• Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      The forthcoming 3rd edition of the WHO Guidelines for Drinking-water Quality proposes a preventive management framework for safe drinking water that is similar for all types of contaminants - microbial, chemical and radiological. Descriptions of the level of risk in relation to water are usually expressed in terms of specific health outcomes (such as cancer, diarrhoeal disease, etc.). A common unit for risk is essential here, since different contaminants cause health effects of widely varying severity and kinds, ranging, for example, from mild diarrhoea through crippling fluorosis to child death. This is the only way to enable comparison between the public health impact of various agents and intervention options. The purpose of this particular report is to provide a discussion paper on the concepts and methodology of Disability Adjusted Life Years (DALYs) as a common public health metric and its usefulness for drinking-water quality. The approach is illustrated for several drinking-water contaminants already examined using the burden of disease approach; preliminary data are given for several other key contaminants.
    • Quantifying public health risk in the WHO Guidelines for Drinking-Water Quality: a burden of disease approach

      Havelaar AH; Melse JM; IMD; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      In de komende 3e editie van de WHO Guidelines for Drinking-Water Quality wordt een preventief raamwerk voor het beheersen van de kwaliteit van drinkwater voorgesteld dat gelijk is voor alle soorten verontreinigingen - microbiologisch, chemisch en radiologisch. Risico's die zijn verbonden aan water worden meestal uitgedrukt in specifieke gezondheidseffecten (zoals kanker, diarree etc.). Omdat verschillende contaminanten gezondheidsklachten veroorzaken die sterk verschillen in aard en ernst van b.v. milde diarree tot verlamming door fluorose en kindersterfte, is een gemeenschappelijke eenheid noodzakelijk om de effecten op de volksgezondheid van verschillende agentia en interventies te kunnen vergelijken. Dit rapport beoogt materiaal aan te dragen voor een discussie over de grondslagen en methoden van Disability Adjusted Life Years (DALYs) als een gemeenschappelijke volksgezondheidsmaat en de bruikbaarheid ervan op het gebied van drinkwaterkwaliteit. De methode wordt geillustreerd aan de hand van enkele contaminanten in drinkwater waarvan de ziektelast eerder bestudeerd was, en voorlopige gegevens worden gepresenteerd voor enkele andere belangrijke contaminanten.<br>
    • Quantitatieve Structuur Activiteit Relaties. Een literatuurstudie

      Zomer G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-08-31)
      Dit rapport beschrijft de mogelijkheden van het gebruik van QSAR's bij toxicologisch onderzoek. Een Quantitatieve Structuur Activiteit Relatie is een wiskundige beschrijving van een activiteit (bijvoorbeeld een fysische eigenschap of een toxicologische parameter als een LD-50) door middel van structuurbeschrijvende parameters (descriptoren, zoals molecuulgrootte en -lading). Er worden twee benaderingen belicht: een heuristische en een mechanistische. De laatste verdient de voorkeur, maar is niet altijd mogelijk.<br>
    • A quantitative approach to assess the risk of skin sensitization from hair dye ingredients : A case study using p-phenylenediamine (PPD)

