• Toxoplasma-infecties bij runderen in Nederland

      Knapen F van; Franchimont JH; Kremers AFT; Dijkstra A; Narucka U; Osinga A; Zandstra P (1992-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Trace metals in the environment. Modelling of long-term processes affecting mobility and bio-availability

      Romkens PFAM; Knoop JM; Salomons W (eds.); LWD; IB; UG (1993-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Tracerexperiment uitgevoerd in april/mei 1996 ten behoeve van de In Situ Biorestauratie te Asten

      Scheuter AJ; LBG (1997-09-30)
      Ter afsluiting van de praktijksanering in het kader van het project "in situ biorestauratie van een met olie verontreinigde bodem", is een tracerexperiment op de locatie te Asten uitgevoerd. Bij deze saneringstechniek wordt gebruikt gemaakt van water om zuurstof (in de vorm van waterstofperoxyde) en nutrienten aan de locatie toe te voeren ter stimulering van de microbiologische afbraak van de verontreiniging. Voor een goed eindresultaat is het van belang dat de bodem uniform doorstroomd wordt. Het doel van het tracerexperiment was na te gaan in hoeverre dit bereikt is door de stroombanen en verblijftijden van het grondwater te onderzoeken. In het infiltratiewater werd chloride gedoseerd; door metingen in alle 25 onttrekkingen werden doorbraakcurves bepaald. Tussen de onttrekkingen traden grote verschillen op in het moment van chloridedoorbraak, maar de onderlinge resultaten in drie gebiedjes op de locatie vertoonden overeenkomsten. Met name in het gebied ten oosten van de bedrijfswoning begon de chlorideconcentratie al snel op te lopen en trad na ongeveer 235 uur doorbraak op. In de onttrekkingen ten westen van het tankeiland is geen doorbraak gemeten. De verschillen in doorbraaktijd kunnen waarschijnlijk toegeschreven worden aan de bodemkarakteristieken zoals bijvoorbeeld de doorlatendheid. Aan de hand van de resultaten uit het tracerexperiment kunnen de grote verschillen die te zien zijn in de gemeten benzinegehaltes in de bodem en -concentraties in het grondwater verklaard worden.
    • Tracerexperiment uitgevoerd in april/mei 1996 ten behoeve van de In Situ Biorestauratie te Asten

      Scheuter AJ; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      The aim of the tracer experiment, carried out in the framework of the project 'in situ bioremediation of oil polluted soil' in Asten (Noord-Brabant) at the end of the remediation on a commercial property and a tank island, was to trace to what extent the infiltrated water flowed uniformly through the soil. This was done by studying the flow paths and residence times of the groundwater from 25 withdrawals. In the remediation technique chosen, water was used to supply oxygen (in the form of hydrogen peroxide) and to bring nutrients to the location to stimulate the microbiological degradation of pollutants. Chloride was applied to the infiltration water in such doses as to bring the chloride concentration to about 400 mg.l-1. The concentration was measured daily in all 25 withdrawals. The measuring frequency was increased the moment the concentration in the withdrawal rose to 2 or 3 times a day. Breakthrough curves were determined in this way. Although large differences in withdrawals were observed at the moment of chloride breakthrough, the results in three of the areas within the location did show some similarities. The chloride concentration started to rise soon after the start of the experiment and broke through after 235 hours in the area to the east of the commercial property. In the withdrawals on the west side of the tank island no breakthrough was measured, and in some withdrawals there was not even a rise in the concentration. The differences in breakthrough times can probably be ascribed to soil characteristics, for example, the permeability. The differences in breakthrough times could explain the large differences between the concentration levels of petrol measured in the soil and concentrations of petrol in the groundwater.
    • TRANS, Een programma voor de analyse van een-dimensionale convectie- diffusie vergelijkingen met adsorptie en afbraak

      Veling; E.J.M. (1986-09-30)
      Om snel een indruk te krijgen van het gedrag van een verontreiniging, die zich uniform in de bodem verspreidt, worden in dit rapport gesloten analytische uitdrukkingen gepresenteerd van oplossingen van de 1- dimensionale convectie-diffusie vergelijking met adsorptie en afbraak op een halfoneindig interval met een gemengde randvoorwaarde aan het uiteinde. Voor drie verschillende soorten injecties (instantaan, continu en blok-puls) worden de volume- en flux-gemiddelde concentraties gegeven. Computerprogramma's zijn beschikbaar om deze uitdrukkingen te evalueren als functie van de tijd variabele en van de ruimte variabele (programma's TPICTU en ZPIGTU, respectievelijk), te samen met een programma voor de bepaling van de oplossing van de twee inverse problemen: op welk tijdstip heeft een gegeven fractie van het geinjecteerde tracer materiaal een gegeven niveau gepasseerd of is aanwezig beneden dat niveau (programma TRANS).
    • Transauriculaire hypofysectomie bij ratten

