• Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; Kranen HJ van; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      The process of human risk assessment can be divided into hazard identification, dose-response assessment, exposure assessment and risk characterisation. For human risk assessment quantitative methods and models are applied. Which model should be applied depends on the nature of the question to be answered. A simple model can be applied if a standard has to be established, while a more complex model is required in the case a standard is exceeded and the health impact on a population has to be quantified. In this report an overview is given of important dose-response assessment methods and models as well as their application area. A distinction is made in methods and models for genotoxic compounds and non-genotoxic compounds. The non-genotoxic compounds are assumed to have a threshold below which no effect occurs. Methods to estimate the threshold dose and to derive a human reference dose are presented. Furthermore, extrapolation problems that arise when animal data have to be translated to human data are discussed briefly. PBPK modelling is discussed as a method to improve interspecies extrapolation. For non-genotoxic as well as genotoxic compounds curve-fitting models are described. In addition a biologically based model for genotoxic agents is briefly discussed. Finally methods that are applied and investigated at RIVM are presented and recommendations are given.
    • Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; van Kranen HJ; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      Het proces van de humane risicoschatting kan verdeeld worden in risico-identificatie, vaststellen van dosis-respons relaties, vaststellen van blootstelling en risico-karakterisering. In de humane risicoschatting worden kwantitatieve methoden en modellen toegepast. Welk model dient te worden toegepast is afhankelijk van de vraagstelling. Voor het stellen van een norm kan een eenvoudig model gebruikt worden. Indien een norm overschreden wordt, en men wil een schatting van de gevolgen voor de gezondheid van de bevolking, dan is een complex model noodzakelijk. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van een aantal belangrijke dosis-responsmodellen en methoden. Daarnaast wordt aangegeven waarvoor de verschillende methoden gebruikt kunnen worden.Het rapport is onderverdeeld in methoden en modellen voor genotoxische stoffen en niet genotoxische stoffen. Aangenomen wordt dat niet-genotoxische stoffen een drempelwaarde hebben waaronder geen effect optreedt. Voor deze stoffen wordt een overzicht gegeven van methoden om de drempelwaarde te schatten en methoden om een toxiciteitsnorm voor mensen vast te stellen. Daarnaast worden enkele extrapolatieproblemen die ontstaan bij het vertalen van diergegevens naar de mens in het kort beschreven. Vervolgens wordt uitgelegd wat "physiologically-based pharmacokinetic" (PBPK) modellen zijn en welke extrapolatieproblemen ermee kunnen worden opgelost Voor non-genotoxische en genotoxische stoffen worden enkele dosis-responsmodellen beschreven. Zowel curve-fit procedures als biologische modellen worden gepresenteerd.Ten slotte wordt een overzicht gegeven van modellen die gebruikt en onderzocht worden binnen het RIVM en wordt aangegeven wat, met het oog op de toekomst, belangrijk is op dit gebied.<br>
    • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

      Schijven FJ; Teunis PFM; Roda Husman AM de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
      Using literature data, daily infection risks of chickens and humans with H5N1 avian influenza virus (AIV) by drinking water consumption were estimated for the Netherlands. A highly infectious virus and less than 4 log10 drinking water treatment (reasonably inefficient) may lead to a high infection risk (more than 1%) of poultry farms with more than 10 000 chickens. Well treated drinking water (8 log10) leads to a negligible infection risk of individual chickens or humans. It was assumed that a single infected duck was shedding H5N1 AIV in surface water used for drinking water production, after treatment resulting in consumption of contaminated water by chickens or humans. At 8 log10 treatment, the estimated daily infection risk of an individual chicken is low, 10^-15-10^-10, reflecting the large uncertainties in viruses shedding and infectivity (10^-5-1). Nevertheless, the 2000 farms with more than 10000 chickens (74% of all Dutch farms), may run a high risk (more than 1%) if the virus is highly infectious and treatment is less than 4 log10. Assuming a low virus infectivity (10^-5), the average daily infection risk for humans by consumption of contaminated drinking water was estimated as low as 2 x 10^-12, and by surface water recreation as low as 10^-8. Although H5N1 AIV is presumably less infectious for humans than chickens, efficient drinking water treatment is also of utmost importance for humans and may be determined by risk analysis for enteroviruses already required by Dutch law and warranted by water safety plans.
    • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

