• Risk Assessment System for New Chemical Substances: Implementation of atmospheric transport of organic compounds

      Toet C; de Leeuw FAAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-01-31)
      Within the framework of the development of a risk assessment system for new chemical substances, estimation methods concerning exposure of man and environment through air have been investigated. The pathways through which exposure through air takes place in this risk assessment system are exposure of human beings by inhalation and exposure of soils by deposition. Previous research (Noordijk & De Leeuw, 1991) has shown that for new chemical substances the existing Operational Priority Substances (OPS) atmospheric transport model (Van Jaarsveld, 1990) is an appropriate tool for the estimation of atmospheric concentrations and deposition fluxes, if some additional parameter estimation procedures are added. This concerns the estimation of the partitioning between gas phase and aerosol, the wash-out ratio, the dry deposition velocity and the atmospheric reaction rate. This report focusses on the implementation of the reported estimation methods within the risk assessment system, using the OPS-model. For this purpose, a simple table has been constructed reflecting simulated concentrations and deposition fluxes as a function of substance characteristics. In order to obtain information on variance in the results, a sensitivity analysis has been carried out for the main parameters and some source characteristics. Ranges of uncertainty are obtained through this analysis.<br>
    • Risk assessment to man and the environment in case of exposure to soil contamination. Integration of different aspects

      van den Berg R; Roels JM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-09-30)
      Dit rapport sluit een serie rapporten af, welke de technisch-wetenschappelijke basis leveren voor de herziening van de normen voor bodem en grondwater in de Wet bodembescherming. Dit rapport integreert de resultaten van eerdere studies, welke in dit kader werden uitgevoerd (Nr. 7252001001 t/m 725201006 en 725201008). Belangrijke informatie betreffende de afleiding van de interventiewaarden uit eerdere rapporten wordt gepresenteerd. Deze informatie betreft de bepaling van de humane blootstelling en het risico voor de gezondheid en het milieu. Bovendien worden voorstellen geponeerd met het doel toxicologisch onderbouwde interventiewaardes te verduidelijken en indien nodig aan te passen. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de onzekerheden in de afleiding van de interventiewaarden.
    • Risk evaluation of accidental spills of toxic compounds in the Rhine basis

      Canton JH; van der Heijden CA; Heijna-Merkus E; van Koten-Vermeulen JEM; Knoop J; de Kruijf HAM; van de Meent D; Minderhoud A; van Noort PCM; de Nijs T; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-12-12)
      Hoewel deze studie een explorerend karakter had, kan geconcludeerd worden dat acute en chronische effecten reeds veroorzaakt kunnen worden door accidentele lozingen van toxische verbindingen bij relatief geringe hoeveelheden. Zo is 10 kg parathion voldoende om ernstige acute effecten te veroorzaken in zoetwater ecosystemen, terwijl een lozing van enkele honderden kg's dieldrin ernstige effecten in de kustwateren en in de kustwateren en de Waddenzee kunnen veroorzaken. Vooral lozingen van specifieke smaak- en geurstoffen kunnen de drinkwaterkwaliteit beinvloeden van oeverinfiltratiewinningen. De algemene conclusie is dat de kwetsbaarheid van de ecosystemen en van de betrokken drinkwatervoorzieningen noopt tot een verdere reductie van het risico dat accidentele lozingen van gevaarlijke verbindingen optreden.<br>
    • The risk evaluation of difficult substances in USES 2.0 and EUSES. A decision tree for data gap filling of Kow, Koc and BCF

      Beelen P van; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-17)
      This report presents a decision tree for the risk evaluation of the so-called "difficult" substances with the Uniform System for the Evaluation of Substances (USES). The decision tree gives practical guidelines for the regulatory authorities to evaluate notified substances like organometallic compounds, cationic compounds, anionic compounds, surfactants, inorganic compounds, acids, bases and compounds without an available octanol/water partition coefficient (Kow). The decision tree gives reasonable worst case estimates for the Risk Characterisation Ratios of substances of which no Kow value can be estimated or measured. The decision tree only asks for more a detailed analysis of both sorption and bioaccumulation, when the predicted environmental concentrations are sufficiently high to make a difference for the outcome of the risk assessment. The report suggests to use the Kow value of the neutral molecule of acids and bases even when these molecules are present as anions or cations at pH 7. The guidelines and suggestions in this report were based on the evaluation of a large data set with the Kow, soil sorption coefficient (Koc) and bioconcentration factor (BCF) of pesticides. It is argued that these guidelines and suggestions are valid for a wide range of "difficult" substances. The uncertainties encountered with the estimation of Koc and BCF from Kow for different classes of "difficult" substances were estimated and their influence on the outcome of the risk evaluation with USES 2.0 or EUSES was analysed.
    • The risk evaluation of difficult substances in USES 2.0 and EUSES. A decision tree for data gap filling of Kow, Koc and BCF

