• Rotated-Random-Scanning: a simple method for set-valued model calibration

      Janssen PHM; Heuberger PSC; CWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      A simple method is proposed for calibrating models in ill-defined and information-poor situations, which are frequently encountered in environmental applications. The method performs an efficient scan of the parameter space, based on Monte Carlo sampling in cobination with rotations. Software has been developed, and related tools have been proposed for sensitivity analysis to reduce the number of parameters to be calibrated. The calibration method is applied for calibrating the parameters of a soil-acidification model.
    • Rotavirus in the Netherlands : Background information for the Health Council

      Verberk JDM; Bruijning-Verhagen P; de Melker H; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-06)
      Het rotavirus kan een maagdarminfectie veroorzaken die veel voorkomt bij jonge kinderen en soms ernstig kan verlopen. Er zijn twee vaccins beschikbaar die beide in druppelvorm via de mond worden toegediend. De Gezondheidsraad gaat de minister van VWS adviseren op welke manier vaccinatie van kinderen tegen het rotavirus oegankelijk wordt. De minister neemt op basis van dit advies een besluit.<br> <br>Om de Gezondheidsraad te ondersteunen heeft het RIVM achtergrondinformatie over het rotavirus bijeengebracht. De informatie betreft onder andere het aantal personen dat er jaarlijks in Nederland ziek door wordt, de effectiviteit en veiligheid van de vaccins, en hoe het publiek denkt over deze vaccinatie.<br> <br>Een door het rotavirus veroorzaakte maagdarminfectie komt veel in de wintermaanden voor, vooral bij kinderen tussen de 6 maanden en 2 jaar. De ziekte gaat gepaard met koorts, braken en hevige, waterdunne diarree. Doorgaans verloopt de ziekte zonder problemen, maar het komt voor dat de ziekte ernstig verloopt. Dit gebeurt vaker bij jonge kinderen, te vroeg geboren kinderen, kinderen met een laag geboortegewicht, of kinderen met aangeboren afwijkingen. De ziekte kan dan uitdrogingsgevaar veroorzaken. In deze gevallen moet een kind in het ziekenhuis worden opgenomen. De uitdroging wordt dan behandeld door via de mond of een infuus vocht toe te dienen. In zeldzame gevallen overlijdt een kind.<br>
    • Rotavirus in the Netherlands : Background information for the Health Council

      Verkerk JDM; Bruijning-Verhagen P; de Melker H; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-06)
      Rotavirus can cause a gastrointestinal infection and is common in young children. There are two vaccines available; both have to be administered via the mouth. The Dutch Health Council will advise the Ministry of Health, Welfare and Sport on how childhood vaccination against rotavirus will be made available. The Minister makes a decision on the basis of this advice. To support the Health Council, the RIVM has put together background information on rotavirus disease. The information includes the number of people in the Netherlands that become ill from rotavirus every year, the effectiveness and safety of rotavirus vaccines, and how the public thinks about rotavirus vaccination. A gastrointestinal infection caused by rotavirus is common during the winter months, particularly in children between six months and two years old. The disease is characterized by fever, vomiting and diarrhoea. Usually, rotavirus disease resolves by itself without problems, but can be severe resulting in dehydration. This happens more often in young children, premature children, children with low birth weight and children with congenital problems. These severe cases may need to be admitted to the hospital. Treatment for dehydration consists of oral or intravenous rehydration. In rare cases, a child dies.
    • Rubberverwerking

      Huizinga K; Verburgh JJ; Matthijsen AJCM (1992-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ruimte en gezondheid, een vanzelfsprekende combinatie? : Een verkenning naar de relatie tussen ruimtelijke ordening en gezondheid vanuit het ruimtelijk, milieu- en volksgezondheidsdomein