      Schijven JF; Teunis PFM; de Roda Husman AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
      Op grond van literatuurgegevens werden voor kippen en mensen dagelijkse infectierisico's door H5N1-vogelgriepvirus door consumptie van besmet drinkwater geschat voor Nederland. Een zeer infectieus virus en minder dan 4 log10 drinkwaterzuivering (redelijk inefficient) kunnen leiden tot een hoog infectierisico (meer dan 1%) voor pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen. Goed gezuiverd drinkwater (8 log10) leidt tot een verwaarloosbaar infectierisico voor individuele kippen en mensen. Aangenomen werd dat een enkele geinfecteerde eend H5N1-virus uitscheidde in oppervlaktewater, dat werd ingenomen voor drinkwaterproductie en leidde tot consumptie van besmet drinkwater door een kip of mens. Bij 8 log10 drinkwaterzuivering is het geschatte dagelijkse infectierisico voor een individuele kip laag, namelijk 10ˆ-15-10ˆ-10. Dit weerspiegelt de grote onzekerheden in virusuitscheiding en infectiviteit (10ˆ-5-1). Desondanks, kunnen de 2000 pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen (74% van alle Nederlandse pluimveebedrijven) een hoog risico (meer dan 1%) lopen indien het virus zeer infectieus en de drinkwaterzuivering minder dan 4 log10 is. Uitgaande van een lage virusinfectiviteit (10ˆ-5) werd het gemiddelde dagelijkse infectierisico voor de mens door drinkwaterconsumptie geschat op 2 x 10ˆ-12, wat zeer laag is, en door oppervlaktewaterrecreatie op 10ˆ-8. Hoewel het H5N1-vogelgriepvirus voor mensen vermoedelijk minder infectieus is dan voor kippen, is efficiente drinkwaterzuivering ook voor de mens van groot belang. Efficiente en robuuste drinkwaterzuivering kan worden vastgesteld aan de hand van de in Nederland reeds wettelijk opgelegde risicoanalyse voor enterovirussen en in waterveiligheidsplannen.
    • Quantitative risk profile for viruses in foods

      Bouwknegt M; Verhaelen K; de Roda Husman AM; Rutjes SA; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-05-01)
      Net als bacteriën kunnen virussen in voedsel risico's vormen voor de volksgezondheid. Over virussen is echter minder bekend. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke kennis beschikbaar is of juist ontbreekt om de volksgezondheidsrisico's te kunnen schatten (risicoprofiel). Hiervoor zijn drie virussen uitgelicht die via voedsel naar mensen kunnen worden overgedragen: hepatitis A-virussen in schelpdieren, norovirussen op verse groenten en fruit, en hepatitis E-virussen in varkensvlees. De inventarisatie is in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gemaakt. Algemene bevindingen In het algemeen blijkt dat het tot nu toe lastig is om het aantal virussen op producten op een betrouwbare manier te kunnen schatten. Dit komt gedeeltelijk omdat de methoden om de virussen aan te tonen sterk verschillen. Om de gezondheidsrisico's te kunnen inschatten is kennis over het aantal virussen juist nodig. De kans dat iemand ziek wordt is namelijk groter naarmate het aantal producten dat besmet is groter is, of wanneer het aantal virussen per product hoger is. De tekortkomingen van de methoden worden in dit rapport aangegeven en enkele aanbevelingen worden gedaan om de berekeningen van het aantal virussen realistischer te maken. Verder is geïnventariseerd welke factoren de kans vergroten dat voedsel besmet raakt tijdens de productie of de verwerking ervan. Bij rauwe of kwetsbare producten, zoals oesters, of verse groenten en fruit, is het immers niet mogelijk om de virussen eenvoudig onschadelijk te maken door voedsel te koken. Bevindingen onderzochte virussen Specifieker is het bij het norovirus belangrijk te achterhalen hoeveel virussen op groente en fruit terechtkomen via het irrigatiewater. Een andere mogelijke bron is via de handen of gereedschap tijdens de oogst en verwerking. Voor het hepatitis E-virus is het van belang te weten hoeveel varkens tijdens de slachtfase de infectie doormaken en zo besmette producten leveren. Als zij de hepatitis E-infectie eerder doormaken, is de besmetting voorbij en vormt dit geen risico meer voor de consument. Ook is inzicht nodig in de aantallen hepatitis E-virussen per product. Wat de schelpdieren betreft, is het relevant om te weten hoeveel virussen in het oppervlaktewater zitten waarin ze worden gekweekt, en in welke mate deze virussen in de schelpdieren achterblijven.
    • A query for Coxiella in veterinary and environmental matrices

