• Tuberculose in Nederland 2017 - Surveillancerapport : inclusief rapportage monitoring van interventies

      Broek I van den; Blijboom L; de Melker HE; Erkens CGM; Broek I van den; Broek I van den; Broek I van den; de Melker HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      In 2017 is het aantal tuberculosepatiënten in Nederland aanzienlijk afgenomen, na een toename in de twee jaar ervoor. In 2017 zijn 787 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 887 in 2016. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze infectieziekte veel voorkomt, zoals Afrika en Azië. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (94), gevolgd door Marokko (73) en Somalië (58). Meerdere factoren zorgden voor de daling. Dat zijn onder andere de afnemende instroom van migranten in 2016 en 2017 en de afname van tuberculose onder de Nederlandse bevolking. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet gemeld worden bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. Het merendeel van de patiënten (tachtig procent) ging zelf naar een dokter; tien procent werd gevonden via de screening van een risicogroep en acht procent door personen in de omgeving van besmettelijke patiënten te onderzoeken. Door besmette contacten zo vroeg mogelijk op te sporen en te behandelen, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose kregen. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2017 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Dit blijkt uit de cijfers over 2017. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de voortgang te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Hiertoe is in 2016 het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 opgesteld. Volgens dit plan moeten bijvoorbeeld alle tbc-patiënten een hiv-test aangeboden krijgen, omdat een hiv-infectie het risico op tuberculose verhoogt. In Nederland steeg het percentage tbc-patiënten dat op hiv werd getest van 28 in 2008 naar 75 in 2017. In 2017 hadden 23 tbc-patiënten een hiv-infectie. Een ander doel van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 is dat 90 procent van tbc-patiënten de behandeling met medicijnen voltooit en dus niet voortijdig stopt. Voor een succesvolle behandeling moeten patiënten namelijk een lange periode (zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. In 2016 is dit doel behaald bij de patiënten die niet resistent zijn tegen het belangrijkste medicijn tegen tuberculose (rifampicine). De behandelresultaten van 2017 zijn nog niet bekend. Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. Dan is een complexe en langdurigere behandeling nodig. In Nederland schommelde het aantal patiënten de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2017 waren het er elf.
    • Tuberculose in Nederland 2018 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump, E; Erkens, CGM; van Hunen, R; Schimmel, HJ; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-12-03)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 15-01-2020 op pagina 86. Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2018 was er een kleine toename doordat er meer tbc bij minderjarige asielzoekers uit Eritrea voorkwam. In 2018 zijn er 806 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 783 in 2017. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2018 waren dat meer dan driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (133), gevolgd door Marokko (66) en India (46). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Meer dan de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland. Dit zijn grotendeels asielzoekers die in 2015 en 2016 in Europa kwamen. Dit blijkt uit de cijfers over 2018. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2018 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Veertien procent is gevonden door risicogroepen, zoals immigranten en asielzoekers, bij aankomst in Nederland te onderzoeken op tuberculose. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2018 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2018 is op deze manier gevonden.
    • Tuberculose in Nederland 2019 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump, E; van Beurden, KM; Erkens, CGM; Schimmel, HJ; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-02)
      Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2019 zijn er 759 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 797 in 2018. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2019 waren dat driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (88), gevolgd door Marokko (58) en India (41). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Bijna de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland op het moment dat de tuberculose is vastgesteld. Dit zijn grotendeels immigranten en asielzoekers die in de jaren 2015 tot en met 2018 in Europa kwamen. Zij zijn waarschijnlijk in het land van herkomst of gedurende de reis naar Nederland besmet. Dit blijkt uit de cijfers over 2019. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2019 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Twaalf procent is gevonden door risicogroepen te onderzoeken op tuberculose, zoals immigranten en asielzoekers bij aankomst in Nederland. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2019 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2019 is op deze manier gevonden.
    • Tumorigenic effects in Wistar rats orally administered benzo[a] pyrene for two years (gavage studies). Implications for human cancer risks associated with oral exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons

