• Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Vekde-Koerts T van der; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-21)
      An analytical method consisting of a nitric acid digestion and an ICP-MS analysis, has been developed for the determination of elements in food and biological material. The digestion was optimised for nitric acid concentration and destruction time. The ICP-MS analysis was optimised for minimal spectral interferences and matrix effects using interference corrections, internal standards and matrix matching of the calibration standards. Based on detection limits, reproducibility, trueness and recovery, the analytical method was found suitable for the determination of As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in food and biological material. The method was also found suitable for the determination of Al, Fe, Cr, Co, Ni in food and animal material, but not for this determination in plant material: the digestion of Al, Fe, Cr, Co and Ni in plant material was not complete. The method was found not suitable for the determination of Bi, Br, S, Se and Sn. Trueness for Sb, Si, Ti, Tl and V could not be checked, because reference materials were lacking. The elements Ca, K, Mg, Na and P can be better determined using ICP-AES because of the high concentrations.
    • Samen staan we sterk! : Bundeling van de 3V-krachten op het internationale speelveld

      Deleu S; Akkermans A; NKA; V&|Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2014-06-18)
    • Samen werken aan duurzame zorg : Landelijke monitor proeftuinen

      Drewes HW; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-10)
      In 2013 heeft het ministerie van VWS op voordracht van de verzekeraars negen regionale initiatieven benoemd tot proeftuinen. Deze proeftuinen hebben als doel om preventie, zorg en welzijn in samenhang vorm te geven. Dit rapport beschrijft de proeftuinen en de ontwikkelingen die zich sinds de oprichting hebben voorgedaan. Daarnaast geeft het de gezondheid, de kwaliteit van de zorg en de kosten in de proeftuinregio's weer. Ook wordt ingegaan op de ervaringen van bestuurders met de proeftuinen. Zorgaanbieders, verzekeraars, en vaak ook gemeenten en vertegenwoordigers van burgers / patiënten, werken binnen de proeftuin gezamenlijk aan duurzame zorg en maatschappelijke ondersteuning. Met behulp van een aantal interventies proberen deze partijen een basis te leggen voor de benodigde samenwerking, de organisatie en de bekostiging van de proeftuinen. De proeftuinen worden bestuurd door vertegenwoordigers van de betrokken partijen. Volgens hen wijzen de eerste ervaringen op een verbeterde samenwerking. Tegelijkertijd zoeken zij nog naar een goede aansturing van de proeftuin en de mogelijkheden van nieuwe bekostigingsvormen. Voor het welslagen van de proeftuinen is een goede samenwerking essentieel. Hiervoor is het van belang dat de organisatiebelangen van álle partijen meer op één lijn komen te liggen met de doelstelling van de proeftuin. Ook is aandacht nodig voor alternatieve vormen van bekostiging en voor transparantie van de kwaliteit en kosten van de zorg.
    • Samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit voor geneesmiddelen in Nederland. Een casestudie naar statines en bloeddrukverlagers

      Over EAB; van Gils PF; de Wit GA; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-03)
      Als patiënten geneesmiddelen volgens voorschrift innemen, levert dat veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit van twee groepen geneesmiddelen. De studie onderstreept daarmee het belang om de effecten van therapietrouw mee te nemen in kosteneffectiviteitsberekeningen van geneesmiddelen. Overigens kan dat alleen worden gedaan als gegevens over therapietrouw beschikbaar zijn. Voor dit onderzoek zijn casestudies uitgevoerd naar cholesterol- en bloeddrukverlagers. Van deze geneesmiddelen is bekend dat patiënten er vaak voortijdig mee stoppen of ze niet volgens voorschrift innemen (bijvoorbeeld een verkeerde dosering gebruiken). Voor het basispakket van de ziektekostenverzekering wordt bepaald welke middelen wel of niet worden vergoed. Een van de criteria hiervoor is kosteneffectiviteit: de verschillen tussen (ten minste) twee geneesmiddelen (of situaties) wat betreft de kosten en de effecten. Bij goede berekeningen van de kosteneffectiviteit wordt de gebruiker betrokken. Zo wordt geschat hoeveel mensen voortijdig zullen stoppen met de behandeling en het effect van onjuist gebruik en de invloed hiervan op de kosten.
    • Een samenhangend beeld van kanker: ziekte, zorg, mens en maatschappij : Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg

      Vonk R; Korevaar J; van Saase L; Schoemaker C; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-30)
      Jaarlijks krijgen 100.000 mensen in Nederland te horen dat ze kanker hebben. De afgelopen decennia is de behandeling van kanker steeds effectiever geworden waardoor er steeds minder mensen aan overlijden. Er is echter weinig informatie over de ingrijpende langetermijneffecten van de ziekte en de behandeling op de kwaliteit van leven en de maatschappelijke participatie van (ex)patiënten. De beschikbare informatie is nu zo veel mogelijk samengevoegd en in beeld gebracht. Het is van belang deze informatie te integreren in de zorg en in wetenschappelijk onderzoek. Lange tijd lag de focus op behandelen en overleven, en daar is wel veel informatie over. Informatie over de samenhang tussen alle betrokken onderdelen in de zorgketen - van huisarts tot oncoloog, fysiotherapeut en psycholoog - is vaak beperkt en versnipperd. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit van leven tijdens en na de ziekte, de impact op gezinsleden en maatschappelijke gevolgen zoals het (on)vermogen om te werken. In een bijbehorende illustratie is informatie over de overlevingskansen, de zorgketen, en 'mens en maatschappij' in beeld gebracht. Hierin wordt zichtbaar waar nog kennislacunes zijn, en waar losstaande gegevens op een zinvolle manier gekoppeld zouden kunnen worden. Daarnaast worden vier vormen van kanker nader uitgediept: borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker en acute lymfatische leukemie bij kinderen. Dit is gedaan omdat de wijze van ontstaan, de gemiddelde leeftijd van de patiënt, de gevolgen, de behandeling en de kans op overleven, per type kanker sterk verschilt. De rapportage is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS en maakt deel uit van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Ze is het product van samenwerking tussen RIVM, NIVEL, Zorginstituut Nederland, Trimbos Instituut en CBS.
    • Samenstelling en stroming van het grondwater op een proeflocatie te Best

      Meinardi; C.R. (1985-05-31)
      Op de proeflocatie Best zijn op de hoekpunten van een vierkant van 40 x 40 m een aantal boringen gezet tot een maximale diepte van 30 m. Deze boringen zijn uitgerust met een groot aantal pomp-, peil- en minifilters. Uit de filters zijn monsters getrokken die in het veld en op het laboratorium zijn onderzocht op hun fysische en chemische eigenschappen (hoofdcomponenten). Hieruit bleek een zeer sterke variatie in deze eigenschappen. Deze variatie is verklaarbaar indien de stroming van het grondwater nader wordt beschouwd. De verschillen in samenstelling volgen uit verschillen in het lokale landgebruik.
    • Samenstelling van een voedingsmiddelentabel met gehalten aan alpha-linoleenzuur t.b.v. o.a. de Zutphen Studie

      Voskuil DW; Feskens EJM; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-08-31)
      Alpha-linolenic acid (C18:3 n-3) is an essential fatty acid with a possible beneficial effect on coronary heart disease. Research of the effects of alpha-linolenic acid however is interfered with by the lack of food consumption data on this fatty acid. The Netherlands Food Table (NEVO) for instance does not contain any information on alpha-linolenic acid. A food table with data on alpha-linolenic acid has been composed to fill this gap, possibly in aid of others as well. For comparison with the NEVO-table linolenic acid was also included in the table. The table has been composed by using data of chemical analysis on Dutch foods, using foreign food tables, by deducting from other values and by calculations based on recipes. The food table consists of 999 products, which are all foods that were reported to be used during the nutritional surveys of the Zutphen Study in 1985 and 1990. Of these 999 products, 972 occur in the NEVO-table, whereas 27 have a special code. Finally, for only 3 foods the alpha-linolenic acid contents could not be found. Compared to the NEVO-table, calculation of the intake of linolenic acid by this table results in a mean overestimation of 5-10%. Possibly, a similar overestimation applies to alpha-linolenic acid as well. Validation of the table for alpha-linolenic acid, by means of for instance chemical analysis of a package of much used foods, is recommended. The table has recently been applied in a study of the intake of alpha-linolenic acid by the participants of the Zutphen Study.
    • Samenstelling van voedingsmiddelentabellen met gehalten aan transvetzuren ten behoeve van epidemiologisch onderzoek

