• Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Voedselveiligheid

      Boon, PE; van Donkersgoed, G; van der Vossen, W; Sam, M; Noordam, MY; van der Schee, H (r, 2019-06-21)
      De Nederlandse overheid wil dat het aantal groente- en fruitproducten op de Nederlandse markt waar te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen op zitten, laag blijft. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit tussen 2013 en 2017 is gebeurd. Meer dan 95 procent van de producten bevatten concentraties die lager zijn dan wat wettelijk is toegestaan. Producten uit landen buiten Europa, zoals gojibessen, overschrijden steeds minder vaak de norm, maar deze ontwikkeling is nog niet stabiel. Aandacht voor lagere concentraties in deze producten blijft nodig. Het lage percentage producten waarop te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zitten, laat zien dat tuinders zorgvuldig met deze middelen omgaan. Bovendien worden producten die van buiten de EU komen extra gecontroleerd. Ook stellen supermarkten sinds het begin van deze eeuw strengere eisen aan de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit dan de norm. In welke mate deze maatregel invloed heeft gehad, viel buiten het bestek van dit onderzoek. Verder is de berichtgeving over resten van gewasbeschermingsmiddelen richting het publiek sinds 2010 aangepast. Het Voedingscentrum en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verspreiden sindsdien actief informatie over resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel en zijn een aanspreekpunt voor vragen. Wel blijven mensen zich zorgen maken over de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen waar deze zorg vandaan komt en hoe deze zorg zou kunnen worden verminderd.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Milieu

      Verschoor, A; Zwartkruis, J; Hoogsteen, M; Scheepmaker, J; de Jong, F; van der Knaap, Y; Leendertse, P; Boeke, S; Vijftigschild, R; Kruijne, R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-21)
      De normen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater worden nog te vaak overschreden. Het tussentijdse doel dat de normen in 2018 vijftig procent minder vaak worden overschreden dan in 2013, is daardoor niet gehaald. Dit doel is een onderdeel van het kabinetsbeleid om de landbouw duurzamer te maken. Het is echter onduidelijk hoe vaak en voor hoeveel stoffen de normen precies worden overschreden. De schadelijkste gewasbeschermingsmiddelen kunnen namelijk niet nauwkeurig genoeg worden gemeten. De waterschappen hebben gemeten of ruim 200 verschillende gewasbeschermingsmiddelen voorkomen in oppervlaktewateren bij landbouwpercelen. Ten minste tweederde van de meetpunten voldoet niet aan de waterkwaliteitsnormen. Volgens berekeningen veroorzaken slechts 4 stoffen 90 procent van de effecten in het oppervlaktewater. Juist deze stoffen zijn moeilijk meetbaar. Daarom beveelt het RIVM aan de monitoring van de waterkwaliteit te verbeteren. Ook blijken de normen voor de beoordeling of stoffen op de markt mogen worden toegelaten, soms minder streng te zijn dan de normen voor de waterkwaliteit, die gelden als de stof eenmaal op de markt is. Aanbevolen wordt deze normen beter op elkaar af te stemmen. Voor 5 gewassen is berekend dat de waterkwaliteit tot ruim 50 procent kan verbeteren door zogeheten geïntegreerde gewasbescherming. Bij deze werkwijze is chemische bestrijding een laatste stap, als andere manieren van plaagbestrijding niet werken. Eerst moeten preventieve maatregelen worden genomen die de landbouw minder kwetsbaar maken voor grote plagen, zoals de aanleg van bloemrijke akkerranden en meer variëren in de teelt van in landbouwgewassen. Het beleid heeft ook doelen voor grondwater en biodiversiteit opgesteld, al zijn die minder concreet. Volgens berekeningen zijn de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater gemiddeld 6 procent lager geworden. Om te kunnen aangeven hoe de concentraties zich ontwikkelen, wordt de provincies aanbevolen het grondwater langere tijd te meten en de metingen beter op elkaar af te stemmen. Om te zien of de ingezette beleidsmaatregelen helpen om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, zou de biodiversiteit in Nederland langere tijd moeten worden gevolgd.
    • Tussenrapportage over fase 1 en 2 van het vervolgonderzoek naar Ra-226 in havenspeciepoldergronden

