• WHO European Centre for the Environment and Health

      Unknown author (National Institute of Public Health and Environmental Protection RIVM, 1995-05-10)
      Abstract not available
    • Who is afraid of red, green and blue? Toets van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening op ecologische effecten

      Esch SA van; Stichting DLO; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-13)
      Met het in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening voorgestelde beleid, worden de waardevolle landschappen in Nederland de komende 20 jaar vooralsnog onvoldoende beschermd tegen de oprukkende verstedelijking. Bij continuering van de huidige trends en zonder aanvullend beleid gaat in 2020 door verstedelijking ruim 20% van de waardevolle landschappen verloren. Met name landschappen in de Noordvleugel van de Randstad en de provincie Utrecht staan onder druk. Het kabinet stelt in de Vijfde Nota wel doelen voor het behoud van landschap en introduceert onder meer het instrument 'groene contouren'. Er worden vooralsnog echter weinig waardevolle landschappen in de groene contouren opgenomen. Om de bebouwing zoveel mogelijk te concentreren in en nabij het bestaande bebouwde gebied, introduceert de Vijfde Nota de 'rode contouren'. De effecten van rode contouren op de bescherming van het landschap zijn nog moeilijk in te schatten. De vrijheden die gemeenten hebben bij de vaststelling van rode contouren zijn daarvoor te groot. Voor het behoud van natuur en landschap trekt de Vijfde Nota daarmee een zware wissel op de helderheid van het door het Rijk nog aan te geven toetsingskader en op de door provincies en gemeenten te maken afwegingen.
    • WINDLIDAR: een remote sensing meettechniek voor het bepalen van windvelden

      van Vliet REC; van der Meulen A; Swart DPJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-05-31)
      Windlidar is een remote sensing techniek voor het bepalen van wind- velden. Het systeem is gebaseerd op het herkennen van aerosol struc- turen in de atmosfeer met behulp van correlatie technieken. Afmetingen en levensduur vormen de belangrijkste parameters in deze techniek. Het verticale windprofiel kan tot op enkele kilometers hoogte bepaald worden. Op basis van de bij RIVM bestaande lidar-techniek werd een windlidar-systeem ontwikkeld. Vergelijking met KNMI meetgegevens van de meteo mast te Cabauw toonde een goede overeenkomst op alle hoogten.<br>
    • Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden. GGD-informatieblad Medische Milieukunde

      Berg GP van den; Kuijeren NM van; IMG (2009-01-23)
      Abstract not available
    • Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden : GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013

      van Kamp I; Dusseldorp A; van den Berg GP; Hagens WI; Slob MJA; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD Amsterdam, 2014-01-21)
      Noise annoyance is the most often described effect of living in the vicinity of wind turbines. Some people report annoyance (irritation, anger and anxiety) if they feel that the quality of their surroundings and living conditions will deteriorate due to the siting of wind turbines. This can lead to health complaints. There is insufficient data available to evaluate the effects of wind turbines on sleep disturbance. There is no evidence for other direct health effects. These are the main conclusions of a literature survey performed by the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). Noise annoyance The noise from wind turbines is quieter than that from comparable sources, such as traffic or industry, but it is experienced as more annoying. This is caused by the typical swishing characteristics of the noise. Perhaps the low frequency component of wind turbine sound leads to extra annoyance, as is the case with other sources. However, there is no evidence of this as yet. Contextual and personal factors Besides the actual levels of noise people are exposed to, personal characteristics and the circumstances surrounding exposure also play a role in reported annoyance. For example, at equal noise levels, people report more annoyance when they can actually see a wind turbine. Moreover, economic aspects can also influence the level of annoyance: people who benefit financially from a wind turbine report less annoyance. Other factors that should be taken into account when interpreting annoyance scores are noise sensitivity, privacy issues and social acceptance. This report reviews recent literature on health effects related to wind turbines. This has been done at the request of the Municipal Public Health Services in the Netherlands and it is aimed at supporting them in answering questions from residents about the effects on health and well-being of wind turbines. These questions often play a prominent role in local discussions on plans for (or an extension of) a wind turbine park. In the discussions on local wind energy projects, it is suggested that the Municipal Public Health Services focus on providing adequate information about the effects on actual and perceived health to policymakers as well as the public.
    • Winning en bescherming van grondwater in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug

      Heij GJ (projectgroep Oost-Utrecht., 1987-04-30)
      Abstract not available
    • Winningsmogelijkheden van grondwater in het Gooi en Eemgebied

      Snelting H; Groenewoud P (1989-06-30)
      Abstract not available
    • Winters in Nederland zijn niet te koud voor overleving van diapauze-competente Aziatische tijgermuggen

