• Produktie van verf

      Eijssen PHM; Bos HJ; Duesmann HB; Poel P van der (1992-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Produktie van zetmeel

      Huizinga K; Etman E; Haskoning; LAE (1994-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Produktie van zwavelzuur

      Bol B; Kohnen EAEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-03-31)
      This document on production of sulphuric acid has been published within the SPIN project. In this project information has been collected on industrial plants or industrial processes to afford support to governmental policy on emission reduction. This document contains information on the processes, emission sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology and standards and licences.
    • Proefkoppeling van registratiesystemen ten behoeve van longitudinale zorgprofielen van zorggebruik: Koppeling van huisarts- en ziekenhuisgegevens

      Struijs JN; Baan CA; Westert GP; Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg NIVEL; CZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-01-18)
      This report presents the results of a pilot study designed to link data on referrals by general practitioners (GPs) with data on hospital utilisation in the Netherlands. Research questions are: What are the possibilities and the problems of linking data on GP referrals with data on hospital admissions?, and How useful are the created linkages for the development of longitudinal care profiles? The linkage was carried out for a selection of patients with referrals by general practitioners (GPs) with the diagnosis: diabetes mellitus, asthma, Chronic Obstructive Pulmonary Disease and coronary hart disease. Recommendations from an earlier study by Delnoij et al. have been incorporated in the present study. They include adding the patient's postal code, and distinguishing different search periods in the registrations. The data of the registrations have been linked using the date of birth, gender and four-digit postal code of the patients. 78% of all patients could be linked to a hospital admission, an out-patient treatment or an out-patient visit. After validation of these linkages there were still 63% of the patients left. 59% (n= 2.434) of the linkages were out-patient visits, 33% (n= 1.348) were hospital admission, and 8% (n= 326) were out-patient treatments. Our pilot study shows that it is possible to link data on referrals by GPs with data on hospital utilisation and that this linkage is useful for the development of longitudinal care profiles.
    • Proefkoppeling van registratiesystemen ten behoeve van longitudinale zorgprofielen van zorggebruik: Koppeling van huisarts- en ziekenhuisgegevens

      Struijs JN; Baan CA; Westert GP; CZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg NIVEL, 2002-01-18)
      In dit rapport wordt de haalbaarheid van het construeren van longitudinale zorgprofielen door middel van een koppeling van bestaande registratiesystemen (Landelijk Informatie Netwerk Huisartsen (LINH), de Landelijk Medische Registratie (LMR) en de Landelijke Ambulante Zorg Registratie (LAZR)) onderzocht. Aanbevelingen van eerder uitgevoerde pilot-koppeling door Delnoij e.a. zijn in het huidige onderzoek meegenomen. De koppeling is uitgevoerd voor een selectie van huisartspatienten die verwezen zijn voor Diabetes Mellitus, Astma, Chronic Obstructive Pulmonary Disease en coronaire hartziekten. Voor 63% van de patienten kon een of meerdere inhoudelijk terechte koppelingen van huisartsgegevens aan ziekenhuisgegevens worden gerealiseerd. 8% (n= 326) heeft betrekking op een dagbehandeling, 33% (n=1.348) op een poliklinisch consult en 59% (n=2.434) op een klinische opname. Deze koppeling laat zien dat het technisch mogelijk is om longitudinale zorgprofielen te construeren op basis van secundaire data, indien gekoppeld kan worden met de variabelen geboortedatum, geslacht en 4-cijferige postcode van de patient. Aangezien de koppeling geen tot de persoon herleidbare gegevens bevat en als zodanig niet onder de Wet Persoonsregistratie valt, is dit koppelingsproject wettelijk toegestaan.<br>
    • Proefproject aandachtstoffen Wet milieugevaarlijke stoffen

