' was carried out in all European Member States. A selection of the Salmonella isolates found by the National Reference Laboratories in each Member State was sent to the Community Reference Laboratory for Salmonella (RIVM, Bilthoven, the Netherlands) for quality assurance of the serotyping. This letter report summarises the results of the quality assurance.
    • Quality Assurance Procedures and Good Laboratory Practices (GLP) Guidelines

      Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-01-31)
      Compilatie van de regels voor kwaliteitsborging en GLP wordt gegeven aan de hand van praktische punten. Definities van deeldoelen van GLP worden beschreven.<br>
    • Quality control of antacid preparations: Up-dating the RIGO-method using standard USP dissolution test apparatus

      van Riet-Nales DA; van Aalst P; de Kaste D; Derks HJGM; LGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-09)
      In 1976 bleek uit de literatuur, dat de werkzaamheid van een antacidum werd bepaald door de neutralizatiesnelheid, de maximaal bereikte pH en de werkingsduur. Een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening hield, ontbrak. Het RIGO ontwikkelde daarom een methode voor de in-vitro bepaling van de activiteit van antacida, inclusief specificaties, die met deze criteria rekening hield. De effectiviteit van een antacidum werd in Nederland voldoende geacht door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), als dit voldeed aan de RIGO specificaties bij testen met de RIGO methode. Dit beleid is nog steeds van toepassing, ondermeer omdat een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening houdt, nog steeds ontbreekt. De RIGO methode dient echter geevalueerd te worden in het licht van het huidige stand van de wetenschap. Door de introductie van de decentrale en centrale procedures is er een groeiende behoefte aan een Europees draagvlak voor het CBG-beleid. Omdat de RIGO methode gebruik maakt van niet commercieel verkrijgbare apparatuur, is tevens onderzocht of de methode gestandaardiseerd kon worden door gebruik te maken van de USP dissolutie test apparatuur. De USP apparatuur bleek een goed alternatief te zijn. De nieuw ontwikkelde (en gevalideerde) methode wordt beschouwd als een een goed uitgangspunt voor een geharmoniseerde Europese monografie voor de kwaliteit van antacida.<br>
    • Quality control parameters of Dutch Down's syndrome screening laboratories 2010

      Schielen PCJI; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-29)
      Het RIVM heeft voor de tweede keer de prestaties van de Nederlandse downsyndroom-screeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2010. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat een test op twee parameters uit bloed en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren, hun data over 2010 beschikbaar gesteld. Eén daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Algemene bevindingen In 2010 zijn in totaal 50.494 screeningstests afgenomen; dit betekent dat 26,8 procent van de zwangeren een dergelijke test laat uitvoeren (iets meer dan in 2009). De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen ligt tussen 32 en 33,5 jaar (mediane leeftijd). Het percentage zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom ligt rond de 6%. De prestaties van de laboratoria voldeden in het algemeen aan de kwaliteitseisen, en vielen bovendien allemaal binnen de internationale kwaliteitsnormen (UK NEQAS). Analyse bloedtests en nekplooimeting Verder zijn de gemiddelde concentraties (van de eiwitten PAPP-A en hCG-beta) van de bloedtests geëvalueerd, evenals de uitslagen van de nekplooimeting. Uit die analyse blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt onder andere om de instellingen van de kansberekeningssoftware van de laboratoria te evalueren, en daarbij nadrukkelijk aan te geven hoeveel van de kinderen die met downsyndroom zijn geboren, met de test zijn gedetecteerd. Een andere aanbeveling is om de screening naar andere chromosomale afwijkingen, te weten trisomie 13 en 18 in de evaluatie mee te nemen.
    • Quality control parameters of the Dutch Down syndrome screening laboratories 2009 (2007-2008, when available)

