• Radiologische consequenties van zinkrijke filterkoek bij Hoogovens Staal te IJmuiden (een voorbeeldstudie)

      Laheij GMH; Eggink GJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      Overeenkomstig de herziene Euratom-Richtlijn Basisnormen dienen de lidstaten zelf invulling te geven aan het stralenbeschermingsbeleid met betrekking tot radioactieve isotopen die van natuurlijke oorsprong zijn. In dat kader zijn, als voorbeeldstudie, de radiologische consequenties onderzocht van een deponie van zinkrijke filterkoek bij Hoogovens Staal te IJmuiden. Omdat de filterkoek wellicht overgebracht moet worden naar een C3-deponie (bijvoorbeeld op de Maasvlakte) is ook een schatting gemaakt van de dosis die opslag aldaar, inclusief het transport, met zich meebrengt. De stralingsdosis is voor zowel werknemers op de deponie als voor omwonenden rond de deponie bepaald. De relevante blootstellingspaden voor werknemers zijn inhalatie en directe ingestie van de fijne filterkoek en externe bestraling bij verblijf op de deponie. Voor omwonenden zijn dit inhalatie, ingestie van bladgroente waarop fijne filterkoek is gedeponeerd en externe bestraling. De stralingsdosis voor werknemers op de deponie bij Hoogovens bedraagt ongeveer 7 uSv/a. De dosis voor de chauffeurs als gevolg van het transport en de werknemers op een C3-deponie hangt sterk af van de mate waarin het materiaal geimmobiliseerd is. De maximaal te verwachten dosis is, voor zowel het transport als de opslag op de C3-deponie, gelijk aan de dosis voor werknemers op de deponie bij Hoogovens. Voor omwonenden bedraagt de stralingsdosis bij opslag op de deponie 3,6 uSv/a. Ook hiervoor is de stralingsdosis bij opslag op een C3-deponie sterk afhankelijk van de mate waarin het materiaal geimmobiliseerd is. Gezien de te verwachten geringe blootstellingstijden gedurende het transport wordt voor omwonenden geen stralingsdosis boven het secundaire niveau van 0,4 uSv/a verwacht.<br>
    • Radiologische gevolgen van mogelijke ongevalsscenario’s voor Kerncentrale Borssele

      Tomas, JM; Kloosterman, A; Twenhöfel, CJW; van Dillen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-10)
      Ongevallen met kernenergiecentrales waarbij radioactieve stoffen vrijkomen, vormen een gevaar voor de gezondheid. De gevolgen van zo’n ongeval hangen af van de hoeveelheid radioactiviteit die vrijkomt, de hoeveelheid waar iemand aan blootstaat en de effecten van deze blootstelling op de gezondheid. Volgens Europese richtlijnen moeten landen in Europa zich voorbereiden op een mogelijk stralingsongeval. In een noodsituatie kunnen ze dan maatregelen nemen die de gezondheidseffecten zoveel mogelijk beperken. Naar aanleiding van de nieuwste Europese richtlijnen werkt ook Nederland aan een nieuwe ‘stralingsbeschermingsstrategie’ voor verschillende noodsituaties waarbij radioactiviteit kan vrijkomen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM berekend tot welke afstand van de kerncentrale in Borssele beschermende maatregelen voor de bevolking nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval. De afstanden zijn berekend voor vijf emissiescenario’s (van klein tot ernstig) bij verschillende weersomstandigheden. Het weer heeft namelijk veel invloed op de afstand tot waar de radioactieve stoffen zich kunnen verspreiden. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. De resultaten uit dit onderzoek geven een indicatie tot welke afstand deze maatregelen nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval met Kerncentrale Borssele. De resultaten kunnen worden gebruikt om de nieuwe stralingsbeschermingsstrategie te ontwikkelen. Bij een kernongeval zijn, afhankelijk van de ernst ervan, verschillende maatregelen mogelijk. Voorbeelden zijn evacueren, schuilen (binnenblijven met de deuren en ramen dicht) en jodiumtabletten innemen (jodiumprofylaxe). Ook kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat voedsel besmet raakt. Denk aan koeien niet laten grazen en kassen sluiten.
    • Radionuclide-specifieke parameterwaardena voor biosfeertransport- en stralingsdosisberekeningen. Eindrapportage deelrapport 10c