      Kroese ED; Muller JJA; Mohn GR; Dortant PM; Wester PW; LEO; LPI; CSR (2002-04-05)
      Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) komen zowel wijdverbreid in het milieu als in voedsel voor, beide als gevolg van menselijk handelen. PAK worden beschouwd als kankerverwekkend voor de mens (IARC, 1983). Dit is gebaseerd op zowel dierexperimenteel werk als op epidemiologische studies. De mens staat continu bloot aan deze groep verbindingen via de inhalatoire alsook de orale route (via voedselconsumptie), en in sommige gevallen via de huid. Een kwantitatieve schatting van het risico op kanker als gevolg van de inhalatoire blootstelling aan PAK in het milieu laat zien dat deze de acceptabel geachte grens, 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden, ruimschoots overschrijdt. Schatting van het risico op kanker als gevolg van blootstelling aan PAK via het voedsel wordt belemmerd door gebrekkige dierexperimentele en epidemiologische gegevens. De noodzaak om dit risico te kwantificeren wordt ge6llustreerd door het feit dat de dagelijkse blootstelling via deze route in grootte een orde hoger geschat wordt dan die via inhalatoire blootstelling voor een aantal belangrijke carcinogene PAK, zoals benzo[a]pyreen (B[a]P). Omdat niet verwacht wordt dat epidemiologische studies hier op termijn uitkomst kunnen bieden, is grote behoefte aan goed uitgevoerd dierexperimenteel onderzoek. Om bovengenoemde reden is een carcinogeniteitsstudie uitgevoerd waarbij ratten levenslang oraal zijn blootgesteld aan B[a]P, algemeen beschouwd als een representatieve modelstof voor carcinogene PAK. De in het instituut gekweekte Wistar ratten (52 dieren per dosis en per sexe) zijn per maagsonde vijf dagen per week blootgesteld aan in soja-olie opgeloste B[a]P, in doseringen van 0 (kontrole), 3, 10 en 30 mg/kg lichaamsgewicht. Deze behandeling resulteerde in een dosis-gerelateerde toename in tumorincidentie in diverse organen en weefsels. Veruit de hoogste incidenties tumoren werden gevonden in lever en voormaag, beide organen met een lage spontane tumorincidentie in deze rattenstam. Levertumoren vormden daarnaast de belangrijkste doodsoorzaak in de hoogste dosis-groep in beide sexen. De tumorvorming in dit orgaan in vrouwtjes ratten is vervolgens gebruikt voor het berekenen van de carcinogene risico's volgens een door de Gezondheidsraad aanbevolen methode. Dit resulteerde in een "acceptabele dagelijkse dosis" (ADI) van 5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, d.w.z. overeenkomend met 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden. Op basis van de beschikbare gegevens over de carcinogene potentie en het voorkomen van diverse PAK in het voedsel in Nederland wordt voorgesteld een conversie-factor van 10 te gebruiken voor totale PAK-belasting in voedsel, ofwel een ADI van 0.5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, met B[a]P als indicator voor in voedsel voorkomende PAK. Dit 'onverwacht' lage risico, althans in vergelijking met de bovenvermelde risico's van PAK bij inhalatoire blootstelling, en de onzekerheden in de database en gebruikte methodiek, worden bediscussieerd. De vorming van DNA addukten door B[a]P is ook in deze species bestudeerd onder dezelfde blootstellings condities. DNA addukten (bepaald met de 32P-postlabelings-methodiek, die stabiele DNA addukten met grote gevoeligheid kan detecteren) konden in alle onderzochte organen en weefsels worden aangetoond. Omdat tumoren slechts in een beperkt aantal hiervan werden gevonden, kan worden geconcludeerd dat de vorming van stabiele DNA addukten op zichzelf niet voldoende is voor tumorvorming. Ook de totale hoeveelheid DNA addukten (ofwel de dichtheid), of de vorming van specifieke DNA addukten kon niet aan de localisatie van tumorvorming gerelateerd worden. Daarentegen suggereren waarnemingen in de range-finding en sub-chronische studies dat lokale celproliferatie een kritische additionele factor in tumor-vorming zou kunnen zijn. De mogelijke implicaties van deze bevindingen worden bediscussieerd.
    • Tumorigenic effects in Wistar rats orally administered benzo[a] pyrene for two years (gavage studies). Implications for human cancer risks associated with oral exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons

      Kroese ED; Muller JJA; Mohn GR; Dortant PM; Wester PW; LEO; LPI; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      Humans are exposed via the environment and via food to Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAH), mixtures considered carcinogenic by IARC. A quantitative cancer risk assessment for oral exposure is hampered by the absence of adequate data. The need for experimental data is substantiated by the fact that daily oral doses exceed inhaled doses for some potent carcinogenic PAH compounds, e.g. benzo[a]pyrene (B[a]P), by one order of magnitude, and the fact that epidemiological studies are not expected to provide useful data in this respect. For this reason we have performed a carcinogenicity study in rats; treatment (by gavage) for 2 years with the reference PAH B[a]P resulted in tumour-formation in a wide spectrum of organs and tissues, with liver and forestomach as major target-organs. Liver tumours in female rats were used for estimating a Virtually Safe Dose (VSD), i.e. the daily dose representing a one per million risk upon lifetime exposure, via methodology adopted by the Dutch Health Council (HCN, 1994-1996). Based on available data on occurrence and carcinogenic potency of PAH in Dutch diet it is suggested to apply a correction-factor of 10 for conversion to a VSD for B[a]P as indicator for all dietary PAH. With the resulting VSD of 0.5 ng B[a]P/kg bodyweight per day, cancer risks associated with PAH encountered in Dutch diet are estimated to be around acceptable risk levels. Parallel rat studies indicated that B[a]P-induced DNA adducts per se are not sufficient for tumour-development; induced local cell proliferation seems an additional critical factor. The possible implications of these findings are discussed.
    • Tumorpromotie-mechanismen en implicatie voor risicoschatting

      Bisschop; A. (1986-09-30)
      In het bijgaand rapport wordt ingegaan op het verschil in werkingsmechanisme tussen initiators (meestal zijn dit complete carcinogenen) en tumorbevorderende stoffen (tumorpromoters). Initiators werken door binding aan het erfelijke materiaal terwijl promotors als groeistimulans werken. Verder blijkt dat het overgrote deel van de huidige kennis omtrent werkingsmechanismen van tumorbevorderende stoffen is verkregen uit onderzoek met phorbol esters. Tevens wordt een overzicht gegeven van een aantal testsystemen om stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Het merendeel van deze testen dient nog uitgebreid te worden getoetst op hun bruikbaarheid om onbekende stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Er wordt geconcludeerd dat er bij de risico evaluatie van tumorpromoters van kan worden uitgegaan dat er voor de werking van deze stoffen een drempelwaarde bestaat waar beneden geen effect zal optreden.
    • Tussenevaluatie gebiedsdossiers drinkwaterwinningen : Aandachtspunten voor het landelijk beleid

      Wuijts S; Buis E; Verweij W; Dik HHJ; Houweling DA; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-08-29)
      In een gebiedsdossier inventariseren de betrokken partijen (gemeente, provincie, drinkwaterbedrijf en waterbeheerder) welke huidige en toekomstige risico's er zijn voor de waterkwaliteit bij een winning voor drinkwater. Met die kennis kunnen tijdig effectieve maatregelen worden genomen. De gebiedsdossiers maken ook duidelijk welke partij (lokaal, regionaal, nationaal) het meest aangewezen is om een maatregel te nemen. In dat verband heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geëvalueerd welke risico's en mogelijke maatregelen het beste op landelijke schaal kunnen worden opgepakt. Ze kunnen dan in de nog op te stellen Nota Drinkwater worden opgenomen of landelijk worden ingebracht in de plannen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voorbeelden van 'landelijke' risico's en maatregelen Een van de risico's is dat verschillende normenkaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen verschillende percepties ontstaan over de noodzaak om maatregelen te treffen, wat de bescherming van bronnen kan belemmeren. Verder is het milieubeschermingsbeleid nu vaak onvoldoende verankerd in lokaal ruimtelijk beleid. Hierdoor kan er onvoldoende aandacht zijn voor de bescherming van drinkwaterbronnen als nieuwe ruimtelijke activiteiten worden ontwikkeld. Voortgang invoering gebiedsdossiers Voor dit onderzoek zijn de beschikbare gebiedsdossiers voor oppervlaktewaterwinningen en kwetsbare grondwaterwinningen beoordeeld. Ondanks een voortvarende aanpak is ongeveer een derde van de dossiers nog niet afgerond, doordat voor sommige onderdelen meer tijd nodig is. Ook blijkt dat de maatregelen uit de gebiedsdossiers zich (volgens plan) in verschillende ontwikkelingsstadia bevinden: sommige worden al geïmplementeerd, andere nog niet. Daardoor kan voor veel winningen het effect van maatregelen nog niet worden geëvalueerd. Het totale beeld van de kwaliteit van de waterwinningen blijft dat bij 25 procent van de winningen normen voor stoffen worden overschreden. Verder is ongeveer de helft van de winningen beïnvloed door menselijk handelen, zoals landbouw, riolering, industrie en oude bodemverontreinigingen.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Voedselveiligheid

