• Quality and the future. Sustainability outlook. Summary

      Heiligenberg H van den (eds); NMD; ECN; GLOBUS; LEI; TELOS; TNS-NIPO; UvA (Netherlands Environmental Assessment Agency = Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM, 2005-03-30)
      Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
    • Quality and usefulness of (extended) Safety Data Sheets

      Marquart H; Puijk I; Mulder E; Theodori D; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Triskelion, 2014-08-29)
      Het veiligheidsinformatieblad (VIB) is het belangrijkste instrument voor het verstrekken van informatie over veilig gebruik van stoffen en chemische mengsels aan professionele en industriële gebruikers. De REACH-wetgeving is de huidige wettelijke basis voor de VIBs in Europa. Voor geregistreerde stoffen in hoeveelheden van 10 ton of meer per jaar per registrant, moeten registranten ook blootstellingsscenario's (aangeduid als "ES", de afkorting voor "Exposure Scenario") opstellen en deze toevoegen als bijlage aan de VIB's. ES worden vereist voor stoffen die voldoen aan de criteria van een van de gevarenklassen van artikel 14 (4) van REACH of stoffen die als PBT of vPvB zijn aangemerkte en voor alle in de registratie voorziene gebruiken die tot blootstelling kunnen leiden. In de ES worden voor alle geïdentificeerde gebruiken de relevante operationele omstandigheden (OC) en risicobeheersmaatregelen (RMM) omschreven die nodig zijn voor een veilig gebruik. Een dergelijke verplichting voor een ES geldt niet voor mengsels van chemische stoffen. Echter, de informatie uit de blootstellingsscenario's van de stoffen waaruit het mengsel bestaat, moet wél in een bepaalde vorm worden gepresenteerd in het VIB van het mengsel. Met '(e)SDS' worden in dit rapport alle VIBs aangeduid met en zonder ES. Om diverse signalen uit de praktijk van onvoldoende kwaliteit te verifiëren, en omdat (e)SDS als een primaire bron van informatie voor werkgevers worden beschouwd bij het nakomen van hun arbo-verplichtingen, heeft de Nederlandse Inspectie-SZW (I-SZW) een systematische evaluatie laten uitvoeren van een 50- tal (e)SDS die door de I-SZW inspecteurs zijn verzameld tijdens een REACH inspectieproject in 2012. Het gaat hier om (e)SDS die bepaalde tekortkomingen tonen volgens een snelle scan van de inspecteurs zelf. Het doel is om meer inzicht te krijgen in de stand van zaken rond te kwaliteit van de (e)SDS. De evaluatie is uitgevoerd door TNO Triskelion BV onder begeleiding door Bureau REACH en is bedoeld als input voor de discussie over mogelijke verdere acties voor de verbetering van de kwaliteit en bruikbaarheid van de (e)SDS. De resultaten voor de bestudeerde (e)SDS zijn globaal als volgt. Voor bijna de helft van de (e)SDS waren er sterke aanwijzingen dat ze niet up-to-date waren. Verder waren er problemen met de Nederlandse taal, en onvolledige of geen specificaties over de wijze van huidbescherming. In sommige (e)SDS, die melding maakten van onverenigbare materialen, troffen we geen verdere specificaties aan over de maatregelen die nodig zijn om mogelijke relevante risico's te voorkomen. Regelmatig werden inconsistenties gevonden tussen rubriek 7, rubriek 8 en de blootstellingsscenario's, en er waren indicaties dat de indeling, vermeld in de (e)SDS, en de geharmoniseerde indeling niet met elkaar overeen kwamen, of dat de indeling van de stoffen als zodanig of in mengsel afweken van de meest voorkomende zelf-classificatie in de C & L-inventaris. Waarschijnlijke blootstellingsroutes werden vaak niet genoemd. Soms miste een ES waar we dat wel zouden verwachten en een aantal bevatte zelfs geen registratienummer. Dit kan wijzen op stoffen afkomstig van leveranciers die (nog) niet hoeven te registreren maar het kan ook wijzen op een noncompliance. Een derde maakte geen melding van de nu geldende grenswaarden voor de werkplek en werden er geen DNELs genoemd. Ook passende technische maatregelen werden niet gemeld bij bijna de helft van de bestudeerde (e)SDS. In sommige gevallen werden deze technische maatregelen in een andere rubriek genoemd. Voor ongeveer twee derde van de (e) SDS met blootstellingsscenario's in de bijlage, hadden deze blootstellingsscenario's een duidelijke toegevoegde waarde. Een belangrijke notie hierbij is dat de bestudeerde (e)SDS al twee jaar geleden zijn geselecteerd. Het is de vraag in hoeverre de hier beschreven conclusies nog steeds representatief zijn voor de situatie anno 2014. ECHA heeft inmiddels initiatieven ontplooid met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de (e)SDS. We hebben het hier over het uitwisselingsnetwerk voor blootstellingsscenario's ENES (Exchange Network on Exposure Scenario's) en, de daaruit ontstaan CSR/ES Roadmap. Deze initiatieven zijn opgericht door ECHA en worden uitgevoerd in samenwerking met de industrie en een aantal geïnteresseerde landen. De relevante departementen en Inspectie SZW vanuit Nederland alsook Bureau REACH zijn betrokken bij het ENES en de CSR/ES Roadmap. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een nationaal project opgericht samen met het bedrijfsleven dat gericht is op het identificeren en implementeren van oplossingen voor de knelpunten van het MKB m.b.t. de (e)SDS. Het project loopt tot begin 2015. De specifieke focus van het Nederlandse project is om REACH effectiever en nuttiger maken voor vooral het MKB op een wijze die kostenbesparingen oplevert bij de implementatie van de RAECH verplichtingen. Het rapport sluit af met aanwijzingen voor de werkgevers c.q. DU over hoe ze zelfstandig de kwaliteit en bruikbaarheid van een (e)SDS kunnen controleren.
    • Quality Assurance and Quality Control for National Reference Laboraties for Detecting Residues in Biological Samples