      Kruize H; de Bont AWMM; van Dale D; van der Ree J; Wendel-Vos GCW; den Hertog FRJ; IRV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-17)
      Al lange tijd wordt geprobeerd de gezondheid te verbeteren via de inrichting van de leefomgeving. Een tijdje was die aandacht er wat minder, maar hij neemt nu weer toe. Voor een slimme en gezonde ruimtelijke inrichting is een goede samenwerking nodig tussen professionals uit de 'domeinen' van het ruimtelijk ontwerp, het milieu en de volksgezondheid. Uit een verkenning over de relatie tussen deze drie domeinen blijkt dat professionals veel meer van elkaars kennis en kunde kunnen profiteren dan ze nu doen. Door de kennis te bundelen, te delen en te vertalen naar de praktijk, krijgen de domeinen beter inzicht in elkaars achtergrond, drijfveren en belangen. Platforms waarin alle domeinen vertegenwoordigd zijn, zoals het Platform Gezond Ontwerp, kunnen daarbij ondersteunen. Gelijksoortige ontwikkelingen De drie domeinen hebben al lange tijd veel met elkaar gemeen. Zo is bij alle een accentverschuiving te zien van maatregelen die risico's beperken (gezondheidsbescherming) naar maatregelen die mensen aanzetten tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering). Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van een landelijk aangestuurd beleid (top- down) naar een actieve rol van mensen om meer regie op hun gezondheid en leefomgeving te krijgen (bottom-up). Weten wat werkt Verder is het belangrijk te weten welke maatregel of welk beleid 'werkt'. Ondanks de vele praktijkvoorbeelden zijn de effecten van de stedenbouwkundige structuur op gezondheid en welzijn nog maar weinig onderzocht. De drie domeinen blijken bovendien allemaal verschillend naar de effectiviteit van maatregelen en beleid te kijken. Het ruimtelijk domein bijvoorbeeld werkt vooral op basis van ervaringen van de ruimtelijk ontwerper en niet zozeer op basis van 'bewezen effectiviteit' (evidence-based). In de volksgezondheid staat vaak juist de evidencebased benadering centraal. Inzicht in de effectiviteit van maatregelen kan worden vergroot door inzichten hierover uit de drie domeinen bij elkaar te brengen en het effect van ruimtelijke ingrepen als standaard onderdeel van het proces te evalueren. Onder andere het beoordelingssysteem voor de kwaliteit en effectiviteit van leefstijlinterventies van het Centrum voor Gezond Leven (CGL) en partners kan daarbij helpen. De verkenning is uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met TU Eindhoven voor het Planbureau van de Leefomgeving.
    • Ruimte voor landelijk wonen

      Bosten JWEL; Crommentuijn LEM; Verhorst J; Dimensus; Dimensus; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-24)
      Space for housing on the countryside is the title of this report. This report summarizes several definitions for "countryside", local housing need and future need of land use for dwellings, based on literature and expert judgment. Given some of these definitions, the implications for the countryside have been analyzed. How many dwellings are needed in order to meet local housing need? How much land is needed for these dwellings? What sort of dwellings are needed? These are some of the questions which have been addressed in this report. The countryside can be describes in terms of sentiment. What do people think with regard to countryside, what can be labeled as countryside, what sort of scenery, etc. Furthermore, the countryside can also be described statistically. The number of houses per acre, the type of villages, the number of inhabitants per village, and the way the scenery is perceived, and related characteristics are used to define the countryside. It is very much dependent on the scope of studies and research, what sort of operationalization is used. In this study various definitions will be discussed.Definitions for local housing need also vary, depending the scope of study. In time, the definition has shifted from the number of dwellings needed in one village to accomodate the local population, to the spatial level of municipality, or even several adjacent municipalities. In this latter definition, these municipalities are considered to reflect a regional housing market. These definitions are indicators for what spatial level has to be considered for "local". Furthermore, it has to be considered what "local housing need" really constitutes in terms of what people have to be comprised in the calculations. Generally, operationalizations in forecasts use some sort of compensation of the number of out-migrating persons. Different types of dwellings demand various amounts of acreage. Mansions demand more acreage than multistorey dwellings. Therefore, the qualitative housing demand can give an approximation of the land use demand.
    • Ruimte voor landelijk wonen