      Boon, PE; van Donkersgoed, G; van der Vossen, W; Sam, M; Noordam, MY; van der Schee, H (r, 2019-06-21)
      De Nederlandse overheid wil dat het aantal groente- en fruitproducten op de Nederlandse markt waar te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen op zitten, laag blijft. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit tussen 2013 en 2017 is gebeurd. Meer dan 95 procent van de producten bevatten concentraties die lager zijn dan wat wettelijk is toegestaan. Producten uit landen buiten Europa, zoals gojibessen, overschrijden steeds minder vaak de norm, maar deze ontwikkeling is nog niet stabiel. Aandacht voor lagere concentraties in deze producten blijft nodig. Het lage percentage producten waarop te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zitten, laat zien dat tuinders zorgvuldig met deze middelen omgaan. Bovendien worden producten die van buiten de EU komen extra gecontroleerd. Ook stellen supermarkten sinds het begin van deze eeuw strengere eisen aan de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit dan de norm. In welke mate deze maatregel invloed heeft gehad, viel buiten het bestek van dit onderzoek. Verder is de berichtgeving over resten van gewasbeschermingsmiddelen richting het publiek sinds 2010 aangepast. Het Voedingscentrum en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verspreiden sindsdien actief informatie over resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel en zijn een aanspreekpunt voor vragen. Wel blijven mensen zich zorgen maken over de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen waar deze zorg vandaan komt en hoe deze zorg zou kunnen worden verminderd.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Milieu

      Verschoor, A; Zwartkruis, J; Hoogsteen, M; Scheepmaker, J; de Jong, F; van der Knaap, Y; Leendertse, P; Boeke, S; Vijftigschild, R; Kruijne, R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-21)
      De normen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater worden nog te vaak overschreden. Het tussentijdse doel dat de normen in 2018 vijftig procent minder vaak worden overschreden dan in 2013, is daardoor niet gehaald. Dit doel is een onderdeel van het kabinetsbeleid om de landbouw duurzamer te maken. Het is echter onduidelijk hoe vaak en voor hoeveel stoffen de normen precies worden overschreden. De schadelijkste gewasbeschermingsmiddelen kunnen namelijk niet nauwkeurig genoeg worden gemeten. De waterschappen hebben gemeten of ruim 200 verschillende gewasbeschermingsmiddelen voorkomen in oppervlaktewateren bij landbouwpercelen. Ten minste tweederde van de meetpunten voldoet niet aan de waterkwaliteitsnormen. Volgens berekeningen veroorzaken slechts 4 stoffen 90 procent van de effecten in het oppervlaktewater. Juist deze stoffen zijn moeilijk meetbaar. Daarom beveelt het RIVM aan de monitoring van de waterkwaliteit te verbeteren. Ook blijken de normen voor de beoordeling of stoffen op de markt mogen worden toegelaten, soms minder streng te zijn dan de normen voor de waterkwaliteit, die gelden als de stof eenmaal op de markt is. Aanbevolen wordt deze normen beter op elkaar af te stemmen. Voor 5 gewassen is berekend dat de waterkwaliteit tot ruim 50 procent kan verbeteren door zogeheten geïntegreerde gewasbescherming. Bij deze werkwijze is chemische bestrijding een laatste stap, als andere manieren van plaagbestrijding niet werken. Eerst moeten preventieve maatregelen worden genomen die de landbouw minder kwetsbaar maken voor grote plagen, zoals de aanleg van bloemrijke akkerranden en meer variëren in de teelt van in landbouwgewassen. Het beleid heeft ook doelen voor grondwater en biodiversiteit opgesteld, al zijn die minder concreet. Volgens berekeningen zijn de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater gemiddeld 6 procent lager geworden. Om te kunnen aangeven hoe de concentraties zich ontwikkelen, wordt de provincies aanbevolen het grondwater langere tijd te meten en de metingen beter op elkaar af te stemmen. Om te zien of de ingezette beleidsmaatregelen helpen om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, zou de biodiversiteit in Nederland langere tijd moeten worden gevolgd.
    • Tussenrapportage over fase 1 en 2 van het vervolgonderzoek naar Ra-226 in havenspeciepoldergronden