      Schothorst RC; Ginkel LA van; Sterk SS; Stephany RW; ARO (1994-05-31)
      De bijdragen gepresenteerd tijdens de eerste CRL-workshop over Quality Assurance and Quality Control for National Reference Laboratories for Detecting Residues in Biological Samples zijn gebundeld. Tevens staan in deze proceedings de conclusies en aanbevelingen van bovenstaande workshop.
    • Quality Assurance and Quality Control of veal calf residue control programmes for clenbuterol in the Netherlands

      Bos M; Ginkel LA van; Stephany RW; ARO (1995-11-30)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van een kwaliteitsprogramma voor de analyses van biologische monsters op de aanwezigheid van residuen van beta-agonisten gericht op de bepaling van clenbuterol. Vier Nederlandse laboratoria, waarvan drie deelnemen aan het officiele Nationale Residu Controle Programma en het officiele laboratorium voor de Stichting Kwaliteitsgarantie van de Vleeskalver Sector (SKV), nemen deel aan dit onderzoek. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat deze groep laboratoria resultaten voortbrengt die zowel op kwalitatief als op kwantitatief gebied goed overeenkomen. Zowel de binnen - als tussen-laboratoria variaties zijn acceptabel.
    • Quality Assurance by CRL-Salmonella of the serotyping of isolates obtained from the 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs in the EU Member States' (2006-2007)

      Mooijman KA; Veenman C; Maas HME; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-31)
      From October 2006 up to October 2007 a 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs' was carried out in all European Member States. A selection of the Salmonella isolates found by the National Reference Laboratories in each Member State was sent to the Community Reference Laboratory for Salmonella (RIVM, Bilthoven, the Netherlands) for quality assurance of the serotyping. This letter report summarises the results of the quality assurance.
    • Quality Assurance Procedures and Good Laboratory Practices (GLP) Guidelines

      Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-01-31)
      Compilatie van de regels voor kwaliteitsborging en GLP wordt gegeven aan de hand van praktische punten. Definities van deeldoelen van GLP worden beschreven.<br>
    • Quality control of antacid preparations: Up-dating the RIGO-method using standard USP dissolution test apparatus

      van Riet-Nales DA; van Aalst P; de Kaste D; Derks HJGM; LGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-09)
      In 1976 bleek uit de literatuur, dat de werkzaamheid van een antacidum werd bepaald door de neutralizatiesnelheid, de maximaal bereikte pH en de werkingsduur. Een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening hield, ontbrak. Het RIGO ontwikkelde daarom een methode voor de in-vitro bepaling van de activiteit van antacida, inclusief specificaties, die met deze criteria rekening hield. De effectiviteit van een antacidum werd in Nederland voldoende geacht door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), als dit voldeed aan de RIGO specificaties bij testen met de RIGO methode. Dit beleid is nog steeds van toepassing, ondermeer omdat een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening houdt, nog steeds ontbreekt. De RIGO methode dient echter geevalueerd te worden in het licht van het huidige stand van de wetenschap. Door de introductie van de decentrale en centrale procedures is er een groeiende behoefte aan een Europees draagvlak voor het CBG-beleid. Omdat de RIGO methode gebruik maakt van niet commercieel verkrijgbare apparatuur, is tevens onderzocht of de methode gestandaardiseerd kon worden door gebruik te maken van de USP dissolutie test apparatuur. De USP apparatuur bleek een goed alternatief te zijn. De nieuw ontwikkelde (en gevalideerde) methode wordt beschouwd als een een goed uitgangspunt voor een geharmoniseerde Europese monografie voor de kwaliteit van antacida.<br>
    • Quality control parameters of Dutch Down's syndrome screening laboratories 2010

      Schielen PCJI; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-29)
      Het RIVM heeft voor de tweede keer de prestaties van de Nederlandse downsyndroom-screeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2010. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat een test op twee parameters uit bloed en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren, hun data over 2010 beschikbaar gesteld. Eén daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Algemene bevindingen In 2010 zijn in totaal 50.494 screeningstests afgenomen; dit betekent dat 26,8 procent van de zwangeren een dergelijke test laat uitvoeren (iets meer dan in 2009). De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen ligt tussen 32 en 33,5 jaar (mediane leeftijd). Het percentage zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom ligt rond de 6%. De prestaties van de laboratoria voldeden in het algemeen aan de kwaliteitseisen, en vielen bovendien allemaal binnen de internationale kwaliteitsnormen (UK NEQAS). Analyse bloedtests en nekplooimeting Verder zijn de gemiddelde concentraties (van de eiwitten PAPP-A en hCG-beta) van de bloedtests geëvalueerd, evenals de uitslagen van de nekplooimeting. Uit die analyse blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt onder andere om de instellingen van de kansberekeningssoftware van de laboratoria te evalueren, en daarbij nadrukkelijk aan te geven hoeveel van de kinderen die met downsyndroom zijn geboren, met de test zijn gedetecteerd. Een andere aanbeveling is om de screening naar andere chromosomale afwijkingen, te weten trisomie 13 en 18 in de evaluatie mee te nemen.
    • Quality control parameters of the Dutch Down syndrome screening laboratories 2009 (2007-2008, when available)

      Schielen PCJI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-02)
      Het RIVM heeft voor het eerst de prestaties van de Nederlandse downsyndroomscreeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2009. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat twee bloedtests en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren hun data over 2009 beschikbaar gesteld; Een daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Bevindingen: In 2009 zijn in totaal 48.457 screeningstests afgenomen; daarmee laat 25,7 procent van de zwangeren een dergelijke test uitvoeren. De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen blijkt 32-33,5 jaar (mediane leeftijd). Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom is in het laboratorium van het AMC 6,3 procent, in het referentielaboratorium van het RIVM 4,8 procent, 7,4 procent bij het VUMClaboratorium en 5,4 procent voor dat van het MUMC. De laboratoria blijken op uiteenlopende momenten de test af te nemen: in sommige regio's gebeurde dat vroeg in de zwangerschap, in week 10. In andere later, in week 12. Een vroeg afgenomen test geeft een betere indicatie. Analyse bloedtests en nekpooimeting: Verder zijn de gemiddelde concentraties van de bloedtests geëvalueerd (van de stoffen PAPP-A en hCG-beta), evenals de uitslagen van de nekplooimeting (NT). Hieruit blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt de gegevens over de bloedtest voor de evaluatie aan te vullen met de ontbrekende gegevens over de nekplooimeting. Een eerste aanzet is daartoe in 2012 gemaakt door de landelijke database met deze gegevens, Peridos, voor deze analyse in te zetten.
    • Quality of the final rinse water for endoscope washer disinfectors. A literature review