      Stoop P; Pennders RMJ; Lembrechts JFMM; LSO (1994-08-31)
      De ook in Nederland belangrijk toegenomen aandacht voor de risico's van radon (met name Rn-222)in het binnenhuismilieu waren voor VROM aanleiding een onderzoek te laten doen naar de relatie tussen de radonconcentratie in woningen en het gehalte aan radium (Ra-226)in de bodem waarop deze staan. Dit onderzoek zou zich niet alleen moeten richten op natuurlijke bodems maar ook op een aantal niet-natuurlijke. De bodems die ontstaan zijn door het ophogen van poldergronden met havenspecie uit de Rotterdamse havens vormen een voorbeeld van een niet-natuurlijk bodemtype met een radiumgehalte dat in sommige gevallen significant hoger is dan dat van de meeste natuurlijke bodems. Dit rapport beschrijft de eerste twee fasen van het vervolgonderzoek naar radiumgehalten in havenspeciepoldergronden. Analyse van het radiumgehalte en een aantal bodemkarakteristieken van 30 havenspeciepoldergronden leert dat: (1) op de meeste lokaties hogere radiumgehaltes voorkomen dan verwacht op basis van de natuurlijke situatie, (2) het hoogste gemiddelde radiumgehalte ongeveer vier maal het landelijke gemiddelde is (3) het radiumoverschot gerelateerd is aan de verontreiniging met cadmium en (4) de onderzochte polders waarop woningen zijn gebouwd gemiddelde radiumgehalten bevatten die naar verwachting te klein zijn om in een beperkte steekproef verschillen aan te tonen tussen de gemiddelde radonconcentratie in deze woningen en die in soortgelijke woningen op terreinen zonder radiumoverschot. Het rapport eindigt met conclusies en aanbevelingen voor fasen 3 en 4 van dit vervolgonderzoek.
    • Tweede voortgangsrapport Landelijk Meetnet voor Radioactiviteit

      Leijen CATM; Smetsers RCGM; Westerlaak PJM van; Lunenburg APPA van; Aldenkamp FJ (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Twelfth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2007) on typing of Salmonella spp.

      Berk PA; Maas HME; de Pinna E; Mooijman KA; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-23)
      De Nationale Referentie Laboratoria van de 25 Europese lidstaten scoorden dit jaar goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella. Sinds 1992 zijn deze laboratoria verplicht deel te nemen aan deze kwaliteitstoets, het zogeheten ringonderzoek voor de typering van Salmonella. Zes laboratoria hadden een herkansing nodig. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat Salmonella afkomstig uit monsters van levensmiddelen of dieren aantoont en typeert. Jaarlijks wordt gecontroleerd of de laboratoria hun werk goed uitvoeren. De laboratoria krijgen hiertoe twintig stammen Salmonella opgestuurd waarvan zij de juiste naam moeten achterhalen. Naast de NRL's doen de zogeheten Enter-Net laboratoria (ENL's) mee aan de ringonderzoeken. Zij analyseren vooral monsters afkomstig van mensen. De NRL's wisten 95 procent van de stammen de juiste naam te geven. De ENL's konden dit van 91 procent van de stammen. Enkele NRL's en ENL's zijn bovendien op hun expertise getoetst om een subtypering van soorten Salmonella te maken. Ze kregen tien stammen voorgelegd van twee soorten, te weten Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. De NRL's hebben 98 procent van de S. Enteritidis-stammen goed getypeerd, de ENL's 89 procent. Iets lastiger was de typering van de S. Typhimurium-stammen. De NRLs konden dit bij 91 procent van de stammen. De ENL's voor 89 procent. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRL-Salmonella). De CRL-Salmonella is ondergebracht bij het RIVM. De organisatie van dit ringonderzoek wordt ondersteund door de Health Protection Agency (HPA) in Londen.
    • The twelfth CRL-Salmonella workshop, 7 and 8 May 2007, Bilthoven, the Netherlands

