• Towards development of a deposition monitoring network for air pollution of Europe ; Deposition monitoring over the Speulder forest

      Erisman JW; Draaijers GPJ; Mennen MG; Hogenkamp JEM; Putten E van; Uiterwijk W; Kemkers E; Wiese H; Duyzer JH; Otjes R; et al. (1996-04-30)
      In 1990 werd het 'Project Speuld' gestart dat tot doel had een depositie-monitoring opstelling voor verzurende komponenten boven het Speulderbos te implementeren ten behoeve van het continu bepalen van de depositie op het bos en daarmee het beleid onafhankelijk te kunnen evalueren. Het meetpunt Speulder bos zou uiteindelijk onderdeel moeten worden van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. In 1993 werd vanuit het LIFE project van de Europese Commissie DG XI het project 'Towards the development of a deposition monitoring network for air pollution of Europe' gefinancierd. Het doel van dit project was het ontwikkelen en implementeren van een depositiemonitoring-methode voor luchtverontreiniging in Europa. Een dergelijke methode zou gebruikt moeten worden als uitbreiding van bestaande Europese monitoring netwerken voor het meten van luchtconcentraties om depositieschattingen op ecosysteem-schaal te kunnen maken. In dit project werd een drietal monitoringstations ontworpen welke op drie plaatsen in Europa gedurende een jaar werden ingezet: Auchencorth, in een semi-natuurlijke lage vegetatie in Schotland ; Melpitz, in een grasland in Duitsland en Speulder bos, een Douglas sparrenbos in Nederland. Dit project betekende een uitbreiding van het project Speuld, waardoor er een uitbreiding van gemeten componenten plaats vond en verbetering aangebracht kon worden in bestaande methoden. Dit rapport beschrijft de resultaten van het deel van het LIFE project dat is uitgevoerd in het Speulder bos. Daarnaast kan dit rapport beschouwd worden als de eindrapportage van het project Speuld.
    • Towards development of a deposition monitoring network for air pollution of Europe

      Erisman JW; Mennen MG; Fowler D; Flechard CR; Spindler G; Gruner A; Duyzer JH; Ruigrok W; Wyers GP; LLO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      In January 1993 within the framework of the LIFE programme a project was financed which aim was to develop a deposition monitoring method for air pollution of Europe. This method should be used to extend existing European monitoring networks of air concentrations to provide deposition inputs on an ecosystem scale. A monitoring station for atmospheric deposition was designed and constructed using existing methods. Three such stations were applied in a pilot project for a year on three sites in different regions in Europe to estimate local inputs and to validate deposition models which are currently developed for estimation of ecosystem-specific deposition in Europe. The results of this project show that the developed deposition monitoring method is successful in determining the deposition of pollutants and can be applied on a routine basis. The equipment for flux measurements provided continuous high quality data for all major gaseous and particulate pollutants throughout the range of pollution climates present in Central and Northern Europe. The monitoring facility was therefore highly successful. The sites selected were representative of the major ecosystems of Europe and the range of air pollution climates (excepting urban areas and Mediterranean regions).
    • Towards human and social sustainability indicators

