• Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2015

      van Lier EA; Oomen PJ; Conyn-van Spaendonck MAE; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-22)
      Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2015 de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, waaraan de deelname overigens wel verder blijft stijgen ten opzichte van het verslagjaar 2014 (tot 61 procent). De hepatitis B-vaccinatiegraad voor kinderen geboren in 2012, het eerste jaar waarin alle zuigelingen in aanmerking kwamen voor hepatitis B-vaccinatie, ligt op 94 procent. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie is hoog. De BMR-vaccinatiegraad voor schoolkinderen (93 procent) is dit keer identiek aan de DTP-vaccinatiegraad; meestal ligt de BMRvaccinatiegraad iets lager. Dit is een verbetering maar de gewenste deelname wordt er niet mee bereikt. Een deelname van minimaal 95 procent is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) om mazelen wereldwijd uit te roeien. Zo'n hoge vaccinatiegraad is nodig om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Om zuigelingen effectief te kunnen beschermen tegen ziekten uit het RVP is het ook van belang de vaccinaties tijdig te geven. Het deel van de zuigelingen dat de eerste DKTP-vaccinatie op tijd krijgt, dat wil zeggen voordat ze 10 weken oud zijn, is verder gestegen naar 89 procent. Daarnaast is de tijdige en volledige deelname aan de volledige primaire DKTP-serie (de eerste drie vaccinaties) verbeterd van 60 procent voor kinderen geboren in 2007 naar 69 procent voor kinderen geboren in 2012. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2016

      van Lier EA; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Net als in voorgaande jaren is de vaccinatiegraad, oftewel de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), in verslagjaar 2016 met 92 tot 99 procent hoog. Wel is de deelname aan de meeste vaccinaties met ongeveer 0,5 procent afgenomen. Voor zuigelingen is deze afname voor het tweede achtereenvolgende jaar zichtbaar. In het verleden zijn regionaal vaker dergelijke schommelingen waargenomen, maar ze zijn nu voor het eerst in het hele land geconstateerd. Een verklaring hiervoor ontbreekt. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is met 61 procent gelijk gebleven. De deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland is met 92 tot 100 procent ook onveranderd gebleven. Nieuw kerncijfer Sinds dit jaar wordt de stand van zaken op de verschillende beleidsterreinen van het ministerie van VWS weergegeven in zogeheten kerncijfers om het beleid te kunnen volgen en verantwoorden. Ook voor de vaccinatiegraad is een kerncijfer vastgesteld, namelijk het percentage van alle kinderen dat op de dag dat ze 2 jaar worden alle RVP-vaccinaties heeft gekregen. Voor kinderen die geboren zijn in 2013 ligt dit op 93 procent. Hepatitis B risicogroepen Vanaf 2012 wordt niet alleen aan kinderen van risicogroepen, maar aan alle kinderen de hepatitis B-vaccinatie aangeboden. Het blijkt echter dat juist de kinderen van wie ten minste één ouder geboren is in een land waar hepatitis B veel voorkomt, de vaccinatie niet altijd krijgen. Daarnaast wordt het hepatitis B-controleonderzoek naar de effectiviteit van het vaccin onder kinderen van moeders die drager zijn van het hepatitis B-virus, niet altijd uitgevoerd. Juist voor deze twee risicogroepen is bescherming tegen hepatitis B belangrijk. In Nederland wordt met vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dit blijkt uit het landelijke registratiesysteem voor de vaccinaties van het RIVM. Een hoge deelname aan het programma is belangrijk om te voorkomen dat infectieziekten weer terugkomen. Een hoge vaccinatiegraad zorgt er ook voor dat kwetsbare (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsimmuniteit).
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2009

      van Lier EA; Oomen PJ; Oostenbrug MWM; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-06-15)
      Landelijk gezien lagen de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma in 2009 ruim boven de ondergrens van 90 procent. De gemiddelde percentages lagen over het algemeen iets hoger dan in 2008, ondanks de extra vaccinatie tegen pneumokokkenziekte. Voor zuigelingen was het percentage voor BMR, Hib en meningokokken C 96 procent, voor DKTP 95 procent, en voor pneumokokken 94 procent. Extra aandacht blijft nodig voor de vaccinatiegraad voor hepatitis B, omdat die relatief laag is. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Deze vaccinatie wordt alleen aangeboden aan kinderen uit risicogroepen. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2009. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2006, kleuters geboren in 2003 en schoolgaande kinderen geboren in 1998. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren. Daarnaast is het belangrijk inzicht te hebben in de houding van de Nederlandse bevolking ten aanzien van vaccinatie. De lage opkomst bij de vaccinatiecampagne tegen baarmoederhalskanker (HPV), die overigens voor een andere leeftijdsgroep geldt, laat zien dat de opkomst voor nieuwe vaccinaties niet vanzelfsprekend hoog is.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland; verslagjaar 2006-2008