      de Bruin A; van Rotterdam BJ; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-31)
      Q fever, caused by Coxiella burnetii, is a zoonosis with a worldwide distribution that affects both humans and animals. In 2007, 2008, and 2009 large community outbreaks of Q fever were observed in the Netherlands. In 2008, several studies were started to investigate potential sources of C. burnetii infection and possible transmission routes. Temporal studies focussed on C. burnetii DNA content on farms, and their direct surroundings. Coxiella burnetii was found in veterinary and environmental samples obtained from a single farm, with an abortion wave among its goats in April 2007, during two successive years of Q fever outbreaks in 2007 and 2008. Within the Q fever outbreak of 2009, investigations at one location in Zuid-Limburg over a 16 week-interval demonstrated that the C. burnetii DNA content in both veterinary and environmental samples declined over time after the initial wave of abortions among goats. Although a decline of the C. burnetii DNA content was observed, environmental and veterinary samples were still found to be positive up to several months after the abortion wave at the farm. Human outbreak linked source investigations focussed on veterinary and environmental matrices on farms, which in previous studies were found to contain the highest C. burnetii DNA content. These matrices included vaginal swabs from animals and surface area swabs from horizontal surfaces, to investigate the potential link between the putative Q fever-affected goat farms and (clusters of) human Q fever cases in the near vicinity of these farms. Screening results for vaginal swabs obtained from goats and/or sheep are consistent with results for surface area swabs taken on the same farm.
    • Quick scan and Prioritization of Microplastic Sources and Emissions

      Verschoor A; de Poorter L; Roex E; Bellert B; MSP; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltaresRijkswaterstaat : Department for WaterTraffic and the Environment, 2014-12-17)
      Deze verkennende inventarisatie beschrijft via welke bronnen op het land microplastics in zee terechtkomen. Microplastics zijn kleiner dan 5 millimeter en kunnen in de voedselketen terechtkomen. De bronnen kunnen producten zijn, productieprocessen of routes waarlangs ze via de rivieren de zee bereiken. Vervolgens is aan elk van die bronnen een prioriteit toegekend. Op basis daarvan kunnen beleidsmaatregelen worden genomen om de hoeveelheid microplastics in het milieu terug te dringen. Aanvullend onderzoek is nodig om maatregelen verder in te vullen.<br> <br>Voor de prioritering zijn vijf criteria gebruikt: omvang van de emissie, (on)misbaarheid van de bron, mogelijkheden voor 'quick win'-maatregelen, maatschappelijke beeldvorming, en de aanwezigheid van alternatieven voor de consument. <br> <br>Hoge prioriteit wordt toegekend aan bronnen van secundaire microplastics; dit zijn microplastics die ontstaan als grotere plastics in kleinere fragmenten uiteenvallen. Zwerfvuil, voornamelijk verpakkingen en wegwerpartikelen, is de belangrijkste bron van microplastic (score 8-9 op een schaal van 10). Andere secundaire microplastic bronnen die relatief hoog scoren (score 6-7) zijn vezels en kleding, de afspoeling van straatvuil (waaronder bandenslijtage), stofemissies van bouwplaatsen, landbouwplastics en de aanvoer van microplastics door rivieren uit het buitenland. Verder scoren afvalwater, zuiveringsslib en compost relatief hoog (score 6). Deze bevatten microplastics van diverse bronnen die in het riool terechtkomen, bijvoorbeeld kledingvezels die tijdens het wassen vrijkomen en kleine scrubdeeltjes uit cosmetica.<br> <br>Primaire microplastics zijn plastic deeltjes die doelbewust toegevoegd worden aan producten vanwege hun specifieke functie. Van deze bronnen scoren cosmetica en verf- en kleurstoffen hoog (score 7), gevolgd door schurende reinigingsmiddelen (score 6).<br> <br>Er was onvoldoende informatie beschikbaar om binnen de tijdspanne van dit onderzoek een volledige kosten-baten-analyse uit te voeren. Ook is niet bekend in hoeverre microplastics schadelijk zijn voor mens en milieu. De prioritering is uitgevoerd door een expertgroep met vertegenwoordigers van RIVM, Deltares, Rijkswaterstaat en de Emissieregistratie.<br>
    • Quick scan effectiviteit en doelmatigheid van het natuurbeleid