      Poel P van der; Ros JPM (1988-07-31)
      Dit rapport behandelt de uitvoering van het proefproject aandachtstoffen en geeft aanbevelingen aan het DGM voor vervolgonderzoek. De aandachtstoffenlijst wordt krachtens art. 22 Wet milieugevaarlijke stoffen vastgesteld en minstens eenmaal per jaar herzien, terwijl regelmatig onderzoek uitgevoerd moet worden naar stoffen die op deze lijst voorkomen. Voor het beschreven proefproject werden schriftelijke enquetes uitgevoerd voor vertegenwoordigers uit de categorieen kleurstoffen (trypan blue), oplosmiddelen (dichloormethaan), weekmakers (benzylbutylftalaat) en metalen plus hun verbindingen (chroom(VI)verbindingen).
    • Prognose Milieu-effecten Duurzaam Bouwen

      Crommentuijn LEM; Verbeek EDM; LAE (1999-11-30)
      In opdracht van het Ministerie van VROM is onderzoek gedaan naar de prognose van milieu-effecten van kabinetsbeleid ten aanzien van Duurzaam Bouwen voor de periode 1995 - 2020. Geaccordeerd beleid tot eind 1997, het verschijnen van het Tweede Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen, is meegenomen in de prognose. Voor de berekeningen zijn twee modellen ontwikkeld door TNO/Bouw, een voor woningbouw en een voor Utiliteitsbouw (de sectoren zorg, onderwijs, kantoren en detailhandel). Met de modellen kunnen maatregelen uit de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen ten aanzien van het gebruik van energie, water en materialen doorgerekend worden op hun effecten. Voor de berekeningen zijn uitgangspunten geformuleerd voor de doorwerking van de verschillende maatregelen. Deze penetratie-scenario's zijn opgesteld in overleg met een forum van deskundigen. De berekeningen betreffen louter de veranderingen door (fysiek) technische ingrepen in of aan het gebouw. Zowel in de woningnieuwbouw als in de bestaande voorraad wordt een absolute afname van het energiegebruik verwacht, voornamelijk als gevolg van een afname van energiegebruik voor ruimteverwarming. Als gevolg van het dalen energiegebruik zal de CO2-emissie dalen met ongeveer 15% in 2020 t.o.v. 1995. Het totale (primaire) energiegebruik in de U-bouw neemt met iets meer dan 5% af in 2020 t.o.v. 1995. Het energiegebruik per m2 bruto vloeroppervlak daalt in alle vier sectoren, relatief het meest in het onderwijs. Absoluut is de daling het grootst in de kantorensector. De waterbesparing in de U-bouw is maar een fractie van die in de woningbouw. Zowel in de nieuwbouw als in de bestaande voorraad van de woningen kunnen grote waterbesparingen gehaald worden. Voor materialen is de verwachting dat er milieuwinst geboekt kan worden op termijn. Het (her)gebruik van afval is met name belangrijk voor grind, gips en PVC. Het verminderen van schadelijke emissies is vooral van belang voor het gebruik van VOS en zware metalen. Het duurzaam gebruik van grondstoffen en het beperken van het gebruik van niet-vernieuwbare grondstoffen betreft (duurzaam geproduceerd) hout en kunststofdakbedekkingen.
    • Prognose van de metaalgehalten in de landbodem onder invloed van het verspreiden van baggerspecie

      Dijk S van; Kramer PRG; Beurskens JEM; LWD; Rijkswaterstaat - directie Limburg; Waterschap De Maaskant (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA)Utrecht, 1998-06-30)
      Deze rapportage bevat de resultaten van een modelleringsproject. Er worden beelden geschetst van de kwaliteitsontwikkeling van de landbodem met betrekking tot de vier metalen cadmium, koper, lood en zink bij verspreiding van baggerspecie. Het model beschrijft een vereenvoudigde en gemiddelde situatie voor de Nederlandse regionale wateren waarbij de modeldefinities een grote invloed op het uiteindelijke resultaat hebben. Het model voorspelt (binnen een periode van 50 jaar waarin vier keer baggerspecie wordt verspreid) een sterke beinvloeding van de gehalten aan cadmium, koper, lood en zink in de landbodem indien klasse 1, midden klasse 2 of bovengrens klasse 2 specie op land wordt verspreid. Enkel het op de kant zetten van klasse 0 specie levert binnen een periode van 50 jaar geen sterk verhoogde kans op overschrijding van de streefwaarde op. De huidige metaalgehalten van slootbodems in het landelijk gebied blijken zonder additionele belasting (uit een analyse van een dataset van 552 monsters) ruim onder de streefwaarde te liggen. In gebieden zonder additionele belasting is de kans op overschrijding van de streefwaarde voor landbodems als gevolg van specie verspreiding hierdoor beperkt.
    • Prognose van de metaalgehalten in de landbodem onder invloed van het verspreiden van baggerspecie