      Oomen CM; Feskens EJM; Kok FJ; Brants HAM; Erp-Baart AMJ van; Kromhout D; Universiteit Wageningen, afdeling Humane Voeding en Epidemiologie; TNO Voeding; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-18)
      To study the change in intake of trans fatty acids and the effect on lipids and coronary heart disease in the Zutphen Elderly Study, food tables has been composed with data on trans fatty acids in 1985, 1990 and 1995. The tables contain contents of C18:1t isomers, all trans isomers with a chain length with less or equal than 18 C-atoms, or total trans fatty acids in g per 100g product for all the foods that were reported to be used during the nutritional surveys of the Zutphen Elderly Study in 1985, 1990 and 1995. We preferably used data of chemical analyses as well as the variation in trans fatty acids contents of comparable products between different sampling periods per year on Dutch foods. Due to different analytical methods with different accuracy for the determination of trans fatty acids used for the determination of trans fatty acids contents in foods, correction factors were established relating the different contents. The arrangment of participants of the Zutphen Elderly Study based on their intake of trans fatty acids was comparable with or without using the correction factors, or using each different trans content (C18:1t, 3C18t, total). To estimate the daily intake of trans fatty acids, underestimation of the trans fatty acid content by the gaschomatographic analyses with methylesters have to be taken into account.
    • Samenstelling van voedingsmiddelentabellen met gehalten aan transvetzuren ten behoeve van epidemiologisch onderzoek

      Oomen CM; Feskens EJM; Kok FJ; Brants HAM; van Erp-Baart AMJ; Kromhout D; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversiteit Wageningenafdeling Humane Voeding en EpidemiologieTNO Voeding, 2000-05-18)
      Om de transvetzuurinneming in de tijd te vergelijken en de grootte van het effect op o.a. plasmalipiden en coronaire hartziekten in de Zutphen Ouderen Studie te bestuderen, wordt een schatting van het gehalte van transvetzuren in voedingsmiddelen gemaakt voor de jaren 1985, 1990 en 1995. Voedingsmiddelentabellen zijn samengesteld met de gehalten in gram per 100 gram eetbaar product opgenomen voor de C18:1-transvetzuren, som van de transvetzuren met een keten-lengte van ->C18 en totaal transvetzuren. Het transvetzuurgehalte en informatie over de spreiding in gehalten van soortgelijk producten gedurende een bemonsteringsperiode per jaar werd bij voorkeur achterhaald uit een van de nationale bronnen. Voor de verschillende gebruikte analysemethoden die verschillen in nauwkeurigheid voor het bepalen van het transvetzuurgehalte zijn onderlinge correctiefactoren berekend. Na berekening van de transvetzuurinneming in de Zutphen Ouderen Studie bleek dat de personen overeenkomstig gerangschikt worden op basis van transvetzuurinneming ongeacht of er gecorrigeerd werd voor deze verschillen in nauwkeurigheid. Ook bleek de verschillende schattingen van inneming van transvetzuurisomeren (C18:1t, ->C18t, totaal) hoog te correleren. Indien een kwantitatieve uitspraak gedaan moet worden over de transvetzuurinneming, dient rekening gehouden te worden met de onderschatting van het transvetzuurgehalte door de gaschromatografische methode waarbij de vetzuren alleen worden omgezet naar methylesters.<br>
    • Samenstelling vectorenbestand in Nederland in relatie tot West Nijl koorts verspreiding

      Reusken CBEM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-12)
    • Samenvattend rapport vogelvluchtverkenningen bedrijfsafvalstoffen industrie

      Verhagen H; Nagelhout D; Meiling K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-08-31)
      Het rapport geeft een samenvatting van de resultaten van verkenningen naar de afvalstoffen situatie in industriele bedrijfsklassen, die in de periode 1982-1986 zijn uitgevoerd in het kader van het project "Vogelvluchtverkenningen bedrijfsafvalstoffen industrie". De verkenningen zijn uitgevoerd door RIVM-LAE en andere instellingen. De resultaten zijn vastgelegd in 15 afzonderlijke rapporten. Behalve een samenvatting per bedrijfsklasse worden in het rapport ook een totaaloverzicht en karakterisering van de bedrijfsafvalstoffen in de Nederlandse industrie gegeven. Daarbioj is vanzelfsprekend uitgegaan van de gegevens uit de vogelvluchtverkenningen. Voor een deel zijn deze echter geactualiseerd of aangevuld met gegevens uit andere bronnen.<br>
    • Samenvattende conclusies van het project &quot;Variaties in fysisch- chemische bodemkarakteristieken&quot; uitgevoerd op een proeflocatie nabij Best

      Gerringa; L. (1985-08-31)
      De bodemgegevens, verkregen in het proefgebied nabij Best zijn sedimentologisch geinterpreteerd. Met behulp van statistische bewerking van de beschikbare gegevens kon de verdeling in sedimentaire eenheden worden bevestigd. Onderzoek naar de variatie in de permeabiliteit is gebeurd door middel van pompproeven. Hieruit bleek de permeabiliteit van maaiveld tot ca. 25 m-mv. toe te nemen van 1,3 m/dag tot ca. 7 m/dag. De samenstelling van het grondwater varieert nogal en is plaatselijk sterk verontreinigd door percolatiewater van mestvaalten.