• Type 2 diabetes mellitus bij Europese jongeren

      Blokstra A; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-18)
    • Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bloem J; Bogte JJ; Breure AM; Brussaard L; de Goede RGM; Faber JH; Jagers op Akkerhuis GAJM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenWageningen UniversiteitPraktijkonderzoek Plant en OmgevingWageningenLouis Bolk Instituut, 2007-12-14)
      Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken. De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland. Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder Ch; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; Eekeren N van; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-24)
      The coming years will see a transformation in the Dutch policy for soil protection, with the focus shifting from soil protection to sustainable use of the soil. Within the framework for sustainable land use, the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) requested RIVM and other institutes to formulate quality references for a 'healthy' soil. Two references were formulated: one for dairy farming on sandy soil and one for natural grassland on sandy soil. References are represented by numerical values for chemical, physical, biological and other parameters. Data for determining references were derived from the database of the soil biological indicator sub-set of the Dutch Soil Monitoring Network. A step-by-step approach was developed to select key parameters from the indicator sub-set. This approach was based on the so-called soil 'ecosystem services', i.e. soil fertility, resistance and resilience against stress and disturbance, the buffer and reactor capacity of the soil, and biodiversity. 'Soil health' can therefore be assumed to be determined with the key parameters only.
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; van Eekeren N; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenLouis Bolk InstituutDriebergenBedrijfslaboratorium voor grond- en gewasanalyseOosterbeekSectie BodemkwalitieitWageningen Universiteit, 2006-02-24)
      Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.
    • The U-shaped dose-response curve of alpha-ergocryptine. Risk assessment ergot alkaloids

      Janssen GB; Boink ABTJ; Niesink RJM; Beekhof PK; Beems RB; te Biesebeek JD; van Egmond HP; Elvers LH; Jansen van 't Land C; van Loenen HA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-02)
      In een voorgaand subacuut toxiciteits experiment met alpha- ergocryptine werd een U-vormige dosis respons relatie waargenomen voor voedselinname en enkele andere parameters. Weer andere parameters waren beinvloed op een dosis afhankelijke wijze. Een kwalitatieve risico beoordeling voor ergot alkaloiden kan niet uitgevoerd worden zolang het mechanisme van deze U-vorminge dosis-respons curve niet uitgezocht is. Het doel van dit onderzoek is het testen van de hypothese dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Een tweede doel is het verklaren van de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname, veroorzaakt door alpha-ergocryptine. In de huidige toxiciteits experimenten (subacuut en biotelemetrie systeem), uitgevoerd met beperkt gevoerde dieren, werd aangetoond dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Op basis van literatuur onderzoek, statistische analyse van de data-set van het vorige toxiciteits experiment en de resultaten van de huidige studies werd geconcludeerd dat de dopaminerge eigenschappen van ergocryptine verantwoordelijk zijn voor de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname. Na combinatie van alle toxiciteits data en op basis van de in Nederland gemeten maximale concentraties aan totaal ergot alkaloiden in granen kan er geconcludeerd worden dat de minimale veiligheidsmarge tussen inname door de mens t.o.v. de NOAEL 145 bedraagt en dat er geen reden tot bezorgdheid voor de volksgezondheid lijkt te zijn.<br>
    • Ugilec 141, PCB&apos;s en dioxinen in paling uit de Roer

      Wammes JIJ; Linders SHMA; Liem AKD; Velde EG van der; LOC (1997-12-31)
      Naar aanleiding van vragen over het gezondheidsrisico bij sportvissers in het geval van consumptie van eigen gevangen paling uit de Roer werd in 1993 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's, dioxinen en Ugilec 141 in deze paling. Gebruik makend van door het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie ontwikkelde analysemethoden voor Ugilec 141, planaire-, mono-ortho- en indicator PCB's en PCDD/F's, werd de voorbewerking voor de verschillende stofgroepen gecombineerd uitgevoerd. De verschillende komponentengroepen kwamen voor op niveaus varierend van pg/g vet tot ug/g vet. Planaire PCB's kwamen voor op niveau van 0.2-0.8 ng/g vet en PCDD/F's op een niveau van 0.1-12 pg/g vet. Mono-ortho PCB's, indicator PCB's en Ugilec 141 zijn aangetoond op een niveau van 0.1-1.2 ug/g vet. De som van de gehalten van de onderzochte componentengroepen, uitgedrukt in 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ), werd hoofdzakelijk bepaald door de bijdrage van de planaire PCB's en de som van de twee onderzochte mono-ortho PCB's, namelijk ruim 90%. Door het toekennen van een relatief hoge toxiciteitsequivalentiefactor van 0.1, in combinatie met hoge gehalte, leverde PCB 126 de grootste bijdrage aan de totale toxiciteit. Ugilec 141 en de PCDD/F's droegen elk aan het totaal gehalte uitgedrukt in TEQ voor ongeveer 4% bij. Voor de onderzochte stofgroepen geldt dat de gehalten in paling afkomstig uit de Roer een dalende trend te zien geven in de tijd. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat de aangetoonde niveaus in paling afkomstig uit de Roer boven de niveaus liggen van die in overige Nederlandse oppervlaktewateren.
    • Ugilec 141, PCB's en dioxinen in paling uit de Roer