      Takumi K; Braks M; Scholte EJ; Reusken C; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-31)
    • Wintersmog en verkeersmaatregelen, effecten op luchtkwaliteit en gezondheid

      Rombout PJA; Bloemen HJTh; Bree L van; Buringh E; Eerens HC; Fischer PH; Marra M; LEO; LLO; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-03-01)
      De concentraties tijdens wintersmogepisoden van deeltjesvormige luchtverontreiniging en van de gassen SO2 en NO2 zijn tegenwoordig lager dan wat gemeten werd in de episoden van eind jaren tachtig. Verkeer draagt in belangrijke mate bij aan de deeltjes- en gasvormige luchtverontreiniging. Er zijn aanwijzingen dat ziekenhuisopnamen, mortaliteit en andere minder ernstige acute gezondheidseffecten in de bevolking geassocieerd zijn met blootstelling aan deeltjes- en gasvormige luchtverontreiniging. Voor PM10 (dat als indicatorcomponent voor het verkeer wordt gebruikt) wordt een lineair verband aangenomen tussen concentraties en gezondheidseffecten, tevens wordt ervan uit gegaan dat er geen drempelwaarde is waaronder geen effecten optreden. Uitgaande van deze vooronderstellingen wordt geconcludeerd dat de extra dagelijkse gezondheidseffecten van een extreme dag met een concentratie van 230 microg/m3 PM10 varieren van een toename van de sterfte met ongeveer 20% ten opzichte van het gemiddelde tot een bijna drievoudige toename van medicijngebruik onder astmatische kinderen. Met de huidige kennis wordt ingeschat dat het verlagen van de jaargemiddelde concentraties luchtverontreiniging door een structurele aanpak van de (verkeers)emissies, een groter positief effect op de gezondheid heeft dan het op ad hoc basis stilleggen van het lokale verkeer tijdens zo'n extreme dag.
    • Wintersmog en verkeersmaatregelen, effecten op luchtkwaliteit en gezondheid

      Rombout PJA; Bloemen HJTh; van Bree L; Buringh E; Eerens HC; Fischer PH; Marra M; LEO; LLO; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-03-01)
      Current concentrations of air pollution during episodes of winter-type smog are now lower than in the late eighties. Traffic is a major contributor to the particulate and gaseous air pollution. There are indications that hospital admissions, mortality and other less severe health effects are associated with particulate and gaseous air pollution during episodes of winter-type smog. As an example an estimate has been made of the expected effects on daily health after exposure to extreme 24 h concentration of 230 microg/m3 PM10. The health impact varied for different endpoints, of which high and low values will be presented. During such an extreme episode acute mortality is expected to rise by approximately 20%, while use of medication by asthmatic children is expected to rise threefold. Other health endpoints showed increases between these two. Current knowledge indicates that (even a modest) decrease in yearly average concentrations has a greater positive effect on health effects than stopping all traffic emissions in the Netherlands during such an extreme episode. Therefore a more permanent policy of curbing (traffic) air pollution is probably more effective in reducing public health risks than a one-off termination of all urban traffic in the Netherlands during a winter-type smog episode.<br>
    • Wonen en werken ruimtelijk verkend. Waar wonen en werken we in 2020 volgens een compacte inrichtingsvariant voor de Vijfde Nota Ruimelijke Ordening?

      Goetgeluk RW; Louter PJ; Borsboom-van Beurden JAM; Kuijpers-Linde MAJ; Waals JFM van der; Geurs KT; LBG (TNO Inro DelftCentrum voor Omgevingsrecht en -BeleidUniversiteit Utrecht, 2000-05-22)
      In the context of preparing the Netherlands' Fifth Memorandum on Spatial Planning to be issued in 2000, the RIVM and TNO Inro have developed a scenario for spatial developments in housing, employment and infrastructure for 1995-2020. This scenario is based on modelling of historical trends and assumptions about effects of spatial policies; it highlights quantitatively and on a low spatial scale the consequences for land use with reference to projections for population, dwellings and employment. The two models, Land Use Scanner and OPERA, are used respectively for spatial allocation of housing and employment. The resulting spatial structure in 2020 is evaluated in terms of the planning principles for national spatial policies.
    • Wonen in de IJmond, ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus

      van Bruggen M; IMG; MGO; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-10-16)
      In mei 2008 besteedde het actualiteitenprogramma Zembla aandacht aan de zorgen van omwonenden over de emissies van Corus. In antwoord op Kamervragen heeft de minister van VROM in juni 2008 het RIVM gevraagd te onderzoeken of de uitstoot van Corus van invloed zou kunnen zijn op de gezondheid van de bewoners van IJmond. Letterlijk: "Een breder onderzoek naar de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van de omwonenden van Corus in IJmond". Dit onderzoek mondde uit in een drietal RIVM-rapporten en een rapport dat in opdracht van het RIVM door het NIVEL is geschreven. Deelrapport 1 beschrijft de invloed van Corus op de luchtkwaliteit in het IJmondgebied en vergelijkt de concentraties met beschikbare luchtkwaliteitsnormen. Dit rapport focust op de huidige en deels op de toekomstige situatie. De titel luidt: "De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving (RIVM-rapport 609021079; Schols (ed.), 2009). Deelrapport 2 schetst een beeld van de luchtconcentraties in het verleden die het gevolg zijn van de historische emissies van Corus. Ook is met behulp van historische gegevens de invloed op de bodemkwaliteit berekend. De titel luidt: "Historische immissies en depositie (RIVM-rapport 601797001; Lijzen (ed.), 2009). Deelrapport 3 brengt voor de periode 1995-2006 alle nieuwe gevallen van kanker in beeld in een honderdtal postcodegebieden op verschillende afstanden van Corus. De mogelijke invloed van roken op longkanker wordt onderzocht met behulp van de sociaaleconomische status en die van emissies van Corus in het verleden met behulp van historische blootstellingsgegevens. De titel luidt: "Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken" (RIVM-rapport 630006001; Van Wiechen (ed.), 2009). Deelrapport 4 beschrijft de gezondheidsklachten die een twintigtal huisartsen in praktijken op verschillende afstanden van Corus hebben geregistreerd in de jaren 2005-2007. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL. De titel luidt: "Gezondheidsproblemen in de regio IJmond zoals geregistreerd door de huisarts" (Nivel, 2009). Deze vier rapporten vormen samen het belangrijkste element van het antwoord van het RIVM op de onderzoeksvraag van de minister. Het RIVM heeft kort na de uitzending in een briefrapport een reactie gegeven op het haaronderzoek dat in de Zembla-uitzending werd genoemd. Dit onderzoek heeft in de periode daarna geen rol meer gespeeld, dus het wordt hier alleen volledigheidshalve genoemd. Tevens is een samenvattend rapport van PlaatsTaal Tekstbureau verschenen, dat de inhoud van bovengenoemde rapporten samenvat. Het is getiteld: Wonen in de IJmond, ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus (RIVM-rapport 601797002; Van Bruggen (ed.), 2009). Dit rapport ligt voor u.
    • Wonen langs het spoor : Gezondheidseffecten van trillingen door treinen

      van Kamp I; van Kempen EEMM; van Wijnen HJ; Verheijen E; Istamto T; Breugelmans ORP; Dirven EM; Koopman A; M&G; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMdBvisionLevel Acoustics, 2015-02-23)
      In the Netherlands circa 845.000 residential addresses, with some 1.347.400 residents of 16 years and older, are located within 300 meter distance to a railroad track. About twenty percent of these residents experience severe annoyance from vibrations caused by trains. They complain about feelings of irritation, anger and discomfort. At night this annoyance can manifest itself in severe sleep disturbance. By far the largest part of annoyance and sleep disturbance is reported in relation to vibrations due to cargo-trains. About 528.000 people live at addresses along the railroad where vibration can be perceived, but vibrations lie below the Vmax-vibrations strength of at maximum 3,2. In the Netherlands this level is used as limit value. A large part of annoyance and sleep-disturbance is found below this limit value. From a public health point of view it is relevant to also address these levels of vibration below the maximum threshold. Because it concerns a large number of residents, much health gain can be achieved here. In order to abate these relatively low levels of vibrations not only interventions are needed which reduce the vibrations but also clear communication is necessary about factors which amplify the annoyance on top of the vibration strength. One could think of fear of damage to the home and expectations that the level of vibration will increase in the future. It is important to be aware of these feelings and to communicate in a transparent manner about future developments and potential compensation measures. Despite the fact that the complaints exist already for years, the health effects of vibration due to trains have rarely been studied among residents. In order to gain more insight in the type and size of these effects and in whom these do occur, a questionnaire survey was held among 4927 people living within 300 meters from a railroad track in the Netherlands. This study supports further guidelines for rail traffic related vibrations, but defining the norms falls outside the scope of this report. Hereto we need more information about measures and their costs. In view of the expected increase in the number of cargo-trains at some locations it is advised to monitor the health effects of these trains.
    • Woningbouw, milieu-effecten van technische voorzieningen uit het plan van aanpak Duurzaam Bouwen

