• Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater : Uitwerking voor generiek en gebiedsspecifiek beleid (herziene versie)

      Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC; Posthuma CJAM; Brand E; Swartjes FA; Broek I van den; DDB; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-05)
      In opdracht van de gemeente Dordrecht heeft het RIVM risicogrenzen voor perfluoroctaanzuur (PFOA) in grond en grondwater afgeleid. De gemeente kan hiermee bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. De verontreiniging door PFOA is naar verwachting eind vorige eeuw ontstaan. PFOA werd door de Dupont/Chemours fabriek in Dordrecht tot 2012 gebruikt bij de productie van polymeren. In het huidige rapport zijn generieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater volgens de interventiewaardenmethodiek, waarbij rekening gehouden wordt met blootstelling van mens en milieu vanuit grond en grondwater. Daarnaast zijn locatiespecifieke of bodemgebruik-specifieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater voor verschillende bodemgebruiksvormen. Deze zijn toegespitst op de bestemming wonen en industrie, rekening houdend met de relevante blootstellingsroutes. In deze herziene versie zijn enkele risicogrenzen voor de mens aangepast vanwege nieuwe informatie en een correctie in de doorwerking van plantopname in de risicogrenzen. De gemeente kan de afgeleide risicogrenzen gebruiken om, indien gewenst, gebiedsspecifiek beleid te maken voor het bodemgebruik en grondverzet.
    • Risicogrenzen voor MTBE (Methyl tertiair-Butyl Ether) in bodem, sediment, grondwater, oppervlaktewater en voor drinkwaterbereiding

      Swartjes FA; Baars AJ; Fleuren RHLJ; Otte PF; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-10)
      Recently, possible unacceptable harmful effects from Methyl tertiary-Butyl Ether (MTBE) to humans raised political consternation. For this reason the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment ("VROM") ordered the RIVM to derive solid risk limits for soil, sediment, groundwater, surface water, drinking water and for drinking water preparation. When deriving this risk limits co-ordination with "Risk Assessment Report" from the EU (EU-RAR) from 2002 took place. In general the accuracy of the risk limits is "restricted", because of lack of data on terrestrial organisms and the dominance of the relatively uncertain inhalation exposure pathway to humans.
    • Risicogrenzen voor MTBE (Methyl tertiair-Butyl Ether) in bodem, sediment, grondwater, oppervlaktewater en voor drinkwaterbereiding

      Swartjes FA; Baars AJ; Fleuren RHLJ; Otte PF; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-10)
      Recentelijk is politieke commotie ontstaan ten gevolge van de mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van Methyl tertiair-Butyl Ether (MTBE). Dit was reden voor het ministerie van VROM om het RIVM te verzoeken risicogrenzen voor MTBE in bodem, sediment, grondwater, oppervlaktewater, drinkwater en ten behoeve van drinkwaterbereiding af te leiden. Bij de afleiding van deze risicogrenzen werd afgestemd met de "Risk Assessment Report" van de EU (EU-RAR) uit 2002. Vanwege gebrek aan terrestrische data en de dominantie van de relatief onzekere inhalatieve blootstellingsroute voor de mens is de betrouwbaarheid van de risicogrenzen in het algemeen "beperkt".
    • Risicoschatting bij tijdelijke normoverschrijding ; rapportage van een haalbaarheidsstudie

      Pieters MN; Janssen PJCM; Slob W; LEO; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      When legally accepted exposure limits of consumer products are exceeded, a policy decision concerning the distribution of these products is often needed soon. This requires insight in health effects to be expected due to the use of these products. The fact that health-based exposure limits are derived on the basis of life-time exposure complicates the risk assessment of short-term exposure. In this report current approaches for evaluating the possibility of health effects of short-term exposure are briefly discussed. 'Short-term exposure limits', i.e. exposure limits derived from short-term toxicity studies, may be used as a guidance for rapidly estimating the need of policy actions. Based on toxicity data and expert judgement qualitative statements may be made on the occurrence of possible effects. An adequate quantitative risk assessment may be carried out by using mechanistic (toxicokinetic/toxicodynamic) models. Alternatively, statistical models describing the dose-effect relations may be used. The duration of the toxicity study used may depend on the expected human exposure. By means of the RIVM programme PROAST (possible risk obtained from animal studies) the toxic effect can be estimated. Subsequently, the estimated effect in an experimental animal is extrapolated to humans using a probabilistic approach accounting for interspecies and intraspecies variation. PROAST may form a part of the 'effect assessment unit' of the guidance document 'How to proceed at exceeded exposure limits'.
    • Risicoschatting bij tijdelijke normoverschrijding ; rapportage van een haalbaarheidsstudie