      Lammers W; Kruitwagen S; Kuindersma W; Oostenbrugge R van; Stolwijk H; Veeneklaas F; MNV (AlterraCPB, 2002-07-24)
      Er is een quick scan van de effectiviteit en doelmatigheid van uitgevoerde en voorgenomen maatregelen in het Nederlandse natuurbeleid uitgevoerd. Het beantwoordt vragen die zijn gesteld door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het ministerie van Financien, mede naar aanleiding van de door de Tweede Kamer aangenomen motie over het Natuuroffensief. Na een korte beschrijving van een aantal (autonome) maatschappelijke trends wordt een vijftal beleidsinstrumenten geanalyseerd: de ecologische hoofdstructuur, groen in en om de stad, agrarisch natuurbeheer, effectgerichte milieumaatregelen en bescherming van bestaande natuur. Per instrument is nagegaan wat de doelstelling is, wat is bereikt en wat de sterke en zwakke punten zijn die bij de uitvoering van het beleid naar voren komen. De vraag naar de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) is summier beantwoord. Met de nu beschikbare gegevens kan deze vraag niet systematisch per beleidsinstrument worden geanalyseerd. Het rapport sluit af met een aantal alternatieve opties voor het realiseren van de doelen van het natuurbeleid.
    • Quick scan effectiviteit en doelmatigheid van het natuurbeleid

      Lammers W; Kruitwagen S; Kuindersma W; Oostenbrugge R van; Stolwijk H; Veeneklaas F; Alterra; CPB; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-24)
      This report presents the results of a quick scan of the effectivitiy and efficiency of the implemented and proposed measures which are part of the nature policy of the Dutch government. It concentrates on the questions of the Ministry of Agriculture, Nature management and Fisheries and the Ministry of Finance which are the result of a motion accepted by the Dutch parliament. After a short description of a number of (autonomous) trends in society and environment, five policy instruments are evaluated: the National Ecological Network, nature in and around cities, management of small natural elements in rural areas, optimization of environmental conditions for nature areas and legal protection of existing nature areas. For each policy instrument an overview is presented of the objectives, results, and strong and weak points in the process of implementation of the instruments. The efficiency aspect has only been touched upon. With the data that are currently available it is not possible to systematically assess the efficiency of each of the policy instruments. The report is completed by discussing a number of alternative options for realisation of the national nature policy objectives.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      This report documents an analysis of the environmental impacts of policy proposals taken up in the new Dutch National Transport Policy Document for improvement of accessibility and reliability of the main motorway network in the Netherlands. Major conclusions drawn from this analysis are that pricing policies proposed in the policy document effectively improve accessibility and reduce environmental impacts due to road traffic. The size of environmental benefits of the proposed kilometre charge, however, is determined by the final design of the policy measure. Furthermore, the policy document proposes secondary road expansion be state-funded if this would mean a contribution to reducing congestion on the main motorway network. However, before state-funding is decided, more research on the costs and benefits of secondary road network expansion is necessary, including the transfer of environmental and social problems from the main motorway network to the secondary road network. Furthermore, it would seem important to have local and regional authorities pay attention to noise hotspots in their transport policy development, since without additional measures, the number of noise hotspots along secondary roads will sharply increase. Finally, further research on giving priority to infrastructure projects within the proposed infrastructure investment in combination with pricing policies packages is recommended. Combinations of pricing and expanding existing infrastructure may reduce the need to construct new motorway links, reduce negative impacts on nature conservation areas and rural landscapes, and result in higher net economic benefits.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (2004-11-25)
      Dit rapport beschrijft een quick scan van de milieu-effecten van beleidsvarianten uit de Nota Mobiliteit om de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van het wegennet te verbeteren. De belangrijkste conclusies zijn als volgt. De twee prijsvarianten uit de Nota Mobiliteit leveren bereikbaarheidswinst op en in beperkte mate milieuwinst. De vormgeving van de variabilisatie-variant is van grote invloed op de uiteindelijke omvang van de milieuwinst. Daarnaast wil het rijk investeren in het onderliggende wegennet als dit een oplossing biedt voor bereikbaarheidsproblemen op snelwegen en als het kosteneffectief is. Het verdient aanbeveling om in de besluitvorming over investeringen in het onderliggende wegennet ook expliciet rekening te houden met de ruimtelijke, milieu en sociale effecten van deze investeringen om mogelijke afwenteling van problemen naar het onderliggend wegennet te voorkomen. In de uitwerking van de Nota Mobiliteit in de plannen van de decentrale overheden lijkt het verder van belang aandacht te besteden geluidsknelpunten. Het aantal geluidsknelpunten langs provinciale wegen neemt zonder aanvullende maatregelen fors toe. Tenslotte is nader onderzoek aan te bevelen naar de prioritering van bouwprojecten binnen de onderzochte investeringspakketten in combinatie met prijsbeleid. Goed gekozen combinaties van beprijzen en benutten kunnen de noodzaak tot aanleg van nieuwe traces mogelijk beperken, negatieve effecten op natuur/landschap beperken, en hogere netto maatschappelijke baten opleveren.
    • Quick Scan van de Beleidsnota Verkeersemissies