      Mooijman KA; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-23)
      Op 7 en 8 mei 2007 organiseerde het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella een succesvolle bijeenkomst voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella van alle Europese lidstaten. De bijeenkomst vond plaats in Bilthoven, Nederland. De workshop werd alweer voor het twaalfde jaar georganiseerd. Van ieder NRL was (minimaal) een deelnemer aanwezig. Verder waren er ook enkele gastsprekers aanwezig. In totaal namen 47 mensen deel aan de tweedaagse workshop. Het belangrijkste doel van de workshop was om de NRL's te informeren over de activiteiten van het CRL-Salmonella. Hiertoe werden door medewerkers van het CRL-Salmonella presentaties gegeven over de resultaten van de rondzendoefeningen (ringonderzoeken) waar de NRL's aan hadden deelgenomen. Ook werden de plannen voor het komende jaar besproken.Naast de activiteiten van het CRL, werden ook over diverse andere onderwerpen gediscussieerd. De volgende onderwerpen kwamen aan bod: zoonosen in Europa, WHO Global Salm-Surv programma, Salmonella Dublin in rundvee, Salmonella Typhimurium in kaas, onderzoek van de omgeving bij uitbraken, gebruik van serologische methoden voor het aantonen van Salmonella in varkens en pluimvee. De twee nieuwe Europese lidstaten, Roemenie en Bulgarije, waren voor het eerst aanwezig bij de workshop. De deelnemers van de NRL's uit deze landen vertelden kort iets over de activiteiten van hun instituten. Ook het NRL van de Voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonie was voor het eerst aanwezig en gaf een korte presentatie.
    • Two field trials concerning the competitive exclusion of salmonellas and Campylobacter jejuni from chickens using a defined mixture of bacterial isolates

      Oosterom; J.; Mead; G.C.*; Impey; C.S.*; Voeten; A.*; Notermans; S.H.W. (1984-11-30)
      Het rapport beschrijft twee veldproeven waarin de beschermende werking van intestinale flora bij slachtkuikens tegen kolonisatie met Salmonella en C.jejuni werd onderzocht. De proeven werden uitgevoerd op een mestbedrijf met twee identieke kuikenhokken. Eendagskuikens in het ene hok kregen met het drinkwater beschermende flora toegediend, terwijl de kuikens in het andere hok niet werden behandeld. De intestinale flora bleek geen effect te hebben op de kolonisatie met C.jejuni. Met betrekking tot de Salmonella-kolonisatie konden geen conclusies worden getrokken omdat in beide proeven de eendagskuikens reeds met Salmonella waren besmet. In de eerste proef verdween deze besmetting spoedig, doch in de tweede proef handhaafde de Salmonella- besmetting zich tot het einde van de mestperiode. Er kon worden aangetoond dat de toegediende flora geen nadelige effecten op gezondheid of groei van de dieren opleverde.
    • Two stage per-O-methylation: a tool for structure elucidation of saccharide moieties

      Setten DC van; Werken G van de; LOC (1994-04-30)
      Dit rapport beschrijft tweetraps per-O-methylering (2-spOMe), een methode voor de structuuropheldering van koolhydraten en geglycosyleerde verbindingen. 2-spOMe is een uitbreiding van conventioneel monomeriseren: het monomeriseren wordt vooraf gegaan door per-O-methylering en gevolgd door per-O-deuteromethylering. Op deze manier worden vrije hydroxylgroepen gederivatiseerd tot methylethers en hydroxylgroepen van bindingsposities tot deuteromethylethers. De zo gevormde monomeren kunnen worden geidentificeerd met behulp van gaschromatografie. Het oorspronkelijke aantal bindingen per monomeer kan worden afgeleid uit het molecuulgewicht, dat werd bepaald met behulp van positieve ionen ammoniak chemische ionisatie massaspectrometrie. De methode werd succesvol getest met stachyose als testverbinding.
    • A Two-Mutation Model of Carcinogenesis: Application to Ra-226 Induced Osteosarcoma Prevalence in Beagles