      Lembrechts JF; Koster HW (1989-02-28)
      In dit document worden de verschillende nuclide-specifieke parameters besproken die zijn gebruikt bij de biosfeertransport- en stralingsdosisberekeningen uitgevoerd bij de evaluatie van de ondergrondse opberging van radioactief afval. Aangegeven wordt die de in te voeren waarden zijn verzameld en welke waarden werden geselecteerd.
    • Radionucliden in de uiterwaarden bij de GKN Dodewaard en de hieruit berekende stralingsbelasting

      Koster; H.W. (1984-10-03)
      Door de KEMA en het RIVM zijn verhoogde concentraties van radionucliden gevonden in de uiterwaarden bij Dodewaard, stroomafwaarts van de GKN over een oppervlak van 20 ha in de bovenste 20 cm van de grond. De maximale verhoging van de individuele stralingsbelasting ten gevolge hiervan is berekend op 66 muSv.a-1 voor de melkveehouder/pachter. Hiervan is 43 muSv.a-1 door verblijf in het besmette gebied en 23 muSv.a-1 door consumptie van melk- en vlees(produkten) direct uit het besmette gebied. Deze verhoging is een grootteorde kleiner dan de variatie 300-500 muSv.a-1 in de natuurlijke individuele stralingsbelasting van de Nederlanders deze belasting is gemiddeld 2000 muSv.a-1. De maximale verhoging van de collectieve stralingsbelasting is berekend op 18 milliman Sv.a-1, hetgeen zes grootteorden kleiner is dan de collectieve natuurlijke stralingsbelasting van de Nederlandse bevolking, deze belasting bedraagt ca. 28 kiloman Sv.a-1.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied; resultaten over 1997

      Lembrechts J; Glastra P; Stoop P; LSO (1998-02-28)
      Van 18 havenspeciemonsters die in 1997 zijn verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg, is het 226Ra-gehalte en de korrelgrootte-verdeling bepaald. Hieruit is afgeleid hoe groot de invloed op het 226Ra-gehalte is van lozingen door de fosfaaterts-verwerkende industrie. Zoals in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, is de invloed van de industrie vooral merkbaar in de omgeving van en in de eerste en tweede Petroleumhaven. Verhogingen van het 226Ra-gehalte tot maximaal 211 Bq/kg zijn gemeten ten opzichte van een achtergrond varierend tussen 22 en 46 Bq/kg. Van het geloosde 226Ra blijft naar schatting 13% in de havens achter. De jaarlijks verzamelde monsters lijken de langjarige trend in de lozingen te weerspiegelen.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied

      Bijwaard H; Overwater RMW; Glastra P; Nissan LA; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-07)
      The radium concentration was measured in 25 samples of harbour sludge taken from the Rijnmond area (Rotterdam harbours and the Nieuwe Waterweg) in 2002. High radium levels were found near the former discharge points of the phosphate ore processing plants, confirming the results of previous campaigns. The results of these previous campaigns (1994-2001) were corrected for a calibration defect that had been indicated in an international comparison of measurements. The cause of this defect appeared to be radon leakage from the calibration samples, resulting in an overestimation of radium concentrations by 16%. However, this turned out to be of no consequence for the conclusions drawn in previous reports. For 2002, the highest radium concentration of about 209 Bq kg-1 was found in a sample from the Nieuwe Maas (NM-2). The average total amount of radium of industrial origin for 2000 to 2002 in the nine regularly probed sections showing the highest radium levels was found to be approximately half the average for the 1995-1997 period. This is probably the effect of the former industrial releases, which, although decreasing, has not disappeared completely.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied. Resultaten over 2001

      Lembrechts J; Glastra P; Nissan LA; Overwater RMW; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      The radium concentration was measured in 25 samples of harbour sludge taken in 2001 from the Rijnmond area (Rotterdam harbours and the Nieuwe Waterweg). High radium levels were found near the former discharge points of the phosphate ore processing plants, confirming the results of previous campaigns. The highest concentration of about 150 Bq/kg was found in a sample from a section in the Nieuwe Maas (NM-2). The grain-size distribution of the samples was used to estimate the natural radium in the sample and the radium which may be from industrial origin. The average total amount of radium of industrial origin for the 1999-2001 period in the nine regularly probed sections showing the highest radium levels was found to be no more than half of the average for the 1995-1998 period.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied; resultaten over 1997