      Schielen PCJI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-02)
      Het RIVM heeft voor het eerst de prestaties van de Nederlandse downsyndroomscreeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2009. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat twee bloedtests en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren hun data over 2009 beschikbaar gesteld; Een daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Bevindingen: In 2009 zijn in totaal 48.457 screeningstests afgenomen; daarmee laat 25,7 procent van de zwangeren een dergelijke test uitvoeren. De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen blijkt 32-33,5 jaar (mediane leeftijd). Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom is in het laboratorium van het AMC 6,3 procent, in het referentielaboratorium van het RIVM 4,8 procent, 7,4 procent bij het VUMClaboratorium en 5,4 procent voor dat van het MUMC. De laboratoria blijken op uiteenlopende momenten de test af te nemen: in sommige regio's gebeurde dat vroeg in de zwangerschap, in week 10. In andere later, in week 12. Een vroeg afgenomen test geeft een betere indicatie. Analyse bloedtests en nekpooimeting: Verder zijn de gemiddelde concentraties van de bloedtests geëvalueerd (van de stoffen PAPP-A en hCG-beta), evenals de uitslagen van de nekplooimeting (NT). Hieruit blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt de gegevens over de bloedtest voor de evaluatie aan te vullen met de ontbrekende gegevens over de nekplooimeting. Een eerste aanzet is daartoe in 2012 gemaakt door de landelijke database met deze gegevens, Peridos, voor deze analyse in te zetten.
    • Quality of the final rinse water for endoscope washer disinfectors. A literature review

      de Bruijn A; van Drongelen A; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-18)
    • Quality of the Gradko passive samplers in the MAN monitoring network

      Noordijk H; Braam M; Stolk AP; van Pul WAJ; Wichink Kruit RJ; MMK; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-16)
      The Ammonia Measurement Network in Nature Reserves (MAN) measures ammonia concentrations in the air at approximately 280 locations in nature areas as part of the Integrated Approach to Nitrogen (PAS). The concentrations are measured using Gradko passive samplers that are exchanged every month. These samplers have a number of important advantages: their compactness, inconspicuousness and simple exchange. In addition, they are also cheaper than other commercially available samplers. A disadvantage, however, is that Gradko samplers are less accurate than other more expensive passive samplers. To overcome this disadvantage, the Gradko samplers in the MAN are calibrated every month to six reference instruments from the National Air Quality Monitoring Network located across the Netherlands in regions with varying pollution levels. In this report, the quality of the Gradko passive samplers is investigated before and after the performed calibration. Without calibration, the measurements of the Gradko samplers are systematically too high, especially in the low concentration range. After calibration, this systematic difference is eliminated. The calibration procedure also corrects the observations for meteorological influences, which reduces noise in the measurements. The accuracy of the calibrated Gradko measurements is very similar to the accuracy of various other low-cost measurement techniques. Because the measurement locations are in public areas and the MAN makes use of the efforts of volunteers and site managers, the simple and robust design of the Gradko samplers is perfectly suited for application in Dutch nature reserves.
    • Quantification of health effects of breastfeeding - Review of the literature and model simulation

      Rossum CTM van; Buchner FL; Hoekstra J; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Breastfeeding has positive health effects, with the largest health gain realized through policy that focuses on encouraging all mothers to start breastfeeding. A literature review shows that breastfeeding has beneficial health effects in both the short and the longer term. There is convincing evidence that the incidence of gastrointestinal infections, inflammation of middle ear, obesity and high blood pressure is reduced in breastfed children. Probably breastfed children suffer less from asthma, wheezing, eczema and among them intellectual and motor development is probably enhanced. Breastfeeding is possibly related to a reduction of incidence in Crohn's disease, atopy, diabetes mellitus type I, and leukaemia. Regarding the mother, there is convincing evidence for a protective effect of breastfeeding on rheumatoid arthritis. The incidence of pre-menopausal breast and ovarian cancer is probably lower among mothers who breastfed their infants longer. The health effects of several intervention scenarios are simulated and compared to the present situation. The largest public health gain can be achieved when all newborns get breastfeeding for at least 6 months. Greater public health gain can be achieved by introducing breastfeeding to all newborns than through a policy only focussing on extending the lactation of women already breastfeeding beyond three months.
    • Quantification of health effects of breastfeeding - Review of the literature and model simulation