      van Lier EA; Oomen PJ; Oostenbrug MWM; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-16)
      De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter essentieel om de Nederlandse bevolking nu en in de toekomst voldoende te beschermen. Zo is het belangrijk te benadrukken dat kinderen, volgens de richtlijnen van het RVP, tijdig en volledig worden gevaccineerd. Extra aandacht is nodig voor de vaccinatiegraad voor kleuters en schoolkinderen in het algemeen. In het bijzonder geldt dat voor de tweede BMR-vaccinatie en voor de vaccinatie van kinderen waarvan een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B meer dan gemiddeld voorkomt. De vaccinatiegraad voor deze inentingen, die voor het eerst zijn gerapporteerd, is relatief laag. Tussen 2006 en 2008 is een iets lagere vaccinatiegraad gemeten, vooral voor kleuters en schoolgaande kinderen. Dit verschil is vooral toe te schrijven aan een nieuwe methode om de vaccinatiegraad vast te stellen, die vanaf 2006 wordt gebruikt. Deze cijfers geven nauwkeuriger aan of de vaccinaties voldoen aan de richtlijnen van het RVP, zoals het tijdstip waarop de vaccinaties zijn gegeven. In dit rapport is de vaccinatiegraad in Nederland van 2006 tot 2008 weergegeven. Dit betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren tussen 2003 en 2005, kleuters geboren tussen 2000 en 2002 en schoolgaande kinderen geboren tussen 1995 en 1997. Landelijk gezien lagen in verslagjaar 2008 (zuigelingen geboren in 2005, kleuters geboren in 2002 en schoolgaande kinderen geboren in 1997) de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties boven de ondergrens van 90 procent. In het rapport worden de vaccinatiepercentages per provincie en gemeente toegelicht. De vaccinatiegraad is vooral laag in gemeenten waar relatief veel mensen wonen die vaccinatie afwijzen vanwege hun geloof.
    • Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2004

      Abbink F; Oomen PJ; Zwakhals SLN; Melker HE de; Ambler-Huiskes A; Landelijke Vereniging van Entadministraties; IGZ; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-06-07)
      This report describes the progress of the National Immunization Programme (NIP) in the Netherlands. Immunization coverage figures as at 1 january 2004 are presented for all vaccines used in the NIP for agecohorts born in 1993, 1998 and 2001.For years national immunization coverage in the Netherlands has been excellent. For 2004 national coverage levels for all vaccines used increased and exceeded 95% for the first time. The slow but steady decrease in coverage for infants reported since 1996 has been restored to a level of coverage exceeding 97%.Although high national immunization coverage can mask variations within country, regional and municipal immunization coverage also improved over the past year. All provinces reported over 90% immunization coverage for all vaccines used and municipal immunization coverage levels below 60%, previously observed each year, were not reported.Areas with low immunization coverage are - once again - concentrated in the so called 'Bible-belt' where groups of orthodox reformed people live who refuse vaccination for religious reasons.In spite of the progress made for the past year under review, joint efforts are still needed to obtain and sustain high immunization coverage. Particularly because it is already known that immunization coverage for the birthcohorts following 2001 was negatively affected by the massive attention paid to the introduction of the new DTaP-IPV-Hib vaccine by the media. Continuous attention and joined efforts of all parties engaged in the NIP will be needed to ensure that the population of the Netherlands is well educated and motivated to have their children immunized.
    • Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2005