      Brink RMM van den; Bree L van; Annema JA; Hoen A; MNP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-01)
      Evaluation of the Dutch policy document 'Transport emissions' by the Environmental Assessment Agency has led to three conclusions. First, the NOx goal for the transport sector for 2010 is achievable with the adopted policy proposals, but implementation is uncertain (for example, it is uncertain if all policy plans will be implemented between now and 2010). Secondly, the proposal to stimulate biofuels is not cost-effective. Thirdly, monetized health benefits in the proposal to stimulate particle filters in passenger cars are cost-effective, particularly in built-up areas.
    • Quick Scan van de Beleidsnota Verkeersemissies

      van den Brink RMM; van Bree L; Annema JA; Hoen A; MNP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-01)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft een evaluatie uitgevoerd van de Beleidsnota Verkeersemissies. Deze nota is op 18 juni 2004 door het kabinet aangenomen en is in november 2004 behandeld in de Tweede Kamer. De belangrijkste conclusies van de evaluatie zijn: - NOx-doel sector verkeer haalbaar, maar onder veel voorbehouden; - Stimulering van biobrandstoffen is niet kosteneffectief; - Stimulering van roetfilters is kosteneffectief.
    • Quick scan van mogelijke gevolgen en effectiviteit van zoneringsvarianten rond VHR en WAV

      Hinsberg A van; Noordijk H; Esbroek MLP van; Pul WAJ van; Lammers W; NLB; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-09-19)
      Dit rapport evalueert met een quick scan methode een aantal beleidsvarianten voor zonering rond VHR en WAV-gebieden, wat betreft de effectiviteit inzake de bescherming van natuurgebieden. Tevens wordt ingegaan op de mogelijke risico's van de beleidsvarianten. Uit de resultaten blijkt dat voor realisatie van de gestelde natuurdoelen (inclusief Habitatrichtlijn verplichtingen), los van de discussie over zoneringsmaatregelen, het terugdringen van de hoge achtergronddepositie met generiek beleid een conditio sine qua non is. De zoneringsvarianten kunnen wel een afwaartse beweging van landbouw ten opzichte van natuur ingang zetten. Bovendien kan zonering, mits resulterend in emissiereductie, een bijdrage leveren aan de aanpak van lokale 'hot spots', waar hoge natuurwaarde worden beinvloed door hoge lokale emissiebronnen.
    • Quick scan van mogelijke gevolgen en effectiviteit van zoneringsvarianten rond VHR en WAV