      Loeber JG; van de Siepkamp JJ; Franken MAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-12-31)
      Transauriculaire hypofysectomie bij ratten van 200-250 gram is een eenvoudige ingreep. De primaire uitval door beschadiging van hersendelen of het evenwichtsorgaan bedraagt echter ongeveer 20%. Het percentage dieren waarbij verwijdering van de hypofyse achteraf (gedeeltelijk) mislukt bleek te zijn was ongeveer 13%. Mogelijk kan dit resultaat verbeterd worden door de afmetingen van de injectienaald nog beter af te stemmen op die van de ratteschedel. De resultaten van de hormoonbepalingen in het serum waren in goede overeenstemming met die van het histopathologisch onderzoek. In het algemeen kan volstaan worden met de bepaling van een van de hypofysaire hormonen voor de vaststelling of de operatie geslaagd is.<br>
    • Transcatheter aortic heart valves in Europe . A market surveillance study

      Roszek, B; Lamme, EK; van Drongelen, AW; Oostlander, A; Geertsma, RE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
      Malfunctioning heart valves can be replaced by a prosthesis. In recent years, new techniques have been developed with less impact on patients, for example the use of a catheter to insert the prosthesis. The first of these 'transcatheter aortic valve implantation devices' (TAVI) became available in Europe in 2007. Since that time, more than 300,000 TAVIs have been implanted, and new generations of the devices have been developed. As part of their market surveillance tasks, the Health and Youth Care Inspectorate (IGJ) commissioned RIVM to assess the technical documentation of five TAVI devices. None of the files contained items that were assessed as 'insufficient', and one file contained only 'good' or 'almost good' items. The other four files contained one to two items assessed as 'moderate'. In the file items "clinical evaluation" and "post-market surveillance data" some shortcomings were found with the implication that product safety and the safe use of the devices are insufficiently guaranteed with regard to these issues. Shortcomings in the file do not necessarily mean that the device is of insufficient quality. By maintaining complete and accurate files, manufacturers underpin the safety of their products for patients. Manufacturers are required to investigate carefully any shortcomings in their files, and to resolve these in order to comply with the regulations. Manufacturers have indicated that they are currently working to improve their files in order to comply with the new regulations on medical devices published in 2017.
    • Transgenic mice as alternatives in carcinogenicity testing: current status

      Vries de A; Steeg H van; Opperhuizen A; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-30)
      The correct prediction of human risk after exposure to chemical and physical compounds has been a major challenge for a long time. For this, the lifetime bioassay using rats and mice is routinely used. However, over the years it has become clear that this assay has several drawbacks; for example large numbers of animals are used, the assays are slow, insensitive, and expensive. On top of this, there is considerable scientific doubt on the reliability of the assay, since too many false positive results (so-called rodent carcinogens) are observed. Therefore, there is an urgent need for alternative, more valid, carcinogenicity assays. One specific approach in finding alternatives is to use transgenic mice with modifications in genes involved in the development of cancer, thereby increasing their sensitivity for carcinogens. Several transgenic mouse models have now been generated and studied for their usefulness as replacements for the lifetime bioassay in carcinogenicity testing. Generally, the transgenic mouse models could reliably predict the carcinogenic potential of compounds, and importantly, the number of false positives was reduced significantly. For this, 3 to 4 fold less animals are used in an about 3 times shorter test period. As a result, also costs associated with performing these in vivo studies are reduced enormously. However, the transgenic models were not capable of identifying all known human carcinogens when applied as single assays. Using a short-term transgenic mouse assay in combination with a rat lifetime bioassay however, completely eliminated the occurrence of false-negatives, and moreover, increased the overall accuracy of detecting carcinogens and non-carcinogens enormously (85%) compared to using only the lifetime bioassay (69%). These marked advantages of transgenic mouse models have resulted in the fact that the FDA in the USA and the European CPMP now allow the use of transgenic mice in regulatory testing of pharmaceutical compounds as an alternative for a second lifetime bioassay, when a two-year bioassay with rats has been carried out. Nonetheless, a more extensive evaluation of transgenic mice, using newly developed models and more compounds with different modes of action needs to be carried out in the future.
    • Transgenic mice as alternatives in carcinogenicity testing: current status