      Hilderink HBM; LOK (2004-03-02)
      Sinds de Brundtland commissie het rapport ten aanzien van duurzame ontwikkeling heeft gepresenteerd, heeft een groot aantal instellingen getracht deze te operationaliseren en/of the verfijnen met andere, gerelateerde concepten. In deze nieuwe concepten komen aspecten als armoede en ontwikkeling, bestaanzekerheid en kwaliteit van leven vaak terug. Operationaliseren van deze concepten heeft geleid tot een grote verzameling van indicatoren en samengestelde indicatoren (zogenoemde indices). Belangrijke voorbeelden zijn hiervan de Human Development Index en de Millennium Development Goals. De meeste van deze indicatoren zijn echter niet of niet goed theoretisch onderbouwd. De precieze omschrijving van wat deze indicatoren beogen te beschrijven ontbreekt vaak en de selectie van indicatoren lijkt soms meer gebaseerd te zijn op beschikbaarheid van data in plaats van een ex-ante set van criteria. Selectie van indicatoren kan worden gedaan op basis van criteria als gevoeligheid voor de te meten veranderingen, transparantie en redundantie. Met het toepassen van het Pressure-State-Impact-Response raamwerk komen indicatoren beter tot hun recht doordat er causaliteit onderscheiden wordt, en er een duidelijke relatie wordt gelegd met het onderliggende proces. Daarnaast levert het gebruik van een hierarchische representatie een transparant en traceerbaar indicatorenraamwerk op. De theorie van Maslow, waarin de sequentie van levensbehoeften wordt uiteengerafeld, sluit hierbij goed aan en is dan ook gebruikt om een beter gefundeerde, maar nog steeds praktische collectie van indicatoren te krijgen voor het sociale domein van duurzame ontwikkeling.
    • Towards human and social sustainability indicators

      Hilderink HBM; LOK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-03-02)
      Ever since the Brundtland Commission presented its report on sustainable development in 1987, various institutions have either adopted or tried to refine the approach used in the report. Currently, there is a broad collection of concepts that are often highly related to sustainable development. These concepts do not seldom include aspects like poverty and development, security issues and quality of life. The operationalization of these concepts has resulted in a broad collection of indicators and composites of indicators, the so-called indexes. Important examples of successful operationalization are the Human Development Index and the Millennium Development Goals. Most of these collections of indicators have no, or hardly any, theoretical foundation. Furthermore, the precise description of the underlying process that these indicators try to indicate is lacking and the availability of data seems to be the guideline for selection. Selection of indicators should be based on a list of criteria such as sensitivity to changes, transparency and redundancy. Applying the Pressure-State-Impact-Response mechanism can improve the selection and use of indicators since causal relationships are distinguished and underlying processes interlinked. Further refinement can be obtained by the use of a hierarchical representation, resulting in a transparent and traceable indicator framework. Maslow's theory of needs connects these aspects with the human/social sustainability domain. Applying this theory to the selection of indicators results in a well-founded, but still practical, collection of indicators for possible use in further depiction of social and human aspects of sustainable development.
    • Towards implementation of bioavailability measurements in the Dutch regulatory framework

      Brand E; Peijnenburg W; Goenenberg B; Vink J; Lijzen J; ten Hulscher D; Jonker C; Romkens P; Roex E; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraDeltaresRijkswaterstaatInstitute for Risk Assessment Sciences, 2009-05-07)
      Een onderzoeksgroep bestaande uit onderzoekers van het RIVM, Alterra, Deltares, Iras en RWS heeft enkele methoden geselecteerd waarmee risicobeoordelingen van verontreinigde bodems nauwkeuriger kunnen worden uitgevoerd. Met deze methoden kan worden bepaald welk gedeelte van stoffen die in de bodem zitten daadwerkelijk vrijkomt en risico's vormt voor planten en dieren in de bodem. Het is wetenschappelijk aangetoond dat alleen deze zogeheten biobeschikbare fractie van de verontreiniging het bodemecosysteem negatief kan beinvloeden. Niet alle delen van verontreinigende stoffen komen in planten of dieren terecht. De voorgestelde methoden kunnen de huidige risicobeoordeling aanvullen. De huidige risicobeoordeling van de bodemkwaliteit gebruikt totaalgehalten van verontreinigingen in de bodemecosystemen. Deze manier van risico beoordelen blijkt de risico's van bodemverontreiniging onjuist te kunnen weergeven. De indruk bestaat namelijk dat het meten van totaalgehalten er regelmatig toe leidt dat beleidsnormen worden overschreden, hoewel het ecosysteem niet lijkt aangetast. Vanwege deze overschrijdingen kunnen ingrijpende en vaak kostbare (sanerings-) maatregelen worden opgelegd die echter niet nodig zijn om het ecosysteem te verbeteren. De selectie van de methoden is gemaakt op basis van beschikbare wetenschappelijke informatie en een workshop met deskundigen op het gebied van biobeschikbaarheid. De biologische beschikbaarheid van stoffen staat al jaren in de wetenschappelijke belangstelling. Daarbij is meer inzicht verkregen in de interactie tussen bodemorganismen en de manier waarop verontreinigingen chemisch over het bodemecosysteem verspreid raken. Gelijktijdig zijn er methoden ontwikkeld en getest die de biobeschikbaarheid van verontreinigingen kunnen meten.
    • Towards integrated climate resilient water and sanitation safety planning : Summary report of the pan European Symposium on Water and Sanitation Safety Planning and Extreme Weather Events, April 6-7, 2017, Bilthoven, Netherlands