      Smit JRK; LAE (1997-10-31)
      This model study assessed the environmental effects of several technical measures for the reduction of energy and water use and the use of materials in existing and new dwellings, projected over the 1995-2020 period. The model assesses the effects by a physical causal represention of the dwellings. The measurements taken alter the energy, water and materials efficiency in the dwellings, leading to a reduction in the use of each of the three resources. Taking place under the policy of sustainable building the above measures are instrumented by regulation (energy efficiency in newly built dwellings), information transfer and covenants with the public and private partners in the decisionmaking chain of the building industry. Each of the measures has been equiped with an penetration scenario for the autonomous developement and the stimulus for this given by the sustainable building policy. The set of relevant policy instruments imposed by the sustainable building policy will be either certainly or probably employed up to 2005. The instruments are assumed to persist after this period, thus leading to a continued penetration of the measures.
    • Woningbouw, milieu-effecten van technische voorzieningen uit het plan van aanpak Duurzaam Bouwen

      Smit JRK; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-10-31)
      In deze model studie worden de milieu-effecten van een aantal technische maatregelen uit het plan van aanpak Duurzaam Bouwen beschouwd, over de periode 1995-2020. Het betreffen maatregelen voor de reductie van energie-, water- en materiaalverbruik in de woningbouw. Het model berekent de milieu-effecten uit een fysisch-causale beschrijving van woningen. De maatregelen worden geinstrumenteerd door regelgeving (op het vlak van de energieprestatie van nieuwbouwwoningen), convenanten en voorlichting, naast de instrumenten die vanuit het beleid worden ingezet waarmee Duurzaam Bouwen een raakvlak heeft. Voor elk van de maatregelen is een scenario opgesteld dat zowel de autonome ontwikkelingen weergeeft als de impuls die daaraan door Duurzaam Bouwen wordt gegeven. Het instrumentarium zal waarschijnlijk tot het jaar 2005 in gebruik zijn. Aangenomen is dat na dit jaar het instrumentarium zal blijven voortbestaan, zodat er sprake is van een voortdurende penetratie van de betrokken maatregelen.
    • Woningen bij bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland

      Kelfkens G; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-22)
      Internationale en nationale rapportages over mogelijke gezondheidseffecten van bovengrondse hoogspannings-lijnen vormden voor de Nederlandse overheid aanleiding om op basis van het voorzorgprincipe te laten onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de blootstelling van de bevolking aan de magnetische velden rond deze hoogspanningslijnen te reduceren. In het kader van dit onderzoek heeft RIVM de aantallen woningen in zones van 10 tot 200 m aan weerszijden van de hoogspanningslijnen geteld. Deze aantallen zijn nodig om de effecten van de door KEMA geinventariseerde technische maatregelen aan de hoogspanningslijnen te kunnen evalueren. Deze rapportage beschrijft de methode en de resultaten van de woningtellingen. In Nederland blijken zich ruim 120.000 woningen binnen 200 m van een hoogspanningslijn te bevinden. Van deze woningen ligt ongeveer 75% rond de 150 kV hoogspanningslijnen. Smallere zones bevatten minder woningen. Binnen 100 m liggen circa 45.000 woningen en binnen 30 m nog ruim 5.000. Op basis van een steekproef is geconcludeerd dat de onnauwkeurigheid in de locaties van de hoogspanningsmasten en van de woningen gering is. Omdat de resterende onnauwkeurigheden bij tellingen over grote gebieden uitmiddelen, is een systematische onder- of overschatting in de berekende aantallen woningen niet waarschijnlijk. Een mogelijk beleidsdoel is het reduceren van het aantal woningen binnen bepaalde magneetveldzones. In dit rapport wordt een methode van presenteren voorgesteld die onderzoek naar een kosten-effectieve aanpak van zo'n reductie kan ondersteunen.
    • Woningen bij bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland

      Kelfkens G; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-22)
      With reference to several reports on the possible health effects due to overhead power lines, and in consideration of the precautionary principle, the Dutch government initiated research into costs and benefits of measures to reduce the population's exposure to magnetic fields encircling these power lines. In the framework of this research RIVM calculated the number of dwellings in the zones located in the vicinity of 10 to 200 m (measured bilaterally) from the power lines. On basis of these numbers the effects of the technical measures evaluated by KEMA can be assessed. This report describes the method for the counting of the dwellings and the results. The results indicate that in the Netherlands over 120,000 dwellings are situated within a distance of 200 m from an overhead power line. Of these dwellings about 75% are situated along the 150 kV power lines. Smaller zones contain lower numbers of dwellings. About 45,000 dwellings are situated within 100 m, and 5,000 within 30 m of a power line. A spot check showed that inaccuracies in the locations of the pylons and the dwellings are small. Because the remaining inaccuracies become insignificant in averaging over large areas, the RIVM-method is not expected to lead to systematic under- or overestimation of the calculated number of dwellings. A possible direction of a future policy is the reduction of the number of dwellings in those areas where certain levels of the magnetic field are exceeded. In this report a graphic method, which may be useful in evaluating costs and benefits of such a reduction, is proposed.<br>