      de Bruijn A; van Drongelen A; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-18)
    • Quality of the Gradko passive samplers in the MAN monitoring network

      Noordijk H; Braam M; Stolk AP; van Pul WAJ; Wichink Kruit RJ; MMK; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-16)
      The Ammonia Measurement Network in Nature Reserves (MAN) measures ammonia concentrations in the air at approximately 280 locations in nature areas as part of the Integrated Approach to Nitrogen (PAS). The concentrations are measured using Gradko passive samplers that are exchanged every month. These samplers have a number of important advantages: their compactness, inconspicuousness and simple exchange. In addition, they are also cheaper than other commercially available samplers. A disadvantage, however, is that Gradko samplers are less accurate than other more expensive passive samplers. To overcome this disadvantage, the Gradko samplers in the MAN are calibrated every month to six reference instruments from the National Air Quality Monitoring Network located across the Netherlands in regions with varying pollution levels. In this report, the quality of the Gradko passive samplers is investigated before and after the performed calibration. Without calibration, the measurements of the Gradko samplers are systematically too high, especially in the low concentration range. After calibration, this systematic difference is eliminated. The calibration procedure also corrects the observations for meteorological influences, which reduces noise in the measurements. The accuracy of the calibrated Gradko measurements is very similar to the accuracy of various other low-cost measurement techniques. Because the measurement locations are in public areas and the MAN makes use of the efforts of volunteers and site managers, the simple and robust design of the Gradko samplers is perfectly suited for application in Dutch nature reserves.
    • Quantification of health effects of breastfeeding - Review of the literature and model simulation

      Rossum CTM van; Buchner FL; Hoekstra J; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Breastfeeding has positive health effects, with the largest health gain realized through policy that focuses on encouraging all mothers to start breastfeeding. A literature review shows that breastfeeding has beneficial health effects in both the short and the longer term. There is convincing evidence that the incidence of gastrointestinal infections, inflammation of middle ear, obesity and high blood pressure is reduced in breastfed children. Probably breastfed children suffer less from asthma, wheezing, eczema and among them intellectual and motor development is probably enhanced. Breastfeeding is possibly related to a reduction of incidence in Crohn's disease, atopy, diabetes mellitus type I, and leukaemia. Regarding the mother, there is convincing evidence for a protective effect of breastfeeding on rheumatoid arthritis. The incidence of pre-menopausal breast and ovarian cancer is probably lower among mothers who breastfed their infants longer. The health effects of several intervention scenarios are simulated and compared to the present situation. The largest public health gain can be achieved when all newborns get breastfeeding for at least 6 months. Greater public health gain can be achieved by introducing breastfeeding to all newborns than through a policy only focussing on extending the lactation of women already breastfeeding beyond three months.
    • Quantification of health effects of breastfeeding - Review of the literature and model simulation