      van Beelen P; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-17)
      Dit rapport presenteert een beslisboom voor de risico-evaluatie van de zogenaamde 'moeilijke' stoffen met het Uniform Systeem voor de Evaluatie van Stoffen (USES). De beslisboom geeft praktische richtlijnen voor de beoordelende instanties om de aangemelde stoffen (zoals organometaalverbindingen, kationen, anionen, surfactanten, anorganische verbindingen, zuren, basen en stoffen zonder een beschikbare octanol/water partitiecoefficient) te evalueren. De beslisboom geeft redelijk pessimistische schattingen voor de Risico Karakteriserings Ratio van stoffen waarvoor geen octanol/water partitiecoefficient kan worden geschat of gemeten. De beslisboom vraagt alleen om een meer gedetailleerde analyse van zowel sorptie als bio-accumulatie, wanneer de voorspelde milieu-concentraties hoog genoeg zijn om een verschil te maken voor de uitkomst van de risico -evaluatie. Het rapport beveelt aan om de octanol/water partitiecoefficient van het neutrale molecule van zuren en basen te gebruiken zelfs wanneer deze moleculen als anionen of kationen aanwezig zijn bij pH 7. De aanbevelingen en suggesties in dit rapport zijn gebaseerd op de evaluatie van groot gegevensbestand met de octanol/water partitiecoefficient, de bodem sorptie coefficient en de bioconcentratie factor van pesticiden. Er wordt aangegeven dat deze richtlijnen en suggesties geldig zijn voor een groot bereik aan verschillende 'moeilijke' verbindingen. De onzekerheden die ontmoet werden bij de schatting van de bodem sorptie coefficient en de bioconcentratie factor vanuit de octanol/water partitiecoefficient werden ingeschat en hun invloed op de uitkomst van de risico evaluatie met USES 2 of EUSES werd geanalyseerd.<br>
    • Risk factors for food allergy

      Ezendam J; van Loveren H; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-03-11)
      Het is niet duidelijk welke externe factoren het risico op voedselallergie kunnen verhogen. Het is daarom niet mogelijk om wetenschappelijk onderbouwde aanbevelingen op te stellen om het risico op voedselallergie te verlagen. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM. Er zijn aanwijzingen dat voedselallergie steeds vaker voorkomt. Deze toename kan niet verklaard worden door genetische veranderingen en wordt waarschijnlijk veroorzaakt door veranderde blootstelling aan externe factoren, zoals wijzigingen in ons dieet of van onze levensstijl. Om aanbevelingen op te kunnen stellen om het risico op voedselallergie te verlagen is het belangrijk om inzicht te krijgen in externe factoren die van invloed zijn op voedselallergie. Voedselallergie komt voor bij 2 tot 6% van de kinderen en 2 tot 3% van de volwassenen. Deze aandoening heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van leven. Door per ongeluk producten te eten die het allergeen bevatten dat iemand niet verdraagt kunnen zelfs levensbedreigende symptomen ontstaan. In deze literatuurstudie is gezocht naar de invloed van ziekteverwekkers, giftige stoffen, voeding en levensstijl op voedselallergie. Voor het merendeel van deze factoren blijken te weinig studies te zijn uitgevoerd of spreken de resultaten uit studies elkaar tegen. Er is beperkt bewijs dat inname van visoliesupplementen gedurende de zwangerschap het risico op ei-allergie verlaagt, maar deze bevindingen moeten in grotere klinische studies worden bevestigd. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het uitstellen van de introductie van voedselallergenen in het dieet van baby's tot na de leeftijd van zes maanden een mogelijke risicofactor is. Momenteel loopt er een aantal klinische studies om deze aanwijzingen verder wetenschappelijk te onderbouwen.
    • Risk inventory of groups of hazardous substances : Summary