      Abbink F; Oomen PJ; Zwakhals SLN; Melker HE de; Ambler-Huiskes A; Landelijke Vereniging van Entadministraties; Inspectie voor de Gezondheidszorg; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-08-03)
      In 2005 national coverage levels for all vaccines used in the Netherlands showed a further increase as compared to 2004. Immunization coverage figures exceed the 95% level and meet the standards provided by the World Health Organisation. The national immunization coverage in the Netherlands has proven, over the years, to be excellent.This report describes the progress made in the Dutch National Immunization Programme (NIP). Immunization coverage figures as at 1 january 2005 are presented for all vaccines in the NIP for age cohorts born in 1994, 1999 and 2002. Vaccination coverage for the most vulnerable group (infants < 6 months of age) showed an increase compared to previous years, largely exceeding the 97% level. Vaccination coverage levels for infants (DTP-IPV and Hib) were reported to be higher than ever before. The same result was seen in MMR vaccination coverage levels for both infants and 9-year olds, and in DPT vaccination coverage levels for 4-year olds. Although high national immunization coverage can mask variations within country, regional and municipal immunization coverage figures improved again. Almost all provinces reported over 90% immunization coverage for all vaccines used. Exceptions were Zeeland and Flevoland. Areas with low immunization coverage are - once again - concentrated in the so-called 'Bible-belt' where groups of orthodox reformed people live who refuse vaccination for religious reasons. Continuous attention and joint efforts of all parties engaged in the NIP will be needed to ensure that the population of the Netherlands is well informed on immunization and motivated to have their children immunized. Recent outbreaks of Measles and Rubella show the existence of a large group of unvaccinated people in the Netherlands. Importing diseases like measles and polio remains a risk.
    • Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2004

      Abbink F; Oomen PJ; Zwakhals SLN; de Melker HE; Ambler-Huiskes A; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandelijke Vereniging van EntadministratiesIGZ, 2005-06-07)
      In dit rapport treft u de cijfers aan van de vaccinatietoestand in Nederland per 1 januari 2004 voor zuigelingen, kleuters (4-jarigen) en schoolkinderen (9-jarigen) van de cohorten 2001, 1998 en 1993.De vaccinatiegraad in Nederland is al jaren zeer goed te noemen. Het afgelopen verslagjaar is de vaccinatiegraad voor alle vaccinaties - behalve voor DTP schoolkinderen - toegenomen. De lichte daling van de vaccinatiegraad bij zuigelingen sinds 1996 heeft zich hersteld. Met name de meest kwetsbare groep zuigelingen (< 6 maanden) is dit jaar nog beter beschermd met entpercentages voor D(K)TP en Hib >97%. De landelijke entpercentages zijn voor het eerst alle boven de 95% en voldoen hiermee ruim aan de WHO-normen. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau is het beeld over het algemeen gunstig. Alle provincies voldoen aan de norm van minimaal 90%, bovendien komen op gemeentelijk niveau vaccinatiepercentages <60% niet meer voor. De gebieden met onvoldoende vaccinatiepercentages concentreren zich weer voornamelijk in de 'Bible belt'.Toch blijft waakzaamheid geboden omdat inmiddels duidelijk is dat het met de vaccinatiegraad van de geboortecohorten vanaf eind 2003 minder goed gesteld is door de enorme media-aandacht die er geweest is met name rond het nieuw in te voeren acellulair kinkhoestvaccin. Continue aandacht en niet aflatende inzet van alle betrokkenen bij het RVP zullen nodig zijn om de jeugd ook in de toekomst afdoende te kunnen beschermen. Van zeer groot belang hierbij is het voorlichten van ouders en andere betrokkenen over nut en noodzaak van (een correcte uitvoering van) het RVP.
    • Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2005

      Abbink F; Oomen PJ; Zwakhals SLN; de Melker HE; Ambler-Huiskes A; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandelijke Vereniging van EntadministratiesInspectie voor de Gezondheidszorg, 2006-08-03)
      Voor alle vaccinaties die zijn opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) is het afgelopen verslagjaar de vaccinatiegraad op landelijk niveau toegenomen. De gemiddelde vaccinatiepercentages zijn hoger dan 95% en voldoen hiermee ruim aan de normen van de World Health Organisation (WHO). Dit blijkt uit een jaarlijkse evaluatie door het RIVM. Nederland heeft al jaren een hoge vaccinatiegraad. De evaluatie van 2005 richt zich op zuigelingen, kleuters en schoolkinderen van de geboortejaren 2002, 1999 en 1994. De meest kwetsbare groep zuigelingen (< 6 maanden) is dit jaar nog beter beschermd tegen D(K)TP (difterie, kinkhoest, tetanus en polio) en Hib (Haemophilus influenzae type b). De vaccinatiepercentages zijn nog nooit zo hoog geweest; ze liggen ruim boven de 97%. Ook de vaccinatiepercentages voor het BMR-vaccin (Bof, Mazelen en Rode hond) bij zowel zuigelingen als schoolkinderen en het DTP-vaccin bij kleuters zijn hoger dan ooit. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau is het beeld over het algemeen gunstig. Alleen Zeeland en Flevoland rapporteren vaccinatiepercentages onder de norm van 90%. De gebieden met onvoldoende vaccinatiepercentages concentreren zich weer voornamelijk in de zone die ook wel 'Bible belt' wordt genoemd. Continue aandacht blijft noodzakelijk om de jeugd ook in de toekomst voldoende te kunnen beschermen. In Nederland is nog altijd een grote groep niet-gevaccineerde personen aanwezig en de dreiging van import van ziektes als mazelen en polio is groot.
    • Vaccine-induced antibody responses as parameters of the influence of endogenous and environmental factors