      Ezendam J; Park M; Salverda-Nijhof JGW; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Methode om een veilige limiet voor allergie door haarverf vast te stellen Het gebruik van haarverf is in principe veilig. Wel bevat dit product stoffen die bij sommige mensen allergische reacties kunnen veroorzaken, zoals jeuk, roodheid en zwellingen van de huid. Zo reageert een klein percentage (0,2 tot 1 procent) van de consumenten op de stof p-phenylenediamine (PPD) in permanente haarverf. Haarverf-allergie kan in sommige gevallen ernstig zijn. Het RIVM heeft daarom geprobeerd te bepalen bij welke concentratie het gebruik van PPD niet meer zal leiden tot allergische reacties bij consumenten. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om deze veilige limiet te berekenen aangezien gegevens over de mate waarin de consument per verfbeurt aan PPD wordt blootgesteld ontbreken. De veiligheid van haarverf wordt gereguleerd in de Europese Cosmetica verordening. PPD is een belangrijk bestanddeel van haarverf om grijs haar goed te kunnen kleuren, maar is ook een erkend allergeen. PPD mag tot een maximum concentratie van 2 procent worden toegevoegd aan haarverf. Deze wettelijke limiet voorkomt echter niet dat sommige mensen een allergische reactie krijgen na gebruik van haarverf. Om een veilige limiet te kunnen bepalen is het nodig om de concentratie waarbij de stof de allergie veroorzaakt, de effectconcentratie, te weten. Er zijn voldoende gegevens over PPD beschikbaar om deze concentratie te bepalen. Daarnaast is het belangrijk om te bepalen in welke mate een consument wordt blootgesteld aan PPD bij het gebruik van haarverf. Als de hoeveelheid waaraan de consument blootstaat hoger is dan de effectconcentratie, kan een allergie ontstaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om de consumentenblootstelling met voldoende zekerheid vast te stellen. Eén van de redenen is dat de verf na een tijdje wordt uitgewassen en het onbekend is hoeveel PPD er in deze periode wordt opgenomen
    • Quantitative determination of optical aerosol properties with lidar at 0.53 and 1.06 mum wavelength

      Salemink H; Schotanus P; Bergwerff J; van der Meulen A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-05-30)
      Beschreven wordt de kwantitatieve detectie van aerosol in de atmosferische grenslaag tot een hoogte van 1,5 km (remote sensing m.b.v. laser-radar). Voor optische aerosol-eigenschappen wordt goede overeenkomst gevonden tussen lidar (remote) en lokale waarnemingen in vliegtuig en op grondniveau. Toepassing wordt gevonden in routinemetingen van aerosoltransport en in de remote detectie van NO2 en SO2.
    • Quantitative in vitro - in vivo extrapolation. Analysis of 19 compounds of varying embryotoxic potency

      Slob W; Janer G; Bessems JGM; Hakkert BC; Sips AJAM; Verhoef A; Wolterink G; Piersma AH; SIR; GBO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-09)
      Dierproeven zijn niet altijd eenvoudig te vervangen door in vitro testen (uitgevoerd in reageerbuizen of petrischaaltjes). Dat illustreert onderzoek van het RIVM. Bestaande onderzoeksgegevens uit een in vitro test gericht op ontwikkelingsstoornissen zijn getoetst op hun bruikbaarheid. Het gaat hierbij om stoornissen in de ontwikkeling van rattenembryo's als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen. Dit soort alternatieven wordt ontwikkeld onder invloed van maatschappelijke bezwaren tegen dierproeven (in vivo) ten behoeve van kwantitatieve risicobeoordeling. In de onderzochte 'Whole Embryo Culture'-test worden rattenembryo's in vitro blootgesteld aan verschillende concentraties van een bepaalde stof. Vervolgens wordt bekeken bij welke concentratie (in vitro) de effecten overeenkomen met effecten in het intacte dier (in vivo). Dit werd voor 19 verschillende stoffen onderzocht. Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen de gemeten potentie in in vitro- en in vivo testen, maar de ruis (onzekerheid) in deze relatie is erg groot (circa factor honderd). Dit wordt voor een deel veroorzaakt doordat de beschikbare in vivo studies op verschillende manieren zijn uitgevoerd (bijvoorbeeld doordat zwangere ratten op verschillende dagen van de dracht aan stoffen zijn blootgesteld). Ook zouden verschillen waarmee een lichaam stoffen opneemt of uitscheidt een rol kunnen spelen. Deze studie beschrijft een eerste aanzet om deze verschillen te verdisconteren. Zelfs als deze aspecten worden meegewogen blijft de onzekerheid in de uitkomst groot. Gegeven deze onzekerheid is het volledig vervangen van de in vivo dierstudie door de 'Whole Embryo Culture' test voor kwantitatieve risicobeoordeling vooralsnog niet haalbaar.
    • Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; Kranen HJ van; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      The process of human risk assessment can be divided into hazard identification, dose-response assessment, exposure assessment and risk characterisation. For human risk assessment quantitative methods and models are applied. Which model should be applied depends on the nature of the question to be answered. A simple model can be applied if a standard has to be established, while a more complex model is required in the case a standard is exceeded and the health impact on a population has to be quantified. In this report an overview is given of important dose-response assessment methods and models as well as their application area. A distinction is made in methods and models for genotoxic compounds and non-genotoxic compounds. The non-genotoxic compounds are assumed to have a threshold below which no effect occurs. Methods to estimate the threshold dose and to derive a human reference dose are presented. Furthermore, extrapolation problems that arise when animal data have to be translated to human data are discussed briefly. PBPK modelling is discussed as a method to improve interspecies extrapolation. For non-genotoxic as well as genotoxic compounds curve-fitting models are described. In addition a biologically based model for genotoxic agents is briefly discussed. Finally methods that are applied and investigated at RIVM are presented and recommendations are given.
    • Quantitative Methods in Toxicology for Human Dose-Response Assessment

