• UV-straling en gezondheid : Probleemveld en kennisbasis bij het RIVM

      Slaper H; van Dijk A; den Outer P; van Kranen H; Slobbe L; VLH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      Jaarlijks krijgen meer dan 51.000 mensen in Nederland te horen dat ze huidkanker hebben en overlijden ruim 900 mensen aan de gevolgen ervan. Sinds 1990 is het aantal gevallen verviervoudigd. Deze stijging is veel sterker dan bij andere vormen van kanker, en een verdere stijging dreigt (met een factor 2 tot 5). De gevaarlijkste vorm van huidkanker komt in Nederland relatief vaak voor, en binnen Europa behoort Nederland tot de koplopers. Blootstelling van de huid aan UV-straling is de voornaamste oorzaak van het ontstaan van huidkanker, en dan vooral door onverstandig zongedrag. De vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag blijken slechts een deel van de toename aan huidkanker te verklaren. Het blootstellingsgedrag lijkt de hoofdrol te spelen en daarbij zijn het dragen van minder bedekkende kleding, meer vrije tijd en langere (zon/strand) vakanties van belang, maar ook klimaatverandering en het gebruik van kunstmatige UV-bronnen voor bruining dragen mogelijk bij. De belangrijkste manier om huidkanker te voorkomen is dan ook ervoor te zorgen dat de huid niet verbrandt door de zon of zonnebank. Maar ook zonder te verbranden kan de huid beschadigd raken. Daarom is het verstandig om de huiddelen die veelvuldig worden blootgesteld extra te beschermen en om daarbij rekening te houden met de zonkracht en de duur van het verblijf in de zon. Bij een hoogstaande (zomer)zon tussen 11 en 16 uur is meer bescherming nodig dan 's morgens vroeg en in de namiddag. Behalve aan huidkanker draagt UV-straling bij aan de vorming van staar en veroorzaakt het huidveroudering en sneeuwblindheid. Het is niet wenselijk om de zonblootstelling volledig te vermijden, omdat UV-blootstelling van de huid ook de voornaamste bron is van vitamine D. Deze vitamine is essentieel voor gezonde botten en spieren. Bovendien zijn er aanwijzingen dat vitamine D de kans op darmkanker kan verkleinen. Momenteel is er een felle wetenschappelijke discussie gaande welke hoeveelheid vitamine D de meeste gezondheidswinst oplevert. De kosten van de medische behandeling van huidkanker bedragen naar schatting circa 325 (250-400) miljoen euro per jaar. De kosten voor de behandeling van door UV veroorzaakte staar, worden geschat op 75-150 miljoen euro per jaar. De kosten zijn grotendeels vermijdbaar door verstandiger (zon)gedrag. De actuele zonkrachtmetingen (www.rivm.nl/zonkracht) en betere kennis over (ontwikkelingen in) blootstellingsgedrag en gezondheidseffecten dragen bij aan een goede voorlichting en preventie. Er is alle reden de kennisopbouw met betrekking tot UV-stralingsbescherming te versterken.
    • UVB and infectious diseases: exposure assessment by means of a retrospective questionnaire for epidemiological study. Presentation of first results