      Lembrechts J; Glastra P; Stoop P; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Eighteen sediment samples collected in 1997 in the harbours and waterways of the Rhine delta were analysed for their 226Ra content and grain-size distribution. The effect of the emissions from the phosphate-processing industries on the 226Ra content could be inferred on the basis of these data. As observed in previous monitoring campaigns, the influence of this industry is greatest in and nearby the first and second petroleum harbours. Increases in the 226Ra content of up to 211 Bq/kg were measured in comparison to background levels of 22 to 46 Bq/kg. Approximately 13% of the released 226Ra is deposited in the harbours and waterways. Samples collected once every year were found to reflect the long-term trend in the emissions.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied

      Bijwaard H; Overwater RMW; Glastra P; Nissan LA; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-07)
      In 2002 zijn wederom havenspeciemonsters verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Van 25 monsters is het 226Ra-gehalte bepaald. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehalten gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. In de meetcampagne van 2002 is het hoogste 226Ra-gehalte, circa 209 Bq kg-1, gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit resultaten van internationale ringonderzoeken is gebleken dat de voorheen gerapporteerde radiumgehalten zijn overschat. De oorzaak daarvan lag in het niet geheel lekdicht zijn van de eertijds gebruikte kalibratiemonsters, waardoor een fractie van het radongas ontsnapte. Na herziening van de kalibratiemethode bleek de overschatting 16% te bedragen. De verbeterde kalibratiemethode heeft ook geleid tot een aanpassing in de berekening van de natuurlijke radiumgehalten in slibmonsters, zoals die vanaf 1998 plaatsvond. In dit rapport worden naast de nieuwe waarden voor 2002, alle gecorrigeerde waarden voor de periode 1994-2001 gegeven. Hoewel de eerder gerapporteerde overschotgehalten aan Ra-226 iets zijn verminderd, is de trend ongewijzigd gebleven en leiden de gecorrigeerde waarden niet tot andere conclusies. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met de hoogste radiumgehalten, blijkt gemiddeld over 2000-2002 ongeveer de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1997. Daarmee lijkt het stoppen van de lozingen eind 1999/begin 2000 er ook inderdaad toe te hebben geleid dat het overschotgehalte aan radium in het havenslib is afgenomen.<br>
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied. Resultaten over 2001

      Lembrechts J; Glastra P; Nissan LA; Overwater RMW; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      Van 25 havenspeciemonsters is het Ra-226-gehalte bepaald. De monsters zijn in 2001 verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehaltes gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. Het hoogste Ra-226-gehalte, circa 150 Bq/kg, is gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit de korrelgrootteverdeling van de monsters is afgeleid hoeveel radium van nature in elk ervan verwacht wordt en dus hoeveel mogelijk van industriele oorsprong moet zijn. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met hoogste radiumgehalte, blijkt gemiddeld over 1999-2001 nog slechts de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1998.<br>
    • Radium in baggerspecie van 1994 en 1995 uit het Rijnmondgebied - Metingen en dosisberekeningen