      Wammes JIJ; Linders SHMA; Liem AKD; Velde EG van der; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      Questions about the health risk of consumption of eel from the river Rur for anglers, were the reason for an investigation into the occurrence of PCBs, dioxins and Ugilec 141 in this eel. Methods developed at the Laboratory of Organic-analytical Chemistry have been used for the analysis of Ugilec 141, planar, mono-ortho and indicator PCBs and dioxins. Preliminary treatment of the samples was combined for the different kind of analytes. The different kind of analytes were found varying from pg/g fat till ug/g fat. Planar PCBs were found at a level of 0.2-0.8 ng/g of fat. Dioxins were found at a level of 0.1-12 pg/g of fat. Mono-ortho, indicator PCBs and Ugilec 141 were found at a level of 0.1-1.2 ug/g of fat. The total amount of the different components, expressed in 2,3,7,8-TCDD equivalents, is mainly determined by the contribution of the planar and mono-ortho PCBs. PCB 126 gives the greatest contribution to the total toxicity, due to the high TEQ value of 0.1, in combination with the concentration level. Ugilec 141 and the dioxins contribute of 4% each in the total toxicity. A decreasing trend in the levels was found for all components in eel from the river Rur, determined in this investigation. Levels in eel from the Rur were higher than the levels found in other Dutch surface waters.
    • Uitbouw en optimalisatie van het Landelijk Beeld van Verstoring. Partiele validatie en gevoeligheidsanalyse

      Dassen AGM; Jabben J; Janssen PMH; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-07)
      In this report details on, and background to a study on the extent and effects of exposure to noise from road, rail and air traffic in the framework of the fifth National Environmental Outlook are given as they are expected to develop from 1995 to 2030. The results have indicated environmental noise to be among the persistent environmental problems in the Netherlands. The whole process, from the basic data collection and processing to the application of a computer model for noise mapping and the analysis of its results has been described. The most comprehensive description is dedicated to the starting points and assumptions in line with the methodological approach. Special focus has also been placed on the way the effects of existing policy and measures to reduce noise (annoyance) in the Netherlands ar estimated and taken into account. The reproducibility of the figures and conclusions given in this fifth Environmental Outlook have been adequately handled in this way, while providing the interested reader with all the necessary background information.
    • Uitbouw en optimalisatie van het Landelijk Beeld van Verstoring. Partiele validatie en gevoeligheidsanalyse

      Dassen AGM; Jabben J; Janssen PMH; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-07)
      Aan de hand van de modelvergelijking, validatie en gevoeligheidsanalyse is getracht de onzekerheden in de modeluitkomsten van het Landelijke Beeld van Verstoring (EMPARA) te kwantificeren. De belangrijkste bevinding is dat de nauwkeurigheid van de 'gemiddelde' geluidbelasting berekend op een gebied, minimaal ter grootte van een middelgrote stad, zo'n 2 decibel bedraagt. De nauwkeurigheid kan worden vertaald in een onzekerheid in de geaggregeerde modelresultaten (geluidbelast oppervlak, geluidbelaste woningen) van enkele tientallen procenten. Een uitzondering vormt het aantal hoogbelaste woningen (>65 dB). Bij dit aantal moet in sommige situaties rekening worden gehouden met een onzekerheid die gelijk is aan het berekende aantal. De onzekerheden in de trends zijn over het algemeen kleiner. Op basis van de bevindingen is geconcludeerd dat het model geschikt is om op landelijke schaal evaluaties uit te voeren van scenario's en het uitvoeren van beleid, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in het kader van de Milieuverkenningen. Voor het jaarlijkse, op landelijke schaal monitoren van (kleine) veranderingen, en zeker voor studies aan specifieke maatregelen en lokale situaties is het model over het algemeen te onnauwkeurig.<br>
    • Uitbreiding second messengers: fosfoinositolsysteem. Eindrapportage over pilotexperimenten