      Kramer HJ; Jansen EHJM; Zeilmaker MJ; van Kranen HJ; Kroese ED; TOX; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      Het proces van de humane risicoschatting kan verdeeld worden in risico-identificatie, vaststellen van dosis-respons relaties, vaststellen van blootstelling en risico-karakterisering. In de humane risicoschatting worden kwantitatieve methoden en modellen toegepast. Welk model dient te worden toegepast is afhankelijk van de vraagstelling. Voor het stellen van een norm kan een eenvoudig model gebruikt worden. Indien een norm overschreden wordt, en men wil een schatting van de gevolgen voor de gezondheid van de bevolking, dan is een complex model noodzakelijk. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van een aantal belangrijke dosis-responsmodellen en methoden. Daarnaast wordt aangegeven waarvoor de verschillende methoden gebruikt kunnen worden.Het rapport is onderverdeeld in methoden en modellen voor genotoxische stoffen en niet genotoxische stoffen. Aangenomen wordt dat niet-genotoxische stoffen een drempelwaarde hebben waaronder geen effect optreedt. Voor deze stoffen wordt een overzicht gegeven van methoden om de drempelwaarde te schatten en methoden om een toxiciteitsnorm voor mensen vast te stellen. Daarnaast worden enkele extrapolatieproblemen die ontstaan bij het vertalen van diergegevens naar de mens in het kort beschreven. Vervolgens wordt uitgelegd wat "physiologically-based pharmacokinetic" (PBPK) modellen zijn en welke extrapolatieproblemen ermee kunnen worden opgelost Voor non-genotoxische en genotoxische stoffen worden enkele dosis-responsmodellen beschreven. Zowel curve-fit procedures als biologische modellen worden gepresenteerd.Ten slotte wordt een overzicht gegeven van modellen die gebruikt en onderzocht worden binnen het RIVM en wordt aangegeven wat, met het oog op de toekomst, belangrijk is op dit gebied.<br>
    • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

      Schijven FJ; Teunis PFM; Roda Husman AM de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
      Using literature data, daily infection risks of chickens and humans with H5N1 avian influenza virus (AIV) by drinking water consumption were estimated for the Netherlands. A highly infectious virus and less than 4 log10 drinking water treatment (reasonably inefficient) may lead to a high infection risk (more than 1%) of poultry farms with more than 10 000 chickens. Well treated drinking water (8 log10) leads to a negligible infection risk of individual chickens or humans. It was assumed that a single infected duck was shedding H5N1 AIV in surface water used for drinking water production, after treatment resulting in consumption of contaminated water by chickens or humans. At 8 log10 treatment, the estimated daily infection risk of an individual chicken is low, 10^-15-10^-10, reflecting the large uncertainties in viruses shedding and infectivity (10^-5-1). Nevertheless, the 2000 farms with more than 10000 chickens (74% of all Dutch farms), may run a high risk (more than 1%) if the virus is highly infectious and treatment is less than 4 log10. Assuming a low virus infectivity (10^-5), the average daily infection risk for humans by consumption of contaminated drinking water was estimated as low as 2 x 10^-12, and by surface water recreation as low as 10^-8. Although H5N1 AIV is presumably less infectious for humans than chickens, efficient drinking water treatment is also of utmost importance for humans and may be determined by risk analysis for enteroviruses already required by Dutch law and warranted by water safety plans.
    • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