      Stoop P; Lembrechts J; LSO (1996-05-31)
      Baggerspecie uit de havens en vaarwegen van het Rijnmondgebied bevat een verhoogd gehalte aan van nature voorkomende radioactieve stoffen. De te beschouwen wijzen waarop de bevolking aan deze stoffen blootgesteld zou kunnen worden en daarmee de berekeningswijze van het risico, stonden de afgelopen tijd sterk ter discussie. Een deel van dit rapport beschrijft deze problematiek en de resultaten van een discussie tussen de betrokken instituten, bedrijven en de overheid. Daarnaast worden meetgegevens gepresenteerd van het gehalte Ra-226 in monsters die in 1994 en 1995 tijdens de monstercampagnes van Rijkswaterstaat en Gemeentewerken Rotterdam voor dit doel werden verzameld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het natuurlijke radiumgehalte en wat daaraan door industriele lozingen is toegevoegd, het 'overschot'. In de bemonsterde vakken bedroeg in 1994 en 1995 het natuurlijke radiumgehalte 8-25 Bq kg-1, het gemeten radiumgehalte 13-264 Bq kg exp.-1 en het overschot 0-240 Bq kg exp.-1. Uit gemeten waarden van zowel in 1994 als in 1995 bemonsterde vakken blijkt dat het radiumgehalte in de tussenliggende periode met 16 plusminus 2 (standaardfout) procent is gestegen. In het van nature voorkomende radiumgehalte was geen verandering te constateren en het overschot nam gemiddeld toe met 39 plusminus 7 procent. De gevonden waarden zijn van dezelfde orde als eerdere incidenteel gemeten waarden. Blootstelling aan radon in woningen die zijn gebouwd op polders opgehoogd met specie met een verhoogd radiumgehalte, wordt beschouwd als het belangrijkste potentiele blootstellingspad. Volgens dit model leidt gebruik van specie afkomstig uit de meest verontreinigde haven als ophoogmateriaal tot een toegevoegde potentiele individuele dosis van circa 6 mSv a exp.-1. Voor circa 15% van de uit het Rijnmondgebied opgebaggerde specie geldt dat gebruik als ophoogmateriaal kan leiden tot een toegevoegde dosis van meer dan 1 mSv a exp.-1.
    • Radium in baggerspecie van 1994 en 1995 uit het Rijnmondgebied - Metingen en dosisberekeningen

      Stoop P; Lembrechts J; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-05-31)
      Dredgings from the harbours and waterways of the Rhine delta show elevated levels of natural radionuclides. The pathways to be used for calculations of the dose to the population have been the subject of debate lately. Part of this report deals with this subject and describes the results of discussions among research institutes, industrial companies and the Dutch government. Apart from that, this report gives the results of measurements of the Ra-226 content of harbour sludge samples taken during the 1994 and 1995 sampling campaigns of Public Works and the city of Rotterdam. In reporting the results, the natural radium contents and enhancement due to industrial dumpings are distinguished. The range of the natural radium contents of the 1994 en 1995 samples was 8-25 Bq kg-1, of the actually measured radium contents 13-264 Bq kg exp.-1 and of the enhancements 0-240 Bq kg exp.-1. Repeated sampling of the same locations shows that the radium content in 1995 was on the average 16 plusminus 2 (1 sigma) percent higher than in 1994. The natural radium contents in 1995 showed no difference with 1994. The enhancements were on the average 39 plusminus 7 percent higher in 1995. The radium contents compare well with previous occasional measurements. Exposure to radon when living on sites where harbour sludge with enhanced levels of radium has been used as landfill, is considered as the dominant potential exposure pathway. According to this model, the highest enhancements found correspond to a potential individual dose of approximately 6 mSv a exp.-1. Approximately 15% of the dredged material may cause an additional individual dose of 1 mSv a exp. -1 or more.
    • Radiumonderzoek op drie bouwlocaties in het Rijnmondgebied

      Moen JET; Lembrechts JFMM; Aldenkamp FJ; Stoop P (1993-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Radon en thoron in Nederlandse woningen vanaf 1930 : Resultaten RIVM-meetcampagne 2013-2014