      Stoop P; Pennders RMJ; Lembrechts JFMM; LSO (1994-08-31)
      De ook in Nederland belangrijk toegenomen aandacht voor de risico's van radon (met name Rn-222)in het binnenhuismilieu waren voor VROM aanleiding een onderzoek te laten doen naar de relatie tussen de radonconcentratie in woningen en het gehalte aan radium (Ra-226)in de bodem waarop deze staan. Dit onderzoek zou zich niet alleen moeten richten op natuurlijke bodems maar ook op een aantal niet-natuurlijke. De bodems die ontstaan zijn door het ophogen van poldergronden met havenspecie uit de Rotterdamse havens vormen een voorbeeld van een niet-natuurlijk bodemtype met een radiumgehalte dat in sommige gevallen significant hoger is dan dat van de meeste natuurlijke bodems. Dit rapport beschrijft de eerste twee fasen van het vervolgonderzoek naar radiumgehalten in havenspeciepoldergronden. Analyse van het radiumgehalte en een aantal bodemkarakteristieken van 30 havenspeciepoldergronden leert dat: (1) op de meeste lokaties hogere radiumgehaltes voorkomen dan verwacht op basis van de natuurlijke situatie, (2) het hoogste gemiddelde radiumgehalte ongeveer vier maal het landelijke gemiddelde is (3) het radiumoverschot gerelateerd is aan de verontreiniging met cadmium en (4) de onderzochte polders waarop woningen zijn gebouwd gemiddelde radiumgehalten bevatten die naar verwachting te klein zijn om in een beperkte steekproef verschillen aan te tonen tussen de gemiddelde radonconcentratie in deze woningen en die in soortgelijke woningen op terreinen zonder radiumoverschot. Het rapport eindigt met conclusies en aanbevelingen voor fasen 3 en 4 van dit vervolgonderzoek.
    • Tussentijdse resultaten Gezondheidsonderzoek in de IJmond

      Elberse, JE; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R; Mooibroek, D; Zoch, JP; Dusseldorp, A; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-14)
      Het RIVM onderzoekt de luchtkwaliteit en de gezondheid van bewoners in de IJmond in Noord-Holland. In deze omgeving zijn er activiteiten die het milieu belasten, zoals zware industrie van Tata Steel. Omwonenden maken zich zorgen welke effecten deze activiteiten hebben op hun gezondheid. Zij hebben het gevoel dat de luchtkwaliteit op sommige uren of dagen (pieken) slecht is waardoor zij acute klachten ervaren, zoals hoesten, benauwdheid of prikkende ogen. Acute klachten komen snel op en gaan vaak snel weer weg. Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat de luchtkwaliteit vaker matig tot onvoldoende is in de IJmond. Ook blijkt dat er in de IJmond meer acute gezondheidsklachten worden gemeld bij de huisarts dan in andere industriegebieden en op het platteland. Deze klachten, die het Nivel bij huisartsen heeft verzameld, zijn bijvoorbeeld benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. Dit onderzoek geeft géén antwoord op de vraag wat de oorzaak is van de gezondheidsklachten. In de omgeving van Tata Steel komen vaker hogere concentraties fijnstof (PM10) voor dan in delen van Nederland zonder zware industrie. Het RIVM heeft dit met de GGD Amsterdam inzichtelijk gemaakt door aan te geven wat de concentraties fijnstof per dag en per uur zijn, waar normaal gesproken de nadruk ligt op het gemiddelde per jaar. Zo is het duidelijker wanneer en hoe vaak de concentraties fijnstof hoger zijn. Voor dit onderzoek is fijnstof gekozen als graadmeter voor de luchtkwaliteit. Fijnstof wordt op verschillende plekken in de IJmond gemeten en er is veel bekend over de effecten ervan op de gezondheid. Een studie onder omwonenden zou meer inzicht kunnen geven of er een verband is tussen de luchtkwaliteit en de acute gezondheidsklachten. Omwonenden zouden hiervoor langere tijd in een dagboek kunnen bijhouden op welke dagen zij bepaalde klachten hebben. Volgens het RIVM is zo’n onderzoek haalbaar. De provincie Noord-Holland moet afwegen of zo’n panelonderzoek ook wenselijk is.
    • Twee methoden om blootstelling op de werkplek te toetsen aan een grenswaarde: BOHS-NVvA (2011) en de NEN-EN-689 (2019) : Een vergelijking voor het gebruik in veilige werkwijzen