      van Rossum CTM; Buchner FL; Hoekstra J; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Borstvoeding heeft positieve effecten op de volksgezondheid. De grootste gezondheidswinst is te behalen door alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen. Literatuuronderzoek laat zien dat borstvoeding gezonder is dan flesvoeding. Dit geldt voor de directe gezondheid van de zuigeling, maar werkt voor zowel het kind als de moeder ook langer door. Overtuigend bewijs is aanwezig dat infecties van het maagdarmkanaal, middenoorontsteking, overgewicht en hoge bloeddruk minder voorkomen bij (langer) borstgevoede kinderen. (Langer) borstgevoede kinderen krijgen waarschijnlijk minder last van astma, piepen op de borst en eczeem. Bovendien verbetert borstvoeding waarschijnlijk de intellectuele- en motorische ontwikkeling. Het is mogelijk dat borstvoeding beschermt tegen de ziekte van Crohn, atopie, diabetes en leukemie. Voor de moeder is er overtuigend bewijs dat het geven van borstvoeding beschermt tegen reumatische artritis en mogelijk tegen borstkanker voor de overgang en ovariumkanker. Door borstvoeding te promoten kan het voorkomen van verschillende ziekten worden verlaagd. De gezondheidseffecten van verschillende beleidsscenario's zijn geschat met een modelsimulatie. De effecten hiervan zijn vergeleken met de huidige situatie. Vanzelfsprekend is de grootste gezondheidswinst te behalen wanneer alle pasgeborenen minimaal zes maanden borstvoeding krijgen. Verder wordt een groter effect bereikt met maatregelen alleen gericht om alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen dan met maatregelen alleen gericht op het verlengen van de periode van borstvoeding geven van de moeders die dat nu al drie maanden doen.
    • The quantification of occupational risk. The development of a risk assessment model and software.

      Aneziris O; Baedts E de; Baksteen J; Bellamy LJ; Bloemhoff A; Damen M; Eijk V van; Kuiper JI; Leidelmeijer K; Mud M; et al. (WORM Metamorphosis ConsortiumNCSR DemokritosEDBCRondas Safety ConsultancyWhite Queen BVConsumer Safety InstituteRIGORPS Advies BVMinisterie SZWNIFVHCRM Ltd., 2008-09-18)
      Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is een model ontwikkeld om arbeidsrisicos in Nederland te berekenen. Werknemers kunnen tijdens hun werk gewond raken of overlijden als gevolg van ongevallen. Met het model kunnen werkgevers combinaties van maatregelen kiezen die het risico reduceren. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicoreductie worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van risicoreducerende maatregelen. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenarios, zoals 'vallen van hoogte'. De ongevalscenarios werden gebruikt om zogenoemde vlinderdasmodellen te construeren. Hierin staan de oorzaken van een ongeval vermeld (welke gebeurtenissen leiden tot het optreden van het ongeval?) en de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel?). In een vlinderdasmodel worden tevens de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De vlinderdasmodellen geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en werkplaatsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werknemers aan risicovolle activiteiten blootstaan en van welke kwaliteit de risicobeperkende maatregelen op de werkplaats zijn. Met deze gegevens kan per activiteit, baan, bedrijf of industrietak het risico op ongevallen worden berekend.
    • Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      The forthcoming 3rd edition of the WHO Guidelines for Drinking-water Quality proposes a preventive management framework for safe drinking water that is similar for all types of contaminants - microbial, chemical and radiological. Descriptions of the level of risk in relation to water are usually expressed in terms of specific health outcomes (such as cancer, diarrhoeal disease, etc.). A common unit for risk is essential here, since different contaminants cause health effects of widely varying severity and kinds, ranging, for example, from mild diarrhoea through crippling fluorosis to child death. This is the only way to enable comparison between the public health impact of various agents and intervention options. The purpose of this particular report is to provide a discussion paper on the concepts and methodology of Disability Adjusted Life Years (DALYs) as a common public health metric and its usefulness for drinking-water quality. The approach is illustrated for several drinking-water contaminants already examined using the burden of disease approach; preliminary data are given for several other key contaminants.
    • Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      In de komende 3e editie van de WHO Guidelines for Drinking-Water Quality wordt een preventief raamwerk voor het beheersen van de kwaliteit van drinkwater voorgesteld dat gelijk is voor alle soorten verontreinigingen - microbiologisch, chemisch en radiologisch. Risico's die zijn verbonden aan water worden meestal uitgedrukt in specifieke gezondheidseffecten (zoals kanker, diarree etc.). Omdat verschillende contaminanten gezondheidsklachten veroorzaken die sterk verschillen in aard en ernst van b.v. milde diarree tot verlamming door fluorose en kindersterfte, is een gemeenschappelijke eenheid noodzakelijk om de effecten op de volksgezondheid van verschillende agentia en interventies te kunnen vergelijken. Dit rapport beoogt materiaal aan te dragen voor een discussie over de grondslagen en methoden van Disability Adjusted Life Years (DALYs) als een gemeenschappelijke volksgezondheidsmaat en de bruikbaarheid ervan op het gebied van drinkwaterkwaliteit. De methode wordt geillustreerd aan de hand van enkele contaminanten in drinkwater waarvan de ziektelast eerder bestudeerd was, en voorlopige gegevens worden gepresenteerd voor enkele andere belangrijke contaminanten.<br>
    • Quantitatieve Structuur Activiteit Relaties. Een literatuurstudie