      Loveren H van; Amsterdam JGC van; Vandebriel RJ; Kimman TG; Rumke HC; Steerenberg PS; Vos JG; LPI; LEO; LIO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-30)
      The most adequate way to assess effects of environmental exposures on the immune system using laboratory animals is to study effects on antigen-specific immune responses, such as after sensitization to T cell dependent antigens. Most likely, this also applies for testing effects in the human population. For this reason it has been suggested to utilize antibody responses to vaccination as readout. In addition to environmental factors, vaccination responses may be influenced by a variety of other factors. One factor is the vaccine itself, and the vaccination procedure. In addition, the intrinsic capacity of the recipient to respond to a vaccine is important, which is determined by genetic factors and age. Also psychological stress, nutrition, and (infectious) diseases are likely to have an impact. The present report reviews the literature. It appears that with regard to exogenous factors, there is good evidence that smoking, food, psychological stress, and certain infectious diseases have an impact on vaccination titers, although it is difficult to state the magnitude. Genetic factors render certain individuals non-responsive to vaccination. In general, the conclusion is that in epidemiological studies of adverse effects of exposure to agents in the environment, in which vaccination titers are used, these additional factors need to be taken into consideration. Provided that these factors are corrected for, a study that shows an association of exposure to a given agent with diminished vaccination responses may indicate a suboptimal function of the immune system, and clinically relevant diminished immune response. It is quite unlikely that environmental exposures that affect responses to vaccination, may in fact abrogate protection to the specific pathogen for which vaccination was meant. Only in those cases, where individuals have a poor response to the vaccine, exogenous factors may perhaps have a clinically significant influence on resistance to the specific pathogen for which the vaccination was meant. An exposure-associated inhibition of a vaccination response may, however, signify a decreased host resistance to pathogens against which no vaccination had been performed.
    • Vaccine-induced antibody responses as parameters of the influence of endogenous and environmental factors

      van Loveren H; van Amsterdam JGC; Vandebriel RJ; Kimman TG; Rumke HC; Steerenberg PS; Vos JG; LPI; LEO; LIO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-30)
      De beste manier om in het proefdier effecten op het immuunsysteem vast te stellen, is de bestudering van effecten op antigeen specifieke immuunresponsen, bijvoorbeeld na sensibilisatie met T-cel afhankelijke antigenen. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor het testen van effecten in de bevolking. Om die reden is gesuggereerd antilichaam responsen na vaccinatie als uitleessysteem te gebruiken. Naast omgevingsfactoren worden vaccinatieresponsen beinvloed door andere factoren. Een factor die van grote invloed is, is het vaccin zelf en de procedure om te vaccineren. Daarnaast is de intrinsieke capaciteit van de recipient om te reageren van belang; dit wordt bepaald door genetische factoren en de leeftijd. Daarnaast zijn psychologische stress, voeding en ziekte (waaronder infectieziekten) van belang. In het rapport wordt een overzicht gegeven van de literatuur over invloeden op vaccinatieresponsen. Het blijkt dat voor wat betreft exogene factoren er duidelijk aanwijzingen zijn dat roken, voeding, psychologische stress en bepaalde infectieziekten een effect op vaccinatieresponsen hebben, maar dat het moeilijk is vast te stellen wat het relatieve belang ervan is. Bekend is dat genetische factoren sommige individuen voor sommige vaccins ongevoelig maken. Een algemene conclusie is dat in epidemiologische studies, waarbij nadelige effecten van blootstelling aan omgevingsfactoren op het immuunsysteem worden bestudeerd, en waarbij vaccinatietiters worden gebruikt, die additionele factoren in aamerking genomen dienen te worden. Indien voor deze additionele factoren wordt gecorrigeerd, kan een studie waarbij associatie wordt gevonden van een verminderde vaccinatierespons met blootstelling aan een omgevingsfactor indiceren dat het immuunsysteem suboptimaal functioneert. Het is niet waarschijnlijk dat een dergelijk effect zal inhouden dat bescherming waarvoor de vaccinatie was bedoeld wordt aangetast. Alleen in die gevallen waarbij individuen een matige respons vertonen, zouden nadelige effecten wellicht tot een klinische significante afname van bescherming kunnen leiden. Meer in het algemeen zou kunnen worden vastgesteld dat een afname in vaccinatierespons aan kan geven dat er een verminderde weerstand zou kunnen bestaan tegen pathogenen waartegen niet is gevaccineerd.<br>
    • Vaccine-induced antibody responses in relation to season