      Bosten JWEL; Crommentuijn LEM; Verhorst J; Dimensus; RIM (Dimensus, 2003-07-24)
      Het rapport geeft een verkennende analyse naar de mogelijke effecten van het toestaan van extra woningbouw in het landelijke gebied. In het rapport wordt aandacht besteed aan verschillende definities van platteland, lokale woningbehoefte en ruimtebeslag. Daarnaast wordt een kwantitatieve doorrekening gepresenteerd. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van enkele gemeenten uit de regio Stedendriehoek in Gelderland. De resultaten van het onderzoek illustreren de onzekerheid omtrent de definities van platteland en lokale woningbehoefte. In het onderzoek wordt een voorbeeld voor definiering uitgewerkt. Deze wordt geillustreerd met resultaten van een door Dimensus gehouden woningbehoefteonderzoek. Hieruit komt naar voren dat de lokale behoefte voor een groot deel bestaat uit huur- en meergezinswoningen. Qua ruimtebeslag betekent dit een betrekkelijk geringe vraag naar ruimte. Deze resultaten zijn weliswaar gebaseerd op een casestudy, de vraag rijst of de lokale woningbehoefte van andere landelijke gebieden op een zelfde manier zal uitpakken?
    • Het ruimtebeslag van Nederlanders, 1995-2030. Achtergronddocument bij de MV5

      Elzenga JG; Ros JPM; Bouwman AF; LAE (2001-04-12)
      In dit achtergronddocument wordt beschreven hoe aan de mogelijke ontwikkelingen van het ruimtebeslag van Nederlanders invulling is gegeven in het licht van de milieutoekomstverkenningen onder de scenario's European Co-ordination (EC) en Global Competition (GC). Voor het basisjaar 1995 is de rekenmethode gevolgd zoals die ook is toegepast bij de Milieubalans 98 en 99. Voor de belangrijkste producten zijn consumptiescenario's gebruikt of geconstrueerd. Daarnaast zijn er technische ontwikkelingen in de productieketens, zowel in binnen- als buitenland verondersteld, met name voor de landbouwproductiviteit. De belangrijkste conclusies op basis van de resultaten van de in dit rapport beschreven analyse van het mondiale ruimtebeslag door Nederlanders zijn als volgt: 1) In beide scenario's is tussen 1995 en 2030 een lichte toename in het ruimtebeslag te verwachten van circa 10,7 naar 12,3 miljoen ha in het EC scenario en van 10,7 naar 13,2 miljoen ha in het GC scenario. Deze stijging ligt geheel in het buitenland. 2) De stijging wordt vooral veroorzaakt door toenemende vraag naar hout, waarbij geen productiviteitsstijgingen zijn verondersteld in de natuurlijke systemen, die daarvoor de bron zijn. 3) In het EC-scenario is er sprake van enigszins milieuvriendelijker consumptiegedrag op het aspect ruimtebeslag, dit in tegenstelling tot het GC-scenario. 4) De winst door productiviteitsontwikkeling in de landbouw is redelijk in balans met de extra vraag naar landbouwproducten.
    • De Ruimteclaims en ruimtelijke ontwikkelingen in de zoekgebieden voor de toekomstige nationale luchtvaartinfrastructuur (TNLI). Quick scan met Ruimtescanner