      Zweers PGPC; de Groot GM; Bakker J; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-11)
      Het RIVM heeft van een breed scala aan stofgroepen geïnventariseerd welke daarvan de grootste risico's vormen voor milieu, consumenten en werknemers. De risico-inventarisatie is bedoeld om de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) te helpen om prioriteiten te stellen bij het toezicht op het gebied van gevaarlijke stoffen. In de inventarisatie staat beschreven op welke manier de stoffen voor de 55 stofgroepen zijn geselecteerd, welke criteria zijn gebruikt om de risico's te beoordelen, en welke beslisregels zijn gebruikt om te komen tot een rangorde van de stofgroepen. Eerst zijn voor de risico-inventarisatie per stofgroep 4 tot 8 stoffen geselecteerd die de stofgroep representeren. Vervolgens zijn de stoffen beoordeeld op hun gevaarseigenschappen, zoals de mate waarin ze brandgevaarlijk, explosief of giftig zijn, en de kans dat mensen of het milieu eraan blootstaan. Ten slotte zijn de stofgroepen, afhankelijk van het beschermingsdoel (milieu, werknemer of consument), door middel van beslisregels ingedeeld in verschillende risicoklassen. Als andere risicocriteria of beslisregels worden gebruikt, kan dat tot andere uitkomsten leiden. De risico-inventarisatie is gemaakt in samenwerking met TNO-Triskelion, in opdracht van de ILT. Als vervolgstap op deze inventarisatie is voor een aantal stofgroepen die hoog scoren onderzocht welke branches de desbetreffende stofgroep produceren, importeren, distribueren en/of verwerken in chemische producten of voorwerpen. Dit rapport is in het Nederlands verschenen met nummer 2014-0124
    • Risk limits for boron, silver, titanium, tellurium, uranium and organosilicon compounds in the framework of EU Directive 76/464/EEC

      Plassche E van de; Hoop M van de; Posthumus R; Crommentuijn T; CSR; LAC (1999-02-12)
      In het kader van EU richtlijn 76/464 dienen de lidstaten van de Europese Unie milieukwaliteitsnormen af te leiden voor de stoffen die in deze richtlijn genoemd worden. Voor een aantal van deze stoffen waren tot nu toe geen Nederlandse milieukwaliteitsnormen beschikbaar. Daarom heeft het ministerie van VROM het RIVM verzocht om voor deze stoffen risicogrenzen (het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau en het Verwaarloosbaar Risiconiveau, afgekort MTR en VR) af te leiden, die vervolgens door het ministerie gebruikt kunnen worden om te voldoen aan haar verplichtingen zoals in de EU richtlijn gesteld. Zodoende worden in dit rapport de resultaten weergegeven voor de volgende stoffen: boor, zilver, titanium, tellurium, uranium en organische siliciumverbindingen
    • Risk limits for boron, silver, titanium, tellurium, uranium and organosilicon compounds in the framework of EU Directive 76/464/EEC

      Plassche E van de; Hoop M van de; Posthumus R; Crommentuijn T; CSR; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-12)
      In the framework of EU Directive 76/464/EEC member states of the European Union have to derive environmental quality standards for the substances mentioned in this directive. For some of these substances no environmental quality standards have up to now been available in the Netherlands. The National Institute of Public Health and the Environment was asked by the Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment to derive risk limits (Maximum Permissible Concentrations or MPCs and Negligible Concentrations or NCs) for these substances. These risk limits, derived for the substances, boron, silver, titanium, tellurium, uranium and organosilicon compounds, can be used by the ministry to meet its obligations with respect to Directive 76/464.
    • Risk of systemic effects after dermal exposure for workers : Part A: Proposed approaches for risk evaluation