      Termorshuizen F; Sleijffers A; Hof S van den; Melker H de; Garssen J; Boland GJ; Hattum J van; Gruijl FR de; Loveren H van; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-09)
      The effect of season on the antibody response after Hepatitis B (HB), Measles and Rubella vaccination in humans was investigated. In view of the immunosuppressive effects of ultraviolet radiation (UVR), especially the B-waveband (UVB), it was hypothesised that a lower antibody response after vaccination procedures that were started in summer might be detectable. IgG assessments and dates of vaccination were available 1. from a survey on the formation of anti-HB antibodies (anti-HBs) after vaccination to HB among paramedical students in Utrecht, 2. from an experimental study on the effect of artificial UVB on the immune response to HB vaccine, and 3. from a cross-sectional serosurveillance study on various vaccinations in a random sample of the Dutch population. In the surveys on HB the antibody formation in the course of a standard HB vaccination procedure (Engerix-B, SB; standard 0, 1, 6 months) was analysed by season of first vaccine injection. In the serosurveillance study the anti-Measles and anti-Rubella IgG titers in children who were aged 2-7 years at the time of the survey, and who had received their Mumps-, Measles-, Rubella-vaccination only once (MMR-1, at 14 months of age) were analysed by age and season. The data from the survey among paramedical students indicated a slightly retarded antibody response during vaccinations that were started in a sunny season. However, this finding was not consistently found after breaking down the data by calendar year and at the end of the procedure equal levels of anti-HBs were found. In the other surveys no seasonal influences on the formation of antibodies could be established. These data support the hypothesis of a reduced immunoprotection due to high ambient UVR during sunny season only to a limited extent. The study design may have been too crude with respect to both personal differences in exposure and susceptibility to UVR and the immune responses following immunisation for demonstrating the postulated effect of UVR. An advice for the general population to avoid the starting of a vaccination procedure during sunny season appears to be premature at present.
    • Vaccine-induced antibody responses in relation to season

      Termorshuizen F; Sleijffers A; van den Hof S; de Melker H; Garssen J; Boland GJ; van Hattum J; de Gruijl FR; van Loveren H; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-09)
      Het effect van seizoen op de vorming van antistoffen na vaccinatie tegen hepatitis B, mazelen en rubella werd onderzocht. Gezien de immunosuppressieve effecten van ultraviolette straling, met name de B-fractie (UVB), was de hypothese dat vaccinaties in de zomer gevolgd worden door relatief lage titers. IgG bepalingen en datums van vaccinatie waren beschikbaar uit diverse bronnen: 1. uit een observationeel onderzoek naar de opbouw van immuniteit na vaccinatie tegen hepatitis B in een groep paramedische studenten in Utrecht, 2. uit een experimentele studie naar het effect van kunstmatige UVB belichting op de opbouw van immuniteit na vaccinatie tegen hepatitis B, 3. uit een transversaal sero-surveillance onderzoek waarbij in een random sample van de Nederlandse bevolking de antistoftiters tegen diverse vaccinaties bepaald werden. In de hepatitis B-onderzoeken werd de antistofvorming zoals gevolgd in de loop van een standaard vaccinatie protocol (Engerix -B, SB; 0, 1, 6 maand) naar seizoen van eerste vaccin injectie geanalyseerd. In het sero-surveillance onderzoek werden de anti-mazelen en anti-rubella antistoftiters in kinderen in het leeftijdstraject 2-7 jaar naar seizoen van eerste vaccin injectie en leeftijd geanalyseerd. Deze kinderen hadden op het moment van bloedafname 1 keer hun bof-, mazelen-, rubella vaccinatie (BMR) op de leeftijd van 14 maanden ontvangen. De gegevens uit het onderzoek onder paramedische studenten lieten een licht vertraagde antistofvorming zien gedurende vaccinaties die in een zonnig seizoen waren begonnen. Echter, een seizoensverschil consistent in de loop van meerdere kalenderjaren werd niet gezien en aan het eind van het vaccinatie protocol waren er geen seizoensverschillen in mate van protectie. In de andere onderzoeken werden geen seizoensverschillen in antistoftiters gevonden. Deze gegevens ondersteunen de hypothese van verminderde immunoprotectie door een hoog niveau van UVB blootstelling in de zomer slechts ten dele. In een fijnmaziger onderzoek, waarin rekening wordt gehouden met verschillen in persoonlijke blootstelling en gevoeligheid voor UVB, zouden eventuele subtiele effecten wellicht duidelijker aan het licht kunnen treden. Een advies voor de algemene bevolking om vaccinaties in een zonnig seizoen te vermijden, is op grond van deze bevindingen prematuur.<br>
    • Vage verzamelingen en mogelijkheidsmaten. Een inleiding in the theorie en voorbeelden van toepassingen