      Pieters MN; Janssen PJCM; Slob W; LEO; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      Bij een normoverschrijding is een beheersbeslissing over de verhandeling van producten vaak op korte termijn gewenst. Hierbij is inzicht in de te verwachten effecten bij de mens door productgebruik noodzakelijk. Het feit dat gezondheidskundige advieswaarden zoals de aanvaarde dagelijkse inname (ADI) zijn afgeleid op basis van levenslange blootstelling, bemoeilijkt een risicoschatting bij tijdelijke overschrijding van wettelijke normen. In dit rapport is een korte inventarisatie gemaakt hoe met deze 'kortdurende' normoverschrijding kan worden omgegaan. 'Kortdurende' normen, d.w.z. normen die zijn afgeleid van korte-termijn toxiciteitsstudies, kunnen worden gebruikt om een snelle indicatie te krijgen over hoe wenselijk een beleidsactie zou kunnen zijn. Op basis van toxiciteitsgegevens en 'expert judgement' is het mogelijk om op kwalitatieve gronden een uitspraak te doen over mogelijke effecten. Een adequate kwantitatieve risicoschatting, kan worden uitgevoerd met behulp van mechanistisch verklarende modellen. Een andere mogelijkheid is het gebruik van statistische modellen die de dosis-effect curven beschrijven. Afhankelijk van de humane blootstellingssituatie kan worden gekozen voor een toxiciteitsstudie met een bepaalde studieduur. Met behulp het RIVM programma PROAST (possible risk obtained from animal studies) kan het effect bij een bepaalde blootstelling worden geschat. De effectschatting in het proefdier kan met behulp van een waarschijnlijkheidsbenadering voor onzekerheden rond inter- en intraspeciesvariatie worden geextrapoleerd naar een effectschatting in de mens. Deze methodiek kan een onderdeel vormen van de 'effectschattingsmodule' in de leidraad 'Handelen bij normoverschrijding'.<br>
    • Risicoschatting emissie PFOA voor omwonenden : Locatie: DuPont/Chemours, Dordrecht, Nederland

      Zeilmaker MJ; Janssen P; Versteegh A; van Pul A; de Vries W; Bokkers B; Wuijts S; Oomen A; Herremans J; DDB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-24)
      Omwonenden van de chemiefabriek DuPont/Chemours in Dordrecht zijn jarenlang via de lucht blootgesteld aan de stof perfluoroctaanzuur (PFOA). Het is waarschijnlijk dat zij hierdoor langdurig aan hogere waarden PFOA zijn blootgesteld dan de door het RIVM vastgestelde grenswaarde voor chronische blootstelling. Voor deze overschrijding zijn meerdere scenario's doorgerekend. In het ongunstigste geval is de grenswaarde 25 jaar lang overschreden. Bij een dergelijke chronische blootstelling aan PFOA zijn gezondheidseffecten, zoals aan de lever, niet uit te sluiten. Er is geen verhoogd risico op schade voor het ongeboren kind. Uit dierproefstudies komt naar voren dat het extra risico op kanker beperkt lijkt. Concretere duidingen van mogelijke gezondheidseffecten zijn op basis van dit onderzoek niet te geven. Het RIVM heeft in deze risicobeoordeling onderzocht in hoeverre de stof PFOA tussen 1970 en 2012 uit de fabriek in Dordrecht is vrijgekomen in het milieu en welke mogelijke gezondheidseffecten dat heeft gehad voor omwonenden. Hiervoor is gekeken naar de verspreiding in lucht en drinkwater. Rond de fabriek is geen sprake van een verhoogde blootstelling van omwonenden aan PFOA via drinkwater. PFOA is tot 2012 gebruikt voor de productie van teflon. In 2013 is de stof in Europa op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen geplaatst, omdat de stof moeilijk afbreekbaar is (persistent), bio-accumulerend, schadelijk voor de voortplanting en mogelijk kankerverwekkend. De RIVM-grenswaarde houdt rekening met de 'stapeling' van PFOA in het lichaam en een langdurige blootstelling. Deze grenswaarde is daardoor bruikbaar om de risico's van de blootstelling sinds 1970 te beoordelen. Bij een langdurige blootstelling onder het niveau van de RIVM- grenswaarde voor chronische blootstelling, worden geen negatieve effecten op de gezondheid verwacht. Boven de grenswaarde is er een risico op gezondheidseffecten. Vanaf 2002 wordt op basis van de analyse de RIVM-grenswaarde niet meer overschreden. Op basis van de risicobeoordeling worden aanbevelingen gedaan voor aanvullend onderzoek, waarmee kan worden bepaald of een gezondheidsonderzoek onder omwonenden zinvol is. Mogelijke gezondheidseffecten bij werknemers vallen buiten het bereik van dit onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is nader onderzoek naar de risico's voor werknemers gewenst. Het RIVM heeft dit onderzoek uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) na Tweede Kamervragen. Deze waren ingegeven door aandacht voor diverse Amerikaanse onderzoeken over gezondheidseffecten in relatie tot de PFOA-emissie door een fabriek van DuPont in de Verenigde Staten. Daar was de blootstelling aan PFOA via drinkwater en lucht hoger dan in Dordrecht.
    • Risicoschatting van de toevoeging van Gasodor S-Free aan aardgas