      ter Burg W; Muller JJA; Jongeneel WP; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-17)
      Een eenvoudige aanpak is voorgesteld om risico's op systemische effecten na huidblootstelling in arbeidssituaties aan chemische stoffen te kunnen beoordelen. De wetgeving vereist dat werkgevers hun werknemers veilig en gezond laten werken en dit ook aan kunnen tonen. Op dit moment worden systemische effecten na huidblootstelling vaak niet meegenomen in Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) door een werkgever. De eenvoudige aanpak is gebaseerd op beschikbare stof- en toxiciteitsgegevens en samengevat in een werkschema. Om risico's te beoordelen of uit te sluiten worden twee methoden beschreven. De eerste methode houdt in dat wordt aangetoond dat er geen huidblootstelling of huidopname van een stof is. In de tweede methode, wordt beschreven hoe huidblootstelling en normen van een stof kunnen worden verkregen. De verkregen huidblootstelling en norm kunnen dan met elkaar vergeleken worden om een risico te kunnen beoordelen. Als onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, dan worden aanbevelingen gedaan voor een alternatieve aanpak, die meer toxicologische kennis vereist.
    • Risk of systemic effects after dermal exposure for workers : Part B: Inventory of substances of which systemic health effects can be expected due to dermal exposure of workers

      ter Burg W; Jongeneel WP; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-12-28)
      Een drietal stoffen zijn geïdentificeerd als voorbeeldstoffen om risico's op systemische effecten na huidblootstelling in arbeidssituaties aan chemische stoffen te kunnen beoordelen. De wetgeving vereist dat werkgevers hun werknemers veilig en gezond laten werken en dit aan kunnen tonen. Op dit moment worden systemische effecten na huidblootstelling vaak niet meegenomen in Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) door een werkgever. Er is in de literatuur gezocht en verschillende experts zijn geraadpleegd om een selectie van chemische stoffen te maken. Voor deze stoffen geldt dat ze via de huid in het lichaam opgenomen kunnen worden en zo schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Voor een drietal stoffen is in het kort het gebruik, de schadelijkheid en de opname via de huid beschreven.
    • Risk of systemic effects after dermal exposure for workers : Part C: N-methylpyrrolidone as case study

      Jongeneel W.P.; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-04)
      Uit dit rapport blijkt dat een nieuw ontwikkelde werkwijze toepasbaar is om een gezondheidskundige risico beoordeling uit te voeren. Deze werkwijze schat het risico in van systemische gezondheidseffecten voor werknemers als gevolg van huidblootstelling aan chemische stoffen. N-methylpyrrolidon (NMP), als ingrediënt in verf afbijtmiddelen, is gekozen om de ontwikkelde werkwijze te testen. Hiervoor is informatie nodig over de fysischchemische en toxicologische eigenschappen van NMP. De beschikbaarheid van informatiebronnen kan in drie verschillende niveaus worden ingedeeld (werknemer, branche organisatie en professionals). Voor elk informatieniveau is de werkwijze toegepast. Met NMP als voorbeeld, kan de werkwijze zonder problemen toegepast worden wanneer er voldoende informatiebronnen beschikbaar zijn. In het geval dat er alleen toegang is tot het veiligheidsinformatieblad (VSB), is de beschikbare informatie te beperkt om tot een bruikbare risicoschatting te komen met de voorgestelde werkwijze.
    • Risk profile on antimicrobial resistance transmissible from food animals to humans

      Geenen PL; Koene MGJ; Blaak H; Havelaar AH; van de Giessen AW; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversiteit UtrechtWageningen URUniversitair Medisch Centrum UtrechtAcademisch Ziekenhuis Maastricht AZM, 2011-03-04)
    • Risk-based standards for PCBs in soil : Proposals for environmental risk limits and maximum values

      Verbruggen EMJ; Brand E; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-20)
      Het RIVM doet een voorstel voor nieuwe wetenschappelijk onderbouwde normen voor PCB-verontreinigingen (polychloorbifenylen) in de bodem. Dit is nodig om te beoordelen voor welke doeleinden afgegraven grond kan worden hergebruikt. De kwaliteit van de grond bepaalt óf dat kan en voor welke bestemming het mag worden hergebruikt: bij voldoende kwaliteit voor 'wonen', anders voor 'industrie'. Voor de beoordeling van hergebruik van grond wordt aan de hand van een standaardlijst gemeten welke vervuilende stoffen in de bodem zitten. In 2008 zijn PCB's aan deze stoffenlijst toegevoegd. De kwaliteit van de grond wordt beoordeeld op basis van de grenswaarden voor deze stoffen (de zogenoemde Maximale Waarden). Tot op heden bestonden er geen wetenschappelijk onderbouwde maximale waarden voor PCB's. De voorgestelde wetenschappelijk onderbouwde normen voor PCBverontreinigingen zijn gebaseerd op de blootstelling van marterachtigen aan PCB's. Het blijkt namelijk dat marterachtigen als meest gevoelige soort kunnen worden aangeduid. Tot nu toe waren de risicogrenswaarden van PCB's in de bodem alleen gebaseerd op de directe giftigheid van deze stoffen voor mens of ecosystemen. Het is echter gebleken dat ophoping van PCB's in de voedselketen een groter risico vormt dan directe giftigheid. Als ophoping in de voedselketen niet wordt meegenomen, wordt het risico onderschat.
    • Risks and Ultraviolet Budgets using Earth Observation (RUBEO): Including a nonstandard atmosphere and geographic ozone trend differences in risk assessments