      Termorshuizen F; Garssen J; Maas JJ; Goettsch WG; Matthijsen J; Houweling H; Loveren H van; CIE; LPI; LSO (1999-02-01)
      Met het doel om een effect vast te stellen van alledaagse niet-experimentele blootstelling aan UVB op het immuunsysteem is een twee jaar retrospectieve vragenlijst betreffende blootstelling aan zonlicht en gebruik van zonnebank afgenomen bij de HIV-genfecteerde deelnemers van de cohortstudie onder homoseksuele mannen van de GG&GD in Amsterdam. De zelf-gerapporteerde gegevens (aantal uur, kleding, activiteit, land en seizoen) gedurende vakanties, beroep en vrije tijd maken een schatting van de individuele blootstelling mogelijk. In dit rapport worden de resultaten van de vragenlijst gepresenteerd. In een toekomstig artikel/ rapport worden de resultaten gepresenteerd van het onderzoek naar het verband tussen expositie aan UVB en het ziektebeloop van HIV naar AIDS. Dit zal dan een van de eerste epidemiologische studies zijn naar het effect van alledaagse blootstelling aan UVB op het immuunsysteem. In totaal hebben 73 deelnemers de vragenlijst ingevuld. Zij rapporteerden 191 vakantieperiodes, waarvan 89 in zonnige landen tussen 400 Noorder- and 250 Zuiderbreedte. Alhoewel het grootste aantal van de gerapporteerde uren blootgesteld (70%) blootstelling in de vrije tijd betrof, nam dit aandeel af ten gunste van blootstelling in de vakantieperiodes na weging van deze uren voor het effect van breedtegraad & seizoen en kleding & activiteit op de dosis UVB. Verder werd in de vakantieperiodes de hoogste gemiddelde blootstelling per dag gezien. Het betrekken van het effect van breedtegraad & seizoen in de schatting van de individuele blootstelling had nauwelijks invloed op de classificatie van deelnemers met betrekking tot hun blootstelling. Dit was in tegenstelling tot het betrekken van het effect van kleding & activiteit. Een duidelijke correlatie tussen de blootstelling aan UVB en de rapportage van zonverbranding kon worden vastgesteld. Deze correlatie was zwakker binnen de groep deelnemers die rapporteerden vaak zonnebrand-creme te gebruiken. Geen correlatie tussen blootstelling en de rapportage van een episode van labiale herpes simplex (koortsblaasjes) kon worden vastgesteld. Uit vergelijking van antwoorden gegeven op vergelijkbare vragen bleek dat deelnemers dikwijls niet in staat zijn consistente informatie betreffende hun blootstelling aan zonlicht en gebruik van zonnebank te verschaffen. Wij concluderen dat deze twee jaar retrospectieve vragenlijst niet toereikend is om tot een valide en precieze schatting van de individuele blootstelling te komen. Echter, we mogen aannemen dat herinnering van vakantieperiodes zowel met betrekking tot het seizoen als het land van bestemming redelijk goed mogelijk is. Deze kortdurende periodes met een hoge blootstelling zijn waarschijnlijk zeer belangrijk voor de vaststelling van het effect van UVB op het immuunsysteem. De duidelijke verandering van de classificatie van de deelnemers met betrekking tot hun expositie door het effect van kleding & activiteit in de individuele expositie-schatting te betrekken kan erop wijzen dat het betrekken van deze gedragskarakteristieken van groot belang is voor een valide meting van de expositie. Echter, het afzwakken van de correlatie tussen blootstelling en het rapporteren van zonverbranding suggereert dat een zekere mate van onzekerheid en misclassificatie werd gentroduceerd door het betrekken van dit effect. Dit kan ook geleid hebben tot een vermindering van de validiteit van de expositie-schatting. We kunnen ervan uitgaan dat een prospectieve studie, in welke deelnemers gevolgd worden onder intensieve begeleiding, een betere schatting van de individuele blootstelling mogelijk maakt
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (1995-01-31)
      Doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de antigene en genetische variatie van het in Nederland en Curacao circulerende humane immunodeficientie virus type 1 (HIV-1). De genetische variatie tussen HIV-1 isolaten is aanzienlijk. De genetische variatie doet zich vooral voor op een vijftal gebieden van het deel van het virale genoom, dat codeert voor het externe envelop eiwit gp120 van HIV-1. Van deze vijf gebieden is het derde variabele domein (V3) gelegen tussen aminozuur-positities 269 en 331 van gp120 het meest uitvoerig bestudeerd. Van de Nederlandse serummonsters reageerde 54.8% specifiek tegen een van de peptiden p108, p109 of p110, welke representatief zijn voor het genotype B. Voor wat betreft de monsters afkomstig uit Curacao werd een vergelijkbaar resultaat gevonden, met dit verschil dat ten opzichte van de Nederlandse monsters een relatief hoge frequentie van serum reactiviteit tegen p110 werd gevonden. Op grond van de serologische reactiviteit in het V3 gebied kan worden geconcludeerd dat in de periode 1988 - 1990 in Nederland en Curacao subtype B HIV-1 varianten het meest prevalent waren. De V3-loop reactiviteit bleek vergelijkbaar met die gemeten in de Amsterdamse cohortstudies onder homoseksuele mannen en druggebruikers. De resultaten van de specifieke antistofreactiviteit werd in het algemeen bevestigd door de resultaten van het V3 sequentie-onderzoek, maar subtiele sequentieverschillen tussen de V3 loop reactiviteit en circulerend viraal V3 werden in een aantal gevallen aangetoond. Aanbevolen wordt in 1995 een tweede survey uit te voeren, te meer daar inmiddels meer bekend is over verschillende subtypen van HIV-1 en recent het zogeheten subtype O is beschreven.
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      To obtain insight into the variation of the HIV-1 V3 neutralization domain of variants circulating in the Netherlands, 126 Dutch, 70 Curacao and 45 African serum samples from HIV-1 infected individuals were screened for antibody reactivity to a set of 16 to 17 mer synthetic peptides, representing the central part of the V3-loop of gp120 of HIV-1 variants circulating in the US, Europe and Africa. These peptides were used in an ELISA and antibody reactivity to the peptides was compared to the actual amino acid sequence of viral RNA circulating in a subset of the same serum samples. In conclusion, we found a relatively high genetic and antigenic homogeneity of the V3 gene of HIV infections in the Netherlands and Curacao during the years 1988-1990. Antibody reactivity to synthetic V3 peptides, as well as sequence analysis confirmed the prevalence of B subtype HIV-1 among the Dutch and Curacaon samples and the prevalence of A/D subtypes among the Tanzanian samples. Screening of HIV-1 positive serum samples for genetic typing by using a set of well defined synthetic V3 peptides appeared to be feasible. In combination with molecular analysis (V3 sequencing and/or hetroduplex mobility assay) of this method can be applied to obtain insight in changes in genetic and antigenic variation of HIV-1 in a population: changes within subtype B HIV-1 variants, as well as introduction of other (new) HIV-1 variants can this be surveyed. This is of importance to obtain insight in the (molecular) epidemiology of HIV-1 as well as with respect to the development and the eventual use of an HIV-1 vaccine.
    • Vaardigheidseisen voor veilig toepassen van medische technologie in de ziekenhuiszorg : Een praktijkverkenning