      van Hinsberg A; Noordijk H; Esbroek MLP; van Pul WAJ; Lammers W; NLB; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-09-19)
      Dit rapport evalueert met een quick scan methode een aantal beleidsvarianten voor zonering rond VHR en WAV-gebieden, wat betreft de effectiviteit inzake de bescherming van natuurgebieden. Tevens wordt ingegaan op de mogelijke risico's van de beleidsvarianten. Uit de resultaten blijkt dat voor realisatie van de gestelde natuurdoelen (inclusief Habitatrichtlijn verplichtingen), los van de discussie over zoneringsmaatregelen, het terugdringen van de hoge achtergronddepositie met generiek beleid een conditio sine qua non is. De zoneringsvarianten kunnen wel een afwaartse beweging van landbouw ten opzichte van natuur ingang zetten. Bovendien kan zonering, mits resulterend in emissiereductie, een bijdrage leveren aan de aanpak van lokale 'hot spots', waar hoge natuurwaarde worden beinvloed door hoge lokale emissiebronnen.<br>
    • Quick Scan, Groen/Blauwe effecten woningbouwlocaties Deltametropool

      Kuiper R; Niet de R; Nijs de ACM; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-02-24)
      In consultation with the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM), the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP) has carried out a QuickScan of the nature, landscape and water-management effects of different urban housing options in the Delta Metropolis, the area in the west of the Netherlands dominated by the Rhine and Meuse River deltas, also known as the Randstad conurbation. The outcome of this Quick Scan, namely, that building locations (and especially the urban sprawl) in the Green Heart will have the most serious effects on the green (nature & landscape) and blue (water management) values, agrees with conclusions from a large number of earlier studies done in this field.
    • Quick Scan, Groen/Blauwe effecten woningbouwlocaties Deltametropool

      Kuiper R; de Niet R; de Nijs ACM; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-02-24)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft in overleg met het Ministerie van VROM een Quick Scan verricht van de groen/ blauwe effecten van verschillende verstedelijkingsopties voor de Deltametropool. De conclusie stemt overeen met die uit de grote hoeveelheid studies die reeds eerder op dit terrein zijn verricht: bouwlocaties in het Groene Hart en verspreide verstedelijkingsvarianten leveren de meeste aantasting van groene en blauwe waarden op.
    • Quickscan gezondheidsrisico's van werken met grond die hergebruikte bouwstoffen bevat : Quick scan on human health risks of working with soil that contains recycled building materials

      Versluijs CW; Bakker J; Janssen PJCM; Dekkers S; Brand E; MBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-04-25)
      Werknemers in de bouw die in aanraking komen met verontreinigde grond kunnen daardoor worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Dit kan een risico voor hun gezondheid vormen. Deze situatie kan zich ook voordoen als grond hergebruikte bouwstoffen bevat. Dergelijke bouwstoffen ontstaan als bijproduct bij productieprocessen of bij de bewerking van afvalstoffen en kunnen verontreinigende stoffen bevatten. Uit een quick scan van het RIVM blijkt dat er weinig bekend is over de aard en omvang van gezondheidsschade als werknemers werken met grond waarin dergelijke hergebruikte bouwstoffen aanwezig zijn. Vooralsnog lijkt het risico op gezondheidseffecten vooral hoog bij werkzaamheden waarbij er veel deeltjes, zoals stof, in de lucht worden verspreid, of waarbij de grond direct in contact komt met de huid. Nader onderzoek nodig naar maatregelen Of en in welke mate gezondheidseffecten daadwerkelijk optreden, is afhankelijk van de mate waarin de bouwstof verontreinigd is, de hoogte van de blootstelling en de maatregelen die worden ingezet om de blootstelling te beperken. Een voorbeeld van zo'n maatregel is de grond vochtig houden zodat de deeltjes niet verstuiven. Het is daarom belangrijk dat werkgevers weten in welke situaties en met welke maatregelen de blootstelling van werknemers kan worden beperkt. Nader onderzoek hiernaar is gewenst. Zes belangrijkste hergebruikte bouwstoffen De quick scan geeft een overzicht van de zes belangrijkste hergebruikte bouwstoffen en de daarin aanwezige verontreinigingen. Het betreft asfaltkorrels, AVIbodemas en -slakken (restproducten van afvalverbrandingsinstallaties), baggerspecie, mengkorrels (van beton en puin), breker- en zeefzand (restproducten als puin wordt vergruisd), licht verontreinigde grond en E-vliegas (restproduct van poederkool gestookte elektriciteitscentrales). Werkzaamheden met hoog risico Daarnaast is geïnventariseerd bij welke werkzaamheden het risico op gezondheidsschade het hoogst is. Dit lijkt het geval te zijn als er onvoldoende beheersmaatregelen worden getroffen als E-vliegas, breker- of zeefzand worden opgepakt, geladen en gestort. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen als land met baggerspecie wordt opgespoten. Ten slotte lijkt het risico hoog wanneer onvoldoende beheersmaatregelen worden getroffen bij handmatige graafwerkzaamheden met AVI-bodemas, baggerspecie, E-vliegas of verontreinigde grond.
    • Quickscan interventies voor sportblessurepreventie