      ter Burg, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-12)
      Bedrijven die met chemische stoffen werken kunnen een veilige werkwijze opstellen. Deze werkwijze beschrijft nauwkeurig hoe werknemers op hun werkplek bij een bedrijf veilig kunnen werken. Als een bedrijf meerdere locaties heeft, geldt de werkwijze voor alle locaties. De Inspectie SZW vraagt bedrijven wel om aan te tonen dat de blootstelling aan de chemische stof voldoende onder controle is. Hiervoor wordt in Nederland sinds 2011 de BOHS-NVvA-methode gebruikt. Sinds 2018/2019 is ook de Europese NEN-EN-689-methode van kracht, nadat deze enkele jaren geleden was ingetrokken. Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie SZW gekeken hoe deze methoden zich tot elkaar verhouden. De methoden blijken op grotendeels dezelfde manier voor te schrijven hoe de blootstelling moet worden gemeten en geanalyseerd. Beide methoden zijn geschikt als ondersteuning van een veilige werkwijze. Wel heeft de BOHS-NVvA-methode de voorkeur boven NEN-EN-689. Dat komt omdat deze methode meer minimale eisen stelt aan de metingen: meer en vaker meten. Een hoger aantal metingen geeft met meer zekerheid aan dat de blootstelling voldoende onder controle is. Ook kan de BOHS-NVvA eenvoudiger voor meerdere locaties worden gebruikt. Deze kan namelijk aantonen of verschillende locaties van bedrijven op dezelfde manier werken of niet.
    • Tweede samenvattend voortgangsrapport radioactiviteitsmetingen in verband met het nucleaire ongeval in Tsjernobyl

      diverse instituten, 1986-06-20
      De radioactiviteitsniveaus zijn sinds begin mei 1986 aanzienlijk afgenomen in alle onderdelen van het milieu en de voedselketen. Vooral het niveau van I-131 is gedaald, maar ook de hoeveelheden van Cs-137 en Cs-134 zijn in diverse onderdelen van het milieu afgenomen. De radioactiviteit van de lucht en de neerslag is sinds 10 mei gedaald tot een niveau dat als niet-significant kan worden gekenschetst. De verhoging van het stralingsniveau boven besmette grond te Bilthoven is teruggelopen van 12 tot 3 microrontgen per uur. Dit laatste is gelijk aan het verschil van het natuurlijk stralingsniveau boven kleigrond en boven zandgrond. De besmetting van het oppervlaktewater is teruggelopen van 14 tot 1 kBq/m-3 (beta-totaal). De radioactiviteit in de voedselketen is in alle onderdelen teruggelopen tot ruim beneden de actiegrens. De aanvankelijk relatief hoge besmetting van spinazie en schapemelk is aanzienlijk gedaald, zodat de voor deze produkten ingestelde consumptierestricties inmiddels zijn opgeheven. Analyses van strontium- en plutoniumisotopen hebben uitgewezen dat de besmettingen met Sr-89 en Sr-90 relatief laag zijn. Het niveau van plutonium in de neerslag ligt onder de detectiegrens voor routinemetingen. De nieuwe meetresultaten geven op het moment geen aanleiding de in het rapaport van 13 mei vermelde schatting van de gemiddelde stralingsbelasting van volwassen personen in belangrijke mate bij te stellen. Thans worden ook voor kinderen de dosisschattingen gegeven: deze bijdragen voor een- en tienjarige kinderen resp. 100 en 60 muSv gedurende mei 1986 en 100 en 80 muSv over het jaar daarna.
    • Tweede voortgangsrapport Landelijk Meetnet voor Radioactiviteit

      Leijen CATM; Smetsers RCGM; Westerlaak PJM van; Lunenburg APPA van; Aldenkamp FJ (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Twelfth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2007) on typing of Salmonella spp.