      van Rossum CTM; Buchner FL; Hoekstra J; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Borstvoeding heeft positieve effecten op de volksgezondheid. De grootste gezondheidswinst is te behalen door alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen. Literatuuronderzoek laat zien dat borstvoeding gezonder is dan flesvoeding. Dit geldt voor de directe gezondheid van de zuigeling, maar werkt voor zowel het kind als de moeder ook langer door. Overtuigend bewijs is aanwezig dat infecties van het maagdarmkanaal, middenoorontsteking, overgewicht en hoge bloeddruk minder voorkomen bij (langer) borstgevoede kinderen. (Langer) borstgevoede kinderen krijgen waarschijnlijk minder last van astma, piepen op de borst en eczeem. Bovendien verbetert borstvoeding waarschijnlijk de intellectuele- en motorische ontwikkeling. Het is mogelijk dat borstvoeding beschermt tegen de ziekte van Crohn, atopie, diabetes en leukemie. Voor de moeder is er overtuigend bewijs dat het geven van borstvoeding beschermt tegen reumatische artritis en mogelijk tegen borstkanker voor de overgang en ovariumkanker. Door borstvoeding te promoten kan het voorkomen van verschillende ziekten worden verlaagd. De gezondheidseffecten van verschillende beleidsscenario's zijn geschat met een modelsimulatie. De effecten hiervan zijn vergeleken met de huidige situatie. Vanzelfsprekend is de grootste gezondheidswinst te behalen wanneer alle pasgeborenen minimaal zes maanden borstvoeding krijgen. Verder wordt een groter effect bereikt met maatregelen alleen gericht om alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen dan met maatregelen alleen gericht op het verlengen van de periode van borstvoeding geven van de moeders die dat nu al drie maanden doen.
    • The quantification of occupational risk. The development of a risk assessment model and software.