      Smetsers RCGM; Blaauboer RO; Dekkers F; van der Schaaf M; Slaper H; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-09-30)
      In vrijwel alle Nederlandse woningen is de concentratie van zowel radon als thoron laag. Dat blijkt uit onderzoek naar radon en thoron dat het RIVM in 2013 en 2014 in ruim 2500 woningen in Nederland (bouwjaar 1930 en later) heeft uitgevoerd. Het is wereldwijd voor het eerst dat op deze schaal onderzoek is gedaan naar thoron in woningen. Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in daarvan gemaakte bouwmaterialen. Vandaar uit kunnen ze in de woning terechtkomen. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, dragen bij aan het risico op longkanker. Bij radon zien we regionale verschillen. Zo is de gemiddelde concentratie in Zuid-Limburg ongeveer tweeënhalf keer zo hoog als het landelijk gemiddelde. Dit heeft waarschijnlijk te maken met verschillen in bodemtype. Maar in vergelijking met andere Europese landen is de radonconcentratie in Nederlandse woningen laag. Verder zien we dat de gemiddelde radonconcentratie in woningen, gebouwd vanaf 2000, ruim twintig procent lager is dan het landelijk gemiddelde. Daarmee is aan de eerder gemaakte afspraken tussen overheid en bouwwereld, om de straling in nieuwbouwwoningen niet te laten toenemen, voldaan. Voor thoron vallen de metingen lager uit dan verwacht. Er zijn enkele uitzonderingen, maar het aantal woningen met een meetwaarde aan de hoge kant is veel kleiner dan het RIVM op basis van een vooronderzoek uit 2012 had ingeschat. Voor thoron zijn nog geen normen of grens- waarden vastgesteld. En omdat dit het eerste grote thorononderzoek in de wereld is, is de onzekerheid in de meetresultaten groter dan bij radon het geval is. Dat maakt het interpreteren en beoordelen van de thoronmeetresultaten ingewikkeld. Ook is het precieze verband tussen de hoeveelheid thoron die vrijkomt uit pleistermaterialen, en de concentratie van vervalproducten van thoron in de woning nog niet duidelijk. Er is extra onderzoek nodig om dit beter uit te zoeken. Van nature veranderen radon en thoron in radioactieve stoffen die zich aan zwevende stofdeeltjes in huis hechten. Na inademen blijven ze achter in de longen en geven daar straling af. Die straling draagt bij aan het risico op longkanker. Hoewel de hier gemeten concentraties radon en thoron in woningen internationaal gezien laag zijn, leidt het toch nog tot zo'n vierhonderd gevallen van longkanker per jaar in Nederland. Het betreft vooral rokers. Dat komt doordat het gezondheidsrisico van radon en thoron voor rokers gemiddeld 25 keer zo groot is als voor nooit- rokers. De nieuwe schatting van het aantal gevallen van longkanker per jaar door radon en thoron valt iets lager uit dan de vorige schatting uit 2000. Ook hebben we nu een beter beeld van de bijdrage door radon (ongeveer 70 procent) en door thoron (ongeveer 30 procent).
    • Radon, thoron en gammastraling op werkplekken en in publiek toegankelijke gebouwen in Nederland : Resultaten RIVM-meetcampagne 2016-2017

      Goemans P; de Waard IR; Blaauboer RO; Smetsers RCGM; de Groot GM; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-04)
      Op vrijwel alle werkplekken en in openbare gebouwen zijn de gemeten radonconcentraties laag, gemiddeld 15,9 Bq/m3 (Becquerel per kubieke meter). Wereldwijd bedraagt de gemiddelde radonconcentratie in gebouwen ongeveer 40 Bq/m3. Slechts in enkele zeer specifieke gevallen in dit onderzoek zijn de radonconcentraties hoger dan 300 Bq/m3. Bijvoorbeeld bij enkele grondwater-zuiveringsstations bij drinkwaterbedrijven en ondergrondse ruimten zoals grotten. De radonconcentraties zijn, net als in woningen, iets hoger in Zuid-Limburg en het Rivierengebied dan in de rest van Nederland. Dit komt doordat er in deze gebieden van nature meer radon vrijkomt uit de bodem. Dit blijkt uit een meetcampagne die het RIVM in de periode 2016-2017 heeft uitgevoerd op enkele honderden werkplekken en openbare gebouwen in Nederland. De resultaten van de meetcampagne geven een beeld van de radonconcentraties in gebouwen in Nederland. Dit is onder andere nodig om Europese regelgeving te implementeren. Een van de Europese verplichtingen is om nationale referentieniveaus vast te stellen voor radon op werkplekken en voor radon in openbare gebouwen. Beide referentieniveaus zijn in Nederland sinds 6 februari 2018 in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgesteld op 100 Bq/m3. Behalve naar radon is onderzoek gedaan naar zogeheten thorondochters en naar gammastraling. Deze dragen net als radon bij aan de blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit in gebouwen. De thorondochterconcentraties die nu op Nederlandse werkplekken en in openbare gebouwen zijn gemeten, liggen in lijn met de waarden die volgens internationale organisaties in gebouwen verwacht kunnen worden. De resultaten van de metingen naar gammastraling zijn vergelijkbaar met die in eerder uitgevoerde onderzoeken in Nederland en zijn laag ten opzichte van het vastgestelde referentieniveau voor gammastraling uit bouwmaterialen. Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt. Radon kan vanuit de bodem en bouwmaterialen in gebouwen terechtkomen. Thoron in gebouwen komt met name uit materialen waarmee de muren en plafonds zijn afgewerkt. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, vergroten het risico op het krijgen van longkanker, vooral bij rokers. Gammastraling in gebouwen komt uit bouwmaterialen en uit het buitenmilieu (al wordt de straling van buiten grotendeels weer door het gebouw afgeschermd) en draagt bij aan de blootstelling aan externe straling in gebouwen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Radon-222 in ground water and finished drinking water in the Dutch provinces Overijssel and Limburg : Measuring campaign 2015