      Berk PA; Maas HME; de Pinna E; Mooijman KA; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-23)
      De Nationale Referentie Laboratoria van de 25 Europese lidstaten scoorden dit jaar goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella. Sinds 1992 zijn deze laboratoria verplicht deel te nemen aan deze kwaliteitstoets, het zogeheten ringonderzoek voor de typering van Salmonella. Zes laboratoria hadden een herkansing nodig. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat Salmonella afkomstig uit monsters van levensmiddelen of dieren aantoont en typeert. Jaarlijks wordt gecontroleerd of de laboratoria hun werk goed uitvoeren. De laboratoria krijgen hiertoe twintig stammen Salmonella opgestuurd waarvan zij de juiste naam moeten achterhalen. Naast de NRL's doen de zogeheten Enter-Net laboratoria (ENL's) mee aan de ringonderzoeken. Zij analyseren vooral monsters afkomstig van mensen. De NRL's wisten 95 procent van de stammen de juiste naam te geven. De ENL's konden dit van 91 procent van de stammen. Enkele NRL's en ENL's zijn bovendien op hun expertise getoetst om een subtypering van soorten Salmonella te maken. Ze kregen tien stammen voorgelegd van twee soorten, te weten Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. De NRL's hebben 98 procent van de S. Enteritidis-stammen goed getypeerd, de ENL's 89 procent. Iets lastiger was de typering van de S. Typhimurium-stammen. De NRLs konden dit bij 91 procent van de stammen. De ENL's voor 89 procent. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRL-Salmonella). De CRL-Salmonella is ondergebracht bij het RIVM. De organisatie van dit ringonderzoek wordt ondersteund door de Health Protection Agency (HPA) in Londen.
    • The twelfth CRL-Salmonella workshop, 7 and 8 May 2007, Bilthoven, the Netherlands

      Mooijman KA; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-23)
      Op 7 en 8 mei 2007 organiseerde het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella een succesvolle bijeenkomst voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella van alle Europese lidstaten. De bijeenkomst vond plaats in Bilthoven, Nederland. De workshop werd alweer voor het twaalfde jaar georganiseerd. Van ieder NRL was (minimaal) een deelnemer aanwezig. Verder waren er ook enkele gastsprekers aanwezig. In totaal namen 47 mensen deel aan de tweedaagse workshop. Het belangrijkste doel van de workshop was om de NRL's te informeren over de activiteiten van het CRL-Salmonella. Hiertoe werden door medewerkers van het CRL-Salmonella presentaties gegeven over de resultaten van de rondzendoefeningen (ringonderzoeken) waar de NRL's aan hadden deelgenomen. Ook werden de plannen voor het komende jaar besproken.Naast de activiteiten van het CRL, werden ook over diverse andere onderwerpen gediscussieerd. De volgende onderwerpen kwamen aan bod: zoonosen in Europa, WHO Global Salm-Surv programma, Salmonella Dublin in rundvee, Salmonella Typhimurium in kaas, onderzoek van de omgeving bij uitbraken, gebruik van serologische methoden voor het aantonen van Salmonella in varkens en pluimvee. De twee nieuwe Europese lidstaten, Roemenie en Bulgarije, waren voor het eerst aanwezig bij de workshop. De deelnemers van de NRL's uit deze landen vertelden kort iets over de activiteiten van hun instituten. Ook het NRL van de Voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonie was voor het eerst aanwezig en gaf een korte presentatie.
    • Two field trials concerning the competitive exclusion of salmonellas and Campylobacter jejuni from chickens using a defined mixture of bacterial isolates