      Friederichs, L; van den Berg, HHJL; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-14)
      Klimaatverandering veroorzaakt extreem weer, dat droogte of juist hevige regenval en overstromingen tot gevolg heeft. Extreem weer heeft effect op de productie van schoon drinkwater en de verwerking van afvalwater, en vraagt daarom de komende jaren aandacht. Dit blijkt onder andere uit het symposium dat het RIVM in april 2017 heeft georganiseerd. Onderwerp van het symposium was het gebruik van de beoordelingskaders die de WHO heeft ontwikkeld om de effecten van de klimaatverandering voor deze systemen te kunnen opvangen. Het symposium was bedoeld om bewustwording van de effecten van klimaatverandering te vergroten en kennis te delen. Ook zijn voorbeelden gegeven van de manier waarop de WHO-kaders in de praktijk worden gebruikt. De nadruk lag op ervaringen in de zogeheten pan-Europese regio van de WHO: de Europese Unie, de Balkan, Oost-Europa, de Zwarte Zee-regio en Centraal Azië. Aangezien de gevolgen van extreem weer niet altijd zijn te voorkomen, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en te handelen als ze zich voordoen. Aanbevelingen voor een dergelijke voorbereiding zijn onder andere beschikbare data om te zetten naar bruikbare gegevens voor de mensen die er in de praktijk mee moeten werken. Dit kan bijvoorbeeld door complexe data beter te visualiseren. Ook is risicocommunicatie belangrijk om te voorkomen dat na overstromingen infectieziekten uitbreken. Om zo veel mogelijk mensen te bereiken, is het van belang om hierover via verschillende kanalen te communiceren. Daarbij valt ook te denken aan social media-kanalen. Het symposium is georganiseerd in verband met het Verdrag Water en Gezondheid (1999). Nederland heeft dit verdrag is in 2007 ondertekend. Sinds 2016 is het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) voor Nederland de trekker van het onderdeel: Veilige en efficiënte management van water- en afvalwatersystemen, waarbij klimaatverandering een belangrijke factor is. Als partnerinstituut van de WHO voor de risico-analyse en -management voor ziekteverwekkers in voedsel en water, ondersteunt het RIVM het ministerie bij de uitvoering van het genoemde onderdeel, dat doorloopt in een nieuw programma voor 2019-2021. IenW en het RIVM koppelen het werk voor het verdrag aan activiteiten om de VN Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) voor 2030 over gezondheid (doel 3) en water (doel 6) te halen.
    • Towards integrated environmental quality objectives for several compounds with a potential for secondary poisoning