      de Vries CGJCA; Pot JWGA; Koudijs-Siebel EA; Geertsma RE; van Drongelen AW; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-21)
      In de zorg neemt het gebruik van complexe medische technologie, zoals een operatierobot, toe. Veilig gebruik hiervan vereist speciale vaardigheden van zorgverleners. Daarom heeft het Ministeris van VWS het RIVM gevraagd aanbevelingen voor vaardigheidseisen op te stellen, die aansluiten bij de activiteiten van ziekenhuizen en beroepsgroepen. Bevindingen Uit deze verkenning is het beeld ontstaan dat ziekenhuizen en beroepsgroepen zich bewust zijn dat de vaardigheden voor de veilige toepassing van complexe medische technologie geborgd moeten zijn. Er zijn ook diverse initiatieven op dit gebied. Echter de mate waarin dit gebeurt verschilt per ziekenhuis en beroepsgroep. Er lijkt nog geen uniforme werkwijze te zijn. Er lijkt verder sprake te zijn van gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van vaardigheidseisen. Er zijn verscheidene initiatieven gesignaleerd, zogenoemde best practices, waarbij vaardigheidseisen zijn opgesteld. Een voorbeeld is het verplicht trainen en certificeren van alle gebruikers van medische apparatuur. Aanbevelingen Een veilige toepassing van medische technologie moet een prominente rol krijgen in het veiligheidsmanagementsysteem van ziekenhuizen. Aanbevolen wordt dat de raden van bestuur de multidisciplinaire samenwerking van verschillende zorgprofessionals binnen de instelling faciliteren. Ook de wetenschappelijke verenigingen kunnen een bijdrage leveren, bijvoorbeeld door bij visitaties specifiek te letten op vaardigheden ten aanzien van medische technologie en de resultaten van de visitaties minder vrijblijvend te maken. Verder zou de bij- en nascholing specifieker gericht moeten zijn op de uitgevoerde handelingen. Van de best practices kan worden nagegaan of ze breder in te zetten zijn. Deze verkenning levert algemene aanbevelingen en een aanzet voor discussie over vaardigheidseisen die nodig zijn voor de veilige toepassing van medische technologie.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2016

      van Lier EA; Geraedts JLE; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-22)
      Het RIVM beschrijft jaarlijks de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Vanaf dit jaar zijn de belangrijkste gebeurtenissen en de ontwikkelingen op het gebied van de vaccinatiegraad gebundeld. Belangrijke gebeurtenissen In 2016 waren er geen opvallende uitbraken van RVP-ziekten. Wel stijgt sinds oktober 2015 het aantal patiënten met meningokokkenziekte W, terwijl in het RVP tegen meningokokkenziekte C wordt ingeënt. Opvallend was het stevige debat dat in november 2016 in diverse media is gevoerd tussen voor- en tegenstanders van vaccinatie. Verder heeft het RIVM factsheets gemaakt voor zowel professionals als het publiek met informatie over vaccinaties tegen ziekten die wel beschikbaar zijn maar niet in het RVP zijn opgenomen. Voorbeelden zijn waterpokken, gordelroos en het rotavirus (www.rivm.nl/vaccinaties). Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad, oftewel het aandeel zuigelingen, kleuters en schoolkinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt, is nog steeds hoog. De vaccinatiegraad voor bof, mazelen en rodehond (BMR) daalt al een paar jaar licht. De norm van 95 procent van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die nodig is om mazelen uit te bannen, wordt in Nederland bij de eerste BMR-vaccinatie niet meer gehaald. Voor de tweede BMR-vaccinatie was dit al langer zo. Ook bij andere vaccinaties in het RVP is een lichte daling te zien. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is voor het eerst afgenomen, van 61 naar 53 procent. Een hoge vaccinatiegraad zorgt ervoor dat kwetsbare en (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsbescherming). Een dalende vaccinatiegraad vergroot de kans dat in de toekomst ziekten zoals mazelen uitbreken.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017