      Schijven JF; Teunis PFM; de Roda Husman AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
      Op grond van literatuurgegevens werden voor kippen en mensen dagelijkse infectierisico's door H5N1-vogelgriepvirus door consumptie van besmet drinkwater geschat voor Nederland. Een zeer infectieus virus en minder dan 4 log10 drinkwaterzuivering (redelijk inefficient) kunnen leiden tot een hoog infectierisico (meer dan 1%) voor pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen. Goed gezuiverd drinkwater (8 log10) leidt tot een verwaarloosbaar infectierisico voor individuele kippen en mensen. Aangenomen werd dat een enkele geinfecteerde eend H5N1-virus uitscheidde in oppervlaktewater, dat werd ingenomen voor drinkwaterproductie en leidde tot consumptie van besmet drinkwater door een kip of mens. Bij 8 log10 drinkwaterzuivering is het geschatte dagelijkse infectierisico voor een individuele kip laag, namelijk 10ˆ-15-10ˆ-10. Dit weerspiegelt de grote onzekerheden in virusuitscheiding en infectiviteit (10ˆ-5-1). Desondanks, kunnen de 2000 pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen (74% van alle Nederlandse pluimveebedrijven) een hoog risico (meer dan 1%) lopen indien het virus zeer infectieus en de drinkwaterzuivering minder dan 4 log10 is. Uitgaande van een lage virusinfectiviteit (10ˆ-5) werd het gemiddelde dagelijkse infectierisico voor de mens door drinkwaterconsumptie geschat op 2 x 10ˆ-12, wat zeer laag is, en door oppervlaktewaterrecreatie op 10ˆ-8. Hoewel het H5N1-vogelgriepvirus voor mensen vermoedelijk minder infectieus is dan voor kippen, is efficiente drinkwaterzuivering ook voor de mens van groot belang. Efficiente en robuuste drinkwaterzuivering kan worden vastgesteld aan de hand van de in Nederland reeds wettelijk opgelegde risicoanalyse voor enterovirussen en in waterveiligheidsplannen.
    • Quantitative risk profile for viruses in foods

      Bouwknegt M; Verhaelen K; de Roda Husman AM; Rutjes SA; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-05-01)
      Net als bacteriën kunnen virussen in voedsel risico's vormen voor de volksgezondheid. Over virussen is echter minder bekend. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke kennis beschikbaar is of juist ontbreekt om de volksgezondheidsrisico's te kunnen schatten (risicoprofiel). Hiervoor zijn drie virussen uitgelicht die via voedsel naar mensen kunnen worden overgedragen: hepatitis A-virussen in schelpdieren, norovirussen op verse groenten en fruit, en hepatitis E-virussen in varkensvlees. De inventarisatie is in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gemaakt. Algemene bevindingen In het algemeen blijkt dat het tot nu toe lastig is om het aantal virussen op producten op een betrouwbare manier te kunnen schatten. Dit komt gedeeltelijk omdat de methoden om de virussen aan te tonen sterk verschillen. Om de gezondheidsrisico's te kunnen inschatten is kennis over het aantal virussen juist nodig. De kans dat iemand ziek wordt is namelijk groter naarmate het aantal producten dat besmet is groter is, of wanneer het aantal virussen per product hoger is. De tekortkomingen van de methoden worden in dit rapport aangegeven en enkele aanbevelingen worden gedaan om de berekeningen van het aantal virussen realistischer te maken. Verder is geïnventariseerd welke factoren de kans vergroten dat voedsel besmet raakt tijdens de productie of de verwerking ervan. Bij rauwe of kwetsbare producten, zoals oesters, of verse groenten en fruit, is het immers niet mogelijk om de virussen eenvoudig onschadelijk te maken door voedsel te koken. Bevindingen onderzochte virussen Specifieker is het bij het norovirus belangrijk te achterhalen hoeveel virussen op groente en fruit terechtkomen via het irrigatiewater. Een andere mogelijke bron is via de handen of gereedschap tijdens de oogst en verwerking. Voor het hepatitis E-virus is het van belang te weten hoeveel varkens tijdens de slachtfase de infectie doormaken en zo besmette producten leveren. Als zij de hepatitis E-infectie eerder doormaken, is de besmetting voorbij en vormt dit geen risico meer voor de consument. Ook is inzicht nodig in de aantallen hepatitis E-virussen per product. Wat de schelpdieren betreft, is het relevant om te weten hoeveel virussen in het oppervlaktewater zitten waarin ze worden gekweekt, en in welke mate deze virussen in de schelpdieren achterblijven.
    • A query for Coxiella in veterinary and environmental matrices