      Plassche EJ van de; ACT; VW/RWS-DGW; AIDE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      Values are derived which can be used to set integrated environmental quality objectives (limit and target values) for 25 compounds with a potential for secondary poisoning. First, Maximum Permissible Concentrations (MPs) and Negligible Concentrations (NCs) are derived for water, sediment and soil based on direct effects on aquatic and soil organisms using extrapolation methods and on possible adverse effects due to secondary poisoning. Two foodchains are taken into account: an aquatic route (water --> fish or mussel --> fish- or mussel-eating bird or mammal), and a terrestrial route (soil --> earthworm --> worm-eating bird or mammal). Thereafter MPCs and NCs are harmonized using the equilibrium partitioning method. Secondary poisoning may be critical via the aquatic route for the following compounds: aldrin, cadmium DDT and derivates, dieldrin, endrin, all HCH isomers, penta- and hexachlorobenzene and methyl-mercury. For heptachlor, heptachlor epoxide and quintozene toxicity data for aquatic organisms as well as birds and mammals are too scarce to draw conclusions. Via the terrestrial route secondary poisoning may by critical for cadmium, copper, penta- and hexachlorobenzene and methyl-mecury. Due to scarcity of data (effects on soil organisms as well as toxicity data for birds and mammals) these results should be treated with caution. Also the method for assessing effects due to secondary poisoning via the terrestrial food-chain has several important limitations. The method applied in the present report to incorporate effects due to secondary poisoning is considered a first screening. For those compounds for which these effects may be critical more research is necessary, of which obtaining local and species specific information from field studies is most important.
    • Towards integrated environmental quality objectives for several compounds with a potential for secondary poisoning

      van de Plassche EJ; ACT; VW/RWS-DGW; AIDE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      Bij dit rapport hoort een bijlage met nummer 679101012A<br>
    • Towards integrated environmental quality objectives for several volatile compounds

      van de Plassche EJ; Bockting GJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-11-30)
      In the present report values are derived which can be used to set integrated environmental quality objectives (limit and target values) for 46 volatile compounds. First, Maximum Permissible Concentrations (MPCs) and Neglibible Concentrations (NCs) are derived for air, water, sediment and soil based on (eco)toxicological data. Thereafter these MPCs, NCs (limit and target values) are harmonized. Reason for harmonization is that the concentrations at e.g. MPC level in a compartment may not lead to exceeding of the MPC in other compartments. MPCs and NCs for water, sediment and soil are harmonized uzing the equilibrium partitioning method. For harmonization of the values for water, sediment and soil with the ones for air a procedure had to be developed. Since air may not be at or even near equilibrium with water, sediment and soil due to the rapid refreshment of the atmosphere a procedure is used applying computed steady state concentration ratios instead of equilibrium partitioning. The multimedia model SimpleBox is used for these computations. By comparing computed steady state concentrations with the derived MPCs and NCs based on (eco)toxicological data it is investigated whether adjustment of the MPCs or NCs for water for 5 compounds had to be adjusted downwards.<br>
    • Towards operational environmental applications using terrestrial remote sensing

      Veldkamp JG; Velde RJ van de; LBG (1996-11-30)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van het Beleidscommissie Remote Sensing (BCRS) project 'Verankering van toepassingen van terrestrische remote sensing bij RIVM'. Het had ten eerste tot doel te voldoen aan de voorwaarden, zoals gesteld in de inventarisatie van remote sensing als gegevensbron voor milieuonderzoek, welke aan deze studie vooraf ging. Ten tweede moesten milieutoepassingen van terrestrische remote sensing gerealiseerd worden. Een aantal remote-sensingproducten is verkregen, en gebruikt, als basismateriaal en referentie, voor het maken van een verbeterde versie van het Europese Landgebruiksbestand van RIVM. De gegevens zijn opgeslagen in een meta-informatiesysteem. De informatie-infrastructuur is op zodanige wijze aangepast dat remote-sensinggegevens in de bestaande gegevensstroom opgenomen kunnen worden, en gebruikt kunnen worden in beleidsgericht milieuonderzoek. Op nationale schaal blijkt remote sensing een belangrijk, maar niet beslissend hulpmiddel te zijn, en in het bijzonder van belang voor het afleiden van landbedekkingsinformatie van hoge resolutie. Op Europese schaal is het belang van remote sensing als bron van landgebruiks- en -bedekkingsgegevens veel groter, vooral wegens het gebrek aan alternatieve bronnen. De benodigde informatie-infrastructuur die nodig is om te kunnen werken met remote-sensinggegevens is beschikbaar op het RIVM.
    • Towards sustainable recycling : A method for comparing the safety and sustainability of the processing of residual flows