      van Kesteren PCE; de Knecht JA; van Iersel P; te Biesebeek JD; Palmen NGM; Bakker J; Puts CF; Guichelaar SK; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-31)
      Om te herkennen wanneer te veel aardgas vrijkomt, en zo explosies te voorkomen, wordt er een geurstof aan toegevoegd. De huidige geurstof (tetrahydrothiofeen) bevat zwavel. Om de uitstoot van zwavel naar het milieu verder te verminderen onderzoekt Gasunie Transport Services de mogelijkheid om een andere, zwavelvrije geurstof, toe te voegen: Gasodor S-Free. Vanwege het omvangrijke gebruik van aardgas is het van belang voldoende zicht te hebben op mogelijke risico's van dit product. Het RIVM heeft onvoldoende informatie kunnen vinden om vast te stellen of het gebruik van Gasodor S-Free als geurstof in aardgas veilig is. De zorg bestaat dat dit product allergische reacties kan veroorzaken als het wordt ingeademd. Het gebruik van Gasodor S-Free wordt afgeraden totdat meer duidelijk is over het mogelijke risico op allergische reacties. Het RIVM geeft aanbevelingen voor vervolgonderzoek om het risico op deze reacties beter te kunnen beoordelen. Gasodor S-Free is een mengsel van drie stoffen, voornamelijk ethylacrylaat en methylacrylaat (samen 95 procent of meer), en een kleine fractie 2-ethyl-3-methylpyrazine. Mogelijke gevolgen van de twee hoofdbestanddelen zijn op basis van de huidige kennis niet goed te beoordelen. Bekend is dat ethylacrylaat en methylacrylaat de luchtwegen kunnen irriteren, maar door de lage concentraties worden geen normen overschreden. Ook zijn ze niet kankerverwekkend. Het is bekend dat beide stoffen allergische reacties kunnen veroorzaken bij huidcontact. Vergelijkbare effecten zouden ook kunnen optreden als de stof wordt ingeademd, maar dit kan op basis van de beschikbare informatie niet worden beoordeeld. Over nadelige effecten van de derde stof (2-ethyl-3-methylpyrazine) is onvoldoende informatie beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over mogelijke effecten op mens en milieu.
    • Risicoschatting voor Down syndroom en neuraalbuisdefecten door analyse van triple test parameters in maternaal serum 1999-2002