      van Lier EA; Geraedts JLE; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-25)
      Het RIVM beschrijft jaarlijks de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Hierbij wordt aandacht besteed aan de belangrijkste gebeurtenissen in het afgelopen jaar en de ontwikkelingen op het gebied van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2017 waren er geen opvallende uitbraken van ziekten waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel is het aantal patiënten met meningokokkenziekte W verder toegenomen ten opzichte van 2015 en 2016. In mei 2018 wordt daarom de meningokokken C-vaccinatie op de leeftijd van veertien maanden vervangen door meningokokken ACWY-vaccinatie. Deze vaccinatie zal in het najaar 2018 ook worden aangeboden aan kinderen geboren tussen 1 mei 2004 en 31 december 2004. In 2017 zijn de e-learning Achtergronden RVP en de vernieuwde website (https://rijksvaccinatieprogramma.nl/) beschikbaar gekomen. Verder zijn voorbereidingen getroffen voor de invoering van het vaccinatieconsult, waarin ouders vragen over het RVP kunnen bespreken. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad, oftewel het aandeel zuigelingen, kleuters en schoolkinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt, is nog steeds hoog maar daalt de laatste jaren licht. Voor de HPV-vaccinatie is de verdere daling in de vaccinatiegraad van 8 procent ten opzichte van vorig jaar opmerkelijk. Overigens is niet alleen in Nederland een daling te zien. Belangrijkste reden om niet tegen HPV te vaccineren of daarover te twijfelen, zijn zorgen over mogelijke bijwerkingen van het HPV-vaccin. De Gezondheidsraad zal opnieuw advies uitbrengen over HPV-vaccinatie in Nederland. Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk. Wanneer veel mensen zijn ingeënt tegen een infectieziekte, komt deze ziekte minder vaak voor (groepsbescherming). Ook kwetsbare mensen en mensen die (nog) niet zijn ingeënt, lopen dan minder risico de ziekte te krijgen. Ze worden als het ware beschermd door de ingeënte groep. Om dit effect te behouden is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen zijn ingeënt.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2018

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-24
      In het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) krijgen kinderen vaccinaties tegen besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen op het gebied van het RVP en de ontwikkeling van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2018 hadden niet meer mensen dan normaal gesproken een ziekte waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel zette de stijging van het aantal mensen met meningokokkenziekte W door (103 patiënten in 2018 ten opzichte van 80 in 2017). Vanwege deze stijging is de vaccinatie tegen meningokokken C voor baby's in 2018 uitgebreid met meerdere typen. Deze meningokokken ACWY-vaccinatie wordt in 2019 ook aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren (inhaalcampagne). Uit voorzorg is in 2018 een deel van de jongeren die in 2004 zijn geboren hier al voor uitgenodigd. In 2018 is besloten om de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen op te nemen in het RVP. Deze vaccinatie wordt waarschijnlijk eind 2019 ingevoerd. Hiermee kunnen zwangere vrouwen hun baby tegen kinkhoest beschermen. Voor baby's van gevaccineerde moeders wordt het vaccinatieschema aangepast (later beginnen en één inenting minder). Vaccinatiegraad Er is een einde gekomen aan de daling in het aandeel kinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt. De landelijke vaccinatiegraad is hiermee nog niet terug op het oude niveau, maar is voor de meeste vaccinaties ongeveer gelijk gebleven aan het jaar ervoor. Voorlopige cijfers voor jongere kinderen laten zelfs een lichte stijging zien. De landelijke vaccinatiegraad van HPV (baarmoederhalskanker) is met 45,5 procent gelijk gebleven aan het jaar ervoor, en lijkt voor jongere meisjes ook toe te nemen. De voorlopige landelijke vaccinatiegraad van de nieuwe meningokokken ACWY-vaccinatie is hoog (87 procent). De staatssecretaris van VWS wil 16- of 17-jarigen de kans geven om gemiste RVP-vaccinaties alsnog te halen. Hiervoor komt ongeveer een tiende van de jongens in aanmerking. Dit geldt voor ongeveer de helft van de meisjes, vooral vanwege de HPV-vaccinatie.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2019