      Hoogenveen RT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-03-31)
      The author reports on a literature search on fuzzy sets. Fuzzy sets differ from classical sets in the following sense: elements can partly belong to fuzzy sets, whereas elements do or don't belong to classical sets. Fuzzy sets can be generalized to fuzzy relations between elements ; fuzzy Markovian chains, that describe transitions between elements ; fuzzy functions ; fuzzy numbers ; fuzzy reasoning based on fuzzy relations ; fuzzy inclusion ; and fuzzy partitions. The possibility measure is a fuzzy translation of the probability measure: it quantifies the possibility of an event instead of the probability. Three applications of fuzzy sets and possibility measures have been elaborated: fuzzy linear regression, the fuzzy shortest path problem and fuzzy multi-criteria analysis. On the basis of the fuzzy shortest path problem (the interpretations of) the possibility measure and the probability measure are compared.<br>
    • Validatie en prestatiekenmerken van de elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste stoffen

      Fokkert L; Cleven RFMJ; LAC (1997-09-30)
      De elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste monsters kan eenvoudig en relatief snel worden uitgevoerd met de Elemental Analyzer (Model EA 1108) van Fisons Instruments in diverse typen vaste stof monsters. Een hoeveelheid monster wordt afgewogen en de Elemental Analyzer bepaalt de elementgehaltes in de gewenste eenheid. De kalibratie en de controle van de kalibratie duurt in totaal 2 uur. Een enkelvoudige analyse duurt vervolgens ongeveer 1 kwartier. Na optimalisatie van het apparaat en de methode is een Standard Operating Procedure (SOP) uitgebracht voor de elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste stoffen. De aantoonbaarheidsgrens bedraagt voor stikstof 2 mg/g, voor koolstof 2 mg/g en voor zwavel 5 mg/g. De precisie in cystine is voor stikstof is 6 mg/g (5,1%), voor koolstof 3 mg/g (1,0%) en voor zwavel 6 mg/g (2,2%).
    • Validatie en prestatiekenmerken van de elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste stoffen

      Fokkert L; Cleven RFMJ; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      The Elemental Analyser Model EA 1108 (Carlo Erba) enables to determine nitrogen, carbon and sulphur in solid material, in a fast and simple way. The samples are packed into lightweight containers of tin and dropped at preset times into a vertical quartz tube, heated at 1020 degrees C, through which a constant flow of helium is maintained. When the samples are introduced, the helium stream is temporarily enriched with pure oxygen. Flash combustion takes place, primed by the oxidation of the container. Quantitative combustion is then achieved by passing the gases over W2O3. The mixture of the combustion gases is transferred over copper to eliminate excess of oxygen and after drying the water over MgClO4 introduced into a chromatographic column, heated at 57 degrees C. The individual components are then separated, eluted in the order N2, CO2 and SO2, and measured by a thermal conductivity detector (TCD). The instrument is calibrated by combustion of the standard sulphanylamide and the calibration is controlled with the standard reference material (SRM) cystine. The total calibration takes place in 2 hours. The measurement of one single sample takes place in 15 minutes. Every ten samples the instrument is controlled with the standard sulphanylamide. After optimization of the instrument, a Standard Operating Procedure (SOP) for the determination of carbon, nitrogen and sulphur in solid material, has been formulated. The detection limit is for carbon 2 mg/g, for nitrogen 2 mg/g, and for sulphur 5 mg/g. The accuracy for the measurement in cystine is for carbon 3 mg/g (1.0%), for nitrogen 6 mg/g (5.1%), and for sulphur 6 mg/g (2.2%).
    • Validatie Phoenix 8000 TOC-analyzer