      Schielen PCJI; Elvers LH; Loeber JG; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-23)
      In this report we describe a survey of over 14,000 triple test requests to estimate risks for Down syndrome and neural tube defect (NTD) pregnancies. They were collected between 1999 and 2002, from all the provinces in the Netherlands except Groningen, Friesland and Drenthe. This research was carried out on order of the Health Care Inspectorate of the Dutch Ministry of Health, Welfare, and Sport. Pregnancies were classified as either normal singleton pregnancies or special (e.g. diabetic, twin) pregnancies. Experimental data of the triple test (alpha fetoprotein, unconjugated oestriol and human chorionic gonadotropin) for singleton normal pregnancies are given, with special reference to the age distribution of the population under investigation. The median values of the triple test parameters in Downs syndrome or neural tube defect-pregnancies are given, as well as the detection rate (DR) and false positive rate (FPR) of the triple test using reported data on the outcome of pregnancies. Special attention is given to e.g. the time a sample is in transport and the gestational age at which a blood sample is taken. Moreover, this report addresses in more detail the values of the triple test parameters in twin and diabetic pregnancies, and reports on individual cases of Down syndrome, neural tube defects and trisomy 18. The annual number of triple tests rose slightly in 2001 and 2002 to annually about 3700. No significant changes were found in the categories of requestors (e.g. hospital vs. obstetricians), regional distribution, and the median age at which women applied for a triple test. The distribution of multiple-of-the-median values for the triple test parameters were within the demands of the triple test risk estimation. A report of the outcome of the pregnancy was received for 79% of all the triple tests in 1999 and for 84% of the tests in 2000-March 2001. Based on these data, the DR for Down syndrome was 90% for a 15,6% FPR in 1999 and 80% for a 15,6% FPR in 2000-March 2001. The DR for NTD was 50% for a 0,8% FPR in 1999 and 0 % for a 1.2% FPR in 2000-March 2001 (however, in both periods only 2 NTD-pregnancies were reported). These specifications meet or exceed minimum demands for detection and false positive rates, as estimated from the age distribution of the pregnant women, except for the detection rate of NTD, which is lower then expected.
    • Risicoschatting voor Down syndroom en neuraalbuisdefecten door analyse van triple test parameters in maternaal serum 1999-2002

      Schielen PCJI; Elvers LH; Loeber JG; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-23)
      Tussen 1999 en 2002 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ongeveer 14000 zogenaamde triple testen uitgevoerd. De triple test is een bloedtest die de kans geeft op een zwangerschap van een kind met Down syndroom of met een open rug of open schedel (NBD). Als de uitkomst van zo'n test ongunstig is ('hoog risico') kan de zwangere vrouw beslissen of zij haar zwangerschap nader laat onderzoeken. Bij de triple test wordt in het bloed van de zwangere de concentratie bepaald van drie hormoonachtige stoffen. De gemeten concentraties en de leeftijd van de moeder zijn de basis voor de kansbepaling, die wordt berekend met een computerprogramma. De zwangere vrouwen voor wie een triple test was aangevraagd is gevraagd de uitkomst van de zwangerschap te melden. Met die gegevens kan de effectiviteit van de triple test onderzocht worden (epidemiologische evaluatie). Dit rapport presenteert die epidemiologische evaluatie, maar ook de herkomst van de aanvragen, de uitkomsten van de experimentele bepalingen en (voor het eerst) een overzicht van de individuele Down syndroom- en NBD-zwangerschappen. In de verslagperiode steeg het aantal aanvragen van ca. 3100 (1997-1999) tot ca. 3700 per jaar. Er waren geen veranderingen in de regionale herkomst, aanvragercategorie, en leeftijdsverdeling van de populatie zwangere vrouwen. In 1999 werd van 79% en in 2000-2001 van 84% van alle aanvragen een rapportage van de uitkomst van de zwangerschap ontvangen. In 1999 werd 90% van alle Down syndroom zwangerschappen gevonden en in de periode 2000-2001 80%, bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van in beide periodes 15,6%. Van de NBD zwangerschappen werd in 1999 en 2000-2001 respectievelijk 50 en 0 % ontdekt bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van respectievelijk 0,8 en 1,2%. Deze percentages geven aan dat aan bepaalde minimumeisen voor de triple test is voldaan (met uitzondering van het detectiepercentage voor NBD). Ook het gemiddelde van de concentraties van de drie stoffen die bij de triple test worden gemeten bevond zich binnen de gestelde grenzen. Verder laat dit rapport zien dat de meeste triple testen worden uitgevoerd bij een zwangerschapsduur tussen de 15 en 16 weken en dat de meeste monsters minder dan drie dagen in transport zijn tussen bloedafname en ons laboratorium. Bij triple testen uitgevoerd bij zwangeren met suikerziekte en bij tweelingzwangerschappen blijken de veranderingen in de concentraties van de triple test stoffen overeen te komen met literatuurgegevens.
    • Risicoschatting voor Down syndroom/neuraalbuisdefecten door analyse van triple test parameters in maternaal serum 1995-1999