      Aneziris O; Baedts E de; Baksteen J; Bellamy LJ; Bloemhoff A; Damen M; Eijk V van; Kuiper JI; Leidelmeijer K; Mud M; et al. (WORM Metamorphosis ConsortiumNCSR DemokritosEDBCRondas Safety ConsultancyWhite Queen BVConsumer Safety InstituteRIGORPS Advies BVMinisterie SZWNIFVHCRM Ltd., 2008-09-18)
      Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is een model ontwikkeld om arbeidsrisicos in Nederland te berekenen. Werknemers kunnen tijdens hun werk gewond raken of overlijden als gevolg van ongevallen. Met het model kunnen werkgevers combinaties van maatregelen kiezen die het risico reduceren. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicoreductie worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van risicoreducerende maatregelen. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenarios, zoals 'vallen van hoogte'. De ongevalscenarios werden gebruikt om zogenoemde vlinderdasmodellen te construeren. Hierin staan de oorzaken van een ongeval vermeld (welke gebeurtenissen leiden tot het optreden van het ongeval?) en de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel?). In een vlinderdasmodel worden tevens de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De vlinderdasmodellen geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en werkplaatsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werknemers aan risicovolle activiteiten blootstaan en van welke kwaliteit de risicobeperkende maatregelen op de werkplaats zijn. Met deze gegevens kan per activiteit, baan, bedrijf of industrietak het risico op ongevallen worden berekend.
    • Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      The forthcoming 3rd edition of the WHO Guidelines for Drinking-water Quality proposes a preventive management framework for safe drinking water that is similar for all types of contaminants - microbial, chemical and radiological. Descriptions of the level of risk in relation to water are usually expressed in terms of specific health outcomes (such as cancer, diarrhoeal disease, etc.). A common unit for risk is essential here, since different contaminants cause health effects of widely varying severity and kinds, ranging, for example, from mild diarrhoea through crippling fluorosis to child death. This is the only way to enable comparison between the public health impact of various agents and intervention options. The purpose of this particular report is to provide a discussion paper on the concepts and methodology of Disability Adjusted Life Years (DALYs) as a common public health metric and its usefulness for drinking-water quality. The approach is illustrated for several drinking-water contaminants already examined using the burden of disease approach; preliminary data are given for several other key contaminants.
    • Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      In de komende 3e editie van de WHO Guidelines for Drinking-Water Quality wordt een preventief raamwerk voor het beheersen van de kwaliteit van drinkwater voorgesteld dat gelijk is voor alle soorten verontreinigingen - microbiologisch, chemisch en radiologisch. Risico's die zijn verbonden aan water worden meestal uitgedrukt in specifieke gezondheidseffecten (zoals kanker, diarree etc.). Omdat verschillende contaminanten gezondheidsklachten veroorzaken die sterk verschillen in aard en ernst van b.v. milde diarree tot verlamming door fluorose en kindersterfte, is een gemeenschappelijke eenheid noodzakelijk om de effecten op de volksgezondheid van verschillende agentia en interventies te kunnen vergelijken. Dit rapport beoogt materiaal aan te dragen voor een discussie over de grondslagen en methoden van Disability Adjusted Life Years (DALYs) als een gemeenschappelijke volksgezondheidsmaat en de bruikbaarheid ervan op het gebied van drinkwaterkwaliteit. De methode wordt geillustreerd aan de hand van enkele contaminanten in drinkwater waarvan de ziektelast eerder bestudeerd was, en voorlopige gegevens worden gepresenteerd voor enkele andere belangrijke contaminanten.<br>
    • Quantitatieve Structuur Activiteit Relaties. Een literatuurstudie

      Zomer G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-08-31)
      Dit rapport beschrijft de mogelijkheden van het gebruik van QSAR's bij toxicologisch onderzoek. Een Quantitatieve Structuur Activiteit Relatie is een wiskundige beschrijving van een activiteit (bijvoorbeeld een fysische eigenschap of een toxicologische parameter als een LD-50) door middel van structuurbeschrijvende parameters (descriptoren, zoals molecuulgrootte en -lading). Er worden twee benaderingen belicht: een heuristische en een mechanistische. De laatste verdient de voorkeur, maar is niet altijd mogelijk.<br>
    • A quantitative approach to assess the risk of skin sensitization from hair dye ingredients : A case study using p-phenylenediamine (PPD)

      Ezendam J; Park M; Salverda-Nijhof JGW; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Methode om een veilige limiet voor allergie door haarverf vast te stellen Het gebruik van haarverf is in principe veilig. Wel bevat dit product stoffen die bij sommige mensen allergische reacties kunnen veroorzaken, zoals jeuk, roodheid en zwellingen van de huid. Zo reageert een klein percentage (0,2 tot 1 procent) van de consumenten op de stof p-phenylenediamine (PPD) in permanente haarverf. Haarverf-allergie kan in sommige gevallen ernstig zijn. Het RIVM heeft daarom geprobeerd te bepalen bij welke concentratie het gebruik van PPD niet meer zal leiden tot allergische reacties bij consumenten. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om deze veilige limiet te berekenen aangezien gegevens over de mate waarin de consument per verfbeurt aan PPD wordt blootgesteld ontbreken. De veiligheid van haarverf wordt gereguleerd in de Europese Cosmetica verordening. PPD is een belangrijk bestanddeel van haarverf om grijs haar goed te kunnen kleuren, maar is ook een erkend allergeen. PPD mag tot een maximum concentratie van 2 procent worden toegevoegd aan haarverf. Deze wettelijke limiet voorkomt echter niet dat sommige mensen een allergische reactie krijgen na gebruik van haarverf. Om een veilige limiet te kunnen bepalen is het nodig om de concentratie waarbij de stof de allergie veroorzaakt, de effectconcentratie, te weten. Er zijn voldoende gegevens over PPD beschikbaar om deze concentratie te bepalen. Daarnaast is het belangrijk om te bepalen in welke mate een consument wordt blootgesteld aan PPD bij het gebruik van haarverf. Als de hoeveelheid waaraan de consument blootstaat hoger is dan de effectconcentratie, kan een allergie ontstaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om de consumentenblootstelling met voldoende zekerheid vast te stellen. Eén van de redenen is dat de verf na een tijdje wordt uitgewassen en het onbekend is hoeveel PPD er in deze periode wordt opgenomen
    • Quantitative determination of optical aerosol properties with lidar at 0.53 and 1.06 mum wavelength