      Fokkert L; Cleven RFMJ; LAC (2001-05-21)
      Totaal organisch koolstof (TOC) en opgelost organisch koolstof (DOC) zijn belangrijke parameters om grondwater en oppervlaktewater te karakteriseren. Ze zijn ook medebepalend voor de kwaliteit van afvalwater en drinkwater. Grondwater is 1 van de belangrijkste bronnen voor de bereiding van drinkwater. Onder meer in het landelijk meetnet grondwater wordt bij het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie (LAC) DOC routinematig bepaald. In 1998 is een onderzoek gestart om een nieuwe TOC-analyzer (Phoenix 8000 van Tekmar-Dohrmann) in operationele staat te brengen, en de bepalingen te valideren. Bij de Phoenix 8000 wordt het monster 5n fosforzuur met een injector in een zogeheten 'IC-sparger' gebracht. Door de oplossing wordt stikstof geleid, waardoor koolstofdioxide, afkomstig van vluchtige organische (POC) of anorganische koolstofverbindingen (IC), wordt verwijderd. Na 'ontluchten' wordt de oplossing in een UV-reactor geleid waarna een peroxodisulfaatoplossing bij de oplossing wordt toegevoegd. Het organisch koolstof in de oplossing wordt daarbij gedestrueerd, en er wordt koolstofdioxide gevormd waarvan de hoeveelheid, na vochtverwijdering, wordt gemeten met een infrarooddetector. In dit rapport worden de resultaten weergegeven van het onderzoek naar optimale omstandigheden van de bepaling van TOC in range 3 (20 - 200 mg/l C). Op grond van deze resultaten is een analysevoorschrift, SOP LAC/M402, samengesteld. De precisie (reproduceerbaarheid) voor standaardoplossingen met een concentratie c in mg/l in het gehele meetbereik kan worden weergegeven door: 0,0145*c + 0.29. De aantoonbaarheidsgrens bedraagt 0,29 mg/l C. De resultaten van bepaling van DOC met de Phoenix 8000 komen goed overeen met de tot nu toe gebruikelijke bepaling van DOC met SOP LAC/M049.
    • Validatie Phoenix 8000 TOC-analyzer

      Fokkert L; Cleven RFMJ; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-21)
      Total organic carbon (TOC) and dissolved organic carbon (DOC) are major sum-parameters in the assessment of natural waters. Different methods in existence for determining organic carbon fractions in water samples are based on either destructive oxidation or combustion of the organic components. TOC analyzers are nowadays frequently equipped to measure both total carbon (TC) and total organic carbon (TOC), as well as inorganic carbon (IC). With the Phoenix 8000 TOC-analyzer, the measurement of TOC involves removing inorganic carbon from the sample with acid addition and subsequently purging it with nitrogen. This is followed by oxidation of the organic carbon, applying persulfate in combination with UV irradiation, and the detection and quantification of the oxidation product (CO2) with a nondispersive infrared detector (NDIR). After optimization of the instrument, a Standard Operating Procedure (SOP) for the determination of TOC and DOC in water was developed. The detection limit is 0,29 mg/l C in the range 20-200 mg/l C. The reproducibility of the DOC determination in standards using concentration 'c' (in mg/l C) could be expressed as: 0,0145*c+0,29.
    • Validatie toxiciteitsgegevens en risicogrenzen bodem: voortgangsrapportage 1993

      Notenboom J; Posthuma L; ECO; TNO; VUA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      In 1993 bioassays with several organisms (bacteria, plants, arthropods, oligochaetes) have been performed in metal contaminated soils originating from the neighbourhood of a zinc smelter works at Budel. Results are compared with those of experiments performed with the same organisms in standardized (artificial) soils spiked with metals. Moreover, abundance and diversity of nematoda along a gradient of contaminated soils near Budel is studied. A start has been made with the organization of an experimental field, above all for the study of abiotic factors influencing the sensitivity of soil organisms. The report gives a general enumeration of results obtained, additionally an evaluation and integration of results is persued and a strategy is designed for the next phase of the project.
    • Validatie toxiciteitsgegevens en risicogrenzen bodem: voortgangsrapportage 1994