      Schielen PCJI; Hagenaars AM; Elvers LH; Loeber JG; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-20)
      Between 1995 and 1999 the RIVM processed about 16,000 triple tests to estimate risks for the Down syndrome and neural tube defect pregnancies. This research was carried out on order of the Health Care Inspectorate of the Dutch Ministry of Health, Welfare, and Sport. The survey described here investigated over 16,000 triple test requests from all the provinces in the Netherlands except Groningen, Friesland and Drenthe . Pregnancies were classified as either normal singleton pregnancies or special (e.g. diabetic, twin) pregnancies. Experimental data of the triple test (alpha fetoprotein, unconjugated oestriol and human chorionic gonadotropin hormone) for singleton normal pregnancies are given, with special reference to the age distribution of the population under investigation. The median values of the triple test parameters in Downs syndrome or neural tube defect-pregnancies are given, using reported data on the outcome of pregnancies, as well as the detection rate and false positive rate of the triple test. The practical and logistic implications of the triple test are discussed. A maximum was reached in 1996 of about 4000 triple test requests, with a stabilisation of around 3200 in the succeeding years. A decline in the number of requests from the university hospitals was accompanied by a rise in the number of applications from, in particular, peripheral hospitals. Between 1995 and 1999 an apparent rise from 34.1 to 35.1 years was observed in the median age of pregnant women requesting a triple test. This was accompanied by an elevation in the percentage of Down syndrome 'high risk' triple test results from 11.8 to 15.7%. Multiples of the median values for the triple test parameters were, with few exceptions, within the demands (log-normality, amount of bias) of the triple test risk estimation. A report of the outcome of the pregnancy was received for 70% of all the triple tests. Based on these data, the detection rate for Down syndrome was 89% for a 13.7% false positive rate, while the detection rate for neural tube defects was 63% for a 3.3% false positive rate. These specifications are in agreement with or exceed minimum values for detection and false positive rates, as estimated from the age distribution of the pregnant women.
    • Risicoschatting voor Down syndroom/neuraalbuisdefecten door analyse van triple test parameters in maternaal serum 1995-1999

      Schielen PCJI; Hagenaars AM; Elvers LH; Loeber JG; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-20)
      Tussen 1995 en 1999 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ca. 16000 triple testen uitgevoerd voor de bepaling van het risico op een zwangerschap van een kind met Down syndroom of een neuraalbuisdefect (NBD). In het rapport wordt een overzicht van de herkomst van de aanvragen gegeven, en gecategoriseert als monsters afkomstig van enkelvoudige zwangerschappen zonder bijzonderheden en overige zwangerschappen. Het geeft een overzicht van de experimenteel gevonden waarden van enkelvoudige 'niet bijzondere' zwangerschappen. Daarnaast geeft het op basis van teruggerapporteerde gegevens over de uitkomst van zwangerschappen een indicatie van de prestaties van de triple test. Daartoe worden o.a. het percentage opgespoorde Down syndroom en NBD zwangerschappen en het percentage onterecht als 'verhoogd' geclassificeerde triple test uitslagen gepresenteerd. In de verslagperiode werd na een aanvankelijk maximum in het aantal aanvragen (ca.4000) in 1996 een daling gezien tot ca. 3200 in de volgende jaren. Het aantal aanvragen van academische centra nam af ten gunste van het aantal aanvragen van o.a. de perifere ziekenhuizen. Gedurende de verslagperiode is de leeftijd van de zwangeren die een triple test doen hoger geworden. Dit veroorzaakt ook een hoger percentage 'verhoogd risico op Down syndroom zwangerschap' uitslagen. Van ca. 70% van de zwangerschappen waarvoor een triple test is aangevraagd zijn uiteindelijk post partum gegevens ontvangen. Deze zijn noodzakelijk voor het bepalen van het percentage opgespoorde Down syndroom en NBD zwangerschappen. De multiple-of-the-median waarden van de triple test parameters (alfafoetoproteine, ongeconjugeerd oestriol en humaan choriongonadotropine), voldeden, behoudens enkele uitzonderingen, aan de eisen van log-normaliteit en bias die de triple test risicoschatting verlangt. In de periode 1995-1999 werd 89% van de Down syndroom zwangerschappen opgespoord bij een percentage onterecht verhoogde uitslagen van 13.7 %. Van de NBD zwangerschappen werd 63% opgespoord bij een percentage onterecht verhoogde uitslagen van 3.3%. De triple test zoals uitgevoerd bij het RIVM presteert daarmee in termen van het percentage opgespoorde Down syndroom zwangerschappen en percentage onterecht verhoogde uitslagen vergelijkbaar met of beter dan modelmatig bepaalde grenswaarden op basis van de leeftijdsverdeling van de zwangeren. Dit rapport geeft ook een beschrijving van de praktische en logistieke aspecten van het uitvoeren van de triple test, waarbij de nadruk ligt op de complexe relaties tussen de verschillende actoren in de aanvraagcyclus en de daardoor veroorzaakte knelpunten.<br>
    • Risicovergelijking straling/stoffen. Eerste tussenrapport