      Venema LB; Leenhouts HP; LSO (1994-12-31)
      Dit rapport is een aanvulling op het RIVM-rapport (nr. 749251001) van Leenhouts en Chadwick en is bedoeld als achtergrond-document voor het twee-mutatie-carcinogenese model en voor zijn implementatie. Het twee-mutatie-carcinogenese model is gebaseerd op een gemodificeerd twee-stappen model van Moolgavkar en Knudson in combinatie met een moleculair model dat cellulaire stralingseffecten beschrijft. In de eerste hoofdstukken van dit rapport worden het model en zijn implementatie beschreven. Het door Leenhouts en Chadwick beschreven twee-mutatie-carcinogenese model is een beetje gemodificeerd en de wiskundige onderbouwing en beperkingen van het model worden besproken. Verder zijn er optimalisatie-procedures aan de implementatie toegevoegd waarmee de modelparameters bepaald kunnen worden om de modelresultaten aan te passen aan epidemiologische of experimentele gegevens. Aan het eind van dit rapport wordt het model geillustreerd door het model toe te passen op het vormen van osteosarcoma's in honden (beagles) die geinjecteerd zijn met Ra-226. Het model kan zowel de leeftijds- als dosisafhankelijkheid van de osteosarcoma-genese goed reproduceren. In tegenstelling tot de aanname dat de dosis-respons relatie voor alfa-straling lineair is, voorspelt het model een niet-lineaire dosis-respons relatie voor de osteosarcoma-genese in beagles die geinjecteerd zijn met verschillende hoeveelheden Ra-226. Het model gaat er hierbij wel vanuit dat op cellulair niveau het aantal mutaties lineair gerelateerd is aan de door alfa-straling toegediende dosis. Verder blijkt uit het model dat de spontane incidentie van osteosarcoma's in beagles een grote invloed heeft op de dosis-respons relatie en dat een verandering in het dosisprofiel ook direct tot een andere dosis-respons relatie kan leiden. Deze invloeden worden momenteel niet meegenomen in de bepaling van stralingsrisico's.
    • A two-mutation model of carcinogenesis; application to lung tumours using rat experimental data

      Harris MD; Leenhouts HP; Uijt de Haag PAM; LSO (1998-01-31)
      Een twee-staps carcinogenese model werd beschouwd om de ontwikkeling van longtumoren veroorzaakt door radon en uraniumertsstof te beschrijven. Een tumor werd verondersteld via twee mutaties te ontstaan, een van een normale cel naar een intermediaire cel, en een van een intermediaire cel naar een kwaadaardige cel. De snelheid van de stappen is afhankelijk van de mate van blootstelling aan radon en uraniumstof. Ook werd er verondersteld dat een intermediaire cel zichzelf vermenigvuldigt naar twee intermediaire cellen met een snelheid die afhankelijk is van de radon en uranium concentraties. Een aantal verschillende biologisch realistische mogelijkheden van deze afhankelijkheden werd beschouwd. Ook werd de link tussen de aanwezigheid van tumoren en het overlijden van een dier onderzocht. Tumoren kunnen als incidenteel, als fataal, of soms als incidenteel en soms als fataal worden behandeld. De invloed van deze mogelijke keuzes is hier onderzocht. Tenslotte werd er een vergelijking gemaakt tussen een veelgebruikte benadering en de exacte oplossing van dit model. Voor de tumorontwikkeling in de onderzochte ratten bleek dat de snelheid van de intermediaire-malignant mutatie onafhankelijk van de radonconcentratie was. Ook bleek dat de groei van de intermediaire cellen groter werd bij grotere radonconcentraties. Tenslotte is gevonden dat verschillende waarden van de modelparameters de data even goed kunnen beschrijven maar verschillende risicoschattingen geven in andere dan de onderzochte stralingsomstandigheden.
    • A two-mutation model of carcinogenesis; application to lung tumours using rat experimental data