      Kelfkens G; den Outer PN; Slaper H; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-12-31)
      UV-budget maps (the geographical distribution of effective UV at ground level) can be derived from satellite data. These UV-budget maps visualise changes in effective UV caused by ozone depletion and changes in cloud cover and aerosol content. Alterations in UV-budget maps over time give - in combination with dose-effect models for UV-induced effects - insight in the associated risks for human health and the environment. This report describes the results of the RUBEO-project: calculating Risks and Ultraviolet Budgets using Earth Observation (RUBEO). RUBEO aims at a better cloud parameterisation and incorporating temporal and spatial resolution for surface albedo, aerosol content and tropospheric ozone content. The geographical distribution of ozone and UV climatology and trends over Europe are analysed, and a cost-benefit analysis of satellite based UV budget mapping is provided. The UV-budget mapping can be applied using TOMS and GOME ozone data. A large scale statistical analysis of cloud effects is given comparing ISCCP and TOMS based remote sensing methods with cloud effects derived from ground measurements. Both satellite derived methods correlate well (r 0.93) with the ground based analysis. Correction for non-zero albedo, under clear sky conditions, adds maximal 8% to the yearly effective UV-budget. Temporal and spatial differences in aerosol optical thickness and tropospheric ozone content, result in a decrease in effective UV of 3% for every 0.1 increase in aerosol optical thickness, and in a decrease in effective UV of 4% for every 10 DU increase in tropospheric ozone. Stratospheric ozone trends of -1 to -4% per decade observed over Europe correspond to a 0.5 to 4% increase in skin cancer weighted effective UV. The largest trends are seen in the central part of Western Europe. At present satellite based UV-budget maps form a functional basis for trend analysis and risk assessment. However, satellite data and ground-based observations are both indispensable. Maps for changing UV-budgets and associated skin cancer risks have been used in 'state of the environment', reports. Such overviews, regularly published by the Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) and the European Environmental Agency (EPA), support the evaluation and formulation of adequate environmental policies. This report describes a project carried out in the framework of the Users Support Programme (USP-2), under responsibility of the Netherlands Remote Sensing Board (BCRS).
    • Risks associated with the lay use of 'over-the-counter' medical devices. Study on infrared thermometers and wound care products

      Hollestelle ML; Hilbers ESM; van Drongelen AW; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMIGZ, 2007-10-30)
      Uit de beoordeling van dossiers van twee soorten 'over-the-counter' medische hulpmiddelen (infraroodthermometers en wondverzorgingsproducten) kwamen substantiele tekortkomingen naar voren in de risicoanalyses, de gebruikersinformatie en de post-market surveillance procedures. Deze drie onderdelen spelen een belangrijke rol in het waarborgen van het veilig gebruik van een product. Deze waarborging vindt plaats door risico's zoveel mogelijk te beperken in de ontwerpfase van het product, door het informeren van de gebruiker over resterende risico's en door post-market surveillance procedures te volgen. Met name voor 'over-the-counter' medische hulpmiddelen, een snel groeiend marktsegment, is informatie voor de (ongeoefende) gebruiker belangrijk. Aan toepassing door ongeoefende gebruikers en aan mogelijke gebruiksfouten werd vaak geen aandacht besteed in de risicoanalyses en onvoldoende in de gebruikersinformatie. Bovendien was de samenhang tussen de onderwerpen in de risicoanalyses en de gebruikersinformatie matig. In de gebruikersinformatie werden meer resterende risico's voor het gebruik van het product beschreven dan in de risicoanalyses. De begrijpelijkheid van de gebruikersinformatie werd vaak verminderd door slechte leesbaarheid en moeilijk taalgebruik. Goede gebruikersinformatie is heel belangrijk voor de veilige toepassing van medische hulpmiddelen voor zelfgebruik, vooral als de te gebruiken hulpmiddelen ingewikkeld en/of relatief nieuw voor de consumentenmarkt zijn. Van 16 producten 8 infrarood thermometers en 8 wondverzorgingsproducten- werd de documentatie opgevraagd. Deze documentatie omvatte de risicoanalyse, de gebruikersinformatie, de post-market surveillance procedure en, indien beschikbaar, de resultaten van studies uitgevoerd met leken. Voor alle producten werden dossiers ontvangen, maar deze documentatie was vaak incompleet, vooral van de thermometers. Het ontbreken van risicoanalyses en post-market surveillance procedures was opmerkelijk, aangezien de documenten belangrijke vereisten zijn in het Besluit medische hulpmiddelen.
    • The risks of environmentally hazardous substances in import containers. State of affairs 2007