      Salemink H; Schotanus P; Bergwerff J; van der Meulen A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-05-30)
      Beschreven wordt de kwantitatieve detectie van aerosol in de atmosferische grenslaag tot een hoogte van 1,5 km (remote sensing m.b.v. laser-radar). Voor optische aerosol-eigenschappen wordt goede overeenkomst gevonden tussen lidar (remote) en lokale waarnemingen in vliegtuig en op grondniveau. Toepassing wordt gevonden in routinemetingen van aerosoltransport en in de remote detectie van NO2 en SO2.
    • Quantitative in vitro - in vivo extrapolation. Analysis of 19 compounds of varying embryotoxic potency

      Slob W; Janer G; Bessems JGM; Hakkert BC; Sips AJAM; Verhoef A; Wolterink G; Piersma AH; SIR; GBO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-09)
      Dierproeven zijn niet altijd eenvoudig te vervangen door in vitro testen (uitgevoerd in reageerbuizen of petrischaaltjes). Dat illustreert onderzoek van het RIVM. Bestaande onderzoeksgegevens uit een in vitro test gericht op ontwikkelingsstoornissen zijn getoetst op hun bruikbaarheid. Het gaat hierbij om stoornissen in de ontwikkeling van rattenembryo's als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen. Dit soort alternatieven wordt ontwikkeld onder invloed van maatschappelijke bezwaren tegen dierproeven (in vivo) ten behoeve van kwantitatieve risicobeoordeling. In de onderzochte 'Whole Embryo Culture'-test worden rattenembryo's in vitro blootgesteld aan verschillende concentraties van een bepaalde stof. Vervolgens wordt bekeken bij welke concentratie (in vitro) de effecten overeenkomen met effecten in het intacte dier (in vivo). Dit werd voor 19 verschillende stoffen onderzocht. Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen de gemeten potentie in in vitro- en in vivo testen, maar de ruis (onzekerheid) in deze relatie is erg groot (circa factor honderd). Dit wordt voor een deel veroorzaakt doordat de beschikbare in vivo studies op verschillende manieren zijn uitgevoerd (bijvoorbeeld doordat zwangere ratten op verschillende dagen van de dracht aan stoffen zijn blootgesteld). Ook zouden verschillen waarmee een lichaam stoffen opneemt of uitscheidt een rol kunnen spelen. Deze studie beschrijft een eerste aanzet om deze verschillen te verdisconteren. Zelfs als deze aspecten worden meegewogen blijft de onzekerheid in de uitkomst groot. Gegeven deze onzekerheid is het volledig vervangen van de in vivo dierstudie door de 'Whole Embryo Culture' test voor kwantitatieve risicobeoordeling vooralsnog niet haalbaar.
    • Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; Kranen HJ van; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      The process of human risk assessment can be divided into hazard identification, dose-response assessment, exposure assessment and risk characterisation. For human risk assessment quantitative methods and models are applied. Which model should be applied depends on the nature of the question to be answered. A simple model can be applied if a standard has to be established, while a more complex model is required in the case a standard is exceeded and the health impact on a population has to be quantified. In this report an overview is given of important dose-response assessment methods and models as well as their application area. A distinction is made in methods and models for genotoxic compounds and non-genotoxic compounds. The non-genotoxic compounds are assumed to have a threshold below which no effect occurs. Methods to estimate the threshold dose and to derive a human reference dose are presented. Furthermore, extrapolation problems that arise when animal data have to be translated to human data are discussed briefly. PBPK modelling is discussed as a method to improve interspecies extrapolation. For non-genotoxic as well as genotoxic compounds curve-fitting models are described. In addition a biologically based model for genotoxic agents is briefly discussed. Finally methods that are applied and investigated at RIVM are presented and recommendations are given.
    • Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; van Kranen HJ; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      Het proces van de humane risicoschatting kan verdeeld worden in risico-identificatie, vaststellen van dosis-respons relaties, vaststellen van blootstelling en risico-karakterisering. In de humane risicoschatting worden kwantitatieve methoden en modellen toegepast. Welk model dient te worden toegepast is afhankelijk van de vraagstelling. Voor het stellen van een norm kan een eenvoudig model gebruikt worden. Indien een norm overschreden wordt, en men wil een schatting van de gevolgen voor de gezondheid van de bevolking, dan is een complex model noodzakelijk. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van een aantal belangrijke dosis-responsmodellen en methoden. Daarnaast wordt aangegeven waarvoor de verschillende methoden gebruikt kunnen worden.Het rapport is onderverdeeld in methoden en modellen voor genotoxische stoffen en niet genotoxische stoffen. Aangenomen wordt dat niet-genotoxische stoffen een drempelwaarde hebben waaronder geen effect optreedt. Voor deze stoffen wordt een overzicht gegeven van methoden om de drempelwaarde te schatten en methoden om een toxiciteitsnorm voor mensen vast te stellen. Daarnaast worden enkele extrapolatieproblemen die ontstaan bij het vertalen van diergegevens naar de mens in het kort beschreven. Vervolgens wordt uitgelegd wat "physiologically-based pharmacokinetic" (PBPK) modellen zijn en welke extrapolatieproblemen ermee kunnen worden opgelost Voor non-genotoxische en genotoxische stoffen worden enkele dosis-responsmodellen beschreven. Zowel curve-fit procedures als biologische modellen worden gepresenteerd.Ten slotte wordt een overzicht gegeven van modellen die gebruikt en onderzocht worden binnen het RIVM en wordt aangegeven wat, met het oog op de toekomst, belangrijk is op dit gebied.<br>
    • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

      Schijven FJ; Teunis PFM; Roda Husman AM de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
      Using literature data, daily infection risks of chickens and humans with H5N1 avian influenza virus (AIV) by drinking water consumption were estimated for the Netherlands. A highly infectious virus and less than 4 log10 drinking water treatment (reasonably inefficient) may lead to a high infection risk (more than 1%) of poultry farms with more than 10 000 chickens. Well treated drinking water (8 log10) leads to a negligible infection risk of individual chickens or humans. It was assumed that a single infected duck was shedding H5N1 AIV in surface water used for drinking water production, after treatment resulting in consumption of contaminated water by chickens or humans. At 8 log10 treatment, the estimated daily infection risk of an individual chicken is low, 10^-15-10^-10, reflecting the large uncertainties in viruses shedding and infectivity (10^-5-1). Nevertheless, the 2000 farms with more than 10000 chickens (74% of all Dutch farms), may run a high risk (more than 1%) if the virus is highly infectious and treatment is less than 4 log10. Assuming a low virus infectivity (10^-5), the average daily infection risk for humans by consumption of contaminated drinking water was estimated as low as 2 x 10^-12, and by surface water recreation as low as 10^-8. Although H5N1 AIV is presumably less infectious for humans than chickens, efficient drinking water treatment is also of utmost importance for humans and may be determined by risk analysis for enteroviruses already required by Dutch law and warranted by water safety plans.