      Harris MD; Leenhouts HP; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-01-31)
      In this report a two stage carcinogenesis model is used to describe the development of lung tumours in rats exposed to radon and uranium ore dust. A tumour was taken to develop in two mutations steps, one from a normal cell to an intermediate cell, and one from an intermediate cell to a tumourous cell. The rates of these steps were influenced by radon and uranium dust exposure levels. Furthermore, the intermediate cell population experienced a net growth whose rate was also dependent on the radon and uranium concentrations. The relationship between mutation rate and the concentrations was investigated, and several biologically realistic possibilities were explored. The difficulties of incorporating the link between tumour incidence and death of the animal were considered. Tumours can be considered as incidental, fatal, or sometimes incidental and sometimes fatal. The effect of using these different interpretations was explored. Finally, a comparison between a much used approximation to this model, and the exact solution was made. For the tumour development in the rats examined, it was found that the normal-intermediate mutation rate is dose rate dependent, and that the intermediate-malignant mutation rate is dose rate independent. Further, it was found that the intermediate cell growth rate increases with increasing radon concentrations. Finally, it was found that different sets of parameters values are able to describe the data equally well, but give different predictions of tumour incidence for radiation exposure patterns different to those found in the data.
    • Two-year feeding study in rats with bis(tri-n-butyltin) oxide (TBTO)

      Wester PW; Kranjc EI; van Leeuwen FXR; Loeber JG; van der Heijden CA; Vaessen HAMG; Helleman PW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-02-29)
      Dit rapport beschrijft een 2-jarige toxiciteitsstudie en carcinogeniteitsstudie met het slakkenbestrijdend en aangroeiwerend middel, bis (tri-n-butyltin)oxide (TBTO) met ratten. Tussentijds (na 1 jaar) is een toxiciteitsstudie verricht. In beperkte mate traden toxische verschijnselen op in de hoogste doseringsgroep (50 mg/kg voer), waarbij het immuunsysteem, endocrien systeem en het erythrocytaire systeem de doelorganen bleken. De tumorincidenties waren veranderd (m.n. verhoogd) in de hoogste doseringsgroep. Het betreft goedaardige tumoren van endrocriene organen (hypophyse, bijnieren, bijschildklier). Dit effect wordt beschouwd als een epigenetisch fenomeen, mogelijk als gevolg van invloed op immuun- of endocrien systeem. In enkele vrouwelijke dieren werd een maligne pancreascarcinoom gevonden. Ondanks de lage incidentie, is deze bevinding interessant, met name voor een studie met 2e diersoort. Mede gezien de resultaten van immuunfunctietesten kan een concentratie van 0,5 mg TBTO/kg voer, overeenkomend met 25 mug/kg lichaamsgewicht, als "no-effect level" beschouwd worden.<br>
    • Type 2 diabetes mellitus bij Europese jongeren

      Blokstra A; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-18)
    • Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bloem J; Bogte JJ; Breure AM; Brussaard L; de Goede RGM; Faber JH; Jagers op Akkerhuis GAJM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenWageningen UniversiteitPraktijkonderzoek Plant en OmgevingWageningenLouis Bolk Instituut, 2007-12-14)
      Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken. De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland. Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder Ch; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; Eekeren N van; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-24)
      The coming years will see a transformation in the Dutch policy for soil protection, with the focus shifting from soil protection to sustainable use of the soil. Within the framework for sustainable land use, the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) requested RIVM and other institutes to formulate quality references for a 'healthy' soil. Two references were formulated: one for dairy farming on sandy soil and one for natural grassland on sandy soil. References are represented by numerical values for chemical, physical, biological and other parameters. Data for determining references were derived from the database of the soil biological indicator sub-set of the Dutch Soil Monitoring Network. A step-by-step approach was developed to select key parameters from the indicator sub-set. This approach was based on the so-called soil 'ecosystem services', i.e. soil fertility, resistance and resilience against stress and disturbance, the buffer and reactor capacity of the soil, and biodiversity. 'Soil health' can therefore be assumed to be determined with the key parameters only.
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; van Eekeren N; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenLouis Bolk InstituutDriebergenBedrijfslaboratorium voor grond- en gewasanalyseOosterbeekSectie BodemkwalitieitWageningen Universiteit, 2006-02-24)
      Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.
    • The U-shaped dose-response curve of alpha-ergocryptine. Risk assessment ergot alkaloids