      de Bruin A; van Rotterdam BJ; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-31)
      Q fever, caused by Coxiella burnetii, is a zoonosis with a worldwide distribution that affects both humans and animals. In 2007, 2008, and 2009 large community outbreaks of Q fever were observed in the Netherlands. In 2008, several studies were started to investigate potential sources of C. burnetii infection and possible transmission routes. Temporal studies focussed on C. burnetii DNA content on farms, and their direct surroundings. Coxiella burnetii was found in veterinary and environmental samples obtained from a single farm, with an abortion wave among its goats in April 2007, during two successive years of Q fever outbreaks in 2007 and 2008. Within the Q fever outbreak of 2009, investigations at one location in Zuid-Limburg over a 16 week-interval demonstrated that the C. burnetii DNA content in both veterinary and environmental samples declined over time after the initial wave of abortions among goats. Although a decline of the C. burnetii DNA content was observed, environmental and veterinary samples were still found to be positive up to several months after the abortion wave at the farm. Human outbreak linked source investigations focussed on veterinary and environmental matrices on farms, which in previous studies were found to contain the highest C. burnetii DNA content. These matrices included vaginal swabs from animals and surface area swabs from horizontal surfaces, to investigate the potential link between the putative Q fever-affected goat farms and (clusters of) human Q fever cases in the near vicinity of these farms. Screening results for vaginal swabs obtained from goats and/or sheep are consistent with results for surface area swabs taken on the same farm.
    • Quick scan and Prioritization of Microplastic Sources and Emissions

      Verschoor A; de Poorter L; Roex E; Bellert B; MSP; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltaresRijkswaterstaat : Department for WaterTraffic and the Environment, 2014-12-17)
      Deze verkennende inventarisatie beschrijft via welke bronnen op het land microplastics in zee terechtkomen. Microplastics zijn kleiner dan 5 millimeter en kunnen in de voedselketen terechtkomen. De bronnen kunnen producten zijn, productieprocessen of routes waarlangs ze via de rivieren de zee bereiken. Vervolgens is aan elk van die bronnen een prioriteit toegekend. Op basis daarvan kunnen beleidsmaatregelen worden genomen om de hoeveelheid microplastics in het milieu terug te dringen. Aanvullend onderzoek is nodig om maatregelen verder in te vullen.<br> <br>Voor de prioritering zijn vijf criteria gebruikt: omvang van de emissie, (on)misbaarheid van de bron, mogelijkheden voor 'quick win'-maatregelen, maatschappelijke beeldvorming, en de aanwezigheid van alternatieven voor de consument. <br> <br>Hoge prioriteit wordt toegekend aan bronnen van secundaire microplastics; dit zijn microplastics die ontstaan als grotere plastics in kleinere fragmenten uiteenvallen. Zwerfvuil, voornamelijk verpakkingen en wegwerpartikelen, is de belangrijkste bron van microplastic (score 8-9 op een schaal van 10). Andere secundaire microplastic bronnen die relatief hoog scoren (score 6-7) zijn vezels en kleding, de afspoeling van straatvuil (waaronder bandenslijtage), stofemissies van bouwplaatsen, landbouwplastics en de aanvoer van microplastics door rivieren uit het buitenland. Verder scoren afvalwater, zuiveringsslib en compost relatief hoog (score 6). Deze bevatten microplastics van diverse bronnen die in het riool terechtkomen, bijvoorbeeld kledingvezels die tijdens het wassen vrijkomen en kleine scrubdeeltjes uit cosmetica.<br> <br>Primaire microplastics zijn plastic deeltjes die doelbewust toegevoegd worden aan producten vanwege hun specifieke functie. Van deze bronnen scoren cosmetica en verf- en kleurstoffen hoog (score 7), gevolgd door schurende reinigingsmiddelen (score 6).<br> <br>Er was onvoldoende informatie beschikbaar om binnen de tijdspanne van dit onderzoek een volledige kosten-baten-analyse uit te voeren. Ook is niet bekend in hoeverre microplastics schadelijk zijn voor mens en milieu. De prioritering is uitgevoerd door een expertgroep met vertegenwoordigers van RIVM, Deltares, Rijkswaterstaat en de Emissieregistratie.<br>
    • Quick scan effectiviteit en doelmatigheid van het natuurbeleid