      Velde RJ van de; Schotten CGJ; Waals JFM van der; Boersma WT; Oude Munnik JM; Ransijn M; LBG; VU; Geodan; UU (1997-12-31)
      De keuze van een vestigingsplaats voor een nieuwe nationale luchthaven vraagt om een analyse van de effecten van deze aanleg op het ruimtegebruik in de regio. Dit rapport beschrijft hoe het geografisch informatiesysteem De Ruimtescanner dit simuleert op basis van databestanden van het huidige gebruik en aannames over veranderingen van ruimteclaims en attractiviteit onder invloed van de luchthaven. De Ruimtescanner berekent de ruimte die toekomstige woon- en werkgebieden opeisen op basis van onder meer de schatting van de toename van het aantal (in)directe arbeidsplaatsen, de ruimte die deze arbeidsplaatsen vragen en beoordeling van de aantrekkelijkheid van de regio voor wonen en werken die onder andere door de geluidsbelasting verandert. Uitgaande van deze aannames simuleert Ruimtescanner het ruimtegebruik in de diverse regio's na aanleg van de luchthaven en -ter vergelijking- volgens het European Coordination scenario. Deze kaarten geven een eerste indruk van het effect van de aanleg en laten zien waar dit conflicteert met het huidige beleid en de criteria aangebracht door de begeleidingscommissie.
    • Een ruimtelijke analyse van het verband tussen atmosferisch zwavel-depositie en de concentratie van sulfaat in het grondwater

      Dekkers ALM; Barendregt LG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-03-31)
      This report describes a study on the analysis of environmental data from several environmental compartments. Environmental quality of groundwater, rainwater and air is considered in the study. The main issue is to determine if there is a relationship between sulpher (S) deposition and the concentration of sulfate in the groundwater at a depth of 10 m below ground level 10 years after the deposition. First, the data will be described, followed by an exploratory data analysis. To eliminate the strong suspected influence of human intervention, the study will be further restricted to an analysis at the groundwater stations in nature reserves. Since the air and the rainwater measurements are not taken at the same places as the groundwater measurements, one has to make good predictions of the S depositions at the groundwater stations. The spatial interpolation method Kriging is very suitable for examining the relationship of interest here. The relationship proves to be significant. The statistical data analysis carried out in this report also gives some unexpected and striking information about the quality of the measurements. For instance, it was found that in 1991 some of the groundwater measurements were analyzed in a different way with respect to the years previous. The statistical analysis described in this report serves as an example of spatial statistics, useful for (re)optimalization and integration of environmental data from different compartments.<br>
    • Ruimtelijke Beelden. Visualisatie van een veranderd Nederland in 2030

      Borsboom-van Beurden JAM; Boersma WT; Bouwman AA; Crommentuijn LEM; Dekkers JEC; Koomen E; VU Amsterdam; MNP; VU-spinlab (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-17)
      A spatial elaboration of scenarios developed for the Sustainability Outlook shows that both the rural and the urban physical environment will change thoroughly during the next decades. Increased land use by housing, employment and leisure will contribute to further urbanisation, especially in the centre of the Netherlands. This will result in deterioration of nature areas and valuable landscapes, depending upon the degree of government protection assumed in a scenario. Further scale enlargement and capital-intensification of the mode of production in agriculture may also threaten valuable landscapes. Besides, fairly large areas of arable farming will be superseded by cattle breeding. Finally it appears that spatial measures of water management can pose many restrictions to new urbanisation locations as well as agriculture. A land use model has been used for this elaboration. The spatial impressions in the form of maps and illustrations show the range of possible futures. This information can support political and societal debates about priorities in policy goals on urbanisation, nature development and conservation, water management and landscape values.
    • Ruimtelijke Beelden. Visualisatie van een veranderd Nederland in 2030