      de Vries A; van Steeg H; Opperhuizen A; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-30)
      Nieuwe chemische stoffen en geneesmiddelen worden continu ontwikkeld. Voordat deze agentia worden toegelaten, moeten ze getest worden op mogelijke schadelijke effecten voor de mens in een panel van toxiciteits testen. De test die wordt voorgeschreven om stoffen te identificeren die kanker veroorzaken is de 'chronische bioassay'. In deze chronische bioassay worden ratten en muizen hun leven lang blootgesteld aan de te testen stof, waarna gekeken wordt of de dieren tumoren ontwikkelen. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat aan deze test nogal wat nadelen kleven. Er worden grote hoeveelheden dieren gebruikt (>1000 per stof), de testen duren erg lang (3 tot 5 jaar) en zijn als een gevolg hiervan erg duur. Verder worden in de bioassay veel vals-positieve resultaten gevonden, vermoedelijk omdat langdurig extreem hoge doseringen worden gebruikt. Dergelijke stoffen worden ten onrechte geidentificeerd als kankerverwekkend, met onnodige gevolgen voor toelating en risico evaluatie. Er is daarom al jaren dringend behoefte aan alternatieve test systemen, die recent nog meer is toegenomen omdat door de invoering van het REACH systeem grote hoeveelheden toxiciteits testen zullen moeten worden uitgevoerd. Een alternatieve test zal de kankerverwekkende eigenschap van een stof met minder dieren, in kortere tijd en met een hogere betrouwbaarheid moeten kunnen vaststellen, om het testen van naar schatting duizenden stoffen mogelijk te maken voor REACH. Een potentieel bruikbaar alternatief zijn transgene muizen met modificaties in genen betrokken bij het ontstaan van kanker. Verschillende transgene muismodellen zijn inmiddels geevalueerd als alternatief voor de chronische bioassay, en de eerste resultaten zijn bemoedigend. Transgene muismodellen bleken goed in staat te discrimineren tussen kankerverwekkende- en niet-kankerverwekkende stoffen, met een enorme reductie van het aantal vals-positieve stoffen. Bovendien bleek dit mogelijk met 3 tot 4 keer minder dieren in een 3 keer kortere tijdsduur. Nadeel van de transgene muismodellen is echter het incidenteel voorkomen van vals-negatieve resultaten. Een combinatie van een chronische bioassay met ratten met een kortdurende carcinogeniteits assay met transgene muizen elimineert deze vals-negatieve resultaten volledig, bovendien kunnen kankerverwekkende en niet-kankerverwekkende stoffen met een zeer hoge nauwkeurigheid (85% correct) geidentificeerd worden. In vergelijking met de nauwkeurigheid (69%) van de huidige test strategie (twee chronische bioassays) is dit een aanzienlijke verbetering, en toepassing van deze combinatie lijkt daarom op dit moment de beste strategie om kankerverwekkende stoffen te identificeren. De genoemde voordelen van transgene muismodellen hebben er inmiddels toe geleid dat de FDA en de EMEA/CPMP de combinatie van een chronische bioassay met ratten en een test met transgene muizen accepteren als reguliere testmethode voor geneesmiddelen. De tot nu toe gebruikte tweede chronische bioassay met muizen komt hierbij te vervallen. Echter, voor een bredere toepassing van transgene muismodellen in reguliere carcinogeniteitstesten zal een uitgebreidere evaluatie met meer stoffen en nieuw ontwikkelde transgene modellen moeten worden uitgevoerd, met de focus op modellen die geen vals-negatieve resultaten meer laten zien.
    • Transport by groundwater of radionuclides released after flooding of a repository in a salt dome

      Glasbergen P; de Greef E; Hassanizadeh SM; Leijnse A; Praagman N; Sauter FJ; van der Vorst JMC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-05-31)
      Het rapport geeft de theoretische achtergrond van de migratieprocessen van radionucliden door de ondergrond, nadat deze uit een opbergmijn in een zoutpijler zijn vrijgekomen. Vervolgens wordt de opzet en verificatie beschreven van een computer-programma voor deze migratie- processen. Bij een opbergmijn in zout dient in het bijzonder aandacht te worden gegeven aan dichtheidsstroming, aflossingsverschijnselen en interactie tussen zout en nucliden in oplossing. Voor de theoretische onderbouwing van het model zijn algemene vormen van wetten van Darcy en Fick afgeleid.<br>
    • Transport by groundwater of radionuclides released after flooding of a repository in a salt dome. (Period 1-5-1984 to 31-10-1984)