      van Lier, EA; Kamp, L; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (2020-06-30)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad) en de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2019 kregen meer mensen baarmoederhalskanker, de bof, kinkhoest en mazelen dan in 2018. Minder mensen kregen meningokokkenziekte W. Sinds 2018 krijgen baby's van 14 maanden en jongeren een vaccinatie aangeboden waaraan meningokokken W is toegevoegd (ACWY-vaccinatie). Eind 2019 is de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen opgenomen in het RVP. Per 1 januari 2020 is het vaccinatieschema aangepast: baby's worden nu gevaccineerd als ze 3, 5 en 11 maanden oud zijn, in plaats van bij 2, 3, 4 en 11 maanden. Als de moeder tijdens de zwangerschap niet tegen kinkhoest is gevaccineerd, krijgt het kind een extra vaccinatie op de leeftijd van 2 maanden. Deze extra vaccinatie wordt ook gegeven in bijzondere situaties, bijvoorbeeld aan kinderen die te vroeg worden geboren. Verder heeft de staatssecretaris van VWS in 2019, op advies van de Gezondheidsraad, besloten om de HPV-vaccinatie aan te gaan passen: deze zal ook aan jongens worden gegeven en op een jongere leeftijd (rond 9 jaar). Ook wordt het voor mensen die de vaccinatie nog niet hebben gehad, mogelijk om deze tot en met 26 jaar alsnog te halen. Deze veranderingen staan voor 2021 gepland. Vaccinatiegraad De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst sinds vijf jaar licht gestegen. Bij zuigelingen, geboren in 2017, geldt dit in het bijzonder voor de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). Deze is met 0,7 procent gestegen tot 93,6 procent. De landelijke vaccinatiegraad voor de HPV-vaccinatie (baarmoederhalskanker) voor meisjes, geboren in 2005, is met 7,5 procent toegenomen tot 53 procent.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2020

      van Lier, EA; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Hament, JM; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte, pneumokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de maatregelen die vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn ingevoerd. Voorbeelden zijn handen wassen, afstand houden, de (tijdelijke) sluiting van scholen en kinderopvang, het kleinere aantal mensen bij bijeenkomsten, en het maximale aantal te ontvangen bezoekers thuis. De uitbraak van het coronavirus had ook gevolgen voor de manier waarop het RVP in 2020 is uitgevoerd. Groepsvaccinaties (voor de kinderen van 9 jaar en ouder) zijn eerst uitgesteld of omgezet naar individuele afspraken. Vanaf 1 juli 2020 zijn de groepsvaccinaties in kleine groepjes per tijdslot uitgevoerd. De vaccinaties op de consultatiebureaus (0-4-jarigen) en de 22 wekenprik voor zwangeren gingen wel zoveel mogelijk door. De 22 wekenprik beschermt baby’s vanaf de geboorte tegen kinkhoest. Vanwege de invoering van de 22 wekenprik krijgen de meeste baby’s vanaf 1 januari 2020 hun vaccinaties iets later (bij 3, 5 en 11 maanden) en een vaccinatie minder. Ook krijgen 14-jarigen sinds 2020 standaard de vaccinatie tegen meningokokkenziekte aangeboden. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad betreft kinderen die hun vaccinatie(s) nog bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus kregen. Voor bijvoorbeeld zuigelingen wordt de vaccinatiegraad namelijk berekend als kinderen twee jaar zijn. De vaccinatiegraad die in 2021 is berekend, is voor de meeste vaccinaties opnieuw gestegen. Naast de toename bij zuigelingen valt vooral de stijging bij de HPV-vaccinatie met 10 procent naar 63 procent op; deze vaccinatiegraad is niet eerder zo hoog geweest. Voor het eerst is geschat hoeveel zwangeren deelnamen aan de 22 wekenprik: ongeveer 70 procent. Het lijkt erop dat de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in deze periode is gevaccineerd. Dat blijkt uit voorlopige cijfers. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas volgend jaar worden berekend omdat dan pas alle cijfers erover bekend zijn.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2010

      van Lier EA; Oomen PJ; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-06)
      Net als in voorgaande jaren lag in 2010 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma landelijk gezien ruim boven de ondergrens van 90 procent. Voor de BMR-vaccinatie houdt de WHO een iets hogere ondergrens aan, van 95 procent, om mazelen wereldwijd uit te kunnen roeien. Deze ondergrens is wel voor de eerste vaccinatieronde (zuigelingen) behaald, maar niet voor de tweede vaccinatie (9-jarigen). Hierdoor is in Nederland een uitbraak van mazelen niet uitgesloten. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2010. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2007, kleuters geboren in 2004 en schoolkinderen geboren in 1999. Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken C-vaccinatie op 96 procent, aan de DKTP-vaccinatie op 95 procent, en aan de pneumokokkenvaccinatie op 94 procent. De deelname aan de hepatitis B-vaccinatie onder kinderen van wie een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B veel voorkomt, is verder toegenomen. Extra aandacht blijft nodig voor de hepatitis B-vaccinatie voor kinderen van moeders die drager zijn van hepatitis B. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben namelijk een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is niet alleen nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen maar ook om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle partijen die bij het Rijksvaccinatieprogramma zijn betrokken, blijft nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2011