      Borsboom-van Beurden JAM; Boersma WT; Bouwman AA; Crommentuijn LEM; Dekkers JEC; Koomen E; MNP; VU-spinlab (VU Amsterdam, 2005-01-17)
      De ruimtelijke uitwerking van vier wereldbeelden uit de Duurzaamheidsverkenning laat zien dat zowel het stedelijke als het landelijk gezicht van Nederland de komende decennia sterk zal veranderen. De ruimtevraag van wonen, werken en recreeren zorgt voor een verdere verstedelijking, vooral in Midden-Nederland. Afhankelijk van de mate van overheidsbescherming geeft dit een grote druk op en waarschijnlijk aantasting van de natuur- en landschapswaarden. Verdere schaalvergroting en toename van kapitaalsintensieve vormen van landbouw zorgen ook voor een verdere aantasting van landschapswaarden. Als problemen op het gebied van waterberging en wateroverlast opgelost worden door ruimtelijke maatregelen zal dit grote beperkingen opleggen aan zowel de nieuwe verstedelijkingslocaties als aan de landbouw.De ruimtelijke kaartbeelden als illustraties geven een brede reeks van waarschijnlijke toekomstbeelden. Deze variatie in toekomstbeelden kunnen de input vormen voor een maatschappelijke en politieke discussie over de prioritering van beleidsdoelen, zowel nationaal als Europees, ten aanzien van verstedelijking, natuurbehoud en -realisatie, waterbeheer en landschappelijk waarden.
    • Ruimtelijke en financiële determinanten van sporten, bewegen en sedentair gedrag : Verkenning van de literatuur en cijfers uit twee Nederlandse studies

      Milder I; Cloostermans L; van den Dool R; Preller L; Wendel-Vos GCW; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMMulierInstituutNISB, 2013-08-16)
      Ruimtelijke factoren (determinanten) die samenhangen met sporten en bewegen bij volwassenen en ouderen zijn o.a. de aanwezigheid van parken en/of recreatieve voorzieningen in de buurt, goede voetgangersinfrastructuur en een aantrekkelijke buurt. Bij kinderen en adolescenten lijken, naast de aanwezigheid van formele en informele speelvoorzieningen, ook de aanwezigheid van groen of water, de verkeersveiligheid en verscheidenheid in routes van belang. Er is nog niet veel bekend over financiële determinanten van sporten en bewegen. Bij volwassenen en ouderen hangt een lage sociaaleconomische status samen met minder lichamelijke activiteit, sporten en recreatief wandelen. Voor sedentair gedrag (alle laag intensieve activiteiten die zittend of liggend worden uitgevoerd, zoals computeren en tv kijken) zijn deze determinanten nog weinig onderzocht. Dit blijkt uit een verkenning van de internationale literatuur door het RIVM. Deze kennis kan worden gebruikt voor het vormgeven van beleid om bewegen te stimuleren.<br> <br>Financiële factoren vaker een belemmering dan ruimtelijke factoren<br>In samenwerking met het W.J.H. Mulier Instituut en het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) is in twee Nederlandse studies (SportersMonitor 2011 en NL de maat 2009/2010) bekeken hoe vaak een aantal omgevingskenmerken en kosten als belemmering om te sporten en bewegen worden ervaren. Kosten vormen vaker een belemmering dan omgevingskenmerken. Dit is het geval in alle leeftijdsgroepen. Kosten zijn een belemmering voor 11% van de kinderen, 17% van de adolescenten, 13-17% van de volwassenen en 7-8% van de ouderen. Ruimtelijke factoren zijn minder vaak een belemmering (maximaal 8%). Hierbij dient echter in ogenschouw te worden gehouden dat slechts een beperkt aantal potentiële belemmeringen is geïnventariseerd. Er waren geen grote verschillen in belemmeringen tussen sporters en niet-sporters en mensen met en zonder chronische aandoening(en).<br>
    • Ruimtelijke en mobiliteitsreacties van werkenden op bedrijfsverplaatsingen. Resultaten van empirisch onderzoek