      Lammers W; Kruitwagen S; Kuindersma W; Oostenbrugge R van; Stolwijk H; Veeneklaas F; MNV (AlterraCPB, 2002-07-24)
      Er is een quick scan van de effectiviteit en doelmatigheid van uitgevoerde en voorgenomen maatregelen in het Nederlandse natuurbeleid uitgevoerd. Het beantwoordt vragen die zijn gesteld door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het ministerie van Financien, mede naar aanleiding van de door de Tweede Kamer aangenomen motie over het Natuuroffensief. Na een korte beschrijving van een aantal (autonome) maatschappelijke trends wordt een vijftal beleidsinstrumenten geanalyseerd: de ecologische hoofdstructuur, groen in en om de stad, agrarisch natuurbeheer, effectgerichte milieumaatregelen en bescherming van bestaande natuur. Per instrument is nagegaan wat de doelstelling is, wat is bereikt en wat de sterke en zwakke punten zijn die bij de uitvoering van het beleid naar voren komen. De vraag naar de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) is summier beantwoord. Met de nu beschikbare gegevens kan deze vraag niet systematisch per beleidsinstrument worden geanalyseerd. Het rapport sluit af met een aantal alternatieve opties voor het realiseren van de doelen van het natuurbeleid.
    • Quick scan effectiviteit en doelmatigheid van het natuurbeleid

      Lammers W; Kruitwagen S; Kuindersma W; Oostenbrugge R van; Stolwijk H; Veeneklaas F; Alterra; CPB; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-24)
      This report presents the results of a quick scan of the effectivitiy and efficiency of the implemented and proposed measures which are part of the nature policy of the Dutch government. It concentrates on the questions of the Ministry of Agriculture, Nature management and Fisheries and the Ministry of Finance which are the result of a motion accepted by the Dutch parliament. After a short description of a number of (autonomous) trends in society and environment, five policy instruments are evaluated: the National Ecological Network, nature in and around cities, management of small natural elements in rural areas, optimization of environmental conditions for nature areas and legal protection of existing nature areas. For each policy instrument an overview is presented of the objectives, results, and strong and weak points in the process of implementation of the instruments. The efficiency aspect has only been touched upon. With the data that are currently available it is not possible to systematically assess the efficiency of each of the policy instruments. The report is completed by discussing a number of alternative options for realisation of the national nature policy objectives.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      This report documents an analysis of the environmental impacts of policy proposals taken up in the new Dutch National Transport Policy Document for improvement of accessibility and reliability of the main motorway network in the Netherlands. Major conclusions drawn from this analysis are that pricing policies proposed in the policy document effectively improve accessibility and reduce environmental impacts due to road traffic. The size of environmental benefits of the proposed kilometre charge, however, is determined by the final design of the policy measure. Furthermore, the policy document proposes secondary road expansion be state-funded if this would mean a contribution to reducing congestion on the main motorway network. However, before state-funding is decided, more research on the costs and benefits of secondary road network expansion is necessary, including the transfer of environmental and social problems from the main motorway network to the secondary road network. Furthermore, it would seem important to have local and regional authorities pay attention to noise hotspots in their transport policy development, since without additional measures, the number of noise hotspots along secondary roads will sharply increase. Finally, further research on giving priority to infrastructure projects within the proposed infrastructure investment in combination with pricing policies packages is recommended. Combinations of pricing and expanding existing infrastructure may reduce the need to construct new motorway links, reduce negative impacts on nature conservation areas and rural landscapes, and result in higher net economic benefits.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (2004-11-25)
      Dit rapport beschrijft een quick scan van de milieu-effecten van beleidsvarianten uit de Nota Mobiliteit om de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van het wegennet te verbeteren. De belangrijkste conclusies zijn als volgt. De twee prijsvarianten uit de Nota Mobiliteit leveren bereikbaarheidswinst op en in beperkte mate milieuwinst. De vormgeving van de variabilisatie-variant is van grote invloed op de uiteindelijke omvang van de milieuwinst. Daarnaast wil het rijk investeren in het onderliggende wegennet als dit een oplossing biedt voor bereikbaarheidsproblemen op snelwegen en als het kosteneffectief is. Het verdient aanbeveling om in de besluitvorming over investeringen in het onderliggende wegennet ook expliciet rekening te houden met de ruimtelijke, milieu en sociale effecten van deze investeringen om mogelijke afwenteling van problemen naar het onderliggend wegennet te voorkomen. In de uitwerking van de Nota Mobiliteit in de plannen van de decentrale overheden lijkt het verder van belang aandacht te besteden geluidsknelpunten. Het aantal geluidsknelpunten langs provinciale wegen neemt zonder aanvullende maatregelen fors toe. Tenslotte is nader onderzoek aan te bevelen naar de prioritering van bouwprojecten binnen de onderzochte investeringspakketten in combinatie met prijsbeleid. Goed gekozen combinaties van beprijzen en benutten kunnen de noodzaak tot aanleg van nieuwe traces mogelijk beperken, negatieve effecten op natuur/landschap beperken, en hogere netto maatschappelijke baten opleveren.
    • Quick Scan van de Beleidsnota Verkeersemissies