      van Lier EA; Oomen PJ; Giesbers H; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-16)
      Net als in voorgaande jaren lag in 2011 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (HPV uitgezonderd) ruim boven de Nederlandse ondergrens van 90 procent. De WHO-ondergrens van 95 procent voor de BMR-vaccinatie wordt voor schoolkinderen echter nog niet gehaald. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2011. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2008, kleuters geboren in 2005, schoolkinderen geboren in 2000 en adolescente meisjes geboren in 1993-1997. Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken C-vaccinatie op 96 procent, en aan de DKTP- en pneumokokkenvaccinatie op 95 procent. De vaccinatiegraad voor de eerste hepatitis B-vaccinatie voor zuigelingen van moeders die drager zijn van hepatitis B nam verder toe tot 99%. Verder was de deelname onder schoolkinderen voor DTP en BMR met 92 procent iets lager dan voorgaand verslagjaar. De voorlopige vaccinatiegraad voor adolescente meisjes geboren in 1997, die voor het eerst de HPV-vaccinatie binnen het RVP kregen aangeboden, bedroeg 52,5 procent. Binnen de HPV-inhaalcampagne (adolescente meisjes geboren in 1993-1996) werd een deelname van 52,3 procent gehaald. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen en voor de meeste doelziekten in het RVP ook om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle partijen die bij het Rijksvaccinatieprogramma zijn betrokken, blijven nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2012

      van Lier EA; Oomen PJ; Giesbers H; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-10)
      Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2012 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (56 procent). De ondergrens van 95 procent voor de BMR-vaccinatie wordt voor schoolkinderen (de tweede BMR-vaccinatie voor 9- jarigen) nog niet gehaald (93 procent). Zuigelingen halen deze ondergrens wel. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft deze ondergrens bepaald om mazelen wereldwijd te kunnen uitroeien. Dit blijkt uit gegevens van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in verslagjaar 2012. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2009, kleuters geboren in 2006, schoolkinderen geboren in 2001 en adolescente meisjes geboren in 1997. Deelname per vaccinatie: Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken Cvaccinatie op 96 procent, en aan de DKTP- en pneumokokkenvaccinatie op 95 procent. De deelname onder schoolkinderen voor DTP en BMR was weer iets hoger dan in verslagjaar 2011 (93 versus 92 procent). De vaccinatiegraad voor adolescente meisjes geboren in 1997, die voor het eerst de HPV-vaccinatie binnen het RVP kregen aangeboden, bedroeg 56 procent. Tijdige en volledige vaccinatie belangrijk: Met vrijwillige vaccinatie wordt in Nederland een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen. Voor de meeste ziekten in het RVP is het ook van belang om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren blijven continue aandacht en gezamenlijke inspanning nodig van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma betrokken partijen.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2013

      van Lier EA; Oomen PJ; Mulder M; Conyn-van Spaendonck MAE; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-06-13)
      Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2013 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, die met 58 procent twee procent gestegen is ten opzichte van vorig jaar. De deelname aan de pneumokokkenvaccinatie (95 procent) en de tweede BMRvaccinatie voor 9-jarigen (93 procent) is ook licht toegenomen ten opzichte van vorig jaar (beide met 0,3 procent). Deze laatste bevinding is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) mazelen wereldwijd uit te roeien. Verder zijn er minder gemeenten waarin een of meerdere vaccinatiepercentages (HPV en hepatitis B uitgezonderd) onder de ondergrens van 90 procent liggen (80 gemeenten in verslagjaar 2013 versus 90 gemeenten in verslagjaar 2012 en 107 gemeenten in verslagjaar 2011). Daarnaast verdient vaccinatie van te vroeg geboren kinderen bijzondere aandacht. Het blijkt dat zij minder vaak op tijd worden gevaccineerd, waardoor zij een groter risico lopen op ziekten waartegen het RVP bescherming biedt. In 2013 zullen deskundigen van Caribisch Nederland en het RIVM samenwerken om het vaccinatieprogramma op deze eilanden zo veel mogelijk te harmoniseren met het RVP van Nederland. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen. Voor de meeste ziekten in het RVP is het ook van belang om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken. Deze bescherming ontstaat door groepsimmuniteit.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2014

      van Lier EA; Oomen PJ; Giesbers H; Conyn-van Spaendonck MAE; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-07-03)
      Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2014 de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, waaraan de deelname ten opzichte van het voorgaande verslagjaar wel verder is gestegen tot 59 procent. Sinds augustus 2011 is het RVP uitgebreid met de vaccinatie tegen hepatitis B; tot die tijd werden alleen kinderen met een verhoogd risico hiertegen ingeënt. Van de groep zuigelingen zonder verhoogd risico heeft 95 procent deze vaccinatie gekregen. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie is hoog (90-100 procent). Punt van aandacht blijft dat de deelname aan het RVP daalt naarmate kinderen ouder worden. Met de tweede BMR-vaccinatie voor 9-jarigen (92 procent) wordt nog steeds niet de gewenste 95 procent deelname bereikt. Een deelname van minimaal 95 procent is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) mazelen wereldwijd uit te roeien. Tevens blijft het belangrijk dat alle kinderen van moeders die drager zijn van hepatitis B de eerste extra vaccinatie hiertegen tijdig krijgen. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben namelijk een groter risico er drager van te worden. Op de lange termijn kan dit virus ernstige leveraandoeningen veroorzaken. Om zuigelingen effectief te kunnen beschermen tegen ziekten uit het RVP is het van belang de vaccinaties tijdig te geven. Het deel van de zuigelingen dat de eerste DKTP-vaccinatie op tijd krijgt, is verder gestegen naar 88 procent. Doorgaans worden kinderen die minimaal één inenting via een antroposofisch consultatiebureau krijgen minder vaak en minder tijdig gevaccineerd. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Hierdoor ontstaat groepsimmuniteit, die voor de meeste ziekten nodig is om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken. Momenteel wordt een monitoringsysteem ontwikkeld om in de toekomst de acceptatie van het RVP onder ouders en RVP-professionals te volgen.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2015