      Oosterom; J.; Mead; G.C.*; Impey; C.S.*; Voeten; A.*; Notermans; S.H.W. (1984-11-30)
      Het rapport beschrijft twee veldproeven waarin de beschermende werking van intestinale flora bij slachtkuikens tegen kolonisatie met Salmonella en C.jejuni werd onderzocht. De proeven werden uitgevoerd op een mestbedrijf met twee identieke kuikenhokken. Eendagskuikens in het ene hok kregen met het drinkwater beschermende flora toegediend, terwijl de kuikens in het andere hok niet werden behandeld. De intestinale flora bleek geen effect te hebben op de kolonisatie met C.jejuni. Met betrekking tot de Salmonella-kolonisatie konden geen conclusies worden getrokken omdat in beide proeven de eendagskuikens reeds met Salmonella waren besmet. In de eerste proef verdween deze besmetting spoedig, doch in de tweede proef handhaafde de Salmonella- besmetting zich tot het einde van de mestperiode. Er kon worden aangetoond dat de toegediende flora geen nadelige effecten op gezondheid of groei van de dieren opleverde.
    • Two stage per-O-methylation: a tool for structure elucidation of saccharide moieties

      Setten DC van; Werken G van de; LOC (1994-04-30)
      Dit rapport beschrijft tweetraps per-O-methylering (2-spOMe), een methode voor de structuuropheldering van koolhydraten en geglycosyleerde verbindingen. 2-spOMe is een uitbreiding van conventioneel monomeriseren: het monomeriseren wordt vooraf gegaan door per-O-methylering en gevolgd door per-O-deuteromethylering. Op deze manier worden vrije hydroxylgroepen gederivatiseerd tot methylethers en hydroxylgroepen van bindingsposities tot deuteromethylethers. De zo gevormde monomeren kunnen worden geidentificeerd met behulp van gaschromatografie. Het oorspronkelijke aantal bindingen per monomeer kan worden afgeleid uit het molecuulgewicht, dat werd bepaald met behulp van positieve ionen ammoniak chemische ionisatie massaspectrometrie. De methode werd succesvol getest met stachyose als testverbinding.
    • A Two-Mutation Model of Carcinogenesis: Application to Ra-226 Induced Osteosarcoma Prevalence in Beagles

      Venema LB; Leenhouts HP; LSO (1994-12-31)
      Dit rapport is een aanvulling op het RIVM-rapport (nr. 749251001) van Leenhouts en Chadwick en is bedoeld als achtergrond-document voor het twee-mutatie-carcinogenese model en voor zijn implementatie. Het twee-mutatie-carcinogenese model is gebaseerd op een gemodificeerd twee-stappen model van Moolgavkar en Knudson in combinatie met een moleculair model dat cellulaire stralingseffecten beschrijft. In de eerste hoofdstukken van dit rapport worden het model en zijn implementatie beschreven. Het door Leenhouts en Chadwick beschreven twee-mutatie-carcinogenese model is een beetje gemodificeerd en de wiskundige onderbouwing en beperkingen van het model worden besproken. Verder zijn er optimalisatie-procedures aan de implementatie toegevoegd waarmee de modelparameters bepaald kunnen worden om de modelresultaten aan te passen aan epidemiologische of experimentele gegevens. Aan het eind van dit rapport wordt het model geillustreerd door het model toe te passen op het vormen van osteosarcoma's in honden (beagles) die geinjecteerd zijn met Ra-226. Het model kan zowel de leeftijds- als dosisafhankelijkheid van de osteosarcoma-genese goed reproduceren. In tegenstelling tot de aanname dat de dosis-respons relatie voor alfa-straling lineair is, voorspelt het model een niet-lineaire dosis-respons relatie voor de osteosarcoma-genese in beagles die geinjecteerd zijn met verschillende hoeveelheden Ra-226. Het model gaat er hierbij wel vanuit dat op cellulair niveau het aantal mutaties lineair gerelateerd is aan de door alfa-straling toegediende dosis. Verder blijkt uit het model dat de spontane incidentie van osteosarcoma's in beagles een grote invloed heeft op de dosis-respons relatie en dat een verandering in het dosisprofiel ook direct tot een andere dosis-respons relatie kan leiden. Deze invloeden worden momenteel niet meegenomen in de bepaling van stralingsrisico's.