      Janssen GB; Boink ABTJ; Niesink RJM; Beekhof PK; Beems RB; te Biesebeek JD; van Egmond HP; Elvers LH; Jansen van &apos;t Land C; van Loenen HA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-02)
      In een voorgaand subacuut toxiciteits experiment met alpha- ergocryptine werd een U-vormige dosis respons relatie waargenomen voor voedselinname en enkele andere parameters. Weer andere parameters waren beinvloed op een dosis afhankelijke wijze. Een kwalitatieve risico beoordeling voor ergot alkaloiden kan niet uitgevoerd worden zolang het mechanisme van deze U-vorminge dosis-respons curve niet uitgezocht is. Het doel van dit onderzoek is het testen van de hypothese dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Een tweede doel is het verklaren van de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname, veroorzaakt door alpha-ergocryptine. In de huidige toxiciteits experimenten (subacuut en biotelemetrie systeem), uitgevoerd met beperkt gevoerde dieren, werd aangetoond dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Op basis van literatuur onderzoek, statistische analyse van de data-set van het vorige toxiciteits experiment en de resultaten van de huidige studies werd geconcludeerd dat de dopaminerge eigenschappen van ergocryptine verantwoordelijk zijn voor de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname. Na combinatie van alle toxiciteits data en op basis van de in Nederland gemeten maximale concentraties aan totaal ergot alkaloiden in granen kan er geconcludeerd worden dat de minimale veiligheidsmarge tussen inname door de mens t.o.v. de NOAEL 145 bedraagt en dat er geen reden tot bezorgdheid voor de volksgezondheid lijkt te zijn.<br>
    • Ugilec 141, PCB&apos;s en dioxinen in paling uit de Roer

      Wammes JIJ; Linders SHMA; Liem AKD; Velde EG van der; LOC (1997-12-31)
      Naar aanleiding van vragen over het gezondheidsrisico bij sportvissers in het geval van consumptie van eigen gevangen paling uit de Roer werd in 1993 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's, dioxinen en Ugilec 141 in deze paling. Gebruik makend van door het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie ontwikkelde analysemethoden voor Ugilec 141, planaire-, mono-ortho- en indicator PCB's en PCDD/F's, werd de voorbewerking voor de verschillende stofgroepen gecombineerd uitgevoerd. De verschillende komponentengroepen kwamen voor op niveaus varierend van pg/g vet tot ug/g vet. Planaire PCB's kwamen voor op niveau van 0.2-0.8 ng/g vet en PCDD/F's op een niveau van 0.1-12 pg/g vet. Mono-ortho PCB's, indicator PCB's en Ugilec 141 zijn aangetoond op een niveau van 0.1-1.2 ug/g vet. De som van de gehalten van de onderzochte componentengroepen, uitgedrukt in 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ), werd hoofdzakelijk bepaald door de bijdrage van de planaire PCB's en de som van de twee onderzochte mono-ortho PCB's, namelijk ruim 90%. Door het toekennen van een relatief hoge toxiciteitsequivalentiefactor van 0.1, in combinatie met hoge gehalte, leverde PCB 126 de grootste bijdrage aan de totale toxiciteit. Ugilec 141 en de PCDD/F's droegen elk aan het totaal gehalte uitgedrukt in TEQ voor ongeveer 4% bij. Voor de onderzochte stofgroepen geldt dat de gehalten in paling afkomstig uit de Roer een dalende trend te zien geven in de tijd. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat de aangetoonde niveaus in paling afkomstig uit de Roer boven de niveaus liggen van die in overige Nederlandse oppervlaktewateren.