      Traas, TP; Zweers, PGPC; Quik, JTK; Waaijers, SL; Lijzen, JPA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-23)
      De Europese Green Deal is bedoeld om Europa klimaatneutraal temaken in 2050. Een belangrijk onderdeel is minder afval storten of verbranden, en het zo veel mogelijk hergebruiken of recyclen. Dat moet wel veilig zijn voor mens en milieu. Het RIVM stelt een methode voor om te kijken hoe veilig en duurzaam verschillende vormen om afval te verwerken zijn. Door de resultaten te vergelijken kunnen beleidsmakers en afvalverwerkers goed doordachte keuzes maken over nieuwe vormen van afvalverwerking. De methode bestaat uit zes stappen. Daarin wordt gekeken naar het risico van eventueel aanwezige schadelijke stoffen en de winst van de afvalverwerking voor het milieu. Het gaat om Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), maar ook om ziekteverwekkers, resten van medicijnen en bestrijdingsmiddelen. Stap 1 verzamelt informatie over aanwezige schadelijke stoffen. Stap 2 bekijkt welke mogelijkheden er zijn om het afval te verwerken. Stap 3 controleert of de stoffen niet boven de gestelde maximale concentraties uitkomen. Als dat wel zo is, wordt in stap 4 met een risicoanalyse bepaald of mensen of het milieu aan de stof kunnen worden blootgesteld tijdens de verdere verwerking en gebruik. Stap 5 geeft aan hoeveel energie (en daarmee CO2) het bespaart en in welke mate landgebruik vermindert als het materiaal wordt gerecycled. De laatste stap vergelijkt de mogelijkheden met elkaar. Het RIVM geeft aanbevelingen voor verbeteringen en aanvulling op deze eerste uitwerking. De methode is nu uitgewerkt voor de risico’s van ZZS, maar in de opzet is al rekening gehouden met andere genoemde risico’s. Ook moeten hiervoor de databases met informatie over de bestanddelen van producten en materialen en voor duurzaamheidsberekeningen worden uitgebreid. Om dit praktisch mogelijk te maken, is het gewenst de methode verder te testen en ontwikkelen met Europese partners uit de afvalketen en beleidsmakers.
    • Toxaphene exposure in the Netherlands

      Fiolet DCM; Veen MP van; LBM (2001-06-18)
      Het onderhavige rapport beschrijft de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan toxafeen, gebaseerd op gegevens uit een literatuurstudie en een voorspelling van het modeleringsprogramma EUSES. Toxafeen is feitelijk een uiterst complex mengsel van gechlorineerde bornanes, bornenes and bornadienes. De literatuurstudie geeft aan dat toxafeen over de hele wereld verspreid is. De emissie vertoond een piek rond 1975, maar een vergelijking tussen de huidige niveaus en de niveaus in 1970-1980 laten geen afname van de concentratie toxafeen in lucht zien. Een overzicht van potentiele blootstellingsroutes laat zien dat de consumptie van vis voor het merendeel van de blootstelling lijkt te zorgen. De gemiddelde dagelijkse inname via de voeding wordt geschat op 1-2 ng/kg lichaamsgewicht, op basis van gegevens in de literatuur. Voor mensen die regelmatig vis eten ligt de schatting zeven maal hoger. De bevinding dat de consumptie van vis de voornaamste blootstelling vormt is gecontroleerd met EUSES, een programma dat emissie, verspreiding en blootstelling aan organische verbindingen modelleert. Voor deze exercitie werden twee soorten toxafenen onderscheiden: lipofiele, vluchtige toxafenen en wateroplosbase, niet zo vluchtige toxafenen. De uitkomsten van EUSES ondersteunen de literatuur: verreweg de meeste toxafeen komt via visconsumptie in het lichaam. Dit geldt voor beide typen toxafenen. De voorspelling van EUSES voor concentraties toxafeen in voedsel, water en lucht komen goed overeen met in de literatuur opgegeven waarden.
    • Toxaphene exposure in the Netherlands