      Kwakman PJM; Versteegh JFM; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-04-29)
      De metingen van radon-222 in een aantal grondwater- en drinkwatermonsters uit Overijssel en Limburg laten duidelijk zien dat de grenswaarde van 100 Becquerel per liter (Bq.l-1), de maat voor radioactiviteit per liter watermonster, niet wordt overschreden. In grondwater variëren de meetwaarden van 1,6 - 16,7 Bq.l-1 en in het daaruit geproduceerd drinkwater van 0,2 - 9,5 Bq.l-1. Een vergelijking met de resultaten uit de vorige meetcampagne in 1995 laat zien dat het radon-222 gehalte in Nederland zich op een laag en constant niveau bevindt. Volgens de Europese Euratom Richtlijn (2013/51/EC) is het niet nodig om de bepaling van radon-222 in het nationale drinkwatermonitoringprogramma op te nemen als kan worden aangetoond dat de waarden ver onder de norm zitten. De huidige routinematige bepaling van totaal-alfa, totaal-bèta en tritium is voldoende voor de meeste radioactiviteitsparameters en geeft een betrouwbare schatting van de dosis (indicatieve dosis).
    • Radonmeters voor particulier gebruik

      Rosenbaum, C; Velsma, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      Radon is een radioactief gas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Vanuit de bodem en deze materialen kan radon in gebouwen terechtkomen. Radon verandert uit zichzelf in radioactieve stoffen, die zich aan zwevende deeltjes in huis hechten. Als mensen die deeltjes inademen, blijven ze achter in de longen en geven ze straling af. Hierdoor wordt de kans op longkanker groter. Met een radonmeter kunnen mensen zelf meten hoeveel radon in een gebouw of woning zit. Als de concentratie boven de referentiewaarde komt, kunnen ze maatregelen nemen zoals ventileren om de concentratie te verlagen. Er zijn verschillende soorten meters te koop. Het RIVM heeft uitgezocht welke het meest geschikt is om thuis de radonconcentraties te meten. Dat is de ‘gesloten alfa track detector’. Bij de aankoop ervan moeten mensen erop letten dat ze een gecertificeerde meter kopen (NEN-EN-ISO 11665-4). De alfa track detector is onder andere gekozen omdat hij lage concentraties kan meten. Dat is belangrijk omdat de gemiddelde concentratie in Nederlandse woningen laag is. Ook kan deze meter minimaal 3 maanden achter elkaar meten. Zo’n langere periode meten is nodig omdat de concentraties radon in huis nogal kunnen verschillen – per uur, per dag, per maand. Ook heeft deze meter geen of weinig last van invloeden van temperatuur, vocht, stof en andere straling in het huis. Ten slotte is hij makkelijk te gebruiken: hij hoeft niet aangesloten te worden op elektriciteit, er zitten geen bewegende delen in, hij maakt geen geluid en zendt geen straling uit. Mensen wordt aangeraden om de radonmeter in de winter te gebruiken. In deze tijd van het jaar is de gemiddelde radonconcentratie in huis hoger dan in de zomer. Dit komt door het weer en omdat er in de winter minder wordt geventileerd. De radonconcentratie kan het beste worden gemeten in een of twee ruimtes die het meest gebruikt worden. Meestal zijn dat de woonkamer en een slaapkamer.
    • A randomised controlled study with whole-cell or acellular pertussis vaccines in combination with regular DT-IPV vaccine and a new poliomyelitis (IPV vero) component in children 4 years of age in the Netherlands