      Bisschop A; Eigeman L; van Amsterdam JGC; Wemer J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      A pilot study was conducted in order to investigate the possibility to measure the IP3 (inositoltrisphosphate) content in cardiovascular tissue of the rat, by means of a radioimmunoassay. With the kit is was possible to obtain a linear standard calibration curve. In extracts of control- and 10 mM NaF stimulated aorta's and left ventricles it appeared that with the applied method the measurement of IP3 was unsuccessful. In contrast to the sample preparation method, the measurement assay is not problematic. It was decided not to continue further investigations.<br>
    • Uitdamping van stoffen uit kunstgras met rubbergranulaat tijdens een zeer hete dag : Indicatieve metingen

      Hagens, WI; ter Burg, W; van Esburg, ALN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-06)
      Ook bij zeer hoge temperaturen komen nauwelijks chemische stoffen vrij uit een kunstgrasveld met rubbergranulaat. De concentraties van de aangetroffen stoffen (vluchtige organische stoffen, aldehyden en PAKs) zijn zo laag dat ze naar verwachting geen gezondheidsrisico's veroorzaken. Dat blijkt uit een indicatieve studie van het RIVM waarvoor op een uitzonderlijke warme dag (37 graden Celsius) metingen zijn gedaan op een kunstgrasveld. De temperatuur van rubbergranulaat liep hierbij op tot 70 graden Celsius. Van één stof, formaldehyde, is de hoogst aangetroffen concentratie iets hoger dan de Nederlandse norm voor levenslange blootstelling. Het is niet uit te sluiten dat personen die daar gevoelig voor zijn lichte irritatieklachten kunnen ervaren. De kans hierop is echter klein en eventuele klachten zullen van korte duur zijn en verdwijnen zodra de blootstelling is beëindigd. Verder kunnen mensen een bepaalde geur hebben waargenomen, veroorzaakt door zogeheten cresolen. Deze stoffen kunnen namelijk al bij hele lage concentraties geroken worden. In algemene zin kan geur hinder veroorzaken, waaronder misselijkheid, zonder dat het schadelijk is voor de gezondheid. Als de geur verdwenen is, nemen deze klachten snel af. Deze indicatieve studie is uitgevoerd in opdracht van de GGD. Ouders van jonge sporters vroegen zich af of de conclusies van de RIVM studie uit 2016 nog gelden nu het opgewarmde rubbergranulaat warmer was (tot 70 graden Celsius) dan de temperatuur die toen was aangehouden (60 graden Celsius).
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniak berekeningen 1997 tot en met 1999 zoals gebruikt in de Milieubalans 1999 en 2000

      Hoek KW van der; LAE (2002-11-28)
      Een beschrijving wordt gegeven van de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten. Bij de mest- en ammoniakberekeningen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1997 en 1998* (Milieubalans 1999) en voor de jaren 1998 en 1999* (Milieubalans 2000). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniak berekeningen 1997 tot en met 1999 zoals gebruikt in de Milieubalans 1999 en 2000

      Hoek KW van der; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-28)
      This report presents the input variables for the calculated manure and ammonia data in the annual issued Environmental Balance. The applied Manure model is developed by the Agricultural Economics Research Institute and the input data are divided into general and specific. General input data are taken from the annual agricultural census. Specific input data concern the nitrogen and phosphate excretion by the different animal categories, the ammonia volatilization rates from animal housing systems and land application systems for animal manure. Also the share of systems with a low ammonia volatilization rate is taken into account. The report follows the minerals on its routing from excretion to application on the land. Various data sources are used.situation in a particular year. This report presents the input variables for the years 1997 and 1998* (Environmental Balance 1999) and for the years 1998 and 1999* (Environmental Balance 2000). The *-sign denotes the preliminary character of the results for that year.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (2002-08-20)
      Dit rapport beschrijft de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten.angesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1999 en 2000* (Milieubalans 2001) en voor de jaren 2000 en 2001* (Milieubalans 2002). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.missies in de periode 1980 - 2000.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-08-20)
      This report presents the input variables for the calculated manure and ammonia data in the annual issued Environmental Balance. The applied Manure model is developed by the Agricultural Economics Research Institute and the input data are divided into general and specific. General input data are taken from the annual agricultural census. Specific input data concern the nitrogen and phosphate excretion by the different animal categories, the ammonia volatilization rates from animal housing systems and land application systems for animal manure. Also the share of systems with a low ammonia volatilization rate is taken into account. The report follows the minerals on its routing from excretion to application on the land. Various data sources are used.situation in a particular year. This report presents the input variables for the years 1999 and 2000* (Environmental Balance 2001) and for the years 2000 and 2001* (Environmental Balance 2002). The *-sign denotes the preliminary character of the results for that year.during the period 1980 - 2000.
    • Uitgavenmanagement in de zorg. Het effect van disease management en preventie op de zorguitgaven