      Moen JET; Janssen MPM; Slaper H; Lembrechts JFMM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      This report presents a general overview of the field of risk comparison for radiation radioactive and chemical substances and industrial safety. It summarizes the results of interviews with representatives of DGM and RIVM, and describes different risk methods in a graphical presention.<br>
    • Risicovolle medische technologie en specifieke eisen aan bekwaamheid : Een verkennend onderzoek op basis van interviews

      de Vries CGJCA; van Drongelen AW; Koudijs-Siebel EA; Pot JWGA; Geertsma RE; PRV; V&Z ; BDV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-21)
      Het gebruik van risicovolle medische technologie in de zorg neemt toe. Zorgprofessionals moeten bekwaam zijn om deze technologieën veilig te kunnen gebruiken. In deze verkenning hebben deskundigen uit verschillende gremia hun perspectief gegeven over het toepassen van medische technologie in ziekenhuizen waarbij specifieke eisen aan deskundigheid, ervaring en vaardigheid van gebruikers nodig zijn. Voorbeelden die door deskundigen zijn genoemd, zijn laparoscopische ingrepen, gebruik van lasers, diathermieapparatuur, het verbinden van steeds meer apparaten aan elkaar, het omgaan met het groeiend aantal ICT-toepassingen in de zorg, het gebruik van complexe medische apparaten buiten het ziekenhuis en nieuwe operatietechnieken waarbij reeds geïntroduceerde apparatuur op een andere manier wordt gebruikt. Uit deze verkenning is het beeld ontstaan dat ziekenhuizen en beroepsgroepen zich de laatste jaren zeker bewust zijn dat de vaardigheden benodigd voor de veilige toepassing van medische technologie geborgd moeten zijn. Er zijn ook steeds meer initiatieven op dit gebied. Echter de mate waarin deze worden geïmplementeerd, verschilt per ziekenhuis en beroepsgroep. Er lijkt nog geen uniforme werkwijze te zijn. Door gezamenlijk op te trekken, en te leren van elkaars 'best practices', kunnen de diverse belangrijke spelers binnen de ziekenhuiszorg de veilige toepassing van medische technologie mogelijk maken.
    • Risk analysis of particulate contamination in Silimed silicone-based breast implants

      Venhuis B; Keizers P; Geertsma R; Woutersen M; Muller A; Pronk M; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-17)
      Op siliconen borstimplantaten van de fabrikant Silimed zijn deeltjes aangetroffen die daar niet thuishoren. Het betreft onder meer minerale vezels van glaswol en steenwol. Het risico voor de gezondheid van mensen met deze implantaten is minimaal. Voor deze studie zijn 39 borstimplantaten onderzocht van het Braziliaanse bedrijf Silimed, geproduceerd tussen 2009 en 2015. Er zijn ook 12 borstimplantaten van drie andere fabrikanten onderzocht. Op implantaten van één van de andere fabrikanten zijn ook minerale vezels aangetroffen, maar van een andere soort. Er is meer onderzoek noodzakelijk om de gezondheidsrisico's daarvan in te schatten. Aanleiding voor dit onderzoek was de schorsing van het CE-certificaat voor medische hulpmiddelen van Silimed in september 2015. Het bedrijf bleek een verontreiniging met minerale vezels niet te kunnen voorkomen. Europese toezichthouders lieten vervolgens onderzoeken of mensen met verontreinigde implantaten risico lopen. Een internationale groep medische experts zal de Europese toezichthouders adviseren over wat de bevindingen van dit rapport betekenen voor artsen en voor patiënten met deze implantaten.
    • Risk Assessment and Risk Management of Dioxins and PCBs in Food