      Schols E; Bakker J; Delmaar JE; van Dijk J; van Engelen JGM; Hogendoorn EA; Janssen PJCM; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-23)
      In Nederlandse havens komen per jaar circa 2,5 miljoen containers binnen met goederen uit alle werelddelen. Uit metingen is gebleken dat in deze containers hoge concentraties van vluchtige organische stoffen kunnen voorkomen, als gevolg van het gassen van de containers, of omdat deze vluchtige organische stoffen tijdens het productieproces van de goederen als bestanddeel of oplosmiddel zijn gebruikt. Het ministerie van VROM heeft het RIVM verzocht om inzicht te geven in de risicos die deze gassen in containers kunnen inhouden voor mens en milieu. De opdracht was om deze risicoanalyse te baseren op reeds beschikbare informatie over begassing en stofconcentraties. Het analyseren van de risicos voor de arbeidssituatie was geen onderdeel van deze opdracht. Uit de beoordeling van de gegevens blijkt dat de concentraties van vluchtige organische stoffen in containers zo hoog kunnen zijn dat omstanders bij het openen van containers en bij blootstelling aan deze concentraties, gezondheidseffecten kunnen ondervinden. Ook consumenten kunnen worden blootgesteld als zij de goederen uit gegaste containers gebruiken. Dit kan gebeuren wanneer de producten binnenshuis uitdampen, maar ook bij het consumeren van gegaste voedingsmiddelen en geneesmiddelen. De beschikbare informatie over de concentratie in, en uitdamping uit goederen bleek zeer beperkt en vooral afkomstig uit eerdere onderzoeken van het RIVM aan door VROM aangeboden onderzoeksobjecten. Zo was informatie beschikbaar over de uitdamping van een twintigtal verschillende goederen en de nalevering uit twee matrassen en een paar schoenen. In deze specifieke gevallen verwachtte het RIVM geen risicos boven de grenzen die normaal in het beleid gehanteerd worden. Het is echter niet mogelijk om op grond hiervan risicos in andere gevallen te kwantificeren of uit te sluiten. Daarvoor zijn het aantal mogelijke situaties en de onzekerheden te groot. Vanuit het oogpunt van de effecten op het milieu is vooral methylbromide van belang, omdat deze stof de ozonlaag kan aantasten en er bij het gassen van containers relatief veel van deze stof wordt gebruikt.
    • The risks of environmentally hazardous substances in import containers. State of affairs 2007