      Dijk S van; Kramer PRG; Beurskens JEM; Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA), Utrecht; LWD; Rijkswaterstaat - directie Limburg; Waterschap De Maaskant (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-06-30)
      A probabilistic model was developed to investigate the accumulation of cadmium, copper, lead and zinc in the adjacent soil by repeatedly distributing contaminated sediments on different categories of landuse and soiltype. By interpreting the model results one must bear in mind that the model represents a simplification of the complex reality, in which the results are affected by the model definitions which have a regional variation. The model predicts (within a period of 50 years in which sediment is distributed four times) a strong effect on the concentrations of cadmium, copper, lead and zinc in the soil if sediments of the so called pollution-level of class 1 and class 2 are distributed. Only the regular deposition of sediment with the pollution-level of class 0 does not increase the probability of exceeding the target values of soils. The current metal concentrations of sediments from ditches which are not additonaly loaded are found to be below the pollution level of class 0 in most cases (based on data of 552 sites). Therefore the number of cases in which the regular distribution of sediment exceeds the Dutch target value of soils within a period of 50 years is presumably limited.
    • Prognose van de ontwikkeling van de grondwaterkwaliteit op freatische winplaatsen in Nederland

      Beugelink GP; Mulschlegel JHC (1989-05-31)
      In dit rapport is een prognose gegeven voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het opgepompte water op 69 (freatische) waterwinplaatsen. De prognose is gemaakt voor de stoffen nitraat, kalium, atrazin en dinoseb. Bij het onderzoek is een "worst-case" benadering gevolgd. Voor nitraat zijn ook de effecten berekend van het invoeren van het Besluit Gebruik Dierlijke Meststoffen (BGDM). Uit de resultaten blijkt, dat op vrijwel alle beschouwde winplaatsen een toename van de nitraatconcentratie te verwachten is. Met name de winplaatsen in het oosten en zuidoosten van het land zullen mogelijk op korte termijn worden geconfronteerd met een overschrijding van de norm van 50 mg/l. Invoering van het BGDM zal wel leiden tot een verlaging van de nitraatconcentratie, echter niet zodanig dat aan de norm zal worden voldaan zonder de realisatie van een extra zuiveringstrap. Kalium kan op korte termijn tot problemen leiden. Voor atrazin en dinoseb zal binnen afzienbare tijd bij diverse winplaatsen de drinkwaternorm mogelijk (0.001 mg/l) worden overschreden.
    • Prognose van de PAK-gehalten in de landbodem onder invloed van verspreiden van baggerspecie