      Fiolet DCM; Veen MP van; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-18)
      The present report describes the exposure of the Dutch population to toxaphene based on a literature survey and the EUSES modelling program. Toxaphene is actually a highly complex mixture of mostly chlorinated bornanes, bornenes and bornadienes. The literature survey shows that toxaphene is distributed widely over the world. The emission peaks around 1975, but comparisons of recent levels with baseline levels from the 1970s and 1980s show no significant decline in ambient air. An overview of possible exposure routes show that most of human toxaphene exposure is attributed to intake of fish. The mean total daily dietary toxaphene intake in the Netherlands is estimated to be 1 - 2 ng/kg bodyweight, based on literature data. For consistent fish consumers this intake is seven time's larger. The finding that intake occurs via fish is checked using the EUSES program that models emission, distribution and exposure to organic chemicals. Two types of toxaphenes were defined for the modeling exercise: one lipophilic, volatile group and one water soluble, less volatile group. The EUSES outcome confirms the selective exposure via fish for both types of toxaphenes. Concentrations in intake media calculated by EUSES compare reasonably well to values reported in the literature.
    • Toxic by inhalation or not? Information search and classification of 41 substances

      Gunnarsdottir S; Herremans J; SEC (2008-07-11)
      De VN Model regulation Transport Gevaarlijke Goederen (VN-TDG) specificeert de criteria voor de classificatie van gevaarlijke stoffen. Deze classificatiecriteria maken gebruik van de fysisch chemische en toxicologische eigenschappen van stoffen. De correcte classificatie van stoffen is van essentieel belang voor veilig transport van gevaarlijke goederen. In opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Programma Veiligheid heeft het RIVM voor 41 stoffen de noodzaak tot classificatie in de VN-TDG vervoerscategorie 6.1 beoordeeld. Deze categorie is van toepassing als stoffen toxisch zijn. De resultaten hiervan zullen door het ministerie van Verkeer en Waterstaat worden ingebracht in het Subcomitee Transport Gevaarlijke Goederen van de United Nations Economic and Social Council. Over 41 stoffen is informatie verzameld om te kunnen bepalen of indeling in vervoerscategorie 6.1 noodzakelijk is en zo ja, welke verpakkingseisen gelden. De informatie over inhalatie toxiciteit en dampdruk van deze stoffen is afkomstig van openbare data bases. De gevonden informatie was voldoende om het merendeel van de stoffen te classificeren. De meeste classificeerbare stoffen voldoen aan de criteria voor classificatie in vervoerscategorie 6.1 op grond van hun toxiciteit bij inhalatie. Negen stoffen zijn zogenoemde isocyanaten. Voor twee isocyanaten is volledig informatie voor classificatie in de openbare databases gevonden terwijl voor de overige deze informatie ontbrak. Op basis van "read-across" kan echter worden geconcludeerd dat de zeven isocyanaten een vergelijkbare classificatie kunnen krijgen als de twee geclassificeerde isocyanaten.
    • Toxic effects of heavy metals in three worm species exposed in artificially contaminated soil substrates and contaminated field soils