      Leijnse A; Praagman N; Sauter F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-30)
    • Transport Innovations: An Inventory of Future Developments in Transportation

      Nederveen AAJ; Konings JW; Stoop JA; NOP (1999-12-24)
      Abstract niet beschikbaar
    • Transport of Organic Biodegradable Micropollutants in an Aggregated Saturated Soil

      van Eijkeren JCH; Bouwer; E.J.* (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-11-30)
      Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en computerimplementatie van een transportmodel, waarin zijn opgenomen de physische processen van convectief-dispersief transport in een dimensie met laterale diffusie naar bolvormige aggregaten en diffusief transport in aggregaten (tweede, laterale dimensie), het chemische proces van lineaire evenwichtsadsorptie in aggregaten, en het microbiologische proces van bio-degradatie in aggregaten. Bio-degradatie wordt verondersteld plaats te kunnen vinden onder aerobe omstandigheden, anaerobe omstandigheden of beide, daarom maakt een stationair model voor de zuurstofverdeling essentieel onderdeel uit van dit model. Degradatie start na een acclimatisatieperiode, en acclimatisatie start na het overschrijden van een concentratie-drempelwaarde. Gevoeligheidsanalyse van parameters en simulatie van experimenten incideren de noodzaak van nauwkeurige bepaling van de aggregaat- en bio-parameters.<br>
    • Transport of pollutants through porous media facilitated by colloids: Mathematical analysis of the hyperbolic case

      Toorn RA van der; Weerd H van de; LBG; RUL (1995-01-31)
      In dit rapport wordt een wiskundig model beschreven waarmee het advectief transport van verontreinigingen in grondwater onder invloed van colloiden bepaald kan worden. Er wordt vanuit gegaan dat de concentratie colloiden in het grondwater constant is en dat er geen binding van colloiden aan de vaste fase optreedt. Verder wordt aangenomen dat sorptie van verontreinigingen aan de vaste fase en aan colloiden beschreven kan worden door Freundlich-isothermen. Het wiskundige model wordt geanalyseerd en er wordt een overzicht gegeven van alle mogelijke oplossingen. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de theorie van hyperbolische differentiaalvergelijkingen. Als voorbeeld wordt voor de metalen koper en americium de transportsnelheid berekend in aanwezigheid en afwezigheid van colloiden. Op basis van het overzicht van alle mogelijke oplossingen en de voorbeeldberekeningen wordt geconcludeerd dat met deze methode het effect van colloiden op het transport van verontreinigingen in een evenwichtsysteem kwalitatief bepaald kan worden. Belangrijke parameters zijn de Freundlich-constanten die het aantal beschikbare bindingsplaatsen op de colloiden en op de vaste fase en de preferentie van de sorptie bepalen. Vooral wanneer met afnemende verontreinigingsconcentratie de binding aan colloiden relatief meer preferent wordt dan binding aan de vaste fase, kan de transportsnelheid van verontreinigingen drastisch toenemen.
    • Transport scenarios for the Netherlands for 2030. A description of the scenarios for the OECD project &apos;Environmental Sustainable Transport&apos;

      Wee GP van; Geurs KT; Brink RMM van den; Waard J van de; LAE (1996-12-31)
      Het rapport beschrijft een referentie-scenario ('business-as-usual scenario') en drie scenario's die voldoen aan de criteria die binnen het OECD-project 'Environmental Sustainable Transport' (EST) zijn gesteld om duurzaam verkeer en vervoer te kunnen bereiken in het jaar 2030. In het OECD-project zijn drie criteria met betrekking tot het reduceren van emissies gesteld die gelden voor alle pilotstudies: CO2 -80%, NOx -90%, VOS -90% tussen 1990 en 2030. Drie aanvullende criteria met betrekking tot PM10-emissies, geluid en ruimtegebruik in 2030 zijn door de afzonderlijke landen ingevuld. De drie EST-scenario's zijn: (1) een scenario met alleen technische maatregelen ('high-technology scenario'), (2) een scenario met alleen mobiliteitsmaatregelen ('capacity-constraint scenario') en (3) een scenario met de 'optimale' combinatie van technische en mobiliteitsmaatregelen ('optimum-combination scenario'). Geconcludeerd wordt dat door alleen technische maatregelen, alleen mobiliteitsmaatregelen of een combinatie van technische en mobiliteitsmaatregelen de EST-criteria kunnen worden gehaald, mits sterke technologische ontwikkelingen en/of gedragsaanpassingen en wijzigingen van sociale en economische structuren op internationaal niveau worden verondersteld. Indien alleen technische maatregelen worden verondersteld, dan zullen kostbare technische maatregelen moeten worden geimplementeerd. Indien alleen mobiliteitsmaatregelen worden verondersteld, dan zullen deze grote sociale, culturele en ruimtelijke gevolgen hebben voor de samenleving. Een combinatie van technische en gedragsmaatregelen resulteert in minder stringente maatregelen, en zal waarschijnlijk het grootste potentiele draagvlak in de samenleving hebben.
    • Transport van radionucliden door de ondergrond