      Huiting AM; Kramer PRG; Beurskens JEM; LWD (1997-07-31)
      Regionale wateren worden eens in de vijf tot twintig jaar gebaggerd om de aan- en afvoer van water te waarborgen. De vrijkomende baggerspecie in het landelijk gebied wordt door het gehalte aan Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) vaak in klasse 2 ingedeeld. In het beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie is gesteld dat klasse 2 specie in principe na het jaar 2000 niet meer op de kant verspreid mag worden. Als vervolg op een eerdere studie naar de huidige en toekomstige waterbodemkwaliteit is een modelmatige analyse van de PAK-gehalten in verschillende typen landbodem onder invloed van het herhaald opbrengen van baggerspecie uitgevoerd. Het blijkt dat specie met gehalten tegen de bovengrens van klasse 2, alleen bij bouwland op zand geen overschrijding van de streefwaarde op termijn oplevert. Voor de overige categorieen landbodems (bouwland op klei, grasland op klei en op veen) zou een probleem kunnen optreden bij het verspreiden van specie met hoge gehalten in klasse 2, als de streefwaarde landbodem als maatgevend wordt beschouwd. Om te zien op welk concentratie-niveau het overgrote deel van de klasse 2 specie zich bevindt, zijn gemeten gestandaardiseerde sedimentgehalten t/m klasse 2 uit het landelijk waterbodembestand vergeleken met kritische niveaus, waarbij na verspreiding geen toename van de kans op overschrijding van de streefwaarde op landbodem te zien is in vergelijking met de situatie zonder baggerspecie. Er blijkt bij zand, klei- en veensloten resp. 100%, 63% en 74% van de gegevens onder de kritische niveaus te liggen. Met andere woorden, een groot deel van de vrijkomende klasse 2 specie leidt bij herhaaldelijke verspreiding niet tot een overschrijding van de streefwaarde in de landbodem. Afname van atmosferische depositie in de komende 50 jaar verruimt de mogelijkheid om PAK-houdende specie op de kant te zetten zonder de streefwaarde te overschrijden. Dit is het sterkst in geval van bouwland op klei, maar geldt in mindere mate voor de beide grasland categorieen.
    • Prognose van de PAK-gehalten in de landbodem onder invloed van verspreiden van baggerspecie

      Huiting AM; Kramer PRG; Beurskens JEM; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      Regional waters are being dredged once every 5 to 20 years to maintain the water discharge. The dredged material must meet certain objectives if it is to be disposed of in the adjacent soil. However, PAH levels exceed the sediment target value of 1.0 mg sum of PAH per kg dryweight of sediment in 60% of the ditches. In a preceeding study the present and future sediment quality has been investigated. In this study a probabilistic model was developed to investigate the effect of repeatedly distributing sediments on different categories of soil. When PAH concentration in sediment exceeds the target value up to a level of 10 mg.kg-1 (standard above which sediments must be deposited into a depot), only farm-land on sandy soils will show no exceedance of the target value for soils (equal to the target value for sediments). The other categories, farm-land on clay, grass-land on clay and grass-land on peat, show a considerable chance of exceedance of the target value. However, when being distributed, many of the sediments in which levels of PAH above the target value were measured, will cause no exceedance of the soil target value. For sand, clay and peat ditches respectively 100%, 63% and 74% of all measurements will lead to soil concentrations below the target value when being deposited on a regular basis. Decreasing atmospheric deposition will enlarge the possibility of distributing sediments without exceeding target values, especially in the case of farm-land on clay.
    • Prognose van luchtkwaliteit ; signalering van wintersmogepisoden

      van Rheineck Leyssius HJ; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      The EUROS model, a numerical grid model using simple linear chemistry, is applied routinely to predict winter smog episodes in the Netherlands. The required meteorological input consists of prognostic fields obtained from KNMI or ECMWF. The model calculated hourly concentration fields of SO2, SO4, NO2, NOx and NO3 for an area covering practically the whole of Europe. The effective prognosis period is +72 hours. From an operational-technical point of view, the model appears to function excellently ; it is only in exceptional cases that model results are not available before 9.00 am. It is not yet possible to provide a more detailed evaluation of the system ; on the one hand since the system has not yet been operational throughout a complete winter period, and on the other since there have been hardly any episodes with raised pollutant concentrations. Superficial analysis reveals that the model can lead to both over- and underestimates of concentration levels. Reasons for discrepancies between model predictions and measurement results were usually to be found in the (automatically generated) input parameters. Recommendations are made to improve the quality of the model's predictions.<br>
    • Prognose van luchtkwaliteit: signalering van fotochemische smogepisoden