      Notenboom J; Posthuma L; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVrije Universiteit Amsterdam (VUA)Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO/MW)Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM., 1995-05-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van de voortgang in 1994 van het project Validatie Toxiciteitsgegevens en Risicogrenzen Bodem (Validatie-project) dat door TNO-Milieuwetenschappen ; Vrije Universiteit, vakgroep Oecologie en Oecotoxicologie en RIVM, Laboratorium voor Ecotoxicologie wordt uitgevoerd. Toxische effecten in metaalverontreinigde gronden uit het veld zijn experimenteel vastgesteld en vergeleken met effecten in gronden waaraan in het laboratorium metalen zijn toegevoegd. De experimenten zijn uitgevoerd met verschillende bodembewonende organismen: bacterien, planten, arthropoden en wormachtigen. Verschillen tussen effecten in veld- en laboratoriumgronden kunnen op verschillende niveau's worden verklaard. Vergelijking van de resultaten met verschillende dieren, planten en microorganismen maakt duidelijk dat verschillen tussen laboratorium en veld soortspecifiek zijn. De belangrijkste factoren die hieraan bijdragen zijn mengseltoxiciteit, verschillen tussen beschikbare metaalfracties in de gronden, en de invloed van abiotische omstandigheden zoals pH, vochtgehalte en temperatuur. Een proefveld is ingericht voor onderzoek naar het effect van zink op verschillende soorten bodemorganismen (planten, wormen, nematoden, arthropoden), bij verschillende zinkconcentraties en onder natuurlijk varierende abiotische omstandigheden. Door dit proefveldonderzoek kunnen toxische effecten op fitness parameters onder semi-veldomstandigheden worden vastgesteld. In vergelijking met laboratoriumexperimenten wordt door deze aanpak de relevantie van de verkregen waarnemingen vergroot maar het heeft zijn weerslag op de reproduceerbaarheid van de resultaten. Het proefveld wordt ook gebruikt om de ontwikkeling van de nematodengemeenschap onder invloed van de verontreiniging te bestuderen. De waarnemingen laten zien dat het totaal aantal nematoden negatief reageert op toenemende zinkconcentratie. Uit een theoretische benadering is naar voren gekomen dat de ecologische relevantie van Risicogrenzen kan worden bestudeerd door nadelige effecten van toxische stoffen op levensgemeenschap parameters, zoals soortdiversiteit en tolerantie (Pollution Induced Community Tolerance = PICT), langs verontreinigingsgradienten in het veld te bepalen. Aan dit rapport hebben alle betrokken onderzoekers bijgedragen. Het rapport geeft een overzicht van de verkregen resultaten van de verschillende deelonderzoeken, daarnaast is aandacht geschonken aan de evaluatie en integratie van resultaten en aan invulling van de vervolgfase van het project. Volledige rapportage van de resultaten van de deelonderzoeken zal in de nabije toekomst door de verschillende onderzoekers in aparte rapporten of publicaties worden verzorgd. Aanbevolen wordt om in de vervolgfase van het onderzoek, deels in samenwerking met verwante projecten, verder aandacht te schenken aan de beschikbare fracties van toxicanten, mengseltoxiciteit, en varierende abiotische omstandigheden en aanvullend retrospectieve literatuurstudies uit te voeren naar toxische effecten in verontreinigde veldsituaties.<br>
    • Validatie toxiciteitsgegevens en risicogrenzen bodem: voortgangsrapportage 1995

      van Beelen P; Notenboom J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)Vrije Universiteit Amsterdam (VU), 1996-08-31)
      De voortgang van een onderzoeksproject naar de veldrelevantie van ecotoxicologische laboratoriumtoetsen is beschreven. Experimenten naar het effect van zink op verschillende bodemorganismen zijn uitgevoerd in het laboratorium en onder semi-veldomstandigheden. Resultaten zijn onderling vergeleken met veldwaarnemingen langs een metaalverontreinigingsgradient waarin zink domineert. Verschillende bodemchemische extractietechnieken (totaal-, water- en CaCl2-extracties) zijn toegepast om te onderzoeken of verschillen in zinktoxiciteit tussen de gronden zijn terug te voeren tot verschillen in de mate van zinkbinding aan de vaste fase. Het bleek echter niet mogelijk om op eenduidige wijze voor de verschillende organismen voor biobeschikbaarheid tussen de gronden te corrigeren. Dit laat zien dat normstelling op grond van extraheerbare gehalten niet altijd beter hoeft te zijn dan normstelling op basis van totaalgehalten. Uitgaande van een overeenkomstige beschikbaarheid zijn de verschillen tussen effectniveau's in laboratoriumtoetsen en in het veld voor een zelfde soort organisme relatief klein. Dit duidt niet op een falsificatie van in de normstelling gehanteerde uitgangspunten, maar legt wel de nadruk op het belang van een echte beschikbaarheidscorrectie tussen gronden, althans voor metalen.<br>