      van Lier EA; Oomen PJ; Conyn-van Spaendonck MAE; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-22)
      Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2015 de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, waaraan de deelname overigens wel verder blijft stijgen ten opzichte van het verslagjaar 2014 (tot 61 procent). De hepatitis B-vaccinatiegraad voor kinderen geboren in 2012, het eerste jaar waarin alle zuigelingen in aanmerking kwamen voor hepatitis B-vaccinatie, ligt op 94 procent. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie is hoog. De BMR-vaccinatiegraad voor schoolkinderen (93 procent) is dit keer identiek aan de DTP-vaccinatiegraad; meestal ligt de BMRvaccinatiegraad iets lager. Dit is een verbetering maar de gewenste deelname wordt er niet mee bereikt. Een deelname van minimaal 95 procent is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) om mazelen wereldwijd uit te roeien. Zo'n hoge vaccinatiegraad is nodig om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Om zuigelingen effectief te kunnen beschermen tegen ziekten uit het RVP is het ook van belang de vaccinaties tijdig te geven. Het deel van de zuigelingen dat de eerste DKTP-vaccinatie op tijd krijgt, dat wil zeggen voordat ze 10 weken oud zijn, is verder gestegen naar 89 procent. Daarnaast is de tijdige en volledige deelname aan de volledige primaire DKTP-serie (de eerste drie vaccinaties) verbeterd van 60 procent voor kinderen geboren in 2007 naar 69 procent voor kinderen geboren in 2012. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2016

      van Lier, EA; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Net als in voorgaande jaren is de vaccinatiegraad, oftewel de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), in verslagjaar 2016 met 92 tot 99 procent hoog. Wel is de deelname aan de meeste vaccinaties met ongeveer 0,5 procent afgenomen. Voor zuigelingen is deze afname voor het tweede achtereenvolgende jaar zichtbaar. In het verleden zijn regionaal vaker dergelijke schommelingen waargenomen, maar ze zijn nu voor het eerst in het hele land geconstateerd. Een verklaring hiervoor ontbreekt. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is met 61 procent gelijk gebleven. De deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland is met 92 tot 100 procent ook onveranderd gebleven. Nieuw kerncijfer Sinds dit jaar wordt de stand van zaken op de verschillende beleidsterreinen van het ministerie van VWS weergegeven in zogeheten kerncijfers om het beleid te kunnen volgen en verantwoorden. Ook voor de vaccinatiegraad is een kerncijfer vastgesteld, namelijk het percentage van alle kinderen dat op de dag dat ze 2 jaar worden alle RVP-vaccinaties heeft gekregen. Voor kinderen die geboren zijn in 2013 ligt dit op 93 procent. Hepatitis B risicogroepen Vanaf 2012 wordt niet alleen aan kinderen van risicogroepen, maar aan alle kinderen de hepatitis B-vaccinatie aangeboden. Het blijkt echter dat juist de kinderen van wie ten minste één ouder geboren is in een land waar hepatitis B veel voorkomt, de vaccinatie niet altijd krijgen. Daarnaast wordt het hepatitis B-controleonderzoek naar de effectiviteit van het vaccin onder kinderen van moeders die drager zijn van het hepatitis B-virus, niet altijd uitgevoerd. Juist voor deze twee risicogroepen is bescherming tegen hepatitis B belangrijk. In Nederland wordt met vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dit blijkt uit het landelijke registratiesysteem voor de vaccinaties van het RIVM. Een hoge deelname aan het programma is belangrijk om te voorkomen dat infectieziekten weer terugkomen. Een hoge vaccinatiegraad zorgt er ook voor dat kwetsbare (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsimmuniteit).
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2016