      Hoogendoorn M; Wendel-Vos W; Schaars D; van den Berg M; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-14)
      Om het stijgende aantal sportblessures in Nederland terug te dringen is het van belang dat sporters gebruikmaken van goede preventieprogramma's waarvan de effectiviteit is bewezen. Om dit te bereiken is meer onderzoek naar de effectiviteit van interventies noodzakelijk. Daarnaast zijn inspanningen nodig om het bereik van dergelijke interventies te vergroten. Dit blijkt uit een quickscan die het RIVM in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) heeft uitgevoerd. Driekwart van de Nederlanders sport minstens een keer per maand. Sporters lopen daarbij steeds meer risico op een blessure. Jaarlijks ontstaan meer dan 4,5 miljoen sportblessures. Om deze ongunstige trend te keren heeft het ministerie van VWS aan ZonMw gevraagd een programma Sportblessurepreventie te ontwikkelen. In dit kader hebben het RIVM en het NISB een beknopt overzicht gemaakt van recente (wetenschappelijke) literatuur en ervaringen van experts over sportblessurepreventie. Daarbij is gekeken naar de sporten waarbij de meeste blessures optreden: voetbal, hardlopen, fitness, tennis en volleybal. Het aanbod van goede, bewezen effectieve interventies blijkt klein; in Nederland maar ook in de internationale literatuur. Voor een succesvolle implementatie van blessure-interventies is het is belangrijk dat preventie aansluit bij de belevingswereld van de sporter. Denk hierbij aan preventieve oefeningen met een bal voor voetballers en oefeningen gericht op looptechniek voor hardlopers. Het lijkt erop dat er door een negatief imago van blessures weinig aandacht is voor sportblessurepreventie; in de sport staan plezier en prestatie immers centraal. Het verdient daarom aanbeveling om blessurepreventie positief te framen. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van trainingsprogramma's die niet alleen blessures voorkomen maar ook prestaties bevorderen. Of door te werken met interventies in spelvorm.
    • Quickscan van stoffen met niet gerealiseerde emissiereducties uit het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie

      Bakker J; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-12-19)
      Het RIVM heeft in een Quickscan onderzocht wat de Nederlandse industrie bijdraagt aan de emissie van 14 stoffen naar lucht of water. Daarnaast is onderzocht in welke mate de gemeten concentraties van deze stoffen in het milieu de geldende milieukwaliteitsnormen overschrijden. De Quickscan is uitgevoerd omdat tussen de overheid en bedrijfstakken in het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie (DMI) afspraken zijn gemaakt om de uitstoot van stoffen naar zowel lucht als water in 2010 te verminderen. De bedrijfstakken zijn er voor de 14 onderzochte stoffen nog niet in zijn geslaagd de gestelde reductie te behalen. Voor vier van de veertien stoffen (fijn stof, stikstofoxiden, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en koper) wordt op landelijk of regionaal (stedelijke agglomeraties) niveau een overschrijding van de grenswaarde voor de luchtkwaliteit of het maximaal toelaatbaar risiconiveau geconstateerd. De industrie blijkt ongeveer 20 procent bij te dragen aan de nationale emissie van zowel fijn stof als polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Voor stikstofoxiden en koper is de bijdrage van de industrie aan de nationale emissie minder dan 10 procent. Voor vier stoffen, te weten zwaveldioxide, arseen, benzeen en koolmonoxide, wordt de streefwaarde overschreden. Voor de overige zes stoffen worden de milieukwaliteitsnormen niet of nauwelijks overschreden.