      Posthuma L; Notenboom J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      The toxicity of chemicals is often determined in standardised laboratory experiments. OECD artificial soil (artisoil) is often used to determine chemical toxicity for soil organisms. This report presents exposure and effect assessments of metals for three worm species (Eisenia andrei, Enchytraeus crypticus and Enchytraeus albidus) in metal contaminated field soils. The species differ with respect to metal sensitivity and ecological niche. Field soils were sampled at geometrically increasing distances from a former zinc smelter, to mimic a concentration-effect curve. The soils were characterised for various physico-chemical parameters. The concentrations of zinc, copper, lead and cadmium were measured, and metal partitioning over solid and liquid phase was determined using total-, 0.01M-CaCl2-extractable- and pore water concentrations. Soil characteristics differed between sampling sites. Metal extractability tended to be lower in the field soils in comparison with artisoil to which metal salts were added. Exposure assessment showed that body concentrations of various metals increased less in the smelter soils than in artisoil with similar metal concentrations. Effect assessments were made by determining concentration-response curves for the dominant metal zinc alone, and for the mixtures of metals present in the soils, at similar soil pH. When expressed by total soil concentrations, toxic effects in field soils were less than in artisoil for E. andrei. For E. crypticus the opposite was found. E. albidus did not perform well in the soils, and was not used further. The predictability of effects in field soil from laboratory toxicity data improved when differences in metal extractability and joint effects of metals were taken into account. Joint effects were judged by application of the concept of relative concentration addition. It is recommended to take these factors into account when laboratory toxicity data are used to predict effects at contaminated sites or to derive soil quality criteria.
    • Toxic effects of heavy metals in three worm species exposed in artificially contaminated soil substrates and contaminated field soils

      Posthuma L; Notenboom J; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      De toxiciteit van chemische stoffen wordt vaak bepaald via gestandaardiseerde laboratorium experimenten. OECD-kunstgrond wordt vaak gebruikt om de toxiciteit van stoffen voor bodemorganismen te bepalen. Dit rapport beschrijft een blootstellings- en effectbeoordeling van metalen bij drie wormensoorten (Eisenia andrei, Enchytraeus crypticus en Enchytraeus albidus) bij blootstelling aan metaalverontreinigde veldgrond. De onderzochte wormsoorten verschillen wat betreft metaalgevoeligheid en ecologische niche. Veldgronden werden verzameld in een geometrische reeks van toenemende afstand rond een voormalige zinksmelter, om zodoende een concentratie-responscurve voor de veldgronden te kunnen vaststellen. De gronden werden fysisch-chemisch gekarakteriseerd. De concentraties van zink, koper, lood en cadmium werden gemeten, en de partitie over de vaste en vloeibare fase van de grond werd bepaald met behulp van totaal-, en CaCl2-extraheerbare- en poriewater concentraties. Bodemkarakteristieken verschilden tussen de verschillende monsterlokaties. De beschikbaarheid van metalen in de veldgronden was lager dan in kunstgrond met toegevoegde metaalzouten. De blootstellingsbeoordeling toonde aan dat de lichaamsconcentratie van verschillende metalen minder toenam in de veldgronden dan in kunstgrond bij vergelijkbare metaalconcentraties. Effectbeoordelingen werden uitgevoerd door het vaststellen van concentratie-effect curves voor het dominante metaal zink apart, en voor het metaalmengsel in de veldgronden, bij gelijke pH. Bij beoordeling op basis van totaalconcentraties bleken de toxische effecten in de veldgrond lager dan in kunstgrond voor E. andrei. Voor E. crypticus werd het omgekeerde gevonden. E. albidus reproduceerde onvoldoende om vergelijkingen te kunnen maken. De voorspelbaarheid van effecten in veldgrond op basis van laboratoriumgegevens nam toe indien rekening gehouden werd met de verschillen in fysisch-chemische metaalbeschikbaarheid en gecombineerde inwerking van de in de veldgrond aanwezige metalen. Bij de beoordeling van gecombineerde inwerking is gebruik gemaakt van het concept van relatieve concentratie additie. Aanbevolen wordt om deze factoren te betrekken bij de beoordeling van toxische effecten op verontreinigde veldlocaties en bij het afleiden van ecotoxicologische risicogrenzen op basis van resultaten uit laboratorium-toxiciteitsstudies.<br>
    • Toxic Effects of Pollutants on Methane Production of River Sediment