      van Lier EA; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Net als in voorgaande jaren is de vaccinatiegraad, oftewel de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), in verslagjaar 2016 met 92 tot 99 procent hoog. Wel is de deelname aan de meeste vaccinaties met ongeveer 0,5 procent afgenomen. Voor zuigelingen is deze afname voor het tweede achtereenvolgende jaar zichtbaar. In het verleden zijn regionaal vaker dergelijke schommelingen waargenomen, maar ze zijn nu voor het eerst in het hele land geconstateerd. Een verklaring hiervoor ontbreekt. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is met 61 procent gelijk gebleven. De deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland is met 92 tot 100 procent ook onveranderd gebleven. Nieuw kerncijfer Sinds dit jaar wordt de stand van zaken op de verschillende beleidsterreinen van het ministerie van VWS weergegeven in zogeheten kerncijfers om het beleid te kunnen volgen en verantwoorden. Ook voor de vaccinatiegraad is een kerncijfer vastgesteld, namelijk het percentage van alle kinderen dat op de dag dat ze 2 jaar worden alle RVP-vaccinaties heeft gekregen. Voor kinderen die geboren zijn in 2013 ligt dit op 93 procent. Hepatitis B risicogroepen Vanaf 2012 wordt niet alleen aan kinderen van risicogroepen, maar aan alle kinderen de hepatitis B-vaccinatie aangeboden. Het blijkt echter dat juist de kinderen van wie ten minste één ouder geboren is in een land waar hepatitis B veel voorkomt, de vaccinatie niet altijd krijgen. Daarnaast wordt het hepatitis B-controleonderzoek naar de effectiviteit van het vaccin onder kinderen van moeders die drager zijn van het hepatitis B-virus, niet altijd uitgevoerd. Juist voor deze twee risicogroepen is bescherming tegen hepatitis B belangrijk. In Nederland wordt met vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dit blijkt uit het landelijke registratiesysteem voor de vaccinaties van het RIVM. Een hoge deelname aan het programma is belangrijk om te voorkomen dat infectieziekten weer terugkomen. Een hoge vaccinatiegraad zorgt er ook voor dat kwetsbare (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsimmuniteit).
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2009

      van Lier EA; Oomen PJ; Oostenbrug MWM; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-06-15)
      Landelijk gezien lagen de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma in 2009 ruim boven de ondergrens van 90 procent. De gemiddelde percentages lagen over het algemeen iets hoger dan in 2008, ondanks de extra vaccinatie tegen pneumokokkenziekte. Voor zuigelingen was het percentage voor BMR, Hib en meningokokken C 96 procent, voor DKTP 95 procent, en voor pneumokokken 94 procent. Extra aandacht blijft nodig voor de vaccinatiegraad voor hepatitis B, omdat die relatief laag is. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Deze vaccinatie wordt alleen aangeboden aan kinderen uit risicogroepen. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2009. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2006, kleuters geboren in 2003 en schoolgaande kinderen geboren in 1998. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren. Daarnaast is het belangrijk inzicht te hebben in de houding van de Nederlandse bevolking ten aanzien van vaccinatie. De lage opkomst bij de vaccinatiecampagne tegen baarmoederhalskanker (HPV), die overigens voor een andere leeftijdsgroep geldt, laat zien dat de opkomst voor nieuwe vaccinaties niet vanzelfsprekend hoog is.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland; verslagjaar 2006-2008

      van Lier EA; Oomen PJ; Oostenbrug MWM; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-16)
      De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter essentieel om de Nederlandse bevolking nu en in de toekomst voldoende te beschermen. Zo is het belangrijk te benadrukken dat kinderen, volgens de richtlijnen van het RVP, tijdig en volledig worden gevaccineerd. Extra aandacht is nodig voor de vaccinatiegraad voor kleuters en schoolkinderen in het algemeen. In het bijzonder geldt dat voor de tweede BMR-vaccinatie en voor de vaccinatie van kinderen waarvan een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B meer dan gemiddeld voorkomt. De vaccinatiegraad voor deze inentingen, die voor het eerst zijn gerapporteerd, is relatief laag. Tussen 2006 en 2008 is een iets lagere vaccinatiegraad gemeten, vooral voor kleuters en schoolgaande kinderen. Dit verschil is vooral toe te schrijven aan een nieuwe methode om de vaccinatiegraad vast te stellen, die vanaf 2006 wordt gebruikt. Deze cijfers geven nauwkeuriger aan of de vaccinaties voldoen aan de richtlijnen van het RVP, zoals het tijdstip waarop de vaccinaties zijn gegeven. In dit rapport is de vaccinatiegraad in Nederland van 2006 tot 2008 weergegeven. Dit betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren tussen 2003 en 2005, kleuters geboren tussen 2000 en 2002 en schoolgaande kinderen geboren tussen 1995 en 1997. Landelijk gezien lagen in verslagjaar 2008 (zuigelingen geboren in 2005, kleuters geboren in 2002 en schoolgaande kinderen geboren in 1997) de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties boven de ondergrens van 90 procent. In het rapport worden de vaccinatiepercentages per provincie en gemeente toegelicht. De vaccinatiegraad is vooral laag in gemeenten waar relatief veel mensen wonen die vaccinatie afwijzen vanwege hun geloof.