      Glasbergen P; Englund-Borowiec G; Nijhoff-Pan I; Slot AFM (1989-02-28)
      De transportberekeningen vormen deelrapport 9 van de veiligheidsevaluatie van opbergconcepten in steenzout. De berekeningen zijn in twee fasen uitgevoerd. Het grondwaterstromingssysteem is berekend als functie van een groot aantal mogelijke veranderingen die zich in de toekomst zouden kunnen voordoen. Zeespiegelvariatie en gevolgen van ijstijden zijn hierbij betrokken. Voor een aantal representatieve situaties is de nuclidenmigratie berekend vanaf een mogelijk punt van vrijkomen aan de rand van een zoutformatie tot aan het oppervlak of tot een waterwinput. De berekeningen zijn in de tijd doorgezet totdat de piekwaarde is gepasseerd. De uitkomsten dienen als invoer vor de biosfeerberekeningen in deelrapport 10.
    • Transportabele meetopstelling t.b.v. het calibreren van fotonenbundels

      Dijk; E.van (1984-10-29)
      Doel van het onderzoek was het samenstellen van een eenvoudig, transportabel exposiemeetsysteem geschikt voor het meten van gammastraling uitgezonden door de radioactieve nucliden Co-60 en Cs- 137. Het meetsysteem moet geschikt zijn om als transfer voor de nationale (primaire) exposiestandaard voor gammastraling te kunnen dienen. De door het meetsysteem aangegeven resultaten moeten snel en eenvoudig kunnen worden geinterpreteerd, zodat ter plaatse de uitgevoerde metingen kunnen worden beoordeeld. Voorts mag door het transport van het meetsysteem de onzekerheid in het meetresultaat niet worden vergroot.
    • TRAX: a track structure model for nanometer resolution in calculating the response of several single-hit and biological detectors to different radiations

      Blaauboer RO; Leenhouts HP; LSO (1995-06-30)
      Een 'track structure' (ionisatiespoor) model (TRAX) van de ruimtelijke energiedepositie door elektronen, ionen en gamma-straling wordt gepresenteerd. Het model is gebaseerd op fundamentele fysische principes zoals Coulomb-interactie en het excitatiespectrum van water. Met het model is het mogelijk om, binnen een groot energiebereik, de 'collision stopping power', de gemiddelde energie-overdracht per botsing en de gemiddelde straal van het ionisatiespoor te berekenen. Daarnaast is het voor een gegeven initieel spectrum van primaire deeltjes mogelijk het gehele verstrooiingsspectrum van gamma-straling, rontgenstraling, elektronen en ionen te berekenen alsmede de relatieve bijdrage van alle primaire en secundaire deeltjes in het energie-absorptieproces. Met het model is de respons berekend van twee zogenaamde single-hit targets (een radiochrome kleurenfilm en een alanine dosimeter) en een biologisch systeem (de inactivering van menselijke fibroblasten) na bestraling met fotonen, elektronen en diverse ionen. De relatieve respons is aan het model gefit en de fitparameters worden hier nader besproken. Toepassing van het TRAX-model geeft inzicht in de relatieve bijdrage van de verschillende primaire en secundaire deeltjes in het stralingseffect op diverse biologische en niet-biologische systemen.
    • Trend analysis of harmful gases in shipping containers (summary)

      de Groot GM; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-05-31)
    • Trend in natriuminname. Resultaten van duplicaatvoedingenonderzoek 1976-2004

      Buchner FL; van Egmond HP; Sizoo EA; Ocke MC; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)