      van Vlaardingen PLA; van Beelen P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-01-31)
      The effects of five compounds on the endogenous methane production of sediment samples of the river Rhine were examined. The concentrations of a toxicant that inhibited the methane production for 10% and 50% are called EC10 and EC50. Benzene, 1,2- dichloroethane, pentachlorophenol and chloroform had EC10 values of >10000, 860, 140 and 5.5 mg/kg dry sediment, respectively. These values are well above the actual field concentrations, so the methane production is not inhibited. In one experiment, added zinc was toxic at concentrations far below the present background concentration in the sediment (800 mg Zn/kg) with an EC10 of 48 mg Zn.kg. In a second experiment with another sediment, however, the EC10 value was 1780 mg/kg. The difference in sensitivity is probably due to a different availability of zinc in the two experiments. Factors that govern the speciation of zinc in the sediment (e.g. the concentration of sulfide) are thus important when considering possible effects of zinc on microbial activity. Insight in these mechanisms, which also apply for other heavy metals, is needed as it was shown that zinc can be toxic at very low concentrations.<br>
    • Toxic effects of pollutants on the Mineralization of 4-chlorophenol and Benzoate in methanogenic river sediment

      van Beelen P; van Vlaardingen PLA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-08-31)
      The toxic effects of pollutants on the mineralization of 2 mug/l [U-14C] 4-chlorophenol and benzoate were studied in microcosms with methanogenic sediment from the Rhine river. In contrast with studies using a high substrate concentration no lag time was observed and the half-lives for 4-chlorophenol and benzoate were 1.6 and 0.55 hours, respectively. The effect of increasing additions of benzene, chloroform, 1,2-dichloroethane, pentachlorophenol and zinc on each mineralization reaction was measured. Toxicity data were fitted with a logistic dose-effect curve. The IC10 is defined as the concentration of a toxicant inhibiting the mineralization rate for 10%. The IC10 concentration of benzene, chloroform, 1,2-dichloroethane, pentachlorophenol and zinc on the benzoate mineralization was 150, 0.04, 71, 6 and 842 mg/kg sediment d.w. respectively. This latter value includes the background concentration of 800 mg Zn/kg sediment. The mineralization of 4-chlorophenol and benzoate showed similarities in the sensitivity for these toxicants. 4-Chlorophenol can be degraded via benzoate which might explain the similarities in sensitivity of both mineralization reactions. Chloroform proved to be extremely toxic to anaerobic mineralization reactions, probably due to the formation of very toxic and reactive intermediates formed during the slow anaerobic degradation of the chloroform in anaerobic sediments. Sediment quality criteria derived solely from standard toxicity tests using aerobic organisms, may lead to complete inhibition of several important microbial processes in anaerobic sediments.<br>
    • Toxic Effects of Pollutants on the Mineralization of Acetate in Methanogenic River Sediment

      van Vlaardingen PLA; van Beelen P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-02-28)
      The functioning of anaerobic bacteria in river sediments is vital for the stability of freshwater ecosystems. The sensitivity of these organisms for pollutants is therefore important for the establishment of valid sediment quality criteria. Acetate is a key intermediate in the carbon cycle and was chosen as a model substrate for the activity of anaerobic bacteria. The effects of pollutant on the anaerobic mineralization of acetate was studied in sediment microcosms. A small amount (0.7 mug/l) of 14 radioactive C labelled acetate was added to bottles with fresh anaerobic river sediment. The acetate was converted methane and 14 radioactive carbondioxide with a half-life of 0.2 - 0.5 hours. Adding a toxicant decreased the mineralization rate of acetate. The IC10 is defined as the concentration which decreases the mineralization rate of acetate with 10%. Addition of mercury or zinc did not inhibit the acetate mineralization. Benzene, pentachlorophenol, 1,2-dichloroethane and chloroform inhibited the acetate mineralization and showed IC10 concentrations of 480, 19, 0.7 and 0.04 mg/kg sediment respectively. Benzene, 1,2-dichloroethane and chloroform are usually considered to be narcotic toxicants and they have a low octanol water partitioning coefficient. The high toxicity of 1,2-dichloroethane and chloroform shows that these compounds do not exhibit minimum toxicity on bacteria under these conditions but perform a specific mode of action. This indicates that sediment quality criteria solely based on tests with aerobic organisms will not always be sufficient to protect the anaerobic processes in the sediment.<br>