      Brink RMM van den; Bree L van; Annema JA; Hoen A; MNP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-01)
      Evaluation of the Dutch policy document 'Transport emissions' by the Environmental Assessment Agency has led to three conclusions. First, the NOx goal for the transport sector for 2010 is achievable with the adopted policy proposals, but implementation is uncertain (for example, it is uncertain if all policy plans will be implemented between now and 2010). Secondly, the proposal to stimulate biofuels is not cost-effective. Thirdly, monetized health benefits in the proposal to stimulate particle filters in passenger cars are cost-effective, particularly in built-up areas.
    • Quick Scan van de Beleidsnota Verkeersemissies

      van den Brink RMM; van Bree L; Annema JA; Hoen A; MNP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-01)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft een evaluatie uitgevoerd van de Beleidsnota Verkeersemissies. Deze nota is op 18 juni 2004 door het kabinet aangenomen en is in november 2004 behandeld in de Tweede Kamer. De belangrijkste conclusies van de evaluatie zijn: - NOx-doel sector verkeer haalbaar, maar onder veel voorbehouden; - Stimulering van biobrandstoffen is niet kosteneffectief; - Stimulering van roetfilters is kosteneffectief.
    • Quick scan van mogelijke gevolgen en effectiviteit van zoneringsvarianten rond VHR en WAV

      Hinsberg A van; Noordijk H; Esbroek MLP van; Pul WAJ van; Lammers W; NLB; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-09-19)
      Dit rapport evalueert met een quick scan methode een aantal beleidsvarianten voor zonering rond VHR en WAV-gebieden, wat betreft de effectiviteit inzake de bescherming van natuurgebieden. Tevens wordt ingegaan op de mogelijke risico's van de beleidsvarianten. Uit de resultaten blijkt dat voor realisatie van de gestelde natuurdoelen (inclusief Habitatrichtlijn verplichtingen), los van de discussie over zoneringsmaatregelen, het terugdringen van de hoge achtergronddepositie met generiek beleid een conditio sine qua non is. De zoneringsvarianten kunnen wel een afwaartse beweging van landbouw ten opzichte van natuur ingang zetten. Bovendien kan zonering, mits resulterend in emissiereductie, een bijdrage leveren aan de aanpak van lokale 'hot spots', waar hoge natuurwaarde worden beinvloed door hoge lokale emissiebronnen.