      Boom JHC; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; Polder JJ; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-04)
      Onderzoek toont aan dat zowel preventie als disease management (DiM) een positief effect kunnen hebben op het voorkomen van en de behandeling van chronisch zieken. Preventie richt zich op het voorkomen van bepaalde risicofactoren en ziekten en in DiM-programma's wordt de zorg door verschillende behandelaars en instellingen beter op elkaar afgestemd. Zeker wanneer de verhouding tussen gezondheidswinst en kosten van preventie of een DiM-programma gunstig is, is het de moeite waard om te investeren in DiM en preventie. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat daardoor de totale zorguitgaven lager uitvallen. Over de relatie tussen zorguitgaven en DiM komt uit de wetenschappelijke literatuur voor vrijwel alle ziekten een wisselend en zeer divers beeld naar voren. Daar komt nog bij dat de studies vaak onvolledig zijn en methodologische verschillen een grote rol spelen. Het is op grond van de literatuur daarom niet duidelijk of DiM de kosten zal verhogen of verlagen. Van preventie kan met meer zekerheid worden gezegd dat op lange termijn geen grote kostenbesparingen verwacht mogen worden. Een aantal vaccinaties, accijnzen en gerichte preventieve interventies (op hoogrisicogroepen) vormen hierop een gunstige uitzondering. De zorg rond chronisch zieken is gefragmenteerd waardoor het risico bestaat dat chronisch zieken geen optimale zorg krijgen. Om de zorg voor chronisch zieken te optimaliseren en de groeiende zorglast door de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren en preventie te stimuleren. Preventie en DiM moeten dan ook in de eerste plaats worden geevalueerd op basis van hun doelmatigheid en niet op het effect op zorguitgaven. In dit rapport worden de volgende ziekten besproken: beroerte, borstkanker, diabetes mellitus, hartfalen, COPD en depressie. Daarnaast worden vaccinaties en de preventie van obesitas behandeld.
    • Uitgestelde effecten van infiltratie van voorgezuiverd rivierwater in duinen op ecologie en drinkwaterkwaliteit

      Hrubec J; LWD (1996-03-31)
      De resultaten van deze studie naar de mogelijke negatieve gevolgen van de infiltratie van rivierwater in de Nederlandse duinen voor de drinkwaterkwaliteit en duinecologie wijzen er op dat de grootste bedreiging voor de ecologie de belasting van de duinen met nutrienten, (fosfaat, nitraat en ammonia) is. De beheersing van de nutrientenrijkdom in de door de infiltratie beinvloede duingebieden kan waarschijnlijk door de toepassing van de inrichtings- en beheersmaatregelen bereikt worden. De accumulatie van sporenelementen in de ondergrond onder infiltratiemiddelen is vrij beperkt. De gegevens over de omvang van de verontreiniging van water en ondergrond in natte duinvalleien met sporenelementen zijn echter schaars en nader onderzoek is noodzakelijk. De informatie over accumulatie van organische microverontreinigingen is onvoldoende om de accumulatie betrouwbaar te kwantificeren. Niettemin bestaan er geen aanwijzingen van een ernstige accumulatie van organische microverontreinigigen als gevolg van de infiltratie.
    • Uitloging van grond. Een modelmatige verkenning

      Spijker J; Comans RJN; Dijkstra JJ; Groenenberg BJ; Verschoor AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNAlterra, 2009-07-02)
    • Uitloging van PCB&apos;s en EOX uit afvalstoffen met de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef (materiaalonderzoek)

      Broekman MH; Rood GA; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      In het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 'Uitloogkarakterisering van Bouw- en afvalstoffen' (TSP) voert het RIVM het project 'Uitloging van organische componenten' uit. Het doel van het project is het ontwikkelen van een set van uitloogproeven voor organische componenten. Het onderzoek in dit rapport omvat het bepalen van de emissieniveaus van PCB's en EOX en een toetsing van de ontwerp-NVN's 7344 en 7350. Daarnaast is het werkdocument van de CEN proef (van de commissie CEN TC 292) aangepast voor organische componenten en in dit onderzoek getest. De cumulatieve emissie van PCB's en EOX uit verontreinigd bouwpuin, zeefzand en grond is conform voornoemde voorschriften in tweevoud middels de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef bepaald. Op basis van het in dit rapport beschreven onderzoek is geen noodzaak gebleken voor aanpassing van de ontwerpvoornormen 7344 en 7350. In het onderzoek is een vergelijking gemaakt van het verloop van de cumulatieve emissie uitgezet tegen de L/S waarde met die van anorganische componenten. Hieruit blijkt dat het emissieverloop van PCB's en EOX gelijkenis vertoont.<br>