      Hoogenboom LAP; Kramer HJ; Jansen EHJM; Mengelers MJB; Klaveren JD van; Dooren M van; Traag WA; Kuiper HA; Konemann WH; TOX; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      In this report a brief overview is given concerning PCBs and dioxins in food. Background levels and the way PCBs and dioxins enter the environment are described. In the risk assessment part of the report an evaluation of toxicity is given, the way standards for dioxins and PCBs have been determined, which analysis methods are used as well as which levels of PCBs and dioxins have been measured in various food items. Finally, in the risk management part of this report it is tried to make clear what measures have been taken to reduce the risks related to exposure to dioxin and PCB.
    • Risk Assessment and Risk Management of Dioxins and PCBs in Food

      Hoogenboom LAP; Kramer HJ; Jansen EHJM; Mengelers MJB; van Klaveren JD; van Dooren M; Traag WA; Kuiper HA; Konemann WH; TOX; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      In dit rapport wordt in het kort een overzicht gegeven van de stand van zaken op het gebied van PCBs en dioxines in voedsel. Achtergrondblootstelling en de manier waarop deze achtergrondblootstelling ontstaat wordt besproken. In de risicobeoordeling wordt een overzicht gegeven van de toxicologische effecten, de wijze waarop een norm voor PCBs en dioxines is afgeleid, welke meetmethoden gebruikt worden en welke concentraties van PCBs en dioxines in verschillende voedingsmiddelen voorkomen. In het risico management deel wordt inzicht gegeven in de maatregelen die genomen zijn om de risico's ten gevolge van blootstelling aan PCBs en dioxines te verminderen.<br>
    • Risk assessment for populations during inhalation exposure as a result of catastrophes

      Bloemen HJTh; Cassee FR; LVM; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-02-06)
      Er is een inventarisatie gemaakt van beschikbare RIVM-onderzoeksmiddelen om rampen waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen te monitoren en te bestrijden. De middelen bestaan uit meetapparatuur en rekenmodules. In de inventarisatie zijn ook onderzoeksmiddelen ondergebracht die alleen een kleine modificatie nodig hebben om ingezet te worden. Deze inventarisatie is gemaakt in het kader van het project RISPIEC (Risk Assessment for Populations during inhalation Exposure as a result of Catastrophes integrated monitoring and modelling). De doelstelling van dit project is het gereedmaken van de onderzoeksmiddelen die door het RIVM worden ingezet bij het beoordelen van de gezondheidsrisico's van rampen of calamiteiten. Binnen het RISPIEC project is ook een lijst beschikbaar van risicovolle stoffen. De selectie is gebaseerd op gezondheidseffecten en het milieurisico (stoffen die intensief gebruikt en getransporteerd worden).
    • Risk assessment for scented products: a pre-study

      van der Zee Park M; Janssen PJCM; van Raaij MTM; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-02-27)
      Er is weinig bekend over de risico's als gevolg van de blootstelling van consumenten aan geurstoffen uit consumentenproducten. Toevoeging van deze stoffen vindt plaats aan tal van consumentenproducten, varierend van wasmiddelen tot speelgoed. Passieve huiskamerparfums en spuitbusparfums zijn twee groepen producten die populair zijn in gebruik en die voor langdurige dan wel hoge blootstelling van de consument aan chemische stoffen kunnen zorgen. Voor het schatten van de mate van deze blootstelling is het softwareprogramma ConsExpo beschikbaar. Bijzondere aandacht gaat in deze studie uit naar het risico van het inademen van geurstoffen waarvan bekend is dat ze bij contact met de huid een allergische reactie kunnen veroorzaken. Door een gebrek aan een geaccepteerde methode echter, is het op dit moment niet mogelijk om te bepalen of dergelijke allergische reacties ook kunnen optreden bij inademing van deze geurstoffen. Dit onderwerp van de relatie tussen dermale en inhalatoire chemische allergie zal in de komende periode nader onderzocht worden in een pilot dierexperiment met twee geurstoffen. De groep 'geurproducten' zoals besproken in dit rapport omvat alle consumentenproducten die specifiek en alleen bedoeld zijn om een aangename geur te verspreiden in leefruimtes. Bijvoorbeeld ook geurkaarsen en wierook vallen hieronder. Uit een eerste inventarisatie is een enorme varieteit in het commerciele aanbod van geurproducten gebleken. De chemische samenstellingevan deze producten is complex en nadere kwantitatieve informatie over die samenstelling is vaak moeilijk te achterhalen. Ook door deze beperking is het volledig in kaart brengen van de risico's van alle stoffen in alle soorten geurproducten op dit moment niet mogelijk. Op basis van de beschikbare kennis wordt volstaan met enkele algemene aanbevelingen over waar men in de risico-evaluatie van een bepaald geurproduct op dient te letten.
    • A risk assessment method for accidental releases from nuclear power plants in Europe