      Schols E; Bakker J; Delmaar JE; van Dijk J; van Engelen JGM; Hogendoorn EA; Janssen PJCM; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-04-28)
      Mensen in de directe nabijheid van een net geopende (gegaste) zeecontainer staan mogelijk bloot aan hoge concentraties vluchtige organische stoffen. Blootstelling hieraan kan leiden tot een acuut gezondheidsrisico. Consumenten kunnen met deze stoffen in aanraking komen als deze uitdampen uit goederen die in die containers zijn vervoerd. Het RIVM onderzocht drie van zulke producten: twee matrassen en een paar schoenen. Deze producten zijn geselecteerd omdat de consument bij het gebruik ervan langdurig aan de stoffen wordt blootgesteld. Ondanks deze lange duur treden geen onacceptabele gezondheidsrisico's op. Het RIVM kan niet voor alle situaties gezondheidsrisico's uitsluiten. Het is echter niet mogelijk deze risico's te kwantificeren. Gegevens ontbreken en er bestaan veel blootstellingsroutes. De gevaarlijke stoffen komen op twee manieren in containers en producten terecht. Stoffen als methylbromide en 1,2-dichloorethaan worden gebruikt om goederen en verpakkingshout te ontsmetten. Ze worden voor het transport in de containers ingebracht. Tijdens langdurig transport kunnen ze in de vervoerde producten gaan zitten. Andere stoffen, zoals benzeen en tolueen, worden tijdens het productieproces als bestanddeel of oplosmiddel gebruikt. Als de stoffen in de producten zitten kunnen ze daaruit binnenshuis uitdampen. Voor het verminderen van de blootstelling van burgers ziet het RIVM verschillende opties. Het verminderen van het gebruik van deze middelen is er een. Dit kunnen producenten en importeurs bereiken door meer eisen te stellen aan het gebruik van dergelijke stoffen tijdens productie of voor transport.
    • Risks of granules and treated seeds to birds on arable fields

      de Leeuw J; Gorree M; de Snoo GR; Tamis WLM; van der Poll RJ; Luttik R; ACT; Centrum voor Milieukunde CML Rijksuniversiteit Leiden (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-06-30)
      Voordat een bestrijdingsmiddel op de Nederlandse markt wordt toegelaten, wordt onderzocht in hoeverre het gebruik van de stof risico's kan opleveren voor niet-doelwit organismen. In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek waarin is nagegaan in hoeverre het gebruik van bestrijdingsmiddelen, in de vorm van granulaten of zaaizaadbehandelingsmiddelen, mogelijke risico's met zich meebrengt voor vogels. Als bij toepassing behandelde zaden of granulaten aan het oppervlak van een akker blijven liggen, kunnen ze om twee redenen door vogels worden opgepikt: zaden worden gezien als voedsel of granulaten en gepileerde zaden kunnen worden gezien als potentieel grit (maalsteentjes in de maag die helpen bij de vertering van het voedsel). Voor het bepalen van de risico's van het gebruik van granulaten en zaaizaadbehandelingsmiddelen bestaan bij de risico-evaluatie een aantal kennislacunes. Allereerst is niet bekend wat het gritgebruik is van akkervogels in Nederland en daarnaast is onbekend hoeveel zaden na het zaaien aan het oppervlak blijven liggen. In dit rapport wordt het grit van een aantal akkervogels beschreven, de mate van gelijkenis van grit en granulaten/gepileerd zaad wordt vastgesteld en een schatting van het hieruit resulterende risico wordt gegeven. Daarnaast geeft het rapport de aantallen (percentages) zaden die aan het oppervlak achterblijven na het zaaien van verschillende gewassen, een analyse van de factoren die deze aantallen kunnen beinvloeden en de verwerking hiervan in de risicoschatting.<br>
    • Risks of potential accidents of nuclear power plants in Europe

      Slaper H; Eggink GJ; Blaauboer RO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-12-31)
      Over 200 nuclear power plants for commercial electricity production are presently operational in Europe. The 1986 accident with the nuclear power plant in Chernobyl has shown that severe accidents with a nuclear power plant can lead to a large scale contamination of Europe. This report is focussed on an integrated assessment of probabilistic cancer mortality risks due to possible accidental releases from the European nuclear power plants. For each of the European nuclear power plants the probability of accidental releases per year of operation is combined with the consequences in terms of the excess doses received over a lifetime (70 years). Risk estimates are restricted to cancer mortality and do not include immediate or short term deaths in the direct vicinity (< 5-10 km) of the plants. Countermeasures to reduce radiation doses are not considered. Location specific risks are presented in maps of Europe. The excess mortality risk due to the combined operation of the European nuclear power plants is estimated to be about 10 x 10-8 per year in Western Europe. Going East the risks increase gradually to over 1000 x 10-8 per year in regions of the former Soviet Union, where reactors of the Chernobyl type are located. The nuclear power plants in the East European countries dominate the estimated risk pattern and contribute at least 40-50% to the average risk in the West European countries. Improving the reactor safety in eastern European countries could lead to considerable reductions in estimated excess mortality risks. In western Europe the mortality risk might be reduced by a factor of two, and in eastern Europe by a factor of 100 to 1000.