      Zomer G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-08-31)
      Dit rapport beschrijft de mogelijkheden van het gebruik van QSAR's bij toxicologisch onderzoek. Een Quantitatieve Structuur Activiteit Relatie is een wiskundige beschrijving van een activiteit (bijvoorbeeld een fysische eigenschap of een toxicologische parameter als een LD-50) door middel van structuurbeschrijvende parameters (descriptoren, zoals molecuulgrootte en -lading). Er worden twee benaderingen belicht: een heuristische en een mechanistische. De laatste verdient de voorkeur, maar is niet altijd mogelijk.<br>
    • A quantitative approach to assess the risk of skin sensitization from hair dye ingredients : A case study using p-phenylenediamine (PPD)

      Ezendam J; Park M; Salverda-Nijhof JGW; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Methode om een veilige limiet voor allergie door haarverf vast te stellen Het gebruik van haarverf is in principe veilig. Wel bevat dit product stoffen die bij sommige mensen allergische reacties kunnen veroorzaken, zoals jeuk, roodheid en zwellingen van de huid. Zo reageert een klein percentage (0,2 tot 1 procent) van de consumenten op de stof p-phenylenediamine (PPD) in permanente haarverf. Haarverf-allergie kan in sommige gevallen ernstig zijn. Het RIVM heeft daarom geprobeerd te bepalen bij welke concentratie het gebruik van PPD niet meer zal leiden tot allergische reacties bij consumenten. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om deze veilige limiet te berekenen aangezien gegevens over de mate waarin de consument per verfbeurt aan PPD wordt blootgesteld ontbreken. De veiligheid van haarverf wordt gereguleerd in de Europese Cosmetica verordening. PPD is een belangrijk bestanddeel van haarverf om grijs haar goed te kunnen kleuren, maar is ook een erkend allergeen. PPD mag tot een maximum concentratie van 2 procent worden toegevoegd aan haarverf. Deze wettelijke limiet voorkomt echter niet dat sommige mensen een allergische reactie krijgen na gebruik van haarverf. Om een veilige limiet te kunnen bepalen is het nodig om de concentratie waarbij de stof de allergie veroorzaakt, de effectconcentratie, te weten. Er zijn voldoende gegevens over PPD beschikbaar om deze concentratie te bepalen. Daarnaast is het belangrijk om te bepalen in welke mate een consument wordt blootgesteld aan PPD bij het gebruik van haarverf. Als de hoeveelheid waaraan de consument blootstaat hoger is dan de effectconcentratie, kan een allergie ontstaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om de consumentenblootstelling met voldoende zekerheid vast te stellen. Eén van de redenen is dat de verf na een tijdje wordt uitgewassen en het onbekend is hoeveel PPD er in deze periode wordt opgenomen
    • Quantitative determination of optical aerosol properties with lidar at 0.53 and 1.06 mum wavelength

      Salemink H; Schotanus P; Bergwerff J; van der Meulen A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-05-30)
      Beschreven wordt de kwantitatieve detectie van aerosol in de atmosferische grenslaag tot een hoogte van 1,5 km (remote sensing m.b.v. laser-radar). Voor optische aerosol-eigenschappen wordt goede overeenkomst gevonden tussen lidar (remote) en lokale waarnemingen in vliegtuig en op grondniveau. Toepassing wordt gevonden in routinemetingen van aerosoltransport en in de remote detectie van NO2 en SO2.