      Slaper H; Blaauboer RO; Eggink GJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      At present over 200 nuclear power reactors are operational. The question raised is to what extent possible accidents with nuclear power reactors pose a risk for the European population. In this report a method is described for evaluating the probability of death due to stochastic effects, combining the probability of accidental releases with the consequences in terms of the excess doses received over a lifetime (70 years). The study is limited to stochastic deaths: victims of death due to very high short term radiation doses possibly occurring in the close proximity of the nuclear power reactor (< 5-10 km) are not included in the risk estimates. The nuclear power reactors have been categorized according to major (safety) characteristics and operational features. Accident and release probabilities have been estimated for each of these reactor categories. Dispersion and deposition calculations are based on statistical estimates in order to account for different weather conditions and their frequency of occurrence. The various exposure pathways, including ingestion of contaminated food products, inhalation and external exposure, are modelled. Countermeasures to reduce exposure are not considered. The radiation exposure following an accidental release is modelled over a period of 70 years. The results are given as the excess death risk per year forthcoming from the combined operation of all nuclear power reactors involved. Because of large uncertainties the calculated risk should be considered as an indication. A preliminary estimate amounts to an overall uncertainty of a factor of about 15 in western Europe up to a factor of 20 in eastern Europe. Nevertheless, the risk map provides an indication of the probabilistic risk involved (outside the 5-10 km zone around the reactors) due to accidental releases of nuclear power reactors, and the possible reduction of risk due to the improvement of reactor safety in eastern European reactors. This report can be considered as the scientific basis of a technical-scientific report no. 743030001, entitled: "Risks of potential accidents of nuclear power plants in Europe".
    • Risk assessment method for activities involving organisms with a gene drive under contained use

      van der Vlugt C; van den Akker E; Roesink CH; Westra J; GBV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-29)
      Een gene drive is een genetische eigenschap die nagenoeg aan alle nakomelingen kan worden doorgegeven. Hierdoor kan een gene drive zich snel en blijvend in een hele populatie verspreiden. Gene drives kunnen van nature voorkomen of door genetische modificatie in laboratoria worden gemaakt. Het hier onderzochte gebruik van een gene drive betreft deze laatste vorm. De meeste ontwikkelingen zitten nog in de onderzoeksfase en het zal nog jaren duren voordat ze in de praktijk kunnen worden gebruikt. Ondertussen is het van belang om te kunnen bepalen hoe in de onderzoeksfase in laboratoria en dierverblijven ('ingeperkt gebruik') veilig met gene drives kan worden gewerkt. Het RIVM signaleerde in 2015 dat mogelijk schadelijke effecten van organismen met een gene drive op mens en milieu niet of onvoldoende beoordeeld kunnen worden met de tot dan toe gebruikte methode van risicobeoordeling voor ingeperkt gebruik. Uit vervolgonderzoek blijkt dat de methode wel aanknopingspunten biedt voor een goede risicobeoordeling, en die zijn nu uitgewerkt. Ook blijkt dat de risicobeoordeling op basis van andere schadelijke effecten moet worden uitgevoerd dan waarmee tot nu toe ervaring was opgedaan. Daarnaast worden maatregelen voorgesteld die de mogelijke risico's bij íngeperkt gebruik tot een minimum kunnen beperken, zoals een extra veiligheidskooi of sluis in het laboratorium. Deze maatregelen verschillen per groep van organismen; voor insecten zijn ze bijvoorbeeld anders dan voor knaagdieren. Het RIVM onderstreept het belang om goed aangesloten te blijven bij de wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van gene drivetoepassingen. Ook is het, mede gezien de mogelijk grensoverschrijdende effecten, nodig om in internationaal en in Europees verband in gesprek te gaan over de risicobeoordelingsmethode voor ingeperkt gebruik van gene drives. Het RIVM werkte voor dit onderzoek dan ook samen met kennisinstituten uit Engeland, België en Duitsland. Met de wetswijziging van de Regeling ggo in juli 2016 heeft het ministerie van IenW bepaald dat voor alle toepassingen met gene drives een vergunning moet worden aangevraagd. De regeling biedt met de hier beschreven risicobeoordelingsmethode voldoende flexibiliteit om de technologie toe te staan wanneer de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar zijn.