      Berbers GAM; Lafeber AB; Labadie J; Vermeer-de Bondt PE; Bolscher DJA; Plantinga AD; LVO; Stichting Thuiszorg Oost-Veluwe (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-01-01)
      In deze veldproef is de immunogeniteit en de reactogeniteit van 3 verschillende ACVAs en WCV van het RIVM onderzocht, gecombineerd met DTP toegediend als booster bij 4-jarige kinderen. Bij deze kinderen is tevens de immuunrespons op IPVvero (geproduceerd op Vero cellen) vergeleken met het reguliere IPV-MK (geproduceerd op MK cellen). De kinderen in deze studie zijn eerder gevaccineerd met 4 doses DKTP van het RIVM op de leeftijd van 3, 4, 5 en 11 maanden. De ACVAs bevatten PT en FHA (ACV-PM), met PRN als derde component (ACV-SB) en FIM als vierde component (AVC-WL). Het was een open, gerandomiseerde, gecontroleerde studie met geblindeerde serologische bepalingen. Samenvattend geeft deze studie aan dat een toevoeging van een pertussis vaccinatie op 4-jarige leeftijd zinvol kan zijn bij een epidemische verheffing, waarbij de voorkeur uitgaat naar een combinatievaccin met een ACV- of een WCV-component vanwege de enkelvoudige toediening. Het IPVvero blijkt een zeer immunogeen vaccin te zijn en op zijn minst gelijkwaardig aan het huidige IPV-MK.<br>
    • Randvoorwaarden met betrekking tot het meetprogramma uit te voeren aan de nieuwe AVR-draaitrommeloven voor chemisch afval

      Kreiter BG; Meijer PJ; Sluymers JJ; Vos JJ; Wegman RCC; Werken G van de (1987-05-31)
      Het rapport beschrijft met name de randvoorwaarden die een rol spelen bij de garantiebeproeving van de bovengenoemde nieuwe draaitrommeloven. Een dergelijke beproeving is noodzakelijk om redenen van zakelijke aard (toetsing van de leveringsgaranties) en om redenen van milieuhygienische aard (toetsing van in de milieuvergunningen gehanteerde grenswaarden). In het bijzonder is aandacht besteed aan de problematiek van monstername en analyse van PCDD's en PCDF's.
    • Ranking van drugs. Een vergelijking van de schadelijkheid van drugs

      van Amsterdam JGC; Opperhuizen A; Koeter MWJ; Aerts LAGJM; van den Brink W; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAMC-AIAR, 2009-07-02)
      Alcohol en tabak scoren hoog op de schaal van schadelijkheid voor de volksgezondheid en zijn daarmee relatief schadelijker dan veel andere soorten drugs. Dit blijkt uit een nieuwe risico-evaluatie van het RIVM, waarin 19 genotmiddelen zijn gerangschikt naar hun schadelijke karakter. Heroine en crack blijken samen met alcohol en tabak relatief het meest schadelijk te zijn. Paddo's, LSD en khat scoren relatief laag op deze lijst. Het gebruik van cannabis en ecstasy valt in deze rangschikking op individueel niveau in de middencategorie, maar scoren vanwege de omvang van het gebruik hoger als je naar de schadelijkheid voor de gehele bevolking kijkt. De rangschikking is bepaald op basis van de driedeling: hoe giftig is het middel (op korte en lange termijn), hoe verslavend is het, en wat is de maatschappelijke schade. Voorbeelden van de laatste factor zijn agressie, verkeersonveiligheid, arbeidsverzuim en zijn zowel op individueel niveau gemeten als op het niveau van de samenleving in zijn geheel. Bezien vanuit de gehele samenleving stijgt de schadelijkheid van deze middelen als ze veel worden gebruikt. De maatschappelijke schade gaat dan zwaarder wegen. De evaluatie is uitgevoerd door een panel van 19 experts, die de schadelijkheid beoordeelden op basis van hun eigen wetenschappelijke expertise en de beschikbare literatuur over de middelen. Deze onderzoekswijze is in Nederland voor het eerst op drugs en genotsmiddelen toegepast; internationaal gezien was het de tweede keer. De bevindingen van deze onderzoeken komen overeen. Dit RIVM-onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Mede aan de hand van deze beoordeling kan het huidige Nederlandse drugsbeleid op een rationele wijze worden geevalueerd.