      Wee GP van; MTV (1995-11-30)
      Het rapport beschrijft een onderzoek naar de reacties van werkenden op de verplaatsing van een bedrijf over circa 20 km. Ruim de helft van de werkenden is 4,5 jaar na de bedrijfsverplaatsing niet van werkgever veranderd en niet verhuisd. De overige werkenden zijn verhuisd en/of van werkgever veranderd of gestopt met werken. De wijze waarop werkenden reageren op een bedrijfsverplaatsing hangt samen met diverse persoons- en huishoudensgebonden kenmerken (zoals leeftijd en huishoudensgrootte), en met kenmerken van het verkeers- en vervoersysteem (zoals afstanden en reistijden tussen diverse woon- en werklocaties). Er worden in Nederland periodiek ruimtelijke inrichtingsvarianten voor (een deel van) Nederland opgesteld, met als doel de mobiliteitsconsequenties ervan vast te stellen. Indien in dergelijke studies wordt verondersteld wordt dat bedrijven worden verplaatst, dient expliciet rekening te worden gehouden met de reacties van werkenden op de bedrijfsverplaatsingen.
    • Ruimtelijke gegevensbestanden. Een overzicht van ruimtelijke informatie in gebruik bij milieulaboratoria van het RIVM

      Beurden AUCJ van; Velde RJ van de (eds); Bekhuis FHWM; Kunst JD; Schaap AJ (1992-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ruimtelijke interpolatie van NO- en NO2-concentraties en windsnelheden in Nederland voor 1992

      Dekkers ALM; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-10-31)
      De ruimtelijke verdeling van NO- en NO2-concentraties wordt verkregen door ruimtelijke interpolatie van de jaargemiddelden van concentraties gemeten op een beperkt aantal meetstations. Na een methodologische inleiding over medianpolish, medianpolish kriging en het simuleren van ruimtelijk afhankelijke velden, worden deze interpolatie-technieken op jaargemiddelde NO- en NO2-concentraties en op jaargemiddelde windsnelheden uit 1992 over Nederland toegepast. Enkele kentallen van de voorspelde concentraties en van de bijbehorende interne betrouwbaarheidsfactoren beschrijven de interpolatie resultaten. Tevens worden deze resultaten geografisch weergegeven op een 5x5 km rooster. Met cross-validatie wordt een benadering van de externe betrouwbaarheid van de median-polish kriging verkregen. Tenslotte worden de resultaten van de median-polish kriging voor de NO- en NO2-concentraties vergeleken met de resultaten van de tot nu toe gebruikte "afstandsinterpolatie".<br>
    • Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging

      Dekkers ALM; Buijsman E; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-28)
      Two proposals are made in RIVM report 723101033 called (in Dutch) "Een nieuwe meetstrategie voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit" for redefining the measurement strategy of the Dutch National Air Quality Monitoring Network. One of the options concerns the use of universal kriging, a spatial statistical method for linear interpolation, to produce a monitoring network comprising approximately eight sites for measuring sulphate and nitrate. The spatial statistical models for each compound enable an objective spatial translation of the measurements at the resulting monitoring stations into deposition fields. The underlying report gives the mathematical and methodological background for this approach, describing the results of a pilot study for wet sulphate, nitrate and ammonia deposition in the Netherlands. The precipitation measurements of the Dutch National Air Quality Monitoring Network and the meteorological measurements of the Royal Dutch Meteorological Institute functioned as the basic data. Spatial behaviour was studied for each compound; spatial models were estimated for sulphate and nitrate for several years. Next, a more general spatial model was described for each of the two compounds, which will allow almost automatic prediction of the deposition fields in future. However, it will be impossible to construct these spatial statistical models if the Dutch National Air Quality Monitoring Network for precipitation is reduced from 15 to 8 locations. The spatial density of the 15 locations of the Dutch National Air Quality Monitoring Network for precipitation has already been found too small to describe the spatial correlation of ammonia. A spin-off of the pilot study is an S-PLUS tool for comparing maps containing the results of different spatial models of different configurations of the network. The comparisons can be made interactively in a few minutes. The S-PLUS tool can be seen as a small decision-support system for finding the optimal configuration of the network for sulphate and nitrate.
    • Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging

      Dekkers ALM; Buijsman E; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-28)
      Dit rapport is het achtergronddocument bij RIVM rapport 723101033 'Een nieuwe meetstrategie voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit', waarin nieuwe meetstrategieen worden voorgesteld voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Een van de opties betreft het gebruik van Universal Kriging, een geostatistische techniek voor lineaire interpolatie van metingen. Het huidige rapport beschrijft de mathematische en methodologische onderbouwing van de benadering, aan de hand van de resultaten van een pilotstudie voor natte sulfaat, nitraat en ammonuim deposities in Nederland. Bij dit onderzoek vormen de meetresultaten uit het LML en neerslaggegevens uit het KNMI meetnet het basismateriaal. Het onderzoek heeft geleid tot twee afzonderlijke ruimtelijke modellen: 1 voor sulfaat en 1 voor nitraat, waarbij is gebleken dat bij een terugbrengen van 15 tot 8 meetpunten deze ruimtelijke modellen in de toekomst niet meer zijn af te leiden door de te geringe dichtheid van het geoptimaliseerde meetnet. Tevens blijkt dat het huidige meetnet van 15 meetpunten een te geringe dichtheid heeft om het ruimtelijk gedrag van ammonium te kunnen beschrijven met een ruimtelijk lineair interpolatie model dat alleen op meetgegevens is gebaseerd. Het onderzoek heeft verder geresulteerd in een eenvoudige methode om kaarten met elkaar te vergelijken. Deze methode is in een S-PLUS programma geimplementeerd zodat op basis van de twee afgeleide modellen direct de invloed op de natte deposities voor sulfaat en nitraat van een nieuwe meetnetconfiguratie van het LML kan worden doorgerekend.<br>
    • Ruimtelijke variatie chemische samenstelling grondwater in de grensstreek Nederland-Belgie (oostelijk grensgebied)

      Mulschlegel JHC; Prins HF; Kusse AAM (1989-04-30)
      Het project had als doel het operationeel maken en uittesten van programma's en het zonodig ontwikkelen van (aanvullende) computerprogrammatuur om stroombanen, intrekgebieden en gemiddelde transporttijden te bepalen en de ontwikkeling van de grondwaterkwaliteit in ruimte en tijd, in het bijzonder voor het oostelijk deel van de rijksgrens met Belgie. Eind 1987 is het project door de opdrachtgever gestopt i.v.m. gewijzigde prioriteitsstelling in het totale onderzoeksprogramma. In het rapport wordt ingegaan op de parameter pH, nitraat, nitriet en chloride. Als regionaal beeld komt naar voren een trendmatige daling van de pH-waarde in de periode na 1970. Het chloride-gehalte om diepten groter dan 50 meter is veelal kleiner dan 30 mg Cl-/liter. Tot op een diepte van 50 meter komen in een aantal deelgebieden waarden voor boven de 100 mg Cl-/liter. Aan de hand van de nitraat-beelden in het horizontale vlak lijken de waarden streekgebonden.
    • Ruimtelijke variatie van de chemische samenstelling van het grondwater in westelijk Noord-Brabant

      Mulschlegel; J. (1984-11-30)
      In een beperkt grondwaterkwaliteitsonderzoek in het zuidelijk deel van west Noord-Brabant werden in 1983 een honderdtal grondwatermonsters genomen. De monsters zijn op een groot aantal macroparameters geanalyseerd en tevens werd een deel ook op spoorelementen onderzocht. Ook kon gebruik worden gemaakt van recente analyseresultaten van derden. In het onderzoek zijn de analyseresultaten op een aantal manieren bewerkt. Er is gekeken naar relaties tussen gehalten en diepteligging van bemonstering, naar de ruimtelijke verdeling van gehalten van parameters per watervoerend pakket en naar een kwaliteitsbeeld per parameter in een aantal verticale profielen. Uit de gepresenteerde waarden valt op te maken dat bij diverse parameters de strengste toetsingscriteria t.a.v. bodemverontreinigingen worden overschreden. In het bijzonder geldt dit voor de parameters zink (tot ca. 25 m beneden maaiveld), lood en arseen (op grotere diepten) en totaal fosfaat (gehele profiel).