      van Rheineck Leyssius HJ; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-05-31)
      A description of two procedures which are used at RIVM in forecasting photochemical smog episodes is presented. Both procedures lead to the estimation of daily average oxidant (O3 + NO2) concentrations. The procedure OXPRO provides prognoses for the concentrations of "today" and procedure ZOMEREPI for the concentrations of "today", "tomorrow" and "the day after tomorrow". The overall performance of both forecasting procedures is described for the summer of 1989 (May- October), as well as the performance of predicting exceedances of threshold values (exceedence of the pre-warnbing level, 63 ppb and of the warning level, 75 ppb daily average oxidant). Recommendations to improve both procedures are given. Changes in the procedures, necessary for the planned revision in the smog alarm system in The Nehterlands (from daily average oxidant concentrations to maximum hourly average O3 concentrations), are mentioned. The procedure versions which are operational in the summer of 1990 are described.<br>
    • Programma Klimaat en Gezondheid van ZonMw : Nut en noodzaak voor politiek Den Haag

      Schram-Bijkerk D; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-02-10)
      Bij beleidsmakers bestaat nog veel onduidelijkheid over de omvang van mogelijke gezondheidseffecten van klimaatverandering. Daarom kunnen zij de urgentie van het thema niet goed overzien en hebben zij het niet hoog op hun beleidsagenda staan. Het thema is wel opgepakt binnen het zogenoemde Deltaprogramma (bij het onderdeel Nieuwbouw & herstructurering), dat is ingesteld om Nederland voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan zijn de maatregelen om in steden extra sterfte tijdens hittegolven tegen te gaan. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM bij vier ministeries van wat zij doen om de gezondheidseffecten van klimaatverandering aan te pakken. Volgens het instituut is onderzoek nodig naar de omvang van dergelijke gezondheidseffecten om het thema op de beleidsagenda te krijgen en eventuele maatregelen om effecten tegen te gaan te kunnen motiveren. Daarnaast blijkt dat het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' dat ZonMw heeft ontwikkeld mogelijkheden biedt om de benodigde kennis te genereren voor interdepartementale beleidsontwikkeling, zoals het Deltaprogramma. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van ZonMw, om het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' beter aan te laten sluiten bij beleid. Hiervoor is gesproken met beleidsmakers van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Economie, Landbouw en Innovatie (ELI), en Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (OCW). De behoefte aan kennis kwam in grote lijnen overeen en raakte aan bestaande beleidsthema's als 'ruimtelijke ordening' en 'gezonde leefomgeving', welke ook terugkomen in het Deltaprogramma. In de nabije toekomst zal ZonMw beleidsmakers vragen een besluit te nemen over de inhoud en inrichting van het kennisprogramma.
    • Een programma voor de communicatie tussen de RIVM-computer (systeem 5) en de LCI-100 integrator van Perkin-Elmer

      Sicherer-Roetman; A.* (1986-07-31)
      In dit rapport wordt de ontwikkeling van een programma besproken voor de communicatie tussen de RIVM-computer en de LCI-100 integrator voor chromatografie van Perkin-Elmer. Het programma werkt geheel menugestuurd. Verder is er gezorgd voor een uitgebreide bescherming tegen foutieve invoer. Het programma is geschreven in standaard Fortran 77. Het is modulair opgezet en kan daardoor gemakkelijk gewijzigd en uitgebreid worden. Gebruik van dit programma bespaart zeer veel van het speciale papier van de integrator. Het belangrijkste is echter dat de resultaten van analyses nu duurzaam kunnen worden opgeslagen en op ieder gewenst moment met andere programma's verder kunnen worden bewerkt. De programmatekst is aanwezig bij de afdeling Meetmethoden van het Laboratorium voor Luchtonderzoek.
    • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie. Kaders en inventarisatie meetsystemen

      Sahai, A; Hogenhuis, R; Heblij, S; Smetsers, R; Assink, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
    • Programmeringsstudie Alternatieven voor Dieproeven - Deel 2 : Samen vervangen, verminderen en verfijnen

      Deleu S; van